Het verhaal van de Bietenbank en Grimbeertje het konijn

Grimbeertje het konijn

Grimbeertje het konijn

Bijna een heel jaar na het overlijden van het moedertje van Grimbeertje, die een aanzienlijke hoge leeftijd bereikt had voor een ploeterend en nijver konijnendametje, ontving het konijn, dat zelf ook al behoorlijk op leeftijd begon te raken, een brief van de Bietenbank van zijn moeder, gericht aan de ‘Erven Resida Konijn,’ p.a. de heer Grimbeer. De heer Grimbeer stond wat verbaasd naar de enveloppe te kijken in de veronderstelling, dat alles toch in goede orde afgehandeld was en de hele erfenis afgewikkeld was. Niet dat er veel te erven viel, maar blijkbaar is in alle gevallen een flinke hoeveelheid papier nodig om een volstrekt bezits-, dus testamentsloos bestaan af te ronden.

Zijn lieve moedertje was rustig en zachtjes weggegleden onder de noten van ‘You never walk alone’, hoe kun je het verzinnen, maar het was echt waar. Een minuut of tien voor het einde, kwam er nog een vliegend verplegingskonijn binnen dat zich ongeneerd over het stervende konijntje heenboog en in verukking uitriep dat mevrouwtje nu aan haar laatste zuchtjes bezig was. Resida, nog even bij de pinken als altijd, toonde een grimas, die Grimbeer maar al te goed kende. Een onverholen teken van afkeuring, die alleen voor de goed verstaander te vatten was. Hij dus. Grimbeer greep in: ‘Wilt u nu maar weggaan, mevrouw verpleegster- konijn, wij willen graag alleen zijn.’ Het verplegings- konijn droop af, zichtbaar verbolgen over het feit dat haar voyeurisme niet geaccepteerd werd.

Resida en de kleine Grimbeer

Resida en de kleine Grimbeer

‘You never walk alone’ zette in, nadat Resida een ander lied had weggeschud met haar koppetje, omdat dat niet in de smaak viel. Maar dit ging goed en haar adem stokte. Grimbeertje, die toch wel zenuwachtig was, dacht dat het einde nu daadwerkelijk gekomen was, en net als in films wilde hij de oogleden van zijn oude moedertje sluiten. Die schoot echter een beetje in de lach en zei: ‘Ik ben er nog hoor!’ en Grimbeertje antwoordde: ‘Dat is ook typisch weer iets voor jou en het laatste woord hebben.’ Kort daarop gleed Resida weg en was ze verdwenen. Zo snel, stil en zacht dat zelfs een zuchtje wind van de meest milde categorie een storm leek.

Maar goed, die brief van de Bietenbank dus. Deze was weliswaar gericht aan hem, maar het ging om de rekening van zijn lieve moedertje. ‘Beste Klant’, schreef de bank. ‘Alsjeblieft, hierbij ontvang je de eerste Vergoedingenstaat voor je Bietenbank Basisrekening. Een kostenoverzicht van rekening KV96BIBA5327550230 over de afgelopen twaalf maanden. Je ontvangt de Vergoedingenstaat hierna elk jaar in april van ons.’ Vervolgens schreef de Bietenbank dat het de bedoeling was dat Grimbeer elk jaar een overzicht kreeg van de kosten die hij aan de rekening had en kon hij deze vergelijken met de kosten van andere rekeningen. De staat die bij de brief gevoegd was, toonde alleen het onvoorstelbare hoge bedrag van 43 wortels voor alleen de rekening. Alle andere faciliteiten deden in het geval van Grimbeertje en zijn moedertje helemaal niet mee.

Hij wist niet wat hem het meeste stoorde, de vrolijke toon van de brief in combinantie met de adressering ‘aan de erven van’,  het tutoyeren (waar Resida altijd zo’n hekel aan had gehad) of dat hem ongevraagd een product werd aangeboden. Hij vermoedde een combinatie met daarbij nog een slecht humeur. Bietenbank- zaken ontliep hij het liefst zoveel mogelijk, zeker nu in zijn naaste omgeving ‘bevriende’ buurkonijnen en bezorgde ‘vriendkonijnen’ reden zagen om zich bezorgd te maken over zijn financiële toekomst in zijn eigen koophol op het moment dat hij met pensioen kon gaan over net geen vijf jaar. De Bietenbank wilde zo snel mogelijk met hem hierover in contact komen en had al meerdere brieven gestuurd, van een hele andere toon overigens dan de ongevraagd informele variant en zelfs twee keer gebeld. Vanuit het hoofdkantoor.

Zelf snapte Grimbeertje de commotie niet zo, zeker niet die van zijn directe omgeving,  want de app van de Bietenbank, die hem hielp zijn hypotheeklasten en pensioeninkomen naast elkaar te zetten, werkte prima. Hij maakte zich geen zorgen. Ook de veel oudere en wijzere ‘Broer’ Konijn, maakte zich geen zorgen en was zelfs een beetje gepikeerd dat Grimbeer zo weinig vertrouwen toonde in zijn kunnen. Maar goed volgens een ‘Kennis Konijn’ had je een officiele accountant nodig, om dit soort zaken te regelen. Wat was hij daar nerveus van geworden: net of al die konijnen méér van zijn geldzaken afwisten dan hij zelf en die kennis ook nog eens met elkaar deelden zonder hem daarbij te betrekken.

Grimbart

Grimbart

Het cohort ‘Pensioen en Hyptheek’ van de Bietenbank plande een telefoongesprek in en partner Grimbart, die het gesprek zou voeren gezien de zenuwen van Grimbeertje, nam de leiding en sprak met een andere stem, dan die waarmee de afspraak gemaakt was, zo bleek later. Deze had het accent van een konijn uit het Tubantia Bietenveld. Het afsprakenkonijn had overigens een hele andere voorspiegeling van zaken gegeven over de duur van de hypotheekrente en hoe dat inelkaar zat, dan dit konijn zou doen. Maar goed, het valt ook niet mee om alles op een rijtje te krijgen. Een hypotheek bestaande uit drie onderdelen, met ieder een andere looptijd en een andere rente en dan nog een verzekering bij een derde partij, die wel onderdeel van de Bietenbank is, maar waarmee geen gegevens gedeeld mochten worden, omdat ze toch weer niet samen zijn. Grimbeertje en Grimbart kunnen nu nog steeds niet uitleggen, waarom er op de drie hypotheekvormen niets is afgelost, maar op de verzekering van de Niet-Bietenbankpartij, waarmee dus niet gecommuniceerd mag worden, bijna een ton staat. Hogere hypotheekkunde waarover beide konijnen ‘Broer Konijn’ nog eens moeten benaderen.

Het Hypotheekkonijn uit het Tubantia- knollenveld

Het Hypotheekkonijn uit het Tubantia- knollenveld

Het werd een wat chaotisch gesprek, vooral omdat het zonder Tubantieaccent sprekende jonge hondenkonijn (hoe oud was dit konijn eigenlijk, begin twintig?) perse Grimbeertje zelf wilde spreken. Hij moest hem vragen stellen. Of hij tevreden was met zijn inkomen? Hoe hoog zijn inkomen was? Of hij werk had en zo ja waar dan. Of hij nog andere rekeningen had en vooral of hij kon sparen. Grimbeertje dacht even dit allemaal niet goed verstaan te hebben en keek hulpeloos naar Grimbart, die natuurlijk baalde dat de leiding van het gesprek nu bij die zenuwpees lag. Op de vraag hoe hoog het inkomen zijn zou na hun beider pensionering, gaf Grimbeertje het enig juiste antwoord, zelf verbaasd dat hij zo goed bij zinnen was dit op te hoesten. Hoe hij dat nu zo precies kon weten: want het klopte op de cent nauwkeurig, vroeg het hypotheekkonijn hoorbaar argwanend. ‘Via jullie eigen pensioen- app’, hapte Grimbeertje ad rem terug. En verontschuldigde zich daarna snel, want eigenlijk was de lijn zo slecht dat het net leek of er een heel wortelveld vol konijnen tegelijkertijd met het Hypotheekkonijn aan het praten was en hijzelf was inmiddels toch wel behoorlijk hardhorend geworden. Hij gaf het toestel aan Grimbaart, die zijn lijstje met vragen afwerkte en tevreden afsloot met de mededeling dat het gesprek een 7 ½ kreeg, wat hem betreft. Maar je kon geen halve punten geven, bleek uit het gesprek. Het werd een 8: bij jonge konijnen moet je altijd wat milder zijn in je beoordeling vond Grimbart. Dat werkt stimulerend. En hij had die hypotheek toch maar goed geregeld indertijd en het adagium dat zo populair is onder konijnen, ‘een worteltje in de bek, is beter dan tien in het veld’ bleek eens te meer te kloppen.

Grimbeertje kon eindelijk ontspannen en stak een poot omhoog naar alle insinuerende konijnen in zijn omgeving en wenste ze een hele slechte dag toe, zonder vrienden en zonder kinderen in de toekomst en besloot zich nooit meer wat aan te trekken van de misschien wel vooral heel jaloerse knaagdieren. ‘Neem mijn mankementen er maar bi’j, dacht hij, ‘dan knagen jullie wel anders.’

 

februari 2020

Van de Koolmees en het Borstlapje

Er schijnt in opdracht van de regering een commissie aan de slag te zijn gegaan om onderzoek te doen naar de situatie op de arbeidsmarkt. Deze commissie staat onder aanvoering van een mijnheer op leeftijd die aan het eind van de vorige eeuw ingrijpende veranderingen heeft doorgevoerd op diezelfde arbeidsmarkt, waardoor wij nu met de ‘gebakken peren’ zitten. Ik vraag mij af waarom zo’n mijnheer een dergelijke taak wederom op zich wil nemen en waarom hij überhaupt gevraagd is daarvoor. Zelf heeft hij nul, nul betrokkenheid meer bij de arbeidsmarkt, zijn kinderen zijn 1,1 keer beter dan de gemiddelde kinderen op de arbeidsmarkt terechtgekomen en zijn kleinkinderen kunnen 2,2 keer méér profiteren van de overgeërfde voordelen. Ze moeten natuurlijk niet omlaag trouwen of relaties aangaan, want dat doorbreekt de opgaande lijn weer. Ik weet overigens niet over mijnheer Borstlap kinderen heeft en dat doet er natuurlijk helemaal niet toe, waar het om gaat is dat er toch beter een intelligent, jong iemand die nog wat te verwachten heeft van de arbeidsmarkt en de nadelen van de huidige situatie kent beter de leiding had kunnen hebben. Het voorstel zou dan ongetwijfeld veel geloofwaardiger overgekomen is, zelfs ongeacht de inhoud.

De commissie heeft hard gewerkt: ze hebben interviews gehad met mensen op de arbeidsmarkt en kwamen tot de conclusie dat er een schrijnende scheefgroei is ontstaan tussen flex en vast. Een scheefgroei die vooral hard aankomt bij de jongere generaties en dat klopt; dat zie ik ook bij de jonge mensen om mij heen. Met of zonder diploma, maar met een hoge studieschuld. Op het moment dat een jongere zonder studieschuld de arbeidsmarkt opkomt, dan komt het wel goed zo lijkt het. In ieder geval in zijn persoonlijke omgeving, want hij of zij had slimme, kapitaalkrachtige en gezonde ouders.

Ik heb wat commentaren op het plan gehoord vanuit verschillende perspectieven, maar niemand sprak over de mensen die nu niet op de arbeidsmarkt zijn, ernaast of eronder zitten. Niemand sprak over de mantelzorgers, al dan niet zelfgekozen, die vastlopen op diezelfde arbeidsmarkt, over de mensen die met hun opleiding niet aan de slag kunnen en gefrustreerd uitwijken naar andere baantjes en over mensen die de hardheid van de arbeidsmarkt niet kunnen verwerken en gehavend op de vluchtstrook belanden. 

Het leven is zoveel meer dan alleen die arbeidsmarkt. Borstlap had zijn stokpaardje naar de finish geleid, want om mensen bij de arbeidsmarkt te houden, was er een ‘ontwikkel-potje’ bedacht, een soort toeslag voor eigen scholing. Je koopt voor een veel te hoog bedrag scholing in en na een jaar blijkt dat je te weinig jezelf geschoold hebt en je krijgt een naheffing. zoiets dus. De mensen die jou scholen varen er wel bij en dat scheefgegroeide onderdeel van de arbeidsmarkt, de verhouding tussen zij die coachen en ontwikkelen en zij die gecoacht en ontwikkeld worden, wordt alleen maar groter.

Niemand heeft mij of mijn buren gevraagd of wie dan ook gevraagd, hoe wij arbeid en inkomen bekijken en of wij misschien niet vinden dat er eens op een andere manier naar deze traditionele uit de hand gelopen dagbesteding kan worden gekeken. Er zijn al zoveel mensen die nadenken over andere vormen van inkomen: basisinkomen is er daar maar één van. Hier heb ik niets over gehoord, ook niet dat de commissie er over gedacht heeft hier iets mee te doen.

Waar ik ook niets over gehoord heb, is over de situatie van de Nederlandse arbeidsmarkt in relatie tot de Europese en mondiale markten. Over de arbeidsmigratie en de diploma- inflatie en over al die andere dingen die maken dat de Nederlandse arbeidsmarkt al lang niet meer zo Nederlands is als wij denken.

Ik heb de site maar eens bezocht. Daar lees ik het volgende uitgangspunt: ‘ Voor een goed werkende arbeidsmarkt zijn regels nodig. Om vraag en aanbod van werk op een zo goed mogelijke manier bij elkaar te brengen. Om te zorgen dat werk de hoogst mogelijke welvaart oplevert voor werkenden, bedrijven en de samenleving. En om te bevorderen dat werkenden worden beschermd tegen werkgerelateerde risico’s.’ Daarin valt op ‘hoogst mogelijke welvaart’ voor werkenden en bescherming tegen ‘werkgerelateerde risico’s’ en dat voor werkenden, bedrijven en samenleving. De laatste twee werken niet, dat is duidelijk. Welvaart alleen voor de werkenden die dan ook nog een maximaal beschermd moeten worden tegen mogelijke risico’s van de dat werken. Een moeder die op straat struikelt over een losliggende stoeptegel heeft duidelijk pech gehad en de oudere zoon die door de scootmobiel van zijn dementerende vader een gebroken voet oploopt eveneens.

En dan een van de conclusies: ‘De Commissie stelt vast dat de huidige regels rondom werk duurzame arbeidsrelaties ontmoedigen en dat de regels bovendien erg complex en onduidelijk zijn. Dat is slecht voor de productiviteit en innovatiekracht van bedrijven, en veroorzaakt (financiële) onzekerheid bij werkenden, en werkenden die niet goed beschermd zijn tegen risico’s rondom werk. Daarnaast oordeelt de Commissie dat niet alle werkenden voldoende mogelijkheden hebben om zich te ontwikkelen tijdens hun werkzame leven, terwijl mensen steeds langer doorwerken en de inhoud van het werk sneller verandert. Ten slotte zorgen de regels onvoldoende voor een arbeidsmarkt waarop alle mensen, ongeacht hun capaciteiten, kunnen meedoen en weer snel aan de slag komen als ze tijdelijk aan de kant staan.’ 

 

Ik heb nog even verder gekeken, maar de commissie is vergeten definities te maken, zo lijkt het. Wanneer is iemand een werkende, wanneer is iets of iemand een bedrijf en wat is nu eigenlijk de samenleving en waag je dan nog maar niet aan het definiëren van de Nederlandse arbeidsmarkt. En dan ondernemerschap? Ik vind mensen die op basis van ruileconomie een redelijk bestaan opbouwen, erg ondernemend. Ik vind mensen die helemaal zelfvoorzienend willen gaan leven buiten de arbeidsmarkt om, mega- ondernemend en mensen die gewoon thuis blijven om kinderen op te voeden op en voor hun ouders zorgen méér dan waardevol ondernemend. Al deze mensen komen niet in aanmerking voor een ontwikkelbudget: ik zou zeggen maak dat onderdeel van een basisinkomen voor iedereen, zorg dat onderwijs, openbaar vervoer en zorg kosteloos is en verander al die leegstaande gebouwen in aardige appartementen voor jonge woningzoekenden met een studieschuld, een flex- contractje of helemaal geen contract en de wens een gezin te stichten. Dat is pas goed voor een duurzame samenleving, die méér is dan arbeidsrelaties.

januari 2020

Een uitnodiging voor eens maar nooit meer: het relaas van een ooit gehouden kerstborrel

 

Soms krijg je onverwacht een uitnodiging om vlak voor kerst bij mensen een borreltje te komen drinken, want dit jaar zijn ze eindelijk eens thuis met de feestdagen. Soms is in mijn geval wat overdreven, zelden is eerder het geval. Het is niet erg: ik zit er niet op te wachten en heb genoeg aan mijn eigen huishouden en alles wat daarin moet gebeuren om er een feest van te maken met iedereen die het maar wil, of zoals dit jaar gewoon met elkaar, de poes en vijf vissen. Het verschil met het voorgaande jaar was dramatisch: geen oude moeder die dood ligt te gaan, maar toch haar best doet om een leuke tweede kerstdag en nieuwjaarsdag te maken, geen schoonfamilie, dochter met aanhang of een vrolijke vrijgezelle dochter. Een ontmoeting was welkom, dat is toch de geest van kerst.

Al twee weken voor kerst een aantal jaar geleden dus, werd ons mondeling de uitnodiging gedaan door Anja: partnerlief had een week daarvoor al even haar geliefde Peter gesproken bij het neer laten dalen van wat overgebleven bloembolletjes in kuiltjes aarde in het gemeenteplansoentje. Het gesprek kwam op de verkoop van het oude huis van mevrouw Steekers, dat eigenlijk doorlopend verhuurd wordt, maar nu blijkbaar niet meer, aldus de ongetwijfeld welingelichte kringen van de buren. Wij missen dit standaard: Maarten standaard en ik omdat ik mij er niet mee bezig hou.

Mevrouw Steekers was mij overigens dierbaar. Zij klopte wel eens op het raam als ik terug kwam van het naar school brengen van de jongste en vroeg of ik tijd om een kopje koffie met een vers gebakken wafeltje te komen eten. Ik had altijd tijd. Ze liet mij haar mooie huis zien, waar overal vaasjes bloemen stonden die ze elke dag naliep op dooie blaadjes en om het water te verversen. Ook beneden op de koelkast had ze zo’n vaasje staan. ‘Als ik zin heb iets en ik moet naar beneden dan òf bedenk ik mij òf ik verbruik alweer wat energie, daar  blijf je slank bij.’ Ze liet mij ook de studeerkamer van haar overleden man zien, nog helemaal intact. Hij was seinwachter bij de NS en zat in het wachthuisje van Van Ravenstein. Ach ja, wat is studeren nu helemaal? Haar laatste wijze les was: ‘Kind maak je niet te druk, dan word je net zo oud als ik.’ Een paar maanden later hoorde dat ze ergens in de tussentijd was overleden tijdens het lakken van haar nagels, vermoedelijk in onze vakantie. Wat ik zo mooi aan haar vond? Ze was Limburgs.

Maar goed. Al tijdens mijn knipbeurtje bij de plaatselijke kapper was het gesprek al zo heel toevallig op het verkopen van huizen gekomen en bleek de prijs in onze buurt erg hoog te liggen. Dit soort hints heb ik vlak na het beëindigen van mijn glorieuze archiefloopbaan ook al gekregen, maar gevoeglijk naast mij neergelegd. Nu was blijkbaar het moment daar om in de roddelcircuits weer een balletje op te gooien, ongetwijfeld goed bedoeld daar niet van.

Ook nu weer liet ik dit balletje op de grond vallen en haalde mijn schouders op. Zal wel. De plannen van kennissen van ons, die van Maarten dan, om een soort commune te beginnen hebben wij ook aan ons voorbij laten gaan. Geen zin om in een veel te duur lucifersdoosje van gerecycled beton te gaan zitten op een eiland zo groot als een postzegel en rolstoelen van bejaarde medebewoners voort te duwen,blinden te geleiden en ADHD of hoogbegaafde kinderen bezig te houden. Ik ben daar gewoon nog veel te jong voor en daarbij is het gewoon mijn ding niet en ook niet van geliefde. Wij zijn wat dat aangaat behoorlijk eensgezind. De kennissen zoeken nu vooral jonge mensen, vooral onze dochters lijken uitermate geschikt hiervoor, want het eigen nageslacht is te druk, heeft er geen zin in en is vermoedelijk ook veel te intelligent om dit te gaan doen. Het is leuk om op de kleinkinderen van anderen te passen, schijnt. Dat schept een band zal ik maar zeggen.

Maar die uitnodiging lag mij toch niet lekker. Ik had er geen zin in, rook onraad, maar partnerlief vond het wel aardig dat wij uitgenodigd waren en ging er dus op in, mij met zich meeslepend. S’ochtends op de kerstmarkt in Aken nog echte dure ‘Lebkuche’ gekocht (ik dacht toen al: ‘daar krijg je spijt van, heel erg veel spijt’) maar wilde toch mijn goede kant laten zien. Precies om 17.00 uur meldden wij ons in de regen en direct gevolgd door een ander stel dat ook genodigd was, Pieternel en Floris. Vier voor ons eigenlijk totaal onbekende mensen, die wij alleen van gedag zeggen kenden en van korte gesprekjes op het buurtfeest en of het verjaardagsfeest van lieve mensen een paar huizen verder. Pieternel vond het in de periode van mijn borstkanker wat te veel om nog na tien jaar in dezelfde straat te hebben gewoond een band aan te gaan, want ze had een vriendin aan kanker verloren en was er nog ontsteld van. Ze is op bezoek geweest en dat was heel aardig, al hoewel ik helemaal daas was van de chemo en van het schuren van een deur door buurman, waarvoor hij twee dagen had uitgetrokken. Floris is iets belangrijks bij een opleidingsinstituut en dus ver buiten ons bereik en dat geeft niet: je moet mensen hebben tegen wie je op kunt kijken niet waar.

De gasten zaten gerangschikt naar geslacht over twee banken verdeeld en dat leek mij al niet zo slim. De gastheer en – vrouw op strategische stoelen in verband met de hapjes en de mogelijkheid tot een eventuele terugtrekkende beweging als het niet gezellig zou zijn. De gastvrouwe maakt heerlijke hapjes, dat was bekend en dat had ze ook gedaan, de wijn was heel erg goed en de muziek uit de oude doos paste bij onze leeftijden, van wie ik dit keer eens niet de jongste was. Manlief deed zijn best: hij ging rond met de schaal met hapjes. Altijd galant, zoals hij dat ook was toen hij een keer een Pieternel op de stoep kreeg die een sleutel nodig had van haar huis omdat zij die van haar binnen had laten liggen. Ik was ziek en Maarten ging ondanks zijn werk naar het werk van Floris om daar de sleutel op te halen. De expeditie lukte en Pieternel kon weer naar binnen en ik ziekte weer een beetje door, in pyjama en vest. Ik snap dat zulke dingen zich niet van te voren laten aankondigen. Die Maarten, die ging toch maar op pad voor deze mensen: de dankbetuigingen waren niet van lucht.

Het gesprek vlotte redelijk en het netwerk van drie aan hetzelfde onderwijsinstituut gelieerde mensen kwam ter spraken, als je namelijk getrouwd bent met een dokter dan ben je als vrouw, net als in Duitsland, ook direct ‘Frau Doktor’. Mijn man heeft zich gelukkig nooit een ‘Herr Archivarin’ gevonden en ben hem er nog dankbaar voor. Limburgers zijn Duitsers, in alles. Een enkele keer hoorde ik partnerlief naar adem happen om een bijdrage aan het gesprek te leveren, maar alsof er ergens op een belletje gedrukt werd, spraken drie stemmen daar ongegeneerd doorheen. Soms kwam hij verder dan een zucht, maar stopte omdat niemand (behalve ik natuurlijk, die steeds zenuwachtiger werd) reageerde. Gelukkig bleek een gedeelde imperialistische en koloniale bezigheid, gecombineerd met ongetwijfeld missionaire doelen in het verkondigen van het wetenschappelijke woord in Afrika voldoende reden te zijn om het gesprek te vullen. Indonesië kwam aan bod als land voor prachtige studiedoeleinden, sinds The Killing niet echt meer populair bij ons en dan natuurlijk Afrika. Er was zoveel kennis over te dragen aan afrikanen vanuit Maastricht dat er chartervliegtuigen vol academici die kant opgingen. (Ook heel toevallig dat twee neergehaalde vluchten vol hoogopgeleide mensen zaten, was u, lezer dat ook al opgevallen?)

Op de opmerking van manlief dat, als ze dan zo gedreven waren in kennisdelen, waarom er dan geen afrikaan aan de Maastrichtse universiteit te vinden was, kwam niet veel reactie (hij kon wel uitspreken deze keer) en op mijn vraag of de ecologische voetafdruk toch misschien niet heel groot werd door deze manier van kennisoverdracht, kwam een verontwaardigde reactie. Ik snapte hem direct: de ene afdruk is nu eenmaal niet hetzelfde als de andere. Of een groot deel van dit soort reisjes niet ondervangen zouden kunnen worden door regelmatige skype-sessies bracht ik maar niet te berde.

Gastheer was op enig moment vertrokken en deed zich ongetwijfeld te goed aan stokbrood in de keuken, een extra slok en frisse lucht. Sympathieke man, lijkt wat dat betreft die van mij. Helaas zat deze nu gevangen, of eerder gezegd niet gevangen in een gezelschap dat hem niet kende, mij niet kende, wij hen niet kenden en er geen enkele poging gedaan werd om elkaar echt te leren kennen. Wij hadden beelden van elkaar en toetsten die niet: hadden daar geen zin in. Wij hielden ons goed, nokten af, stopten een kerstkaartje als dank in de brievenbus en verstopten ons onder de kerstboom. Nu die weg is, kunnen wij er niet meer onder blijven zitten en het werk roept en de voorraden moeten weer aangevuld worden. Weer zullen wij bij elke stap die wij buiten de deur zetten Pieternel, Floris of beiden op de stoep zien staan vegen, de roos snoeien, het vuilnis buiten zetten of een stofdoekje uitzwaaien. Wij gaan naar de AH of god weet waar naar toe en op de terugweg zien wij al een bekend silhouet of silhouetten. Soms lukt het om snel een andere route te kiezen, naar de overkant te lopen of plotseling heel druk een foontje te horen zoemen. Wat een heerlijke dingen zijn dat toch, ondertussen hartelijk lachend en zwaaien maar. Altijd maar zwaaien.

Wij hebben het nog wel eens over. Moeten wij dit niet toch eens bespreekbaar maken? Wij voelen dit zo, maar was het ook wel zo? Je weet het toch niet: ik had het voorgevoel en partnerlief had al een paar veilige gespreksonderwerpen bedacht voor het geval dat. Misschien had Floris een nekhernia en Pieternel een verlate opvlieger? Aan de hapjes en de wijn lag het niet, al kreeg ik bijna een slab om mijn nek tegen het knoeien en werd onder mijn bordje een krant gelegd. Ik deed dat vroeger met mijn dochters, die geen aanleg voor knoeien hadden en hebben overigens en heb dat dus heel snel afgeleerd. Het kan zijn dat ik het nieuwe bankstel gemist heb. Dat kan natuurlijk.

Graag zou ik middels dit verhaal met iedereen die het leest willen delen, dat je geen mensen moet uitnodigen voor een kerstborrel, die je toch niet wilt leren kennen of die je een gevoel wilt geven niet welkom te zijn of alleen maar agendavulling zijn als je toch thuis moet blijven met de kerst. Ik weet dat de meerderheid Limburger was, maar toch, zo zout hadden wij het nog niet gegeten. Het was gewoon onwellevend, onbehoorlijk en ongezond. De mensen die je zo behandelt, kwets je en je weet nooit hoe iemand echt in zijn vel zit. Je kunt aan de buitenkant niet zien, of zo’n behandeling net het duwtje is om iemand emotioneel onderuit te halen of in een nare depressie te storten of anders een emotionele crisis door te laten maken. Wij zijn niet van marsepein, dat niet, maar er waren en zijn grenzen. Echt er zijn grenzen. Dus lieve Pieternel en Floris en gastvrouw en – heer, hopelijk hebben jullie van het nieuwe jaar dat zich vier jaar geleden voor jullie opende genoten, blijf je uitleven overzee en verwezenlijk je kennis-verspreidende dromen, maar laat ons verder gewoon met rust. Gelukkig doen jullie dat. Nu nog dat stofdoekje in je achtertuin uitzwaaien: hou alsjeblieft het fijn-stof in je eigen tuin zeg nu de de A2 eindelijk ondertunneld is. 

Dit verhaal is fictief en elke overeenkomst met levende personen berust op toeval

januari 2020

Zorgen om zorgfraude

Het was wel even een item bij Nieuwsuur, over de zorgfraude, afgelopen week. Niet dat ik niet wist dat dit speelde, maar de hoogte van de fraude is bijna onvoorstelbaar.  De geschatte honderden miljoenen zou wel eens veel te laag kunnen zijn, als ik bijvoorbeeld de zorg die mijn moeder kreeg, afzet tegen het bedrag dat zij daarvoor moest inleggen en wat de overheid betaalde (let wel: geen slecht woord over de verpleging en de moeite die gedaan werd om alles goed voor elkaar te hebben) en dat vermeerderd met het bedrag dat door het uitblijven van de zorg die mijn broer als psychiatrisch patient al jarenlang misloopt.

Wat zijn situatie betreft: natuurlijk wil mijn broer zelf niet ‘geholpen’ worden: hij weet, net als zovelen in zijn situatie niet, wat voor een hulp hij kan krijgen. Wat voor hulp er überhaupt is voor mensen zoals hij. Is er ooit iemand geweest die in het sûkerpeën-land aangegeven heeft dat hij in aanmerking zou kunnen komen, met de juiste indicatie natuurlijk en bijbehorende geldstroom voor een verblijf in een aardige instelling, met leuke mensen in een enigszins zelfstandige woonruimte met als medebewoner een poes (of twee), met gelijkgezinde mensen en een aardige dagbesteding helemaal in zijn lijn? Ik vermoed dat zijn indicatie deels is ingegeven door zijn onwetendheid (en ja sorry, maar van zijn zus c.a. wil hij geen advies aannemen, erg verstandig overigens, mijn dochters zijn er nu ook achter gekomen) en deels door geldzucht bij de eerst betrokken zorgpartij, die uitgaande van de wens naar zelfstandigheid, maar helemaal niets doet en het geld opstrijkt. Blijkbaar wil het verzorgingshuis van mijn moeder haar plekje opvullen met haar zoon, door hem als een vroeg-demente bejaarde neer te zetten, althans dat waren zo’n beetje de laatste berichten, terwijl de man met goede zorg een redelijk normaal leven zou kunnen leiden buiten het land van de suikerbieten in een leuke instelling als Titurel bijvoorbeeld. Jammer dat MEE in Borsselen niet meewerkt aan de beantwoording van de hulpvraag die ik als naast betrokkene ingediend heb, maar misschien zijn die ook niet gebaat bij het organiseren van hulp buiten het eigen grondgebied misschien? Het schijnt dat het Zeeuwse dialect niet in Bergen op Zoom begrepen wordt.

Maar goed, daar gaat het even niet om. Als ik al die bedragen snel afzet tegen de uurtjes hulp en ondersteuning van de gemiddelde verpleeghuismedewerker en dat vermenigvuldig met al die mensen, die gelukkig wel in een zorginstelling zitten, dan moet er zoveel aan de strijkstok blijven hangen dat alle miljoenen nog te weinig is. Tel daarbij  namelijk nog op de onterechte declaraties van duizenden zorgbureau’s voor hulp aan huis, ondermaatse opvang in honderden zorg-boerderijen en niet te vergeten de rijke medelander die in een privé-kliniek getild wordt bij het leven (ik heb in eerste aanleg geen medelijden met zulke medelanders, maar opgelicht hoeven ze niet te worden) dat is uiteindelijk vijf miljard misschien nog te laag. 

Waarom ik de situatie met mijn broer ter sprake breng? Dat is om aan te geven dat al die miljarden die in zorgfraude verloren gaan, niet besteedt wordt aan zorg voor mensen die nu geen zorg krijgen en niet opgaan in het verbeteren van de zorg van mensen die al zorg krijgen. Het gaat om méér dan alleen fraude, het gaat om het systematisch ontzeggen van zorg aan de zwaksten in onze samenleving. Zij die namelijk wel in staat zijn om zorg te regelen of te laten regelen, hebben dat echt niet in die volle omvang nodig die zij aanvragen of laten aanvragen. 

Als het zorgsysteem in elkaar dondert, dan hebben wij allemaal een heel groot probleem: een economische crisis die misschien wel vergelijkbaar is met het instorten van de huizenmarkt. Noodmaatregelen zijn nodig: versterk de huisartsenpraktijken, die hun stads-, dorps- of streekgenoten wel moeten kennen in hun postcode-gebied (anders zijn ze ook geen knip voor hun neus waard) en laat die met veel ondersteuning de aanvragen doen bij één centraal loket bij de rijksoverheid. En breng de wijkzusters weer terug, die van rijkswege betaald worden. En als medelanders in een of ander systeem zelf nog een verzoek moeten gaan indienen of moeten ondersteunen, laten ze het dan doen in het Nederlands. Lijkt mij de allerbeste inburgeringsproef ooit.

januari 2020

Kennis is liefde: het belang van het onderkennen van onze cognitieve dissonanties

Schoolmuren heb ik nooit leuk gevonden. Voor mij is kennis vergaren vooral gerelateerd aan het lezen van letters, ongeacht de vorm en de hoeveelheid. Elke manier van het opdoen van boekenwijsheid beschouw ik als een liefdesverklaring en mijn lippen zuigen bij wijze van spreken de kennis uit de bladzijden en maken een afdruk in het papier. Ik ga verrijkt verder en het boek blijft wat beduimeld achter.
Het ‘genieten’ van onderwijs speelde hierin eigenlijk een ondergeschikte rol, behalve het leren lezen, maar dat kon ik snel en wist het te perfectioneren in de tweede klas. Ik kan mij van verdere kennisoverdracht in de klaslokalen van de lagere school maar bitter weinig herinneren en tijdens mijn middelbare schooljaren was ik in de onderbouw met mijn hoofd voorbij de eindexamens. Wat ik heb meegekregen, zelf heb uitgewerkt en vastgehouden, waren vooral de boven de lesstof uitstijgende bevlogen minuten waarin een leraar Duits vertelde over de leer van Plato, een leraar Engels over Shakespeare en zijn lievelingsgedicht ‘The Rhyme of the Ancient Mariner’ voordroeg en een godsdienstleraar aan de hand van de menselijke pyramide van Teilhard de Chardin de superioriteit van de Christen duidde. Ik zat op Rooms-Katholieke scholen vandaar.
De preoccupatie met boekenwijsheid en mijn eigen fantasie blokkeerden ook nog eens het leren van de omgang met mensen binnen de schoolmuren en ik werd dan ook of buitengesloten of heb mijzelf buitengesloten. Al naar gelang de balans overhelde naar de ene of de andere kant, maar echt heel erg heb ik dat nooit gevonden. Alleen op straat, op het sportveld of in de gymzaal kon ik mijn sociale vaardigheden nog wat verbeteren, want daar was ik meestal op mijn best door inventiviteit en initiatief, lengte en balgevoel. Vooral dat laatste werd erg geapprecieerd tot op een bepaalde leeftijd.
Slechts een klein aantal jaar heb ik binnen de muren van een onderwijsinstituut geen last gehad van buitensluiting, dat was toen ik mocht studeren. Dat ging niet zonder slag of stoot overigens, maar mijn onverstoorbare doorzettingsvermogen en de liefde, die relatief vroeg op mijn pad kwam, hebben mij door de eerste moeilijke jaren gesleept. Na mijn bul sloot de Alma Mater zich weer hermetisch en heb ik mijn boekenliefde en kennisdrang vooral in de kantlijn van mijn werkend en opvoedend leven uitgeleefd. Zeer naar tevredenheid overigens, vooral in het laatste segment.
De generatie geboren na 1960 heeft optimaal kunnen profiteren van onderwijs in allerlei vormen, maar de arbeidsmarkt hield evenwel geen gelijke tred met deze ontwikkeling. In tegendeel zelfs. Veel academische titels werden verzwegen tijdens sollicitaties en de terugkoppeling bij een afwijzing was vaak ‘Te hoog opgeleid.’. En dat net voor een generatie die als eerste in een stamboom via onderwijs voortuit kon komen. Precies in deze periode verschenen er ook publicaties van filosofen die begonnen te begrijpen dat kennisoverdracht en onderwijs een controlemechanisme van de overheid dreigde te worden. Ik denk hierbij vooral aan Gilles Deleuze (1925-1995) en zijn essay ‘Postscript on the Societies of Control’ uit 1990 waarin hij voortborduurt op Michel Foucault (1926-1984). Deleuze schrijft dan ook dat de school vervangen werd door ‘perpetua training’ en examinering de staatscontrole overgenomen heeft in de maatschappij. (Deleuze 1992, 5)
Het volgen van onderwijs is een leven lang leren geworden en dit adagium drong door tot alle lagen van de bevolking waardoor de grootste opdracht voor ouders wordt, om hun kinderen zo hoog en zo lang mogelijk door het schoolsysteem te begeleiden. Dit leidt dan weer tot maatregelen in de studiefinanciering omdat de studie onbetaalbaar wordt, waardoor de toegankelijkheid voor een minder gefortuneerde groep weer moeizamer wordt met als toekomstperspectief een flinke schuldenlast en het voortdurend bij- en omscholen van alle volwassenen. Waarbij het onderliggende mechanisme zonder enige twijfel de wens is om de eigen bloedgroep aan de macht te houden.
Dat buitensluiten overkwam mij als individu, maar ook als lid van een hele generatie en dat zal u, lezer niet zoveel interesseren, misschien zelfs doen afhaken. Maar uitgesloten worden overkomt heel veel individuen en zelfs hele groepen in de samenleving, waarin de strijd om het bestaan en het hebben van macht de meest belangrijke drijfveren zijn om aan groepsvorming te doen steeds vaker. Is het strijdtoneel niet een banale oorlog of achterbaks terrorisme en neo-liberaal kapitalisme, dan is het wel die van de cultuur of religie of een combinatie van die beiden. En dit laatste is mijn terrein.
Zygmunt Bauman (1925-2017) wijst in onder meer Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid al op de tweedelingen in de wereldbevolking, waarvan één categorie die van de ‘overbodigen’ mij na aan het hart ligt, omdat deze overeenkomt met die hooggeschoolde mensen van mijn generatie die niet in de lijn van hun opleiding aan het werk gekomen zijn. Al kun je altijd nuttig (onbetaald) werk doen, al is het maar in huis met de opvoeding van kinderen. (Bauman, 2011, 96 e.a.) Het ingrediënt van de angst onder alle groepen is voor hem het meest giftig en maakt deze in zijn woorden postmoderne, maar in mijn interpretatie conservatieve tijden tot een gevaarlijke cocktail voor individuen, want wij behoren niet meer tot sociale verbanden waarin solidariteit het bindmiddel is, hoogstens tot stamverbanden waarin de concurrentie sterk gereguleerd is. Postmodernisme is niet meer dan de eerste fase van een conservatief tijdperk, waarin het neo-historisme alweer bijna voorbij is en het tribalisme de netwerkvorming overgenomen heeft.
De thema’s racisme en antisemitisme komen recentelijk in overdaad terug in de media en het wemelt van de verklarende theorieën en nieuwe inzichten, maar één psychologisch instrument ontbreekt stelselmatig in de verklarende verhalen, namelijk dat van de cognitieve dissonantie én het daarmee samenhangende cultuurhistorische fenomeen van de Apocalyps.
De theorie van de cognitieve dissonantie stoelt op de waarneming dat mensen hun gedrag aanpassen aan dissonante inzichten. Inzichten die met elkaar in conflict komen of het gedrag niet meer rechtvaardigen. Deze conflicten in beleving worden zoveel mogelijk onderdrukt of aangepast, zodat men zo comfortabel mogelijk verder kan leven. De ‘uitvinder’ van deze theorie Leon Festinger (1919-1989) verkreeg hierin inzicht door zich te verdiepen in de berichtgeving na een zware aardbeving in 1934, waarin een geruchtenstroom op gang gekomen was over nog zwaardere bevingen en rampen die zouden gaan optreden. De op het eerste gezicht weinig effectieve doemscenario’s bleken in plaats van vrees opwekkend, juist angst reducerend te zijn. In een veel later werk komt de religieuze dimensie duidelijker naar voren, wanneer hij een groep beschrijft die na een mislukte eindtijdverwachting vrolijk verder gaat met doemdenken en geloven en haar overtuiging verbreidt.
Hoe fraai is het dat dit concept terugkomt in het werk van John Gager (1937) die het vroege christendom bestudeerde vanuit het perspectief van de onvermijdelijke eindtijd en concludeert dat een voorspelling die niet uitkomt, leidt tot een toenemend geloof, in dit geval in de wederkomst van de Messias en de Eindtijd en niet tot een verlies van overtuiging. (Gager, 1975) Een andere studie van hem gaat over de relatie tussen het antisemitisme en de opkomst van het christendom, waarin hij probeert uit te leggen dat de geschriften van de apostel Paulus, die als de grondlegger van het christelijk antisemitisme beschouwd wordt, verkeerd begrepen werden omdat het publiek voor wie hij schreef bestond uit heidenen. Dit nuanceert enigszins de martiale ‘kerk van Paulus’, maar doet natuurlijk niets af aan het misbruik van de teksten voor antisemitische doeleinden. (Gager 1985)
Ook Eugen Weber (1925-2007) brengt dit antisemitisme en de ‘eindtijdmaterie’ samen in zijn laatste boek uit 2000, waarin hij de veel bekritiseerde uitspraak doet dat de houding ten opzichte van de Joden een soort barometer voor de angst voor het Laatste Oordeel is. Het uitblijven van de eindtijd leidde bij wijze van spreken en wat kort door de bocht tot de uiteindelijke bloeddorstige holocaust, waarvoor de Europeanen het heft in eigen handen genomen hebben, omdat het wat lang duurde voordat de Messias terugkeerde.
Een wereldkerk waarin deze bloeddorst op een beschaafd niveau wordt gevierd is de Rooms-Katholieke kerk, waarin de fascinatie voor het bloed begint bij de uitbeelding en beleving van het fysieke lijden van Christus en eindigt in de eucharistie waarin de wijn verandert in het bloed van de Zoon van God. De oorspronkelijke betekenis van het gezamenlijk eten ter ere van God veranderde in een bijna heidens aandoend ritueel waarin bloed gedronken werd, onder een triomfkruis waarop een calvarie geplaatst was (de gekruisigde met Maria en Johannes aan beide zijden, soms aangevuld met een zielig kijkende Adam of vertrapte slang onder de voet van het kruis en Synagoga en Ecclesia aan de uiterste zijden). Deze uitmonstering is te zien in een aantal neogotische kerken die in zeer korte tijdsspanne met veel haast opgetrokken werden. Ze worden nu geafficheerd als ‘Gesamtkunstwerken’, gebouwen waarin alle vormen van kunst één kunstwerk vormen ondergeschikt aan de architectuur, maar zijn echt niet meer dan een soort gemeenschapshuizen, waarin ieder parochielid, van bisschop tot bouwpastoor en van architect tot kerkschilder een eigen rol speelde, gefinancierd door trotse katholieken die zich politiek gingen manifesteren.
De intensivering van dit eucharistisch ritueel vond rond 1870 plaats en de toenmalige gelovige zal zeker niet onberoerd zijn gebleven onder deze handeling, vooral niet als hij of zij ongeletterd was en afhankelijk was van de liefdadigheid. De intense beelden die hij of zij zag, moeten emotionele objecten van persoonlijke projectie zijn geweest. Je hebt een bepaalde aanleg nodig om een dergelijke devotie te kunnen begrijpen en te kunnen invoelen: ik heb die niet. De aandacht voor het lijden van Christus en het verrichten van daden van barmhartigheid lijken mij gesublimeerde vormen van dood en wederopstanding te zijn.
Na een aantal jaar van onderzoek naar deze materie ben ik wel tot de conclusie gekomen dat er een groot verschil is tussen de officiële leer van de Rooms-Katholieke kerk en de interpretatie en verwerking ervan onder leiding van dorpspastoors en ambitieuze kapelaans in de opkomende industriesteden en hun kuddes van laagopgeleide fabrieksarbeiders.
In de muziek buiten de kerk horen wij deze bloeddorst weerklinken bij Richard Wagner (1813-1883) en Gustav Mahler (1860-1911). Wagner blinkt hierin uit met zijn Parsifal, waarvoor de dirigent Willem Mengelberg (1871-1951) een grote voorliefde had en die hem inspireerde om bovenop het dak van zijn chalet in Zwitserland een klokkenstoel te plaatsen, zodat hij de laatste tonen van deze opera zo zuiver mogelijk kon laten weerklinken. De diep katholieke musicus, grootgebracht in een gezin waarin de pausverering erg sterk was en die als jongeman net op eigen benen staand brieven kreeg van zijn vader met de volledige tekst van pauselijke decreten in de vorm van uitgeknipte krantenartikelen en geschreven aanmoedigingen om het rozenhoedje te bidden, was een grote bewonderaar van de gedoopte jood Mahler.
De achtergrond van de grote verering voor deze componist in Amsterdam kon wel eens gelegen zijn in het feit dat men dweepte met een Semiet die tot inkeer gekomen was en nog mooie muziek kon componeren ook. Een voorbeeld voor de vele Joden die zich niet lieten dopen ondanks de herhaalde oproepen. Maar liet je je toch dopen, dan nog was je als gedoopte Jood niet gevrijwaard van achterdocht en uitsluiting, waaraan je alleen kon ontsnappen als je een goed gevulde geldbuidel had waarvan de kerk kon profiteren.
De angst voor gemengde huwelijken en onzuiver bloed moet echt heel groot geweest zijn in de negentiende eeuw, toen de omwentelingen die al met de Franse Revolutie begonnen waren zich gingen verankeren in de samenleving. De Joden hadden hun gelijkberechtiging verkregen in 1796 en wisten deze optimaal uit te nutten doordat zij hun gezinnen klein hielden, strenge spijswetten er op nahielden, veel aandacht aan hygiëne besteedden en onderwijs hoog in het vaandel hadden staan. Daarbij trouwden zij uitsluitend binnen eigen kring, waardoor zij ook niet geliefd waren bij andersdenkenden, maar wel hun kapitaal behielden. Dat de Joden niet als zuil zijn gezien in de Nederlandse geschiedschrijving is een merkwaardig fenomeen, want dat waren zij in de negentiende eeuw zeker geworden.
In de Rooms-Katholieke arbeidersgezinnen daarentegen lag de vrouw voortdurend in het kraambed en de man veelvuldig in de lorem, als wij de verhalen uit die tijd moeten geloven van verontruste pastoors en kapelaans. Het gezin ging economisch ten onder aan een veel te grote kinderschare, maar kon wel in getal bijdragen aan de emancipatie van de kerk.
De Katholieken waren immers in het land waar geen staatsgodsdienst was, een minderheidsreligie geworden na het uiteenvallen van het koninkrijk in 1830 en hadden met de door de paus ingevoerde bisschoppelijke hiërarchie in 1853 veel steun van buitenaf nodig om zich te emanciperen. Zij deden dit door zich enerzijds als slachtoffer van de Reformatie en de burgeroorlog in de Republiek op te stellen en anderzijds zich als een door God uitverkoren volk te presenteren ter vervanging van de Joden.
De negatieve houding ten aanzien van de Semieten als groep is géén negentiende eeuws verschijnsel zoals Gager al aangaf. Een decennium voor hem had Lea Dasberg (1930-2018) in haar briljante proefschrift Untersuchungen über die Entwertung des Judenstatus im 11. Jahrhundert al aangetoond dat het begin van deze ontwikkeling sterk verbonden is met de opkomst van de steden en de burgerij. De Joden kwamen door hun uitzonderingspositie, ze mochten geen lid van een gilde zijn, waren gedoemd tot het voeren van geldhandel, moesten onderscheidingstekenen dragen en in speciale wijken wonen achter een stadsmuur met poorten en een avondklok, voortdurend in het nauw.
Deze benauwde positie herkent Delphine Horvilleur (1974) in haar recente boek Réflexions sur la question antisémite, als de opvallende machtsdriehoek waarin ‘het oude volk’ zich altijd heeft bevonden en daar enerzijds van geprofiteerd heeft en anderzijds onder geleden heeft. Bij Dasberg bestaat deze driehoek uit de plattelandsadel, die zich werkelijk gruwelijk gedragen heeft ten opzichte van de Joden in bijvoorbeeld het Rijnland, de keizer en de steden.
Natuurlijk hoort het bij elke emanciperende groep om een vijandbeeld te hebben. De Katholieken hadden vanouds de Joden hiervoor op het oog (de Saracenen, zeg maar de huidige moslims, waren wat dat aangaat een beter lot beschoren). De negatieve bejegening van Semieten en bekeerde Semieten werd pijnlijk duidelijk in het Goede Vrijdaggebed, waarin de Joden expliciet als de moordenaars van de Zoon van God voorgesteld werden én in het feit dat tot op heden nergens in geen enkel officieel document het antisemitisme definitief wordt afgezworen. Een heel goed beeld van deze zwarte materie schetsen Theo Salemink (1946) en Marcel Poorthuis (1955) in Een donkere spiegel. Katholieke beelden over joden. Nederlandse katholieken over joden, 1870-1925 uit 2006. Een aanvulling op dit boek in kunsthistorische zin zou een nog sterkere indruk van deze mentaliteit geven.
De onderliggende intentie die in het proefschrift van Dasberg te lezen valt, is dat jodenhaat een onvermijdelijke gevolg van een vijandbeeld is dat elke groep die zich als coherent geheel wil vormen aankleeft. Als er geen Joden zijn, dan worden ze wel uitgevonden. Deze onvermijdelijkheid vind je ook terug bij Hannah Arendt (1906-1975) en bij Jean Paul Sartre (1905-1980), maar ik denk eerder dat deze generatie het leed van de oorlog moest verwerken en een manier zocht te vinden om weer met elkaar verder te gaan. De Joden zijn wel degelijk een bewust geconstrueerde en eeuwenlang gestigmatiseerde groep geweest en behoren daarmee tot een soort ‘beroepsmatig’ buitengeslotenen die helemaal niet noodzakelijk zijn om een groepsgevoel te vormen. Het heeft met zuiverheid van het bloed te maken, met de angst voor gemengde huwelijken en een overtrokken vrees voor de toekomst.
Het antisemitisme is een instrument geweest om macht uit te oefenen en de toekomst te kunnen bepalen, niet om echte saamhorigheid te kweken. De liefde immers, die bij saamhorigheid hoort in een samenleving heeft geen Joden of antisemieten of varianten daarop nodig om zich te manifesteren. De primitieve bloeddorst die in onze aard ligt is een liefdeloze trek waarmee wij ons boven mensen van ander bloed willen stellen en dat door een hogere macht gesanctioneerd willen zien.
De kennis die ik nodig had om deze dingen in te zien, haalde ik uit het lezen van boeken. In een maatschappij waarin nog nooit zoveel welvaart geheerst heeft als in de onze, er zoveel tijd voor zelfreflectie is, moet het toch mogelijk zijn om onze cognitieve dissonanties onder ogen te zien. Onderwijs zou hierin een belangrijke rol kunnen spelen, maar om weer terug te keren bij Deleuze en Bauman, die beweren dat de schoolmuren inmiddels vervangen zijn door de grenzen van ons lichaam en de overheid samen met de buitenproportioneel machtige marktpartijen in staat zijn gesteld door de digitale revolutie om via data die wij op internet achterlaten ons doen en laten te kunnen controleren en te manipuleren, is deze pijler van onze maatschappij ondermijnd. Politici weten als geen ander deze instrumenten te gebruiken, bijgestaan door een heel leger van ondersteunende kenniswerkers die een graatje mee willen pikken van mogelijke verkiezingswinsten. De eigen bloedgroep is weer belangrijk geworden, want daar kun je op selecteren. En bij elke bloedgroep hoort een eigen geloof met een eigen Apocalyps.
In een dergelijke inmiddels liefdeloze maatschappij, die haar cognitieve dissonanties niet onder ogen wil zien, is kennis macht, maar er zijn nog zoveel mogelijkheden om van kennis liefde te maken en daarmee onze bloeddorst te beteugelen en niet met geloof en idelogie goed te praten.
Bronnen:
Bauman, Z., Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid, Kalmthout; Pelckmans 2011, vertaald door J.M.M. de Valk. Eerste ed. in het Italiaans 2007.
Deleuze, G., ‘Postscript on the Societies of Control’ in JSTOR , vol. 59, winter 1992, pp.3-7 geraadpleegd op: http://links.jstor.org/sici?sici=0162-2870%28199224%2959%3C3%3APOTSOC%3E2.0.CO%3B2-T (16-07-19)
Festinger, L., H. Riecken en S. Schachter, When Prophecy Fails: a Social and Psychological Study of a Modern Group that predicted the Destruction of the World, 1956
Gager, J., Kingdom and Community. The Social World of Early Christianity, 1975 en The Origins of Anti-Semitism: Attitudes toward Judaism in Pagan and Christian Antiquity, 1985.
Weber, E. Apocalypses: Prophecies, Cults, and Millennial Beliefs through the Ages, 2000

november 2019

Wolkers en ‘equal pay day’

Is het gek dat in een land waarin Wolkers zo populair is vanaf het begin van zijn schrijversloopbaan,  vrouwen in vergelijking tot mannen en gezien hun opleidingsniveau bijna voor niets werken?

november 2019

Een Islamitische medelander laat zijn nikaab uit en een Maastrichtse zijn poes

Mijn blik op de direct omringende wereld van mijn huis, zo klein eigenlijk, is desondanks enorm toegenomen, doordat ik ongevraagd getuige werd van een tweetal vermeldenswaardige gebeurtenissen. Deze speelden zich af op en rond de Groene Loper, waarvan ik inmiddels een grote fan geworden ben. Het heeft even geduurd en niet alle artefacten hebben een toegevoegde waarde wat mij betreft, maar de door de leeftijd milder geworden blik kan inmiddels veel verdragen. Heel voorzichtig ben ik weer begonnen met trimmen en het onveilig maken van het station met fitness apparaten speciaal ontwikkeld voor de ouder wordende mens. Het is vanaf zo’n apparaat dat ik de wereld even door andere ogen zag. 

Op een mooie septemberochtend, voor mijn doen wat later beland op een fietsgeval dan normaal, zag ik links van mij een tweetal silhouetten naderen. De voorste was een herkenbaar, mannelijk exponent van de Islamitische bevolkingsgroep, compleet met sigaret en slecht zittend pak, blinkend montuur, ringen en wat later bleek ook een horloge. Achter hem liep een Barbamama op gepaste afstand. Een nikaab met een venstertje, twee keer zo breed als manlief. Ze liepen voor het gebouw van ‘Psyq’ langs, behorend tot de keten van therapeutische bedrijven waar, zoals ik vernomen heb van direct betrokkenen, de psychische hulp niet echt adequaat is, maar goed waar is dat het wel. 

Ik hoorde de man denken (en zag hem dus op zijn horloge kijken): ‘Als ik hier rechtsaf ga en dan weer rechtsaf dan ben ik in tien minuten thuis. Ga ik een kruispunt verder en ga daar rechtsaf, dan duurt het minstens nog tien minuten langer’. Hij stak een sigaretje op en stak het kruispunt over om voor de langere optie te kiezen, wat hem in mijn ogen weer wat symphatieker maakte. Het was tenslotte mooi weer en de nikaab kon wel wat vitamine D gebruiken, vermoedde ik. Al zal dat niet de doorslaggevende reden geweest zijn. Het zal niemand verbazen, de nikaab volgde zonder tegenspartelen.

Een volgende gebeurtenis deed zich voor toen de ochtenden wat langer donker bleven en ik zelf wat vroeger op hetzelfde fietsapparaat zat. Ik keek voor mij uit, telde netjes de seconden af (je moet ook weer niet te lang op die dingen zitten met mijn afmetingen) en zag vanuit mijn rechter ooghoek een dikke, witte vlek naderen op twee iets minder witte takken gestoken witte sokken  in badslippers. Ik vulde dit beeld van de badslippers in, voordat ik het daadwerkelijk zag. Een forse man kwam aangewandeld met een zwarte poes in zijn armen, aangedrukt tegen een witte, badstoffen kamerjas. Het is altijd jammer dat stevige mensen voor goedkope badjassen kiezen, die zijn namelijk altijd te kort. Maar goed de man deed net of hij mij niet zag en ik deed dat bewust niet. Ik vermaakte mij met het schouwspel van de grote man met de eveneens wat stevige poes, die voorzichtig in het gras werd gezet om zijn of haar behoefte te doen. Ik zag dat er een touwtje aan het geval zag! Een poezenleiband. Het duo liep een paar rondjes (ik begrijp dat kattendrollen niet opgeruimd hoeven te worden, ook niet op een grasveld waar kinderen spelen en soms zelfs mensen picknicken) en de man nam liefdevol het beestje weer op en wandelde terug naar zijn flatwoning. Nog steeds heel hard niet naar rechts kijkend. 

Ik begrijp best dat je s’ochtends geen zin hebt om je aan te kleden voordat je naar buiten gaat, wanneer je poes aangeeft zijn behoefte te willen doen, maar hebben die twee geen kattenbak? 

Al projecterend bedenk ik, dat ik toch liever, in het geval de keuze zich ooit voordoet, de poes zou willen zijn dan de nikaab. En daaraan gekoppeld, om de huidige discussie te verrijken met mijn mening,  hooik hoop dat in Maastricht nooit de muhezzin vanaf de minaret de oproep tot het gebed zal laten klinken. Ik vind kerkklokken al overheersend genoeg, maar deze hebben nog altijd iets muzikaals en geruststellends en passen bij mooie zondagochtenden en geven je het gevoeld dat er tenminste nog medemenselijkheid bestaat. De meermalen per dag herhaalde oproepen tot gebed in een onverstaanbare taal klinken in mijn oren martiaal en onplezierig en nodigen, net als de man met nikaab niet uit tot een keuveltje op een mooie zomerochtend of een medemenselijk gesprek met de iman. (Ooit zo’n man in een jurk wel eens van dichtbij gezien? Elke man in een jurk zou verboden moeten worden op de openbare weg. Maar goed, een te kleine badjas is ook niet alles)

Het zou jammer zijn dat met het schoonvegen van onze openbare ruimte van alle religieuze uitingen, hoorbaar en visueel,  ook de kerkklokken zouden verdwijnen, maar als dat helpt om dit gekrijs tegen te houden, dan graag. Alleen in een land waar de cultuur doordrongen is van deze religie, is het om aan te horen. Mogen daar ook kerkklokken klinken eigenlijk? 

 

 

november 2019

Hollandse plantages in Duitsland en Noord-Frankrijk

Er komt nogal wat klimaatellende over mij heen de afgelopen dagen. Over de wereld in het algemeen bij monde van een van woede uit elkaar spattende tiener, beelden van eeuwig brandende bossen, orkanen in de zwaarste categorie die Azoren kunnen bereiken, smeltend Noordpoolijs en in dalen neerstortende gletsjers. Allemaal wel wat veel eigenlijk voor een gewoon mens.

In de jaren zeventig begon de angst voor het klimaat: smog en zure regen maakten mensen ongerust en het ‘Rapport van Rome’ dat in mijn familiale doorzonwoning in pocketformaat op de salontafel lag, legde het fundament. Er werd over gesproken bij ons thuis: zuinig met water, niet te veel en te ver met de auto, fietsen en de trein. Stevige schoenen en goede schaatsen en vooral adequate regenkleding. Overdag het licht uit en de thermostaat naar beneden, deuren dichthouden en tocht voorkomen. Zuinig met kleding, hergebruik van alles en nog wat, repareren en opgebruiken. Borsselen kwam er ook nog eens bij, daar in Zeeland. Mannen in witte pakken werden s’ nachts gesignaleerd, die radioactiviteit kwamen meten. Heus waar, maar ik heb ze nooit gezien.

Zeeland is verloren, blijkt uit een recent rampenplan. Opgeven maar. Luctor et non Emergo wordt het nu. Vind ik niet zo erg. Mijn vader bereidde mij er al op voor: wat wij hier doen, blijft niet bestaan. Toen ik in Dordrecht ging wonen: leg maar een flinke roeiboot in de tuin. Ik informeerde naar veiligheidspakken voor de kinderen, daar tussen chloortreinen, Dupont en gevaarlijke stoffen op het water. Terug naar de kust wil ik ook niet meer. De serie ‘Grenslanders’ maakte mij nog eens extra duidelijk wat dialect en lichaamstaal kan veroorzaken bij mensen die daar niet op voorbereid zijn: jong hetzij oud. ‘Jie bin è trutte!’ Geen idee waarom eigenlijk. Maar goed een trut in Zeeland, in Friesland en Limburg. Het zal wel, er zijn ergere dingen.

Het verhaal zelf is echt niet zo ver gezocht, als mensen misschien denken, rondom die Dingemansen. En dat ‘zwartje hè’, ja dat zwartje. ‘Jie bin nie van hier1’ . Nee, gelukkig. Goes, in de jaren zeventig, het stadje van Aage M. en Pistolen Paultje. De zeewering bij Hansweert als overslagplaats van drugs en een belangrijk station in ‘human trafficking’. Niets nieuws onder zon.

Maar goed, waar gaan straks die Zeeuwen en Hollanders naar toe. Niet naar de oostelijke provincies alsjeblieft en al helemaal niet naar Limburg. Het is goed wonen hier en daar hoef ik niet nog méér van die kustbewoners tegen te komen. Trouwens de grensstreek is misschien wat minder vol dan de randstad, maar als je er woont toch al overbezet genoeg. Daarbij: volgens mij is er echt geen  enkele Drent, Groninger, Fries, Gelderlander, Tukker of Limburger blij met een invasie van onze landgenoten. Echt niet.

Het lijkt mij dan ook beter dat ze haasje over springen, die jongens en meiden. Onze Ooster- en Zuiderburen lief aankijken, de taal en de gewoonten goed leren (dus niet op de manier zoals in ‘Ik vertrek’, dan kom je nooit aan) en vriendelijke, ecologische nederzettingen bouwen die dorpjes en stadjes in verval kunnen oppeppen. Ik kan er zo een hele rij opnoemen. Circulaire landbouw, windenergie en stikstofreductie. De hele riedel en niet op de Hollandse klompenmanier, maar gewoon beleefd en voorkomend. Dat wordt nog een dingetje, denk ik. 

Wie gaan er eerst: misschien dat er al best veel intellectuelen en kunstenaars zijn die dit aandurven. Of boeren en veehouders die geen bestaan mogen hebben hier. Deze mensen hebben in hun hoofd al decennia geleden de scenario’s doorgenomen van hun gebrek aan toekomst in een land onder de zeespiegel, zowel fysiek als professioneel. Misschien dat vluchtelingen ook beter opgevangen kunnen worden in die Hollandse plantages, natuurlijk wel die Gouden Eeuw even snel vergeten en hen gewoon als mensen behandelen, niet als slaven. 

Wij gaan het zien.

 Ik schreef het in ‘Hier reden wij toen verkeerd’.

Mijn land

Uitzicht over het vlakke land

van heuvels zonder rotsen,

geen bergen, maar glooiende

welvingen in een plat land

boven de zeespiegel,

met de wuivende korenvelden

van een al lang vergaan land

aan de Noordzee,

zonder meeuwen, strandlopertjes en

tureluurs,  maar met buizerds,

wespendieven en havikken,

te zien vanaf het uitzichtspunt.

 

Uitzicht naar een nieuw land,

waar de zeespiegel altijd

laag onder de horizon zal staan

en de zon daalt onder een kim

van aarde dat droog blijft.

Vruchtbaar is voor de koeien,

schapen en geiten van een lang

vergaan land aan de Noordzee,

zonder zeewier, zeekraal, lamsoor

en schorrezoutgras, maar met

struikhei, orchideeën, gentiaan en

zonnedauwsoorten,

te zien vanaf het uitzichtpunt.

 Mijn land.

 

Vergane Zeeuwse thermiek

 

Buizerd in de lucht

werpt schaduw over de

heuvelflank, zwart op groen,

als de vlieger die ik vroeger

had van een plastic adelaar,

altijd zwart op klei, omdat

hij de lucht niet in wilde,

maar in mijn fantasie

zie ik hem dansen op de

Zeeuwse thermiek

net als de buizerd nu,

niet aan zee.

 

 

 

 

oktober 2019

Handhaven dat boerka-verbod

Een vrouw die heel erg van Allah en zijn systeem houdt,

draagt een boerka. Lang leve de boerka.

Een vrouw die van Allah en zijn systeem houdt,

gaat een boerka dragen. Lang leve de boerka.

Een vrouw die nog niet van Allah en zijn systeem houdt,

gaat ook een boerka dragen. Lang leve de boerka.

Een vrouw die Allah en zijn systeem doorziet,

gaat naaktlopen, wordt gearresteerd en afgevoerd in een soort van boerka.

Lang leve de boerka.

 

Wat fijn dat dat ding verboden is in Nederland en dat er op wordt gehandhaafd.

augustus 2019

Alte Männer sind Kriegstreiber

De film ‘Sarajevo’ op Netflix biedt een mooi inkijkje in het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog, waarbij het toeval van de aanslag door Prinzip onderuit gehaald wordt. Het blijft waarschijnlijk tot in lengte van dagen onzeker hoe het precies gegaan is, maar het is bewonderenswaard dat de historici achter deze film zo gedegen te werk zijn gegaan om een ander scenario op te voeren dat goed aansluit bij de meer recente opvattingen over het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog.

Maar die aanslag vond ik zelf niet het meest interessant. De manier waarop de hoofdpersoon geconfronteerd wordt met de hoge officieren die òf de gang van zaken van te voren al hadden voorbereid, zoals de film suggereert, òf direct gebruik maakten van de mogelijkheden die de moord hen gaf vond ik een ‘eye-opener’.  Een jonge idealistische man, een jood, die daar blijkbaar voor het eerst in zijn leven direct mee geconfronteerd werd in negatieve zin tegenover een roedeltje oude mannen dat de loop van de geschiedenis wil gaan bepalen en daarin nog slaagt ook.

Hoe komt dit beeld overeen met het boek waar ik al eerder over schreef van Christopher Clark en waarin de invloed van oude mannen (en hun jongere geliefden) op het verlangen naar strijd van hun (klein) zoons onder woorden gebracht wordt. De eer van je grootvader verdedigen of je grootvader wreken is blijkbaar een emotionele drijfveer voor veel jonge mannen.

In mijn onderzoek naar de beeldtaal van de kerkelijke kunst in de negentiende eeuw komt een opvallend motief telkens terug. Dat is dat van God de Vader, die als oude man, soms lijdend soms mild, met het lijk van zijn zoon of het gekruisigde lichaam voor zich afgebeeld wordt. Het is een motief dat terugkomt in tijden waarin katholieken zich emanciperen en politiek actief worden. Het is een typisch masculien beeld, dat vermoedelijk veel mannen harten in vuur en vlam zal zetten en Dürer heeft hierin zeker een hoogtepunt bereikt.

Het belang en de invloed van oude mannen was in de antieke wereld al groot, immers alleen mannen uit de hoogste laag van de bevolking  van boven de 50 of 60 mochten meedoen in het bestuur van de polis en waren verantwoordelijk voor de politiek van hun stad. Hun zoons en kleinzoons mochten zich in gymnasia vooral bezig houden met lichaamsoefening en daarbuiten met het produceren van nageslacht. Niet voor niets zijn de epen van de klassieken vol oorlogen en strijd: geen wonder dat er geen eind lijkt te komen aan de Trojaanse oorlogen.

Blijkbaar is dit patriarchale beeld ingesleten, want ik kom in mijn onderzoek en gang door universiteiten opvallend veel oudere mannen tegen op dit vakgebied die aanschurken tegen oer-conservatieve overtuigingen en restauratiegedachten koesteren van het ‘altaar’ in de samenleving. Natuurlijk in combinatie met de ‘troon’. (Wat die troon betreft: wordt het niet eens een tijd om die neogotische troon van Willem Alexander van Cuypers eens te gaan vervangen door een meer eigentijds ontwerp? Nu wij toch bezig zijn in die hoek. Ik vind echt dat deze storend veel op de cathedra van de bisschoppen lijkt in de katholieke kerken. Je hoeft niet de hele ridderzaal te veranderen: maar gewoon eens wat accenten verleggen. Meegaan met de tijd: modern koningschap enzovoort).

Deze mannen lijken zich te verenigen in ‘de Orde van den Prince’ en zich, doordat inmiddels analfabetisme toch een heel eind weggewerkt is, richten op het herstel van culturele waarden en behoud van gelijkaardig cultureel erfgoed. Een grensoverschrijdend samenwerkingsverband van, zo benadrukte een sympathiek lid mij, oude, hele lieve mensen, onder wie opvallend veel grootvaders. Maar er zijn meer van die genootschappen waarin onze cultuurhoeders zich verenigen en vooral de subsidiestromen beheersen.

Behalve de oververtegenwoordiging van oude mannen in mijn onderzoeksveld is er ook een uit balans geraakte oververtegenwoordiging van oude mannen in de politiek wereldwijd. Enkelen van hen swaffelen tegen dictatoriale opvattingen aan en in hun kielzog komen de kloontjes weer naar boven. Ik vind dit toch op zijn minst zorgwekkend, zo nog meer afstotend, vooral gezien de massale aanhang van vrouwen die achter hen staat (die ‘Trump-train’ bijvoorbeeld). Ach ja, die vrouwenziel ook. Ik ben heus niet zo’n feminist hoor.

Ik denk wel eens, al die afbeeldingen op een rijtje zettend van God de Vader, of het niet eens tijd zou worden voor een nieuw godsbeeld (en dus een nieuwe troon). Gewoon moeder aarde of de zon met een leuke jurk aan en een kroon op haar hoofd of, zoals de iconoclastische christenen doen, alle afbeeldingen verwijderen en alleen met het woord verder gaan. Bij dat laatste verliezen zoveel kunstenaars, architecten, ambachtslieden en niet te vergeten kunsthistorici hun werk. Dat is ook niet aardig.

‘Alte Götter sind Rächer’, is misschien een variant op de oude man als oorlogszuchtig mens, die al schrijvend bij mij op komt. Maar dan zitten wij meer op de lijn van Thor en komen helemaal in de verkeerde hoek terecht, al hoewel de katholieken wel degelijk de noodzaak voelden zich te wreken op datgeen hen was aangedaan en nog steeds werd aangedaan. Geschiedvervalsing is wel het minst kwalijke effect hiervan.  Al zal het woord wraak niet officieel in de mond genomen zijn, maar eerder verdediging. Maar van wat en tegen wat? En misdaden van erfvijanden van de katholieken werden toch wel heel makkelijk uit de duim gezogen. Een aangedikt lijden uit het verleden roept gevoelens van vergelding op niet van vergeving, zeker in beeldtaal.

Ik vond de samenleving toch een heel stuk prettiger toen de VUT nog bestond en opa’s vooral gingen vissen of duiven melken met hun kleinzoons en zich niet bezig hielden met het op zijn minst verdedigen van hun beschaving, want is die wel zo beschaafd? Die beschaving van oude mannen en hun god?

 

 

 

juli 2019

Voetbalkanonnen en de toren van Pisa II

Zou er een verband bestaan tussen het succes van de Nederlandse voetbalvrouwen en de plotseling gevoelde urgentie bij het Nederlandse leger om weer tanks en kanonnen aan te schaffen en in gebruik te nemen? Als ik het goed begrepen heb uit de NRC podcast staat het Russische leger al aan de poorten van de Baltische staten te rammelen en moeten wij Nederland daar gaan verdedigen. Dat kan alleen met tanks want anders word je niet serieus genomen, zo vertelde de hoogste legerbaas. Is dat zo?

Kom op jongens, jullie kunnen heus wel goed voetballen hoor. Gewoon eerder met ballet beginnen: dan leer je een pirouetje, je benen goed naar buiten draaien en een spagaat. Dat bevordert het betere benenwerk en vermindert de kans op blessures.

De Toren van Pisa is nog niet omgevallen sinds gisteren. Vorige week maandag kreeg ik mijn eerste NRC officieel in de bus en ga weer pittig met een nieuw dagblad aan de slag. Bevalt tot op heden prima, want de krant heeft een indrukwekkende verjonging doorgemaakt die mijn vorige dagblad nog in het verschiet heeft liggen. Daarbij werd Limburg onverwacht flink kritisch onder de loep genomen. Ook een enkele reactie op deze nieuwsgaring werd geplaatst en daarin viel op dat het bedrag van slechts 2 miljoen euri, geloof ik, toch maar als een schijntje beschouwd werd vergeleken bij de enorme bedragen die verloren gaan bij grootscheepse projecten bij overheidsbedrijven die mislukken.

Hoeveel onvrijwillig arbeidsongeschikte en niet meer aan het werk komende wachtgelders met een bescheiden uitkering in Limburg passen er wel niet in twee miljoen euro’s? Een bedrag dat verdeeld werd over nog geen handjevol mensen dat met één dag werken een heel maandsalaris opstrijkt na ook nog eens officieel uit de bocht gevlogen te zijn in voorgaande functies en de rest van de week vrolijk doorkomt al netwerkend in zomerse tuinen met glazen champagne in de hand en op zondag na de mis al peperdure vlaai-etend de komende week doorspreekt? En zijn daarin ook de extra onkostenvergoedingen verrekend, zoals representatiekosten of presentiegelden? Al met al zullen de stumperds in aantal nog steeds niet hoger zijn dan het aantal varkens dat in deze provincie woont gelukkig. Ach, alles is relatief.

 

juli 2019

De toren van Pisa in Limburg

Een spelletje Toren van Pisa is altijd leuk tenminste als je een gezin hebt waarin spelletjes leuk gevonden worden, althans dit soort spelletjes. Helaas is in mijn geval in mijn gezin het spelen van veel spelletjes altijd wel een probleem geweest. Eén ouder die sowieso geen spelletjes wil spelen, van jongs af aan al niet en één ouder die niet tegen haar verlies kan. Dat is mijn leerdoel geweest, mijn hele leven al, want ik moet nog altijd leren mijn verlies te nemen. Twee kinderen die een hele schoolgeneratie uit elkaar liggen bevordert het spelelement ook niet, waarbij inmiddels gezegd moet worden dat de jongste al een hele tijd terug aan immense inhaalslag begonnen is en dat àls wij een spelletje doen, zij iedereen van de tafel afspeelt. Behalve spelplezier en aangeboren handigheid heeft zich bij haar blijkbaar toch ook een ambitie gevormd die winnen mogelijk maakt. Het schijnt dat kinderen vooral van hun ouders veel leren, in mijn geval is dat toch echt omgekeerd. Ik leer enorm veel van mijn kinderen en zou soms de hele opvoeding over willen doen.

De Toren van Pisa is bij ons geen populair spelletje geweest (ik heb het heel kort uit de speel-o-theek in Leeuwarden geleend waar ik vrijwilliger was toen ik wachtgeld ontving) in tegenstelling tot bijvoorbeeld mikado waarvoor zelfs de minst speels aangelegde speler in ons gezin zich aangetrokken voelde. Het bouwen van torens is misschien voor meisjes toch niet zo’n grote uitdaging: nu ik er over nadenk heb ik werkelijk nooit met hen de ‘wie bouwt de hoogste toren’ gespeeld; alleen de opa’s vonden dat een heel leuke uitdaging. In dit spel doet de hoogte er niet toe, het gaat om evenwicht. Het doel van het spel is dus om op een wankele toren zoveel mogelijk mannetjes neer te zetten op de kleur van de ring die je met de dobbelsteen gooit. Dat is best een uitdaging en ik geloof niet dat, behalve in kinderdagverblijven het spel nog veel gespeeld wordt. Het ziet er leuk uit voor hele jonge kinderen, maar het is erg moeilijk voor ze.

Het sociale evenwichtsspel is een opvallend kenmerk van de Limburgse hoogvlakte waar ik nu al méér tien met veel plezier woon. Nu zal elke provincie in Nederland een dergelijke constructie kennen, maar in het Zuiden is het toch aanmerkelijk verschillend met de rest van Nederland en dit heeft te maken met de dominantie van de katholieke kerk. Het telkens terugkeren van voorbeelden van onbehoorlijk bestuur in de landelijke media, daarbij recentelijk zelfs gesteund door een regionaal dagblad, chapeau overigens, is een slechts een marginaal kantje van deze maatschappij. Het valt mij op dat de betreffende onderzoeksjournalisten niet die religieuze insteek hebben gekozen, om de aparte cultuur te verklaren, want zouden ze dat wel doen dan komt nog veel meer aan de oppervlakte van wat wij allemaal al wel vermoeden, maar nooit keihard bewezen kunnen krijgen en wordt het ook begrijpelijker. Dat voorlaatste blijft nog steeds moeilijk, want niets staat zwart op wit en regels zijn altijd rekbaar en kunnen worden verbogen naar de plaatselijke situatie en dat schijnt zelfs al in de rechtspraak te mogen. Maar je kunt wel beschrijven wat je ziet en hoort en aan anderen overlaten het naadje van de kous te weten te komen. Dat is een begin.

Ik hoef hier niet het verhaal van de NRC te herhalen: we weten allemaal dat de oud-burgemeester van Maastricht een uitzendbureautje begonnen was voor wachtende politici en hoge ambtenaren en dat inhoudelijke kennis van zaken helemaal niet belangrijk is in het carousselletje waar de baantjes verdeeld worden, maar dat het netwerk cruciaal is. Zeg maar het ringetje rondom de Toren van Pisa: alle mannetjes op het groene ringetje zoiets. Dat netwerkje zie je als je een mis in de Sint Servaas bezoekt, maar ook een mis in een willekeurige kerk in Bonn bijvoorbeeld en vermoedelijk ook eenzelfde voorstelling in Luik en Brussel illustreert dit. De ‘pommeranten’ (Fries voor leden van de elite) van de parochie (die overigens niet geheel geografisch gevormd lijkt te zijn) worden speciaal welkom geheten door de pastoor en in enkel geval zelfs uitgenodigd tijdens de dienst van het woord een voordrachtje te houden, een soort tweede preek. Alleen het applaudisseren ontbreekt er aan, maar dat mag na afloop van de mis altijd om vooral het koor te bedanken, maar dat zingt voor God dus je kun je het ook zien als een bedankje voor al die vrijwilligers die dagelijks de kerk schoonmaken, de bloemen neerzetten en de was doen, maar die doen dat ook uit echte devotie, dus je klapt in de kerk vooral voor jezelf en je zuiver geweten en schoon hartje. Dat laatste zie je er overigens niet van af als je het koffiemomentje meemaakt na afloop van de mis, want de devote mensen zijn dan altijd al weer aan het opruimen, schoonmaken en de boel aan het klaarzetten voor de volgende mis. Deze cultuur heerst dus in de gehele grensstreek van Nederland en misvormt al decennia de centrum-periferie discussie die als theorie zo populair is in het identiteitsonderzoek, vooral om de regionale identiteit te definiëren waarbij het centrum de vijand is. Ik denk dat veel onderzoekers dit religieuze randje missen, omdat ze zelf niet meer kerks zijn en denken dat iedereen dat is. Een verkeerde aanname, want de inheemse bevolking van de grensgebieden lijdt al generaties lang, ik denk vanaf 1870 ongeveer, onder het Stockholmsyndroom en een veilig vijandbeeld (in dit geval Holland) is wel zo makkelijk in die toestand. Zelf even opzoeken wat dat syndroom nu precies inhoudt.

Om terug te komen op de toren van Pisa en de katholieke pommeranten: dat deze cultuur nog steeds bestaat en vermoedelijk zal blijven bestaan heeft te maken met het evenwicht in de betreffende maatschappij. Er wordt niets anders verwacht dan dat een kleine elite elkaar de bal toespeelt en opdrachten verdeelt onder elkaar, maar ook naar beneden toe. Veel mensen zijn in hun broodwinning afhankelijk van dit bijna Romeinse systeem en je kunt zelfs bij sommige evenementen de ‘claques’ uit de klassieke oudheid herkennen. Ik kwam zo’n claque tegen toen ik per ongeluk uitgenodigd was op de officiële sluiting van het Museum van het Vrijthof, een dependance van de Sint Servaas, die voor een megabedrag hoogstnoodzakelijk verbouwd moest worden. Ik vond die noodzaak wel meevallen eigenlijk: het was best aardig en had als geheel een sympathieke uitstraling. De verbouwende architect was dezelfde die ook de schatkamer van de Servaas onder handen mocht nemen, geloof ik. En ik hoorde toevallig dat deze geassocieerd is aan een architectenbureau dat heel Zuid-Limburg koloniseert als het om opdrachten gaat in de erfgoedsector, dat alles kwam mij ter ore getoonzet in zacht fluweel. Ook dat de onfortuinlijke oud-burgemeester het echt helemaal verbruid had door juist op de opening van dit museum met zijn ‘beau’ langs te komen. Tsja, het was dan ook niet het verjaardagsfeestje van wijlen Herman Gordijn.

De geassocieerden van dit bureau reiken tot in het Utrechtse, want een toonaangevend instituut op het gebied van kerkelijke kunst heeft hen in het bestuur gehad, ooit, of zal hen ooit in het bestuur gaan opnemen. Misschien dat ze elkaar treffen bij het kussen van de ring van de bisschop als je ridder van het Heilig Graf bent: de saluerende politicus is zo’n edelman, maar niet in de erfgoedsector. Staat ook nog op mijn netvlies: die groetende welp voor zijn akela, waarschijnlijk opgevoed in de meest conservatieve scouting club van Nederland gesitueerd op de Sint Pinter waar de pastoor als aalmoezenier nog kind aan huis is en waarnaar  vele Maastrichtse pommeranten hun kinderen brengen ook al wonen ze aan de overkant van de Maas. Overigens behorend tot dezelfde parochie waar onderwijzers die over de schreef gegaan zijn op seksueel gebied met hun leerlingen als jeugdwerker voor de kerk aan de slag mogen gaan om toch wat van hun wachtgeldperiode te maken. Je wilt toch niet achter de geraniums gaan zitten, als je onder de bomen op de Sint Pieter kunt werken.

Overigens is er ook een heuse Friese pommerant die knielt voor de bisschop en diens ring kust, zag ik op een foto op de site van deze ridderschap vorig jaar, toen ik de geschiedenis uitvlooide van dit genootschap dat zoveel kerkelijk vaatwerk heeft laten maken. De foto is niet meer te zien helaas: ik wilde hem direct doorsturen naar niet-katholieke Friezen. Wat ook niet meer te zien is op een heel andere site overigens, is dat is wie nu precies de leden van het reactionaire clubje ‘de Orde van den Prince’ zijn. Ik vermoed dat daar veel zogenaamde cultuurkatholieken lid van zijn, die hun talig erfgoed willen beschermen samen met de Vlamingen en overige Nederlandssprekenden in de diaspora. In het netwerkje van mijn Mengelberg-onderzoek kwam ik opvallend veel leden tegen. Een soort carnavalsvereniging, maar dan voor geestes- en vooral literatuurwetenschappers.

Het is een verhaal van netwerkjes geworden, dit blog,  maar één instituut verbindt hen allen en dat is de katholieke kerk. Ik heb de publicaties van John Gager deze week eindelijk doorgenomen. Ik moest ze laten aanrukken vanuit het hele land, want de bibliotheken in Limburg hadden ze niet in de collectie opgenomen. Ter illustratie: de zogenaamde ‘Gildeboeken’ en ‘Verslagen van het Bernulphusgilde’, het priestergilde waar ook leken lid van konden worden, zoals leden van de familie Mengelberg en Brom zijn in heel Nederland nauwelijks te vinden, behalve in de bibliotheek van museum het Catharijneconvent dan, maar in Limburg heeft elke instituut wel meerdere jaargangen. Je kunt er de Avenue Céramique mee plaveien.

Maar terug naar John: als je wilt weten hoe deze kerk ontstaan en gegroeid is dan leer je veel uit zijn werk, dat op mij de indruk maakt van een zeer deskundige, heldere en onafhankelijke visie, die nog niet overtroffen werd door een jongere geleerde. Ook de verhouding met Jodendom maakt hij duidelijk en de rol die de apostel Paulus daarin gespeeld heeft. Ik wist dat allemaal nog niet, maar weet nu dat de kerk niet meer dan een sekte was, is en hopelijk zal blijven, niet omdat ik het een eventuele groei en bloei misgun, maar omdat het instituut in essentie haaks op onze democratie staat (behalve in Limburg dan). De overheid kan beter niet teveel aanschurken tegen dit instituut en teveel geld uitgeven aan het onderhoud van gebouwen en kunst, want echt, de gelovigen hebben geld zat en kunnen het goed zelf betalen. Ik ben echt niet tegen de kerk, al lijkt dat misschien zo, maar wel tegen de vervorming die sinds het laatste kwart van de 19e eeuw is doorgevoerd. Misschien moeten ze gewoon weer helemaal opnieuw beginnen, met een echt zuiver geweten en schoon hartje.

Eén heel belangrijk netwerk heb ik nog even buiten beschouwing gelaten, dat vanouds onvoorwaardelijk verbonden is met de kerk: dat is die van het koninklijk huis. De lintjesregen daalt soms neer op pommeranten die hun geld verdienen in de erfgoedsector en daar ook nog weer eens een lintje voor krijgen. Ik vind dat dubbelop. Misschien dat ook die lijst nog eens nagevlooid kan worden: ik vind pertinent dat mensen voor betaald werk géén lintje hoeven te ontvangen. Bewijs eerst maar eens dat je het werk netjes gekregen hebt in een eerlijke procedure, met voldoende gelijkwaardige kandidaten.

 

juli 2019

Een Joodse schrijfster die het verdomt dood te gaan

Je zult maar kleinzoon zijn van grootouders, die na een lang geleden oorlog in bewaring gegeven spulletjes niet teruggegeven hebben aan de tegen alle verwachting in teruggekeerde rechtmatige eigenaar en die eigenaar komt daar later op terug nadat je hebt ingestemd Nederlands grootste literaire prijs aan diezelfde eigenaar uit te reiken, dan heb je toch wel een probleem. Niet zozeer met het incident zelf, want het is natuurlijk maar een incident tussen een hele reeks van vergelijkbare gebeurtenissen, die zich kort na de oorlog afgespeeld hebben. En het is ook nog eens een onderdeel van normaal menselijk gedrag: het niet meer terug geven van in bewaring gegeven of geleend goed. Wij hebben het misschien allemaal wel eens gedaan, vooral dat laatste. Ik heb ook nog ergens een boek liggen van een kunstenares uit Rotterdam over Dordrecht dat echt na zestien jaar terug moet. Ik vergeet iedere keer haar adres op te zoeken, maar er kwamen verhuizingen tussen door van haar én van mij.

Bij in bewaring geven ligt het echter net iets anders: je geeft spullen aan iemand in bewaring die je vertrouwt, die je fatsoenlijk acht en die je in staat acht goed op de in bewaring gegeven spullen te letten. Het is vergelijkbaar met archiefzorg: je geeft je archivalia aan een officiële instantie waarvan je denkt dat die er goed voor zal zorgen niet alleen nu, maar ook in de toekomst. Inmiddels weet ik dat dat laatste tegenvalt, want het ontzamelen is aan de orde van de dag en de oorspronkelijke eigenaar vaak niet meer in leven en nabestaanden niet meer geïnteresseerd. Als het dan om minder gaat, dan zilver bestek, dan is de container snel gehaald. In het geval van het zilveren bestek is verkoop ook nog een interessante optie.

Het lijkt geen overeenkomst te hebben met de professor, een archief, een prof. die dus die kleinzoon was, maar dat is het toch wel. Het gaat in beide gevallen om mensen (een instituut als een archief wordt toch echt door mensen bevolkt, ik kan het weten) die tot een zekere laag van de bevolking behoren. Ik wil daar nu niet direct het etiket elite op plakken, want dat etiketje zegt niets als je de context niet beschrijft en zo elitair zijn ze niet, al zouden ze dat wel willen, maar het is wel goed om eens te kijken wie nu hoofdzakelijk vertegenwoordigd is in die hogere burgerij waaruit hoogleraren gerekruteerd worden, captains of industry probleemloos boven komen drijven en ceo’s hun bonussen kunnen opstrijken, bijna allemaal een aantal generaties lang binnen dezelfde familie. Ik ga hier overigens hier niet verder op in, dat mogen anderen doen. Ik heb genoeg inmiddels van netwerk-onderzoek, maar daaruit kan ik wel concluderen dat onze maatschappij een sociaal construct is dat tot op de familienaam terug te voeren is tot kort na de Napoleontische tijd: met die sociale mobiliteit valt het dus wel mee in Nederland en die standen of lagen zijn na twee eeuwen sterker en behoudender dan ooit.

Natuurlijk zijn al die begenadigde mensen van nature begiftigd met een bovenmatige intelligentie, die hen allen het gymnasium doet bezoeken en afronden, zijn ze uitverkoren om met succes universitaire studies in Rotterdam of Leiden en tegenwoordig in het buitenland te voltooien, brengen het zonder problemen door hun fenomenale sociale vaardigheden tot praeses van studentencorpora of leiden hen zonder problemen naar posities waar glashard in de advertentie een relevant internationaal netwerk voor wordt gevraagd zodat je je eigen werk kunt financieren en dat van een groot aantal anderen. Bij een nadere kennismaking met deze mensen, vooral als je zelf wat ouder bent, vallen eigenlijk al die grote kwaliteiten heel erg tegen en weet je dat de gewone man of vrouw in bijna alle gevallen slimmer is dan al die mensen bij elkaar. Het onmiskenbare hoogbeschaafd is op veel van de representanten van deze laag van onze maatschappij van toepassing, die aanzitten aan een diner. Niet gewoon een vorkje meeprikken dus. Ik had laatst toevallig nog contact met zo iemand uit de hogere katholieke kringen. Heel naar eigenlijk, omdat de persoon het erom deed: ja laten voelen dat je echt niet tot dezelfde laag behoort. Is waarschijnlijk ook heel erg rooms.

Je zal maar een op je negentigste nog een te lauweren joodse schrijfster zijn, die uit handen van een representant van deze laag je veel te laat toegekende prijs in ontvangst mag nemen. Of die nu met een koffielepeltje van je moeder dagelijks het scheutje melk in zijn koffie omroert of niet, dat is eigenlijk nog irrelevant. Maar het is wel beroerd dat je die prijs pas krijgt als je het echt verdomt dood te gaan. Ik hoop dat ze nog heel erg lang leeft en de honderd haalt en misschien andere, internationale prijzen nog mag ontvangen. Maar worden die prijswinnaars toevallig ook niet uit die ene laag gerekruteerd misschien?

juni 2019

Pief paf poef

Pief paf poef

Thierry is de boef

omdat hij de klimaatdoelen niet wil delen

voor intellectueel haantje de voorste wil spelen

onschuldige dieren wil jagen en

kleine meisjes wil plagen

Pief paf poef

Thierry is de boef

 

Naar een kinderwijsje uit de vorige eeuw

nb wanneer de veroordeelde jongedame haar taakstraf gaat uitoefenen, moeten wij dan haar niet met z’n allen gaan helpen, dames?

mei 2019

Tiny houses in de Bijlmer

eenakter
locatie: klaslokaal in zwarte middelbare school in de Bijlmer
personen: docent maatschappijleer, Mohammed (Mo) leerling 2 Havo, Alwetende verteller (AV)

Docent maatschappijleer (AV: burgermisvorming): Wie weet er een andere naam voor tiny houses op een zeer klein grondoppervlak (AV: bij voorkeur vervuilde grond), gelegen aan een bushalte (AV: openbaar vervoer) met gedeelde voorzieningen en woongenot, zoals het verplicht participeren in feestvreugde (AV: geluidsoverlast) en bezit (AV: diefstal en vernieling), maar wel zonder fourwheeldrive, grazig gazon en frisse lucht? Tevens met de mogelijkheid tegen een kleine vergoeding met toestemming van de overheid te kunnen voorzien in de eerste levensbehoeften? (AV: de voedselbank)

Mo: Eerste generatie Bijlmerflats, mijnheer!

Docent maatschappijleer: Precies, Mo. Helemaal goed. Wij vormen de voorhoede van Nederland.

april 2019

‘De moeder, de vrouw’; mijn bijdrage

Mea vulva, mea maxima vulva

maart 2019

Nel Abelmann-Harder (Utrecht 16-09-1926 – 26-01-2019 Goes)

IMG_0029

Het laatste uitje van mijn moeder in het kader van ‘waardigheid’. Een mooie opvoering van de muziekschool in Goes in ‘de Mythe’

“Van jongs af aan wist ik dat goedheid meer waard is dan verstand”

(vrij naar Edith Stein)

Ter nagedachtenis aan Nel Abelmann-Harder

Op één van de planken van de vele boekenkasten in het huis aan de Mecklenburglaan in Goes stond een ansichtkaartje met de hierboven staande woorden van Edith Stein, in een modernistische vormgeving van fraai gestileerde letters op een mooi gebroken witte ondergrond waarvan de aanhalingstekens sterk aangezet waren. Een eenvoudig stuk karton dat zo aardig afstak tegen de achtergrond van de vele vertrouwde studieboeken in de meterslange kast die reikte tot aan het plafond. Met woorden van Edith Stein opent en eindigt deze memorie.

Nel kende het leven en werk van deze filosofe en kloosterzuster goed en had een eigen boekenplank met publicaties over haar en door haar geschreven. Zij was haar voorbeeld op velerlei gebied, maar vooral op het terrein van geloof en medemenselijkheid liet zij het leven van deze vrouw op zich in werken.

Gedurende het lange en bijzondere leven van Nel was zorgzaamheid haar rode draad, in huis en in het museum waar zij jarenlang gewerkt heeft. Al jong hielp zij mee in het gezin van haar ouders om het huishouden draaiende te houden en de jongere broer en zusjes te helpen verzorgen. Ze heeft deze moederlijke zorg als een vanzelfsprekendheid op zich genomen, zoals zij van al het zorgen voor iedereen altijd haar vanzelfsprekende taak gemaakt heeft. Zorgen voor anderen was haar levensvervulling; ze bleef tot het laatst een moeder.

Dat zij daardoor soms wel eens de zorg voor zichzelf vergat, was voor hen die haar omringden af en toe wel moeilijk, maar de omstandigheden maakten dat iedereen, zij zelf vooral, er het beste van gemaakt heeft in bij tijd en wijle moeilijke tijden. Mindere perioden die iedereen kent of heeft gekend in het leven, maar die zij bewonderenswaardig het hoofd geboden heeft én altijd haar uiterste best gedaan heeft anderen te helpen tijdens hun beproevingen. Haar humor was tot het laatst toe een belangrijk en kenmerkend onderdeel van haar veerkracht.

Het geloof was naast zorgzaamheid haar grote drijfveer om rechtovereind te blijven en voor haar dierbaren een rots in de branding te blijven. Een vroomheid die uit het hart kwam en aansloot bij haar wil en gave om voor anderen te zorgen. De onwrikbare trouw aan traditie maakte haar sterk tegen elke vorm van inbreuk op haar geloof, dat zij als iets heiligs beschouwde en als iets heel persoonlijks, dat zij individueel en indringend kon belijden over de grenzen van geloofsovertuigingen heen.

De woorden van Edith Stein zijn met Nel meegereisd, zoals zij ook zullen meereizen met hen die Nel gekend hebben. Moge deze woorden lang doorklinken zodat wij weten dat “goed zijn” , tussen de mooiste aanhalingstekens die denkbaar zijn, altijd de verstandigste keuze is.

Wij zijn dankbaar voor haar leven en voelen ons getroost in de wetenschap dat zij weer bij Louis is en bij allen die haar voorgegaan zijn. Ooit zullen wij ons ook weer bij haar en hen voegen “en laten wij – tot dat moment-  elke dag als het begin van een nieuw leven zien”, ook vrij naar Edith Stein.

Maastricht, 26 januari 2019

februari 2019

Den Haag ‘Let op uw saeck’ en het herdenken van de Russische Revolutie

Officiel luidt de titel ‘O Nederland let op uw saeck!’. Het beroemde Geuzenlied van Adrianus Valerius (c. 1570-1625) uit 1576, waarin hij de staat waarschuwt tegen het Spaanse bedrog in de woelige jaren van de Tachtigjarige Oorlog, later De Opstand genaamd of misschien eerder een ordinaire burgeroorlog. Daarover zijn onze historici het nog steeds niet eens; zelf neig ik naar de laatste kwalificatie, al is dat natuurlijk niet de meest vaderlandslievende en nationalistische, maar ik heb mij voorgenomen nooit aan geschiedsvervalsing te doen en nooit gevangen te raken in een afhankelijkheidsrelatie met wetenschapsinstituten, werkgevers, overheden of kerk.

Wij hebben vorig jaar eindelijk de herdenking van de Eerste Wereldoorlog kunnen afsluiten. Al méér dan twintig jaar geleden begonnen historici en archivarissen verlekkerd hun bestanden door te vlooien naar informatie over de Grote Oorlog, want zoals elk cultuurtoeristisch instituut dat elk archief geworden is in het begin van de jaren negentig,  hebben wij allemaal (ik ook) op een achternamiddag lijstjes met jaartallen zitten maken met daarop de grote gebeurtenissen en de locale of regionale varianten daarop, zodat wij zo goed als mogelijk is op tijd de subsidiestromen konden kapen. Je moet soms vroeg beginnen met dit soort werk, want veel wat Leeuwarden vorig jaar liet zien werd al begin jaren negentig voorgekookt. Maar goed, zoveel valt er soms op regionaal en locaal niet veel meer te verzinnen natuurlijk dat een groot publiek zal aanspreken.

De herdenking was natuurlijk vooraal een zaak van de naties die in de Eerste Wereldoorlog daadwerkelijk geleden hebben en het zalige licht in de ogen van haar vertegenwoordigers tijdens de plechtigheden duidt erop dat wij nooit meer zulke nare dingen hoeven te vrezen. Nu heb ik zelf wel de indruk dat overwinningen wat teveel overschat worden. De oorlogen zijn uiteindelijk niet meer dan rimpelingen in het getij der historie. Wij gebruiken deze jaartallen om breuken en doorbraken mee aan te geven, maar de meeste echte doorbraken en omwentelingen begonnen al decennia voor zo’n geweldadige uitbarsting en eindigden veel later na de officiële afloop van een strijd. Het geeft ons houvast om de geschiedenis te beheersen en ons verleden hanteerbaar en overdraagbaar te maken. Wat zeg nou zelf, zoveel hebben de Eerste en de Tweede Wereldoorlog niet veranderd als je kijkt naar wie de leiding in handen bleef houden in staat, onderwijs en kerk. Het zijn dezelfde mensen (families) die dit na de Franse Revolutie ook al voor elkaar gekregen hebben en wie weet hoe ver het al niet terug gaat, deze oligarchie.

Ik wil hier juist betogen dat de echte grote omwentelingen de Revoluties zijn geweest. De Franse en de Russische dus, maar terwijl ik dit schrijf is het nog maar de vraag of ook deze breuken zoveel andere mensen op het toneel van de beslissers gebracht heeft. Eigenlijk zou dat ook betwijfeld kunnen worden. Het is ingewikkeld, dit herdenken van Revoluties. Het viel mij op dat de Russische Revolutie nu ook al wéér honderd-en-een of twee jaar oud hier ten lande helemaal niet herdacht is. Er is geen enkele archivaris of historicus op het idee gekomen om eens te onderzoeken hoe onze voorouders naar dit gebeuren keken dat zoveel invloed gehad heeft op het Europa van na de Eerste Wereldoorlog. Werkelijk een omwenteling van wereldformaat en niemand heeft hier naar gekeken. Misschien heb ik veel gemist, doordat ik onder een steen zat.

De Oktoberrevolutie, slechts een heel kort moment in het geheel maar wel een heel belangrijke, werd wel een beetje herdacht in een enkele krant, maar verder kwamen wij hier in Nederland toch niet dan een verslag van de moord op de tsaar en zijn familie. Een onderzoeker heeft wel overtuigend bewijs kunnen leveren dat Lenin gefinancierd werd door de Duitsers, waardoor zijn actie in een wat minder overtuigend daglicht komt te staan. In Rusland zal misschien wat meer aandacht aan deze gebeurtenissen besteed zijn, maar daarover werden wij niet ingelicht. Het is vooral Stalin dit op dit moment een geliefd onderzoeksobject is. De moord op de tsaar is trouwens het dieptepunt van de gehele onderneming, maar werden wij ingelicht over het feit dat bij de troonsbestijging van Nicolaas II zoveel mensen het leven lieten doordat het gerucht ontstond dat behalve wijn, brood ook huis en land vergeven zou worden? Precies in de jaren van de allergrootste landbouwcrisis? Meer dan duizend doden en de festiviteiten gingen gewoon door, al bezochten het koningspaar wel de gewonden en kregen de overlevenden 1000 roebel voor het geleden verlies van een familielid. Dit mocht echter niet baten: de slechte naam en faam was gevestigd. Ach ja, wat is het gezegde, een goede naam komt te voet en gaat te paard.

Toch is er een prachtige serie op Netflix te zien, die ik iedereen wil aanraden met als omineuze titel ‘Road to Calvary’. Het is een verfilming van een deel uit de trilogie van Aleksey Nikolayevich Tolstoy (1883-1945) een zeer, zeer verre verwant van de grote Tolstoy. Deze trilogie bestaat uit ‘Zusters (1921-1922)’, ‘het Achttiende Jaar (1927-1928’) en ‘een Dreigende Ochtend (1940-1941)’ ()vertalingen uit het Engels van mijzelf, ik beheers nu eenmaal geen Syrillisch). De schrijver kreeg in de jaren dertig een prijs voor dit werk van Stalin. De serie gaat over de zusters Dasha en Katya Bulaviny afkomstig uit Samara die tot de intelligentsia van Rusland gerekend kunnen worden en na de omwenteling in 1917 een drastische andere invulling moeten gaan geven. Ik denk wel eens, hoe zou ik dat doen na zo’n gebeurtenis? De titel van de serie is volgens mij compleet verzonnen en de boodschap van de met de Duitsers heulende Lenin komt hier ook in terug. Voor mij nieuw, eerlijk is eerlijk. Wat vooral opvalt is dat het oproerige volk in alle lelijkheid en afstotelijkheid wordt afgeschilderd, wat het natuurlijk ook had, want anders kom je niet op deze manier in opstand en dat de gegoede stand echt geen idee had wat er met hun landgenoten eigenlijk aan de hand was. De aftiteling geeft trots aan dat de nakomelingen van de hoofdpersonen nog steeds onder ons wonen. De ene man is gesneuveld in 1941, de andere door Stalin terecht gesteld, de oudste zuster Katya is tijdens de Zuiveringen verdwenen en de jongste Dasha kreeg de dankbare taak om de jongere generatie op te vangen en groot te brengen. Zij is als enige van ouderdom gestorven. Snel doornemen van de historische feiten maakte dat deze serie toch zeker wel klopt, zeker de situering van Samara als belangrijke locatie in de strijd en de manier waarop de derde parij, de ‘Groenen’ of de ‘Zwarten’ werden afgeschilderd. Deze verzamelgroep bestond vooral uit de boeren die tegen de Roden (het proletariaat) en de Witten (adel en burgerij) streed. Grof gezegd natuurlijk, want zoals het verhaal vertelt is het nooit een zaak van wit of zwart geweest, in dit geval rood en wit.

Nieuwsgierig naar méér geromantiseerde Revolutieverfilmingen uit Rusland kwam ik op een verfilming van het leven van Trotsky. Dat is in ieder geval een voortbrengsel van te grote geschiedsvervalsing in in ieder geval de moord op hem. Dit maakt huiverig voor de kwaliteit van de rest van de serie. Of ik mijn tijd hier mee ga verdoen? Denk het wel, bij gebrek aan betere tijdsbesteding, overigens blijft het Russisch makkelijker in mijn geheugen hangen dan ik dacht.

Het herdenken van hoogte- en of dieptepunten in een land dat één land wil zijn, is een zaak van aandacht en vooral van overwicht van een onafhankelijk instituut, organisatie of commissie van wijze mensen o.i.d. En vooral de manier waarop wij herdenken. De lieux de mémoires die zonder enkel voorbehoud worden opgericht, de geschiedsvervalsing die uit geschriften, documentaires, tentoonstellingen en geschriften spreekt is een zaak van nationaal belang, ook al voelen m.n. locale overheden zich hierin vrij. Geschiedenis wordt in een kleinere context zo anders beleefd dan in een groter verband. Religie is emotie, maar geschiedenis ook, zeker op locaal niveau.

De nationale overheid, Den Haag, is dus belangrijker dan zij wil zijn sinds zij ervoor gekozen heeft zich te willen terugtrekken. De terugtrekkende overheid is misschien een logische stap in de toekomstige stadsprovincie in de Randstad, maar niet voor de randgewesten en is heel verkeerd geweest. Zeker in combinatie met de vrije marktwerking die de overheid omarmde. Hier, in de periferie is juist een sterke nationale overheid nodig om het gekinnesin op locaal niveau te voorkomen en vooral om eenheid te bewaren en te zorgen dat het geld bij degenen komt die het echt nodig hebben, niet die het hardst schreeuwen. Méér geld naar de provincies zeker, maar als het gaat om onderwijs, wetenschap en cultuur niet zonder voorbehoud. En voor religie al helemaal niet. Streven naar een volkomen seculiere maatschappij is, denk ik verstandig, niet omdat ik tegen kerken of geloofsgenootschappen heb, maar om zij haaks op de democratie staan. Terug naar de huiskamer en de deur dicht voorlopig. Het is niet voor niets dat wij geen staatsgodsdienst hebben, het past in onze traditie een volkomen seculiere staat. In feite zijn de politieke partijen op confessionele grondslag toch ook een belediging voor onze democratie? Thorbecke had dit toch echt niet gewild.

Eisen vooraf stellen is natuurlijk maatschappelijk onaanvaardbaar, maar arbitrage achteraf zou toch mogelijk moeten zijn. Gewoon, wat heb je herdacht en waarom? En vooral, waarom heb je dit zo gedaan? Misschien hebben wij door voor de Eerste Wereldoorlog te kiezen en niet voor de Russische Revolutie ook op nationaal niveau een verkeerde beslissing genomen.

 

januari 2019

Mijn Friesland, mijn beelden, deel II

Na een wat roerige week voor wat betreft mijn ervaring met je reinste geschiedvervalsing tot een ernstige vorm van geschiedsvervorming, graduerend van Redbad, via de tentoonstelling in Tongeren over Stonehenge naar de recente wetenschappelijke literatuur over ultramontanisme, ga ik weer over tot het opvoeren van mijn sequentie van Friese beeld-ontwerpen. Sommige dateren al weer van na mijn tijd in Leeuwarden, maar ademen toch wel dezelfde sfeer uit. In de volgende volgorde: Barende vrouw (op de plaats waar nu de idioot grote pederastische portretten van kinderhoofden staat), Odysseus komt aan land (te plaatsen ergens aan een mooie kust met niet al te veel getijdewerking), Een kind heeft vele moeders (geen voorstel, Bolsward misschien?), Zwangere vrouw van wie de vliezen breken (ook in Franeker), Moeder met kind (lekkende borsten in Sneek), Voldragen kind in baarmoeder ergens waar water stroomt door de baarmoeder heen en Adam en Eva in Dokkum.

Ach, zo richt je vanachter je pc hele steden opnieuw in. Nu maar niet hopen dat psychiaters mij van grootheidswaanzin gaan verdenken of van manische episoden zoals twee jaar geleden gebeurde in een post-kanker schrijfgroep. Ik ben nu eenmaal iemand die snel werkt,schrijft, leest en denkt. Kan het ook niet helpen.

Overigens zou ik het geweldig vinden als deze beelden ook gebruikt kunnen worden als speeltoestellen, klimrekken of gewoon picknickplaatsen waar drinkwater in ruime water stroomt en mensen lekker kunnen zitten in de Friese zon met de Friese wind in hun haren.

De toepassing van kleur blijft nog wel een punt: die is onontbeerlijk.

beeldontwerpen 2 (3)

 

 

 

 

 

 

 

 

odysseus

 

 

 

 

 

 

 

 

beeldontwerpen 2 (8)

 

 

 

 

 

 

 

 

DSC_0311

 

 

 

 

 

 

 

 

beeldontwerpen 2 (5)

 

 

 

 

 

 

 

 

beeldontwerpen 2 (4)

 

 

 

 

 

 

 

 

beeldontwerpen 2 (13)

 

 

 

 

 

 

 

 

Of bijzondere constructies met een ijzeren stellage. De figuren mogen wel plastischer zijn Boven op een dijk misschien?

DSC_0312

 

januari 2019

Redbad: produkt van dom testosteron

Dat er een ode zou worden gebracht aan de in de 19e eeuw geromantiseerde Friese Vrijheid tijdens het evenement van de ‘Leeuwarden culturele hoofdstad 2018’ was wel te verwachten, maar dat dit zo zou uitpakken had toch de grootste scepticus niet verwacht. Zelf woonachtig in Maastricht, één aan zelfoverschatting lijdende stad die zich kandidaat wilde stellen voor hetzelfde circus als Leeuwarden en daar gelukkig aan ontsnapt is, heb ik de zuidelijke variant van regionale vrijheid leren kennen,  veroordeeld tot  Hollander terwijl ik ben geboren in de Achterhoek en deels opgegroeid in Zeeland. Maar identiteiten zijn kwestbare dingen, maar o zo hardnekkig en het beeld van de vijand zo eenvoudig te scheppen.

De wetenschap dat de productie zes miljoen euro gekost heeft, maakt de deceptie alleen nog maar groter en er komt een soort verontwaardigde woede naar boven met het vernemen van dat bedrag. Dat hangt natuurlijk samen met mijn ervaringen in dit deel van Nederland. Want hoe vrij de Friezen ook willen zijn en denken te zijn, ze zijn afhankelijk van een koninkrijk dat Nederland heet en kunnen niet verder zonder dit staatsbestel. Net als Limburg dat niet kan, al zouden de Limburgers dat zo graag willen. Hetzelfde geldt m.m. voor de Drenten, de Sallanders, de Zeeuwen en al die ‘stammen’ die niet tot de Randstad willen horen en de afstand steeds groter lijken te willen maken. Misschien is de angst dat er t.z.t. een odyssee op gang komt vanuit de Randstad wanneer de flats op pilaren en de woonbootachtige huizen toch niet zo veel woongenot verschaffen als gewone, vaste grond onder de voeten wel de slechte raadgever hierin.

Het is geen doen om op de historische feiten in te gaan en op de weergave daarvan en een dergelijke exercitie brengt alleen maar méér frustratie te weeg. Hadden ze niet één van de vele onbetaalde kunsthistorici kunnen vragen eens naar de beeldtaal te kijken? Gewoon, zo maar voor de lol? De enige inhoudelijke meerwaarde die ik gezien heb, is het gegeven dat de christianisering in onze gebieden niet met het woord gebeurde, zoals wij allemaal ten onrechte geleerd hebben, maar met het zwaard. Al is de dooddoener dat Friezen alleen voor God knielen gelukkig wel onderuit gehaald, want knielen deden ze toch wel. Desondanks blijft het feit waarom de in de Friese cultuur en geschiedenis deskundige mensen (en die zijn er) dit hebben kunnen laten gebeuren of zijn de historische inzichten zo ingrijpend veranderd? Is er geen supervisie geweest over het script als zodanig? Dat de schrijver van de dialogen geen Shakespeare is, is duidelijk, maar dat past ook niet bij dit type Friezen. Al moet ik zeggen dat de poëtische Friese taal best meer inhoud en aandacht had mogen krijgen. Misschien had men toch voor het Fries moeten kiezen en de Franken bijvoorbeeld Baskisch laten spreken en de Denen een Jutlands dialect. Komen alle minderheidstalen toch aan bod in nagesynchroniseerde vorm. Dit zou overigens de geluidskwaliteit van het gesprokene ook ten goede gekomen zijn, want hoe hard ik het geluid ook zette, de dictie van de meeste acteurs was zo slecht dat ik soms moest terugspoelen om het te verstaan. Hebben deze mensen geen spraak- en articulatieles gekregen? Maar goed dat de taal niet te overdadig aanwezig was en teruggebracht kon worden naar enkele hilarische zinnetjes met een aantal opmerkelijk taalfouten.

Maar dit is een praktisch terzijde. De inhoudelijke boodschap van de film is duidelijk, de Friezen zijn vrij en geven aan niemand rekenschap af. De samenleving is gebaseerd op ieders vrije inbreng en dat de een wat rijker werd dan de ander ging nooit ten koste van de minder fortuinlijke. Dat er al vroeg een overgeërfde adel was doet er niet toe, want deze mensen waren zo adellijk dat ze edel de vrijheid van hun ondergeschikten respecteerden. Weleens een adellijk haasje geroken?

Ik meende overigens te bespeuren dat de Deense acteur als stamhoofd af en toe zelf verbaasd was over de verkeerde film waarin hij terecht gekomen was. Alleen Pepijn van Herstal stak met kop en schouders boven het geheel uit en bleef in zijn rol. Geweldig, bijna een Oscar voor beste acteur wat mij betreft.

Zou de intrinsieke boodschap van de film zijn dat Friesland en misschien zelfs ons vaderland gered zou kunnen worden door Friezen? Waarvoor zijn zij dan bang dat er een reddingsoperatie op gang gebracht moet worden of een soort opstand? Dat er niet voldoende bestaanszekerheid meer is voor kleine Friezen? Maar dat geldt toch voor alle regio’s en voor de Randstad in het bijzonder? Hoeveel echte Amsterdammers wonen er nog in Amsterdam? Zij zijn allemaal uitgeweken naar de randgemeenten. Misschien zijn zij vooral bang voor de echte Fries wanneer ze in de spiegel kijken; wie zien ze dan?

Natuurlijk heb ik ook de bijgeleverde documentaire bekeken voorafgaand aan de film. Het enthousiasme van de makers was aanstekelijk totdat ik hoorde hoeveel geld zij gekregen hebben voor dit project. Het werden kleuters die een veel te grote zak snoep gekregen hebben en er geen raad mee wisten. Wat gebeurt er eigenlijk met al het mensenhaar waarvan de pruiken gemaakt zijn? Weten de makers wel hoe duur voor een gemiddelde kankerpatient een pruik van echt haar is? Te duur dus. Schandalig. Ik weet niet hoeveel blauwe plekken, kneuzingen en hersenschuddingen de film opgeleverd heeft naast de gangbare hoeveelheid psychische klachten, maar die moeten niet gering geweest zijn. Uitzonderlijk helder leken mij de instructies niet zo op het eerste gezicht. De zorg voor de paarden leek mij wel goed, een positief gegeven. Het haasje dat zo onfortuinlijk het haasje werd na getroffen te worden door een pijl van Frea voor de voeten van Redbad die op jacht was blijft zielig vooral in de context van de scene. De man is duidelijk geen goede jager.

Nu het culturele rampjaar achter de rug is, wordt het misschien tijd eens te gaan nadenken over een soort arbitragecommissie die de kwaliteit van het gebodene gaat toetsen aan de subsidieverzoeken die gedaan werden met de vergezichten die daarin gepresenteerd werden. Zijn deze hoge ambities die zoveel geld gekost hebben, waargemaakt? Ik kan alleen oordelen over de Redbad-film en de Alma Tadema-tentoonstelling en ben dan nog niet eens degene die werkelijk oordelingsbevoegd is, maar beiden zakken toch echt door de bodem die nog steeds onder NAP ligt, dus helemaal niet zo onrealistisch hoog. De tentoonstelling is slechts een herhaling van een vroegere expositie geweest en had niets nieuws te bieden dan alleen maar films die raakten aan de thematiek die Tadema koos voor zijn schilderijen. De enige verontschuldig die ik kan bedenken voor deze dure tentoonstelling is dat de jeugd er nu kennis van kon nemen. Maar ik heb toch echt alleen de grijze golf gezien hoor en de inmiddels vermaarde en gevreesde troep cultuurtrutten, tot wie ik ook behoor. Tot beiden trouwens.  De film over de Friese Vrijheid is een schandaal. Een grof schandaal, gezien het geld en actie is gewenst om herhaling te voorkomen.

De kandidaten aan wie de titel Culturele hoofdstad niet gegund is, zullen misschien in hun vuistje lachen van leedvermaak, maar de boodschap is eigenlijk dat wij dit soort evenementen niet meer moeten herhalen in Nederland en dat plaatsvervangende schaamte op zijn plaats is. Nooit meer. Een nominatie in de Lonely planet-gids is echt maar marginaal en een plekje op de lijst van cultureel erfgoed van Unesco  eveneens. Wij betalen toch voor die nominaties onder meer met de plicht veel geld te steken in het onderhoud? Het is een sigaar uit eigen doos.

Misschien dat het jutten uiteindelijk nog een waardering kan krijgen als twijfelachtig immaterieel cultureel erfgoed. Redbad werd tenslotte gered door een juttende Frea en ondertussen bestolen van zijn meest dierbare sieraad. Maar laten wij eerst eens goed onderzoek doen naar dit fenomeen en het echt plaatsen in de context van armoede, onvrijheid en uitbuiting, voordat er weer onzin op het schild gehesen wordt. En vooral hoe verschilt ons jutten met dat van het ‘roven’ van Europese vracht aan de oevers van verweggistan?

Echte vrijheid houdt in dat je in alle werkelijkheidszin kunt oordelen over je verleden en dit zo zuiver mogelijk kunt verbeelden voor een groot publiek op een aansprekende manier. Een film is inderdaad een goed medium voor zo’n opdracht. De cultuurhoeders in Friesland hebben hierin echter zo gefaald, dat je je zelfs kunt afvragen of het cultureel erfgoed bij hen wel in goede handen is.  Er is gewoon teveel dom testosteron in dit gebied. Naar de dragers ervan laten te veel mensen hun oren hangen. Hoezo vrijheid? Van wie eigenlijk? Vrijheid van dom testosteron.

januari 2019

Mijn Friesland, mijn beelden 1995

DSC_0305

Voordat ik een blog ga wijden aan ‘Redbad’, de geflopte speelfilm over Radboud, koning der Friezen heb ik mijn eerste ontwerpen voor monumentale beelden uit een map geplukt en gefotografeerd. Het is werk dat mij zeer dierbaar is en waar ik nog steeds tevreden over ben al zijn ze, behalve de zwangere vrouw, nooit verder gekomen dan de ontwerpfase. Het moesten dynamische beelden worden die in een groots en wijds landschap tot hun recht zouden kunnen komen, geïnspireerd als ik was door Friesland. Want ja wat is dat landschap beeldend inspirerend.

DSC_0296

Ik had behoefte om dit werk te recyclen na de eerste drie afleveringen van ‘Redbad’. De film is niet slecht hoor, historisch zitten er interessante elementen in die aansluiten bij mijn, na zoveel jaar katholieke hersenspoeling gewijzigde inzichten in onze christianisering. Een wijziging van inzicht die echt begon met de tentoonstelling ‘Credo’ in Paderborn.

Maar de idiote manier echter waarop in deze film vrouwen worden neergezet…… er zullen zeker walküren geweest zijn onder de friezinnen of schikgodinnen, maar het is wel erg grotesk allemaal. Zo realistisch als de mannen neergezet worden, zo karikaturaal de vrouwen. Jammer, het had een hommage aan de Friese vrouw kunnen worden.

Maar goed in 1995 was ik wel in een hele gevoelige fase, één jaar na de geboorte van de oudste. Dit had overal zijn weerslag in, maar vooral in het werk dat ik maakte vol overgave op een zolderkamertje. En ambitieus: niet dat kleine, gedetailleerde, maar groot, groter, groots. In beton gegoten beelden op een dijk, aan het eind van een polderweg, op de kruising van polderwegen of aan de rand van het water, de kust, of nog liever in het water moesten het worden. Het begrip dat het land inderdaad binnen niet al te lange tijd onder water zou komen te staan, was er nog niet. Dat zou nog een paar jaar duren.

Voor sommige beelden had ik concrete locaties op het oog, waaronder ook het Bos van Ypey waar je op prachtige doorzichten beelden zou kunnen neerzetten. Niet te voorzichtig. Je kunt ze altijd weer weghalen als het niet bevalt.

De documentaire of de monumentale fonteinen in de provincie deden mijn wenkbrauwen ook optrekken. Wat moet ik hier nu van denken? Net als over Redbad wil ik het daar nu niet over hebben. Zulke mooie kansen voor prachtige monumentale beelden, die beeld zijn in de ware betekenis van het woord. Geen constructies of concepten, maar gewoon beeld, zoals de Friezen gebeeldhouwd zijn (denken ze zelf) en dan ook gewoon nog fontein.

DSC_0309

Toen ik  de locaties voorbij zag komen, dacht ik direct aan de windhoek bij de kerk in Franeker als ‘mijn’ plek. Ik zag daar wel mijn zittende moeder met kind staan met pronte tieten die melk (water dan) in grote stralen uit zouden spuiten wel staan. In de harde wind af en toe alle kanten opzwiepend en zo iets van de Friese mem verbeelden. Of de barende vrouw die een inmense hoeveelheid vruchtwater over de Franeker straatstenen uitstort. Maar goed mijn onwerpen kwamen letterlijk voort uit het bloed en de bodem van Friesland en zijn heel erg van mijzelf.

De monumentaliteit van de ontwerpen deden de toelatingsexaminatoren denken dat ik op mijn plaats zou zijn in het beeldhouwatelier. Maar hoewel ik grootse ontwerpen maakte, dacht ik in die tijd nog helemaal niet groots, hoewel mijn beste werk daar dat predicaat uiteindelijk wel zou krijgen in de zin van afmetingen dan. Ik dacht uiteindelijk heel klein en zielig, voelde mij ook zo. Zoveel kunstenaars, zoveel ego. Dat valt niet mee.

Jammer dat deze ambitie zo gefnuikt werd, denk ik wel eens, maar ik heb het zelf laten gebeuren. Het was gewoon nog te vroeg voor dit soort beelden, althans in het netwerk waarin ik deze presenteerde. Daarbij zag men mij het niet doen of zo. Ik kreeg té vaak te horen bij wie of waar ik mijn inspiratie vandaan haalde. Ik was toch kunsthistoricus, geen kunstenaar. Bij iedere presentatie stond er wel een docent hard na te denken of hij een visueel voorbeeld kon opduikelen in zijn geheugen. De opvatting dat die twee disciplines juist gecombineerd zouden kunnen worden kon er bij de rechtgeaarde Groningers niet in. Misschien ook wel omdat het niveau niet goed genoeg was hoor. Kan natuurlijk ook. ‘Wij kunnen niet allemaal een tien halen’, placht mijn moeder wel eens te zeggen. Maar heel eerlijk: zijn de fonteinen die er nu staan, nu zo goed als kunstwerk bedoel ik? Laat staan als fontein?

DSC_0300

 

De titels in willekeurige volgorde zijn ‘Moeder met kind op schoot’, ‘Moeder met kind’, ‘Mannen met vondeling’, ‘Romeo en Juliette’, ‘Odysseus en zijn gezellen komen aan op het eiland van de lotofagen’, ‘Drie gratieën’, ‘Een kind heeft vele moeders’, ‘Jonassen’, ‘Vader met kind’ en ga zo maar door. Omdat het het programma problemen geeft, krijg ik niet alle beelden geïmporteerd. Wordt ooit vervolgd, zal ik maar zeggen.

 

 

DSC_0298

 

 

 

 

 

 

DSC_0306

 

 

 

 

 

 

 

 

DSC_0299

 

 

 

 

 

 

DSC_0304

 

 

 

 

 

 

 

 

DSC_0310

januari 2019

‘De kip die over de soep vloog’ en wat ik dit jaar allemaal had kunnen leren

ommegang (78)Het is wel een saaie oudejaarsochtend met die gruizelige regen en kale bomen. Je zou er sentimenteeel van worden, zeker als je de BBC-radio hebt ingeschakeld. Ze kunnen daar blijkbaar hun geluk niet op zo aan het eind van het jaar en aan het echte begin van het Brexitjaar. Ik moet zeggen dat de Engelse moed en vaderlandslievendheid wel van de BBC afspat deze maanden. Je struikelt over de Dunkirk-en oorlogsfilms, zowel oud als nieuw en de documentaires over en de verfilmingen van het leven van Churchill en andere helden. Zelfs de oude prins van Wales, die in de Netflix-serie The Crown wel heel sexy wordt neergezet, mocht zijn ‘passion’ nog eens toelichten in een programma dat verdacht veel lijkt op  ‘Een goedemorgen met…’ van onze klassieke radio zender. Een zender zo overvol van  gekwezelde stemmen die aan een stuk door ‘ouwehoeren’, dat ik ze definitief de mond heb gesnoerd. StuBru is er voor in de plaats gekomen, als je Nederlands wilt horen op de radio. Ouderwets woord eigenlijk: RADIO.

Soms weet je niet of je een ‘leermoment’ doormaakt op het ogenblik zelf: pas later begrijp je dat iets een voor jou helder inzicht gegeven heeft. Dat had ik met het meemaken van de Heiligdomsvaart in Maastricht. Had ik die zeven jaar eerder zo doorgemaakt, dan had ik dat inzicht misschien eerder gekregen. Misschien ook niet: je leert ook pas iets als je er voor open staat. Het belangrijkste wat ik meegekregen heb is toch vooral dat devotie commercie is. Handige commercie. Dat een parochie een serviceclub is: de ene is rijker dan de ander. Makkelijke machtsuitoefening op basis van geld. Dat openbare devoties, zoals de Heiligdomsvaart en carnaval, netwerkmomenten zijn,  zowel op het gebied van persoonlijke relaties (zeg maar de veemarkten in het Noorden van Nederland) en van bestuurlijke-politieke verhoudingen. De carnavalsklant mag laten zien hoe ijverig hij meedoet met het jaarlijkse rollenspel: hoe geëngageerd hij is. Dat hierbij de rollen dus helemaal niet zijn omgedraaid,  gezien het volk dat q.q. op de tribune zit, wordt maar over het hoofd gezien. Juist die mensen zouden in de carnavalsstoet mee moeten lopen langs Prins Carnaval. Maar goed, het gaat niet meer om de hoofdpersonen in het maatschappelijk bestel, niet meer om daders en slachtoffers, maar om de mensen om hen heen. In het geval van carnaval vooral om de brouwerijen eigenlijk. (In navolging van mijn onderzoek, denk ik wel eens dat de bakstenen neogotiek in de negentiende eeuw vooral zo populair was vanwege de baksteenfabrieken waarvan de eigenaren katholiek waren, die draaiende gehouden moesten worden)

Behalve deze inzichten, in een nog steeds van religie doordrenkte stad waarin twee parochies elkaar, met ieder hun eigen achterban de loef proberen af te steken (dat kun je zelfs doortrekken tot in het onderwijs van deze stad), die mij hebben getoond dat Maastricht niet zozeer een maffiose stad is, als wel een intens verdeelde stad (bijna schizofreen) koppel ik ook de gedachte, het is meer een denkoefening,  dat elke vorm van geloofsuitingen buiten de private sfeer eigenlijk verboden zou moeten worden. Waarom zijn in onze Thorbecke-maatschappij eigenlijk de op religieuze grondslag geformeerde politieke partijen toegestaan, alleen omdat er vrijheid van godsdienst is? Er is toch een méér fundamentelere scheiding tussen kerk en staat, waarop onze staat gefundeerd is? Wij hebben niet voor niets geen officiele staatsgodsdienst, waarom dan wel religieuze politieke partijen? Behalve de politiek is ook het openbare leven beter af zonder deze religieuze groeperingen, die zich opwerpen als moraalridders en hoeders van onze cultuur. De enige kerk die echt wat betekent voor de maatschappij is uiteindelijk het Leger des Heils en de klokken van hun kerk hoor ik niet luiden en ze komen ook niet meer aan de deur. Als ze op een plein of station liedjes zingen, kun je er gewoon omheen lopen. Oók het inperken van het openlijk missioneren zou wel eens bespreekbaar gemaakt mogen worden. Ik heb nog nooit moslims aan de deur gehad die de loftrompet op Mohammed kwamen steken, maar wel bijna elke maand Jehova’s. Telkens anderen. Behalve een vuurwerkvrije straat, zou ik mij ook wel een Jehova-vrije straat wensen. Ze komen echt altijd als ik op de bovenverdieping aan het stofzuigen ben.

Een volgend inzicht dat uit de bovenstaande belevingen voortkomt, is de overtuiging dat ook wetenschap en religie niet goed samen gaan. Vooral de geesteswetenschappen kunnen beter niet vanuit een religieus perspectief bestudeerd worden. Men komt dan tot idiote constateringen dat onze maatschappij bijvoorbeeld vanouds joods-christelijk is, terwijl juist de joden volstrekt niet tot de christelijke maatschappij geacht werden te behoren. Lees hierover het proefschrift van Lea Dasberg en nog vele andere geschriften, die maar niet tot onze nationale beleving willen doordringen. Die club van Rembrandt was gewoon bijelkaar getrommeld naar aanleiding van een rellerig antisemitisch opstootje, uitgelokt door de diefstal van een kip door een christelijke blonde schone. ‘Die kip die over de soep vloog’ dus, weer een kip uit het getto gestolen, zodat de kippensoep erg mager uitviel. De kloverniersdoelen in onze vaderlandse steden komt zo in een heel ander daglicht te staan. Dat geldt mutatis mutandis ook voor de sleutel- en bronheiligen, van wie Servaas beiden in zich verenigt. Interessante hagiografie heeft die man overigens. Hij schijnt onze voorouders ook tegen de saracenen beschermd te hebben, zeg maar de voorvaderen van onze moslims.

Zoals gezegd zijn de geesteswetenschappen beter af zonder een religieuze invalshoek, waarbij ik niet wil zeggen dat studies als katholieke, protestantse en gereformeerde theologie misschien beter niet kunnen worden gehandhaafd, dat nou ook weer niet. Ik zou wel pleiten voor een streng toezicht op alles wat ze daar laten zien en vooral wat ze impliciet niet laten zien. Gewoon een lijstje van aandachtspunten waarop je kunt aanvinken of er naar gekeken is. Ik noem maar willekeurig racisme, anti-semitisme, gender, politiek en sexuele geaardheid. Met dit lijstje kunnen wij ook de vaderlandse geschiedenis eens gaan doorakkeren.

Dat echter een op religie gebaseerde universiteit sterker vooringenomen zou zijn, dan een officieel onpartijdige, bestrijd ik op basis van mijn ervaringsdeskundigheid zeer. Ik ben bang dat de locatie van de Open Universiteit in Heerlen erg veel negatieve gevolgen heeft voor het onafhankelijk onderzoek van de afdeling cultuurwetenschappen. Maar de reden voor de stichting daar was dan ook een economische in tijden van decentralisatie van de werkgelegenheid. Maastricht kreeg een echte universiteit en daardoor ook een rijkere arbeidsmarkt, Heerlen mocht een ander type wetenschappelijk onderwijs gaan uitproberen, met een arbeids- en afzetmarkt die echter zeer zuidelijk (katholiek) lijkt te zijn geworden. Wat mij betreft een mislukt experiment in de oude mijnstad, helaas en onbegrijpelijk gezien de moderne communicatietechnieken en daarbij behorende flexibele arbeidsverhoudingen. De hoogleraar bij wie ik uit de bocht gevlogen ben met mijn onderzoek ‘heeft veel vrienden in Maastricht’ hoorde ik iemand laatst zeggen, zonder dat ik ernaar vroeg overigens. De universiteit die wat mij betreft echt hoog scoort op het gebied van een brede beschouwing is de VU, maar daar draaien de molens weer zo ongelovelijk langzaam dat niets vooruit lijkt te komen.

Veel mensen in de onderzoeksomgeving waarin ik terecht kwam, hebben het dus over hun vrienden met wie zij toevallig samenwerken. Van hoogleraren tot stagiaires, van vrijwilligers tot freelancers. Je mag meewerken als je een vriendje bent, in mijn geval vermoedelijk als je goed katholiek bent. Maar wat is goed katholiek in een maatschappij waarover De Certeau in de jaren zeventig al opmerkte als er geen enkel begrip is van religie überhaupt. Interessante filosoof, maar wel katholiek. Welke taal kun je dan nog spreken, zonder in geheimtaal te vervallen? Voor wie wil je eigenlijk nog spreken (lees schrijven) als de toehoorder (of lezer) een heel andere taal beheerst. Als het onderzoeksobject, beeldende kunst eerder een commercieel belang dient in plaats van een devoot of wetenschappelijk belang. (Je zal maar een collectie neogotische kunst hebben, waar je vanaf wil, neogotische kerkinterieurs willen verkopen omdat de kerken gesloten worden of je inkomen moeten genereren uit het bestuderen van neogotische kerkelijke kunst en het schrijven van dikke boeken daarover?)

Met deze kennis ga ik de komende maand aan de slag. Ik weet niet of er een succesvolle opzet voor een nieuwe dissertatie uit voortkomt. Ik hoop het wel. Het zou fijn zijn het nieuwe jaar in ieder geval te kunnen afronden met een promotie-waardig manuscript dat daadwerkelijk geheel onafhankelijk tot stand is gekomen.  Daar zou ik echt trots op zijn. Het is dan een bijzonder lang leerproces geweest al met al, maar niet zinloos. Volstrekt niet. Mijn inzichten in de samenleving zijn glashelder geworden en gefundeerd op de kennis van de geschiedenis. Een klein zijweggetje wil ik nog even inslaan en dat is van de barokke kerkinterieurs in het post-tridentijnse tijdperk: Soli Deo gloria. De voorpret van de negentiende eeuw in zowel protestantse als katholieke kringen. ‘Wish me luck’, diegenen die mij geluk voor het nieuwe jaar willen wensen…..

 

 

december 2018

‘Hij die jaagt, zal gejaagd worden’

Het jagen staat wel heel erg in de belangstelling de laatste tijd. Iets teveel naar mijn smaak, want het past helemaal niet in mijn beeld van onze maatschappij. Maar blijkbaar denken jongere generaties daar weer heel anders over. Dat is ook wel het mooie aan ouder worden: je ziet je eigen tijd geschiedenis worden. De aanleiding van dit blog is behalve de zeer goede ‘Andere Tijden’ van afgelopen weekeind, het vreemde tijdstip waarop het afschieten van wilde zwijnen in een geleide drijfjacht gesanctioneerd werd. Niemand leek te snappen waarom nu juist op dat moment deze verruiming van de wet werd afgekondigd. De reden die werd gegeven was de angst voor de varkenspest. Een vreselijke ziekte die zich aan onze grenzen op korte termijn zou melden, zo werd gezegd. Bij mijn weten is er nauwelijks sprake van de Afrikaanse varkenspest in de onze directe buurlanden en daarbij is er ook in ieder geval in Zuid-Limburg sinds het voorjaar geen wild zwijn meer te vinden. Ook de sporen van deze dieren zijn er al lang niet meer. Hoe kan dat nou: een wet verruimen terwijl het dier waarop gejaagd moet worden al verdwenen is? Er werd in de Limburgse heuvels opvallend veel geschoten dit voorjaar en deze zomer. Blijkbaar was het toch moeilijk om raak te schieten op uitgedroogde en door de hitte gestresste dieren. De wet voor het jagen op zwijnen was overigens in Limburg al ruimer dan in de rest van het land en ze deden het al stiekem in de vorm van drijfjacht. Als je mijn mening vraagt, dan hebben wij het hier over een sanctionering achteraf. In de trant van, ‘Oh gut, wij hebben ze “per ongeluk” allemaal afgeschoten, wat nu? Ook gelukkig, daar is de varkenspest!’ Ben benieuwd in welk Limburgs sterren restaurant dit illegale zwijnenvlees belandt. Ik hoop toch zo dat het besmet is: ‘Oh gut, de varkenspest was er al. Ik voel mij echt niet lekker.’ En nu de wet verruimd is, hoor je niemand meer over die varkenspest…..

Een ander jaagpuntje is de jacht in de kroondomeinen. Het wordt weer tijd de hekken daar te sluiten en de jacht te openen voor geselecteerde gezelschappen. Wij krijgen daar allemaal niets van mee: niet hoeveel er gejaagd wordt (mag worden), wat de buit is en vooral wie er allemaal op bezoek komen. Het moet gezellig blijven natuurlijk. Willem Alexander was al heel jong overtuigd van het feit dat hij tot zijn dood zou blijven jagen. Ik vraag mij af als moeder van twee meiden, hoe hij dat thuis overleeft met drie tienerdochters. Zijn die niet veganistisch of op zijn minst vegetarisch en wilden zij niet toen ze heel jong waren bij de dierenambulance werken? Misschien dat er binnen de adel toch een ander soort patroonherhaling valt te ontdekken dan onder de burgerij. Misschien gaan de meiden ook wel jagen of doen ze dat al. Dat zou op zich heel stoer zijn, maar dan zouden zij als voorbeeld het gejaagde vlees zelf moeten klaarmaken en opeten en het daar bij moeten laten. Dat zou weer wel in het beeld passen.

Maar goed het kapittelen van ons professioneel koningshuis is niet aan mij. Wel aan vele dierenvrienden die zich groen en geel ergeren aan het jagen op de privégronden van de koninklijke familie. Er zijn er zelfs die een soort hysterie ontwikkelen over dit fenomeen. Ik heb daar niet zoveel last van en wat de koning in zijn vrije tijd doet moet hij vooral zelf weten en ook met wie hij het doet. Er is echter wel een maatschappelijke verandering gaande die niet onopgemerkt zou moeten blijven en dat is dat de jongere generaties blijkbaar weer willen aanschurken tegen de adel. Het koninklijk huis is inmiddels na twee generaties flink uitgedijd en de sociale stijging die in ons land niet meer of nauwelijks voorkomt, kan alleen nog maar via die lijn worden geeffectueerd. Dat is natuurlijk gecharcheerd, maar het is de enige zichtbare en succesvolle route. En via de beperkte kring rondom het koninklijk huis natuurlijk. Een nieuwe feodaliteit waarin vooral de oude adel en de captains of industry de leiding hebben en zich weer tooien met oude mythes. Ook zo vreemd opgekeken van die ‘laatste beet’ bij dat dode hert zaterdagavond. Wat een hypocriete aanstellerij.

Je ziet ze hier wel rijden in hun landrovers met schoorsteentjes en grote bumpers. Jonge gasten die vrij laat in de morgen, ruim na zondsopkomst, aan de slag gaan met hun geweren, zich niets aantrekken van de ge- of verbodsbepalingen en hun honden nauwelijks onder controle hebben. Met veel omhaal hun auto’s parkeren op dorpspleinen en in hun jachtkleding rond paraderen. Daar tussendoor lopen dan nog in de bossen althans, de kleine oude mannetjes in hun tiroler jassen en dito hoedjes die gewoon het hele jaar aan het stropen zijn. Er wordt beweerd dat de afschot van te voren geregeld wordt per revier nadat het wild in het vroege voorjaar geteld is, geregistreerd wordt en dat er gecontroleerd wordt. Maar waar gebeurt dat dan en door wie? Het autootje van onze ‘stroper’ gaat gewoon direct naar zijn huisje aan de rand van Maastricht waar nooit iemand anders komt dan hijzelf. Hij gaat echt niet even langs een ambtenaar of levert een formulier in, ook niet digitaal en als er iets niet lijkt te kloppen dan zijn het ‘de lui van het kampje’ die weer bezig geweest zijn.

Van de opening van het jachtseizoen wordt een steeds groter circus gemaakt met heuse openingfeesten, het zegenen van de jagers, honden en hun attributen en het feestelijk uitrijden, alsof wij de vossenjacht uit Downtown Abbey willen imiteren. Die ‘rotvossen’ zijn er overigens al helemaal niet meer. Ik heb dit jaar nog geen enkel exemplaar gezien, dus die jacht kunnen onze jagers overslaan. De nouveau riches wanen zich feodale heren en gedragen zich er naar. Hiervoor zou de koning en zijn kliek moeten waken. Stop een tijdje met uw jacht in Nederland, majesteit, laat de domeinen open en ga in het buitenland jagen. Geef dit als voorbeeld af. Natuurlijk zitten niemand te wachten op dramatische taferelen zoals in de Oostvaardersplassen, maar laat de jacht aan een paar professionele jagers over en maak hun werk zichtbaar en begrijpelijk. Ze kunnen niet zo goed verbaal uit hun woorden komen die jagers, maar er zijn heus wel goed gebekte pr-mensen die dat kunnen bijsturen.

Even dacht ik dat het nog een idee zou zijn om mensen van buiten, vooral activisten en professionele natuurmonumenten-mensen uit te nodigen voor de koninklijke jacht, maar de pr en communicatieadviseurs van het koninklijk huis zullen ongetwijfeld adviseren en organiseren dat er een pr- jacht gehouden wordt en de overige partijtjes gewoon doorgaan buiten het oog van de camera. Dus dit zal de toenadering tussen de partijen ook niet garanderen en het is de vraag of dat überhaupt mogelijk is, gezien de hysterie die is uitgebroken.

Eigenlijk zou ik wel graag willen weten wie het onderhoud van de domeinen betaalt. Gaat daar ook belastinggeld inzitten van mij en mijn modale medeburgers en vinden ik en mijn modale medeburgers (je mag een zin eigenlijk nooit met ik beginnen heb ik geleerd) dat nog wel goed? Als er inderdaad indirect geld vloeit naar deze gebieden en hun onderhoud in de vorm van de jacht en als dat inderdaad relatief hoog is voor een modaal inkomen, laat ik zeggen ongeveer het bedrag van het collegegeld dat ik door het niet lezen van hypotheekpapieren niet kan betalen, dan hoor ik dat toch wel graag. Behalve jagen, kunnen koninklijke kinderen alle opleidingen volgen die zij willen op het hoogste niveau met de maximale ondersteuning zonder dat hun ouders wakker hoeven te liggen van studieschuld en collegegelden. Ze eten er ook geen biefstukje minder om, want dat loopt in de achtertuin.

Het wachten is wat mij betreft op een robothert of geautomatiseerd zwijn dat zonder op te vallen rondloopt in al onze gebieden waar gejaagd wordt, bestuurd wordt vanuit een drone en dat gericht kan schieten. Er zijn vast wel jonge nerds die van beesten houden, die zoiets in elkaar kunnen knutselen en vroeg uit de veren willen om te kijken of hun machientje werkt. Misschien moeten onze jagers alvast kogelvrije vesten gaan kopen. Het dragen daarvan maakt ze direct een stuk minder parmantig en als ze dat niet doen of het vest vergeten zijn, dan krijgen zij als laatste beet hun eigen peuk in de mond of het veertje van hun tiroler hoedje voordat ze naar de eeuwige jachtvelden gaan.

oktober 2018

‘The cold song’ en de laatste zomertijd

Een tijd terug was er gedoe over de zomer- en de wintertijd: wij willen er van af. Ik hoop toch zo dat wij nu voor het laatst de tijd verzetten en dan de tijd laten voor wat hij is. Gewoon de heerlijke wintertijd. Zoals in ‘King Arthur’ van Henry Purcell de genius van de Kou teruggehaald wordt De wintertijd hoort bij ons op het noordelijk halfrond, het is onze noordse mythe: het licht en de lange donkerte, de warmte en de intensere kou. Het is deel van onze levenscyclus.

‘What power art thou who from below/ hast made me rise unwillingly and slow/ from beds of everlasting snow?/ See’st thou not how stiff and wondrous/ old/ Far, far unfit to beat the bitter cold?/ I can scarcely move or draw my breath;/ let me, let me, let me freeze again to death.’

(cd Robert Sadin and Sting, 2009  ‘if on a winter’s night’)

oktober 2018

Ons Twanneke en Confucius

Vannacht had ik een nachtmerrie, een vreselijke. Ik droomde in het Limburgs. Echt, niet te geloven. Ik had bijna mijn man wakker gemaakt om het schokkende nieuws met hem te delen, maar hij lag eindelijk zo lekker te ronken dat ik dat maar niet gedaan heb. Dit betekent een doorbraak in mijn niet gewenste assimilatiepogingen, op zijn minst en in het aanleren van een dialect op zijn meest. Ik wist al heel jong dat ik een abnormale taalleerweg had. Op het moment dat ik ga dromen in een taal, dan heb ik een doorbraak bereikt waardoor ik heel snel en makkelijk in een taal kan communiceren. Althans dat houd ik mijzelf voor en beperk deze kennis vooral nog even op het passieve vlak, vooral het lezen. Het heeft geloof niet met een auditieve aanleg te maken, het gaat om de beelden. De beelden van de taal, de letters, de woorden en de zinnen. Toen ik tijdens de lange middelbare schooljaren dit vermogen onderkende, heb ik mij dan ook heerlijk kunnen ontspannen terwijl anderen over hun grammatica gebogen zaten. Het resultaat is wel dat mijn kennis van grammatica en syntaxis bedroevend is en onoverdraagbaar op anderen, helaas. De enige taal waarin ik niet over die drempel heb kunnen stappen, is het Latijn geweest. Ik heb zelf nog geprobeerd in het Latijn te spreken, doe het nog wel eens, zelfs het schrijven heb ik geprobeerd, maar dromen in het Latijn. Nee, dat is mij niet gelukt. De uitdaging voor andere talen, zoals het Italiaans heb ik niet aangenomen.

Echt garen spon ik van deze manier van leren toen ik drie maanden in Parijs doorbracht. Mijn superieuren hadden terecht gewezen op het feit dat mijn Frans misschien niet goed genoeg zou zijn voor dit onderwijs op het allerhoogste niveau, maar ik dacht dat het wel zou lukken. Nou die eerste weken lukte het niet, maar toen ik op een gegeven moment ging dromen en fantaseren in het Frans ging het allemaal vanzelf. Zo goed zelfs dat tijdens een receptie een ambtenaar van de Nederlandse ambassade mij spontaan prees om mijn Frans. Maar ik ben nog steeds sceptisch over dat compliment: hij mat namelijk mijn benen vol aandacht, bekeek mijn tieten en berekende vermoedelijk hoeveel keer de omvang van mijn decolleté in de lengte van mijn benen zou passen om vervolgens vanboven zijn champagneglas een volgend slachtoffer te zoeken. Ach ja, je hebt mannen die op lange benen vallen en mannen die op borsten of billen vallen.

Misschien kwam het door deze nachtmerrie waardoor ik mij vanochtend concentreerde op de berichtgeving over de onfortuinelijke show van Twan Huys, ons Twanneke. Want hij is afkomstig uit Limburg, toch? Ik ben een fan van hem: keek regelmatig in herhaling naar Nieuwsuur en soms zelfs naar Collegetour. Niet alleen omdat hij een sympathieke uitstraling en een knappe kop heeft, maar ook omdat datgene wat hij zegt ook wel blijft hangen. Dat is heel prettig, dan zit je toch niet voor niets naar de tv te kijken. Zijn overstap naar de commerciële zender heb ik dan ook betreurd en uit overtuiging kijk ik niet meer, want ik kijk niet naar commerciële zenders uit principe zelfs niet als Twan daar zijn geld gaat verdienen. De betreffende aflevering heb ik dan ook niet teruggekeken. Mijn kennis heb ik opgedaan uit de tweede hand, dat is zwak. Ik weet het.

Het gaat natuurlijk over het zwarte-pieten debat n.a.v. de rechtszaak in Leeuwarden. Ach ja, die Friezen, je moet ze niet zo serieus nemen. Enfin onze nationale antipiet, een aardige donkere mijnheer zat in het publiek, terwijl onze nationale propiet een aardige, blonde dame aan tafel zat. Dat zij aan tafel zat, was blijkbaar omgeven door afspraken die de kijkers niet kenden. Geen confrontatie met antipieten op de beeldbuis, mevrouw zat niet op jihadisten te wachten, maar ons Twanneke dacht een loopje te kunnen nemen met die afspraak en had al pratende de betreffende antipiet aan tafel weten te krijgen. Deze gaf later zijn mening op FB: hij voelde zich bijzonder onveilig en bedreigd. Propiet had al tijdens het gesprek aangegeven zich misleid te voelen. Het kan mijn gendergekleurde blik op het alledaagse leven zijn, maar ik geloof dat de blonde propiet toch echt meer ballen heeft dan alle antipieten bij elkaar, inclusief Twan. Jammer maar het is duidelijk dat ons Twanneke het niet gaat maken bij de commercielen.

Het was het woord onveilig van onze antipiet waardoor ik tot het schrijven van dit blog kom. De manier waarop Twan zich gedroeg, zonder dat ik het gezien heb overigens, moet veel overeenkomsten hebben gehad met een aantal van die (interim) managers, leidinggevenden, therapeuten, verandercoaches, projectleiders en organisatiegoeroe’s die ik ooit ben tegen gekomen. Manipulatief en onbetrouwbaar en vooral uit om successen te boeken uit noodzaak. Twan wist dat hij moest scoren om zijn kijkcijfers omhoog te krikken. De aasgieren cirkelen niet alleen al boven zijn hoofd, maar staan ook al naast zijn presentator-stoel.

Ik wil niet dat dit een afkraken van ons Twanneke wordt. Ik ben op dit moment geheel vriendloos, alleen en verlaten en ik wil dit gaan veranderen. Als ik iets wil veranderen ga ik altijd naar de bibliotheek en kom dan een titel tegen die ik anders nooit zie en ga met een schat aan informatie naar huis om aan de slag te gaan. Dit serependitisch zoeken heeft mij tot nu altijd verder geholpen, ook in archieven. Zo liep ik tegen een herdruk van een boek uit jaren dertig van de vorige eeuw aan. Van Dale Carnegie, in het Nederlands voorzien van de titel ‘Hoe je vrienden maakt en mensen beïnvloedt’ en de eerste pagina’s zijn hoopgevend. Het is wel jammer dat ik de Nederlandse vertaling in handen heb, dat doe ik uit principe nooit. Een vertaald boek lezen; dat is ook de reden waarom ik de ‘Groene’ niet meer lees en veel boekenbijlagen aan mij voorbij laat gaan. Ik hoef al die publicaties niet in het Nederlands te lezen, tenzij het een onmogelijke taal is. Ik noteer bij een interessante bespreking wel de oorspronkelijke titel, om dan te ervaren dat ik deze niet kan lenen bij de bieb, soms ook niet via IBL zelfs.

Ik overweeg dan ook om weer een e-reader aan te schaffen. Ik twijfel tussen een Kobe en een Amazon. Ik wil daarvoor de de VVV-bon van mijn partner gaan gebruiken, die hij gekregen heeft van zijn werkgever vorig jaar kerst. Hij heeft mij die kaart met liefde gegeven hoor, vermoedelijk wel in de hoop dat ik er misschien mooi ondergoed, een luchtje of een lippenstiftje van zou kopen, maar in de wetenschap na veertig jaar, dat dat wel niet zal gebeuren,  hoor ik hem er niet meer over, over die kaart. Wij zitten er niet mee, zo gaat het binnenkort al een halve eeuw. Enfin ik zal toch eerst nog eens navragen, voor de zekerheid.

In ieder geval werd ik met mijn neus op de feiten gedrukt dat het schrijven van onaardige dingen heel veel schade kan berokkenen. Vooral aan jezelf. Dale komt met talrijke voorbeelden, wel allemaal van mannen die een en ander bereikt hebben. Dat vind ik wel een puntje. Als je Lincoln heet en je hebt dan het lef om een kritische brief niet te versturen en achterover te leunen om te kijken wat er gaat gebeuren, is toch een heel ander gegeven, dan dat je een Abelmann bent, je gefrustreerd voelt, door de wereld gek verklaard bent en toch ook nog iets van je wilt laten horen. Want één reden waarom wij verlangen te blijven leven, is volgens Dale de overtuiging dat je er toe doet. Dat je iets voorstelt. Wie schrijft die blijft, in mijn geval.

Ook verwijst Dale naar Confucius als hij het heeft over kritische noten over anderen kraken: ‘je moet niet klagen over de bergen sneeuw die op het dak van je buurman liggen, als je eigen stoep niet schoon is.’ Ik vind dat wel een mooi beeld en daarom ook een goede uitspraak. En ik ben blij dat de schrijver ook een wijsgeer aanhaalt en niet al die grote namen, maar goed het boek dateert uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Ik moet dus om vrienden te maken en mensen te beïnvloeden vooral geen kritiek uiten. Stroop smeren, geen azijn. Ik heb het boek nog niet uit, maar ga er mee aan de slag.

Én MDMA gaan nemen. Dat laatste heb ik zelf bedacht na het lezen van een aantal artikelen. Het schijnt dat daardoor situaties wat minder bedreigend worden voor mensen die zich verslikt hebben in een traumatische ervaring. Ik geloof dat dat in mijn geval wel klopt en ga het uitproberen. Misschien dat ik sommige situaties en mensen dan wat makkelijker kan pareren. Onze anti- en propiet hebben het waarschijnlijk zonder MDMA gedaan. Jammer voor Twan, anders was het gesprek misschien een groot succes geworden. Misschien moet hij zo’n suikerklontje klaarleggen voor de komende afleveringen en stiekem wat van het spul in de drank doen, want als mensen zich onveilig gaan voelen in een gesprek dan gaat het fout, altijd.  Of het nu tijdens of na het debat is. En ik ga met Confucius aan de gang.

oktober 2018

Impressies van geloof, hoop en liefde. Mijn naam is Jezus Christus

mijn naam is jezus christus 1 (1)      mijn naam is jezus christus 1 (2)

 

Over de jaren 1997 tot en met 2018 anno vandaag, heb ik een verzameling impressies van geloof, hoop en liefde bijelkaar gebracht in een geel mapje dat ik gekocht heb in de wereldwinkel in Leeuwarden. Een heerlijk winkeltje waar ik graag kwam en nog steeds kom ik graag in de wereldwinkeltjes, maar niet meer in dat Leeuwarden winkeltje. Nooit meer. Het bestaat vast niet meer en het bestaat niet dat ik nog een voet in Leeuwarden zet. Het mapje is een soort ‘stationary’ waarin zich verschillende papiertjes bevinden, handgeschept, in verschillende kleuren en formaten en vier in de vorm van een laddertje. In de band zit een klein, rond geel potloodje. Aanvankelijk werkte ik hiermee, maar was niet tevreden over het resultaat.

mijn naam is jezus christus 1 (3)

De titel die ik het van begin af aan meegaf luidde ‘Mijn naam is Jezus Christus’, maar na een paar jaar vond ik dat teveel godsdienstwaanzinnig klinken en heb ik het veranderd in ‘Zijn naam is Jezus Christus’ om nu weer de oude volgorde te hanteren, want die heb ik niet voor niets gekozen en er zijn meer kunstenaars die zich openlijk identificeren met de heiland (vooral mannen). Het lijden stond in die eerste jaren centraal: het lijden van vrouwen, maar ook van Christus als vrouw, van Maria als moeder. Ik heb een aantal crucifixen met vrouwenlichamen geschilderd. Niet uniek, bleek. Grote namen waren mij al voorgegaan, maar het voelde wel intens en godslasterlijk. En dat voelt het nog steeds als ik het mapje doorblader en uiteindelijk van de definitieve inhoudsopgave voorzie.

mijn naam is jezus christus 1 (6)

Hoever sta ik nu af van die periode, de jaren na de geboorte van onze oudste? Jaren die toch echt de zwaarste tot nu toe zijn geweest en waarvan ik maar niet wil bekomen. Het voelt allemaal nog zo vers, nog zo dichtbij, nog zo verinnerlijkt op een verkeerde manier. Therapieën hielpen dus niet, medicatie ook niet en ouder worden evenmin. Dat is jammer, dat laatste. Daar had ik wel op gehoopt. Slijten doet het misschien toch wel uiteindelijk. Ik heb natuurlijk tien jaar lang geen acht geslagen op het aanwezige trauma, het onderdrukt, een mechanisme gebruikt dat verdacht veel op dat van de struisvogel lijkt. En dan komt het in het kwadraat op je af. Duurt het dan vanaf 2007 twintig jaar? Als ik 67 word, dan heb ik nog een lange tijd voor de boeg, maar ik ben op de helft.

mijn naam is jezus christus 1 (7)

Nog een paar woorden over godsdienstwaanzin: ik verafschuw dat verschijnsel tot in elke vezel van mijn lichaam. Ik zie er wel eens voorbeelden van: een man die op de grond valt voor een kruis, een wezenloos zittende vrouw die aan het bidden is alsof haar leven er vanaf hangt in haar eigen huis of in een kerk, zelfverminking onder het mom van kastijding als extreme vormen, maar ook the Passion, de Heiligdomsvaart, het luiden van klokken waar niemand om vraagt, reliekenverering in het openbaar en processies. Ik geloof dat daar voor mij de grens ligt: openbaarheid. Devotie in de beslotenheid van een kerk of huis is nog daar aan toe, maar op de openbare weg, daar trek ik toch een grens. Niet dat ik mij schaam of plaatsvervangend schaam, maar omdat het niet democratisch is, niet gedeeld in de hele samenleving, niet gewaardeerd door iedereen en omdat het verkeerde reacties op roept. Stille devotie, devotie van de stilte.

mijn naam is jezus christus 1 (5)

En dan die occupatie met Joden en hun lijden: ook dat komt in dit projectje weer terug. Het kwam al eerder voor, tijdens mijn middelbare schooltijd. Maar ik heb niet zoveel met Jodendom eigenlijk. Ik ben volstrekt geen filosemiet en heb eigenlijk ook een afkeer van slaaplokken, hoeden, tulbanden, gebedssnoeren en dat heen en weer buigen. Ik hoef dat niet te zien in de openbare ruimte. Diaspora-geschiedenis is daarentegen razend interessant en natuurlijk het lijden, het zinloze lijden van een volk dat tot permanent zondebok gemaakt werd omdat het zich niet aanpaste, maar vooral omdat het zich niet mocht aanpassen. Dat ik nu weer met die materie bezig ben is toeval geweest, maar misschien toch ook weer niet. Bij veel onderzoekers was het tot op heden nog niet op hun pad gekomen, wel op het mijne. Vreemd.

mijn naam is jezus christus 1 (4)

De lijst met titels spreekt voor zich en behoeft geen toelichting. Wel misschien dat het lijden van Christus een intense indruk op mij gemaakt heeft en nog steeds doet, niet alleen van pijn maar vooral ook van zinloosheid. Het zinloze lijden van een huilende god. Een essay schreef ik er over. Staat nog ergens op de pc, of niet. In ieder geval is het projectje nu definitief afgerond en kan het resultaat in de tekenla ‘definitief werk’ worden gelegd. Klaar voor de containter op termijn. De genade van de container zal ik maar zeggen, maar genade is voor de zondaar.

mijn naam is jezus christus 1 (8)

 

  1. Jezus Christus is mijn naam/ Jezus Christus is zijn naam
  2. Het Lam Gods I
  3. Vrouwenaltaar van Gerrit Terpstra
  4. De Een en de Ander
  5. Brandoffer
  6. Joden en vrouwen zijn altijd schuldig
  7. Oudste dochter
  8. Eleonora
  9. Venster
  10. Puzzle
  11. Stuk steen
  12. All’Italiana
  13. Nederland-Suriname (kolonie)
  14. Mijnenveld in de Derde Wereld
  15. Want sterk als de liefde is de dood
  16. Strafregels
  17. Davidster
  18. Slachtoffers van de Shoah hebben een naam
  19. Toverwas
  20. God zeg ik
  21. Joden en vrouwen; Andreas Burnier
  22. Ballade van Mauthausen
  23. Mijn ogen zijn jouw ogen
  24. Jezus man van smarten
  25. Pasen 1998
  26. De Heer is waarlijk opgestaan!
  27. Christus triumphator
  28. Het Lam Gods II
  29. Heimwee en nostalgie
  30. Laat de kinderen tot mij komen
  31. Juden raus
  32. Tijd is niets, plaats is alles
  33. Und siehet, die Sonne Homers lächelt auch auf uns
  34. De aarde rond
  35. They have a dream!
  36. Roomskatholiek socialisme: Rooms Rood
  37. The black box
  38. Human rights and the United Nations
  39. Naar Jesaia 1: 18
  40. Veertje op het water I
  41. Veertje op het water II
  42. Liefde tot de hele mensheid
  43. How to explain religion to a dead bird
  44. Bedevaart
  45. Demiurg
  46. De onbewogen beweger
  47. De wereld van ideeën; Plato
  48. Ecce agnus Dei
  49. 11; 19, zachtmoedig lam
  50. Dignus est agnus
  51. Hij is geofferd omdat hij het zelf gewild heeft
  52. Het einde van de goddelijke kunst I
  53. Lam Gods naar Van Eyck
  54. Het einde van de goddelijke kunst II
  55. De talmoedjood Meerssen
  56. Het jodenvraagstuk 2006: Lang leve Lea Dasberg
  57. Filigrain, wat als Jezus een vrouw geweest was?
  58. Het laatste oordeel
  59. Hoe ziet goedheid eruit?
  60. Gesluierde Synagoga
  61. Geel is de kleur van de Joden
  62. Onschuldig kind I
  63. Onschuldig kind II
  64. Son of Saul 

Tekst bij ‘Het einde van de goddelijke kunst’: “Het Lam Gods. Lijdend schaap herinnert aan het Lam Gods. Het lam als jong, onschuldig dier is het symbool voor zuiverheid en onschuld. Dit lam is afkomstig van het beroemdste altaarstuk van de gebroeders Van Eyck in Gent. Maar het lijkt helemaal niet op een lam, het is een schaap. Een volwassen dier, oud en vet en vooral dominant. Net zo ‘groot’als de inscriptie op het werk zelf: ‘de schilder Hubert van Eyck, groter dan wie niemand gevonden werd, begon het zware werk dat Johannes de tweede in de kunst voltooide.'”

 

oktober 2018

‘En wij bidden niet voor de geile beer uit Rotterdam’

Waarschijnlijk ben ik in de verkeerde bubbel terecht gekomen. Ik word om de oren geslagen met berichten over sexueel misbruik in de katholieke kerk en de beschuldigingen en verdedigingen gaan razendsnel over en weer. Het ene analoge bericht wordt ontkracht door het andere, ondersteund door allerlei adhesiebetuigingen of juist het tegenovergestelde in mijn bubbel. In de weerwil van al die berichten blijven mij voortdurend woorden in herinnering komen, die ik hoorde als middelbare scholier van het Willibrordcollege in Goes tijdens een heilige mis in de Hoogte ter ere van Pasen. Tijdens de voorbeden sprong een leraar, het was vrijwel zeker mijn geliefde leraar Nederlands Karel Lockefeer naar voren die de woorden ‘En wij bidden niet voor de geile beer uit Rotterdam’ uitspuugde in de microfoon. De pastores, rector en mede- opperhoofden die zo’n school kent, reageerden geagiteerd. Klonk er ook niet ergens een zwak applaus? Waarop de leraar sprak dat het nu maar eens gezegd moest worden en dat de jongens beschermd moesten worden. Zomaar een incident van heel lang geleden. Midden jaren zeventig, ik zat in de tweede of derde klas. Kan ook de vierde zijn geweest. Waarschijnlijk waren er in de bovenbouw jongens die naar het seminarie wilden en daarover met betreffende leraren hadden gesproken.

Ik was niet de enige die in die ruimte zat, er moeten méér mensen zijn die zich dit herinneren. Ik hoop het, want ik kan het ook verkeerd memoreren. Zoals er véél meer mensen geweest moeten zijn die min of meer op de hoogte waren van de misstanden op allerlei terrein in die heerlijke roomskatholieke familie van die dagen. Toch? Het gaat nu om bewijzen: mensen die de kerk willen verdedigen doen dat op eigen gezag en refereren naar niet controleerbare controles van leerlingenlijsten en geboortejaren en oral history. De ene hoogwaardigheidsbekleder aan wie een al dan niet terecht een vlekje zit wordt verdedigd op basis van persoonlijke getuigenissen, waarvan dit er natuurlijk ook één is maar dan in de andere richting. Ik vertelde over het gebeuren tijdens het eten en mijn ouders keken bedenkelijk en zeiden dat het bekend was dat er vieze dingen in Rotterdam gebeurden. Naast Amsterdam was ook Rotterdam één van de vele poelen van verderfs die Nederland kende. Echt goed door wat er nu precies aan de hand was, had ik niet. Over sex werd niet openlijk gesproken, nooit.

Maar daar gaat het toch helemaal niet om? De verdedigers van de kerk doen dit nu voornamelijk om hun eigen hachje te redden, zelf niet in de beklaadenbankjes te komen of om besmet te worden met de odeur van medeplichtige, want inmiddels zijn wij zo ver dat wij allemaal vinden dat wie er bij stond ook medeschuldig is. Netwerkjustitie en dat is nou precies wat er nodig zou zijn. Isoleer de schuldigen niet alleen en berecht hen, maar neem hun netwerk mee en evalueer de hele kerk en haar omgeving. De elite dus. Nu komt er weer een tweedeling, die van slachtoffers en daders die het blikveld vernauwt. En het is zo opvallend: de daders blijken altijd de heren (in opleiding) te zijn van de tweedeling die de kerk al van begin af kent, die van meesters en knechten. De slachtoffers behoren allemaal tot de laag van de knechten, de meelopers zitten er tussenin.

september 2018

Elke generatie heeft recht op haar eigen geschiedsschrijvers

In vervolg op mijn blog over de verloren generaties in het algemeen, wil ik het onderwerp nog wat aanscherpen door in te gaan op de verloren generatie in de geschiedwetenschap. Verloren generaties komen niet toe aan het schrijven van hun eigen geschiedenis, dan bedoel ik niet het uitgeven van memoires of autobiografisch schrijven, maar het op universitair niveau onderzoeken van topoi die zij belangrijk vindt. Voor de bb-tjes kennen wij die onderwerpen nu wel: Rembrandt, Rembrandt en Rembrandt, Van Gogh en Van Gogh, de Gouden Eeuw en het jonge Koninkrijk. En hun bloedjes van kinderen vervolgen deze ingeslagen weg braaf. Pas sinds kort komen de duistere kanten van de geschiedenis naar boven als onderwerp, onderzocht door veelal heel jonge historici, die tussen die twee generaties invallen. Tussen hen en de Gouden Eeuw ligt echter nog decennium aan verloren gegaan ondezoekspotentieel. Wanneer dit potentieel meer ruimte had gekregen dan wisten wij nu bijvoorbeeld veel meer over fundamentalisme bij moslims, katholieken en protestanten in verleden en heden en konden wij op basis van die kennis wat steviger in onze schoenen staan tegenover het huidig moslim-extremisme; hadden wij wat meer geweten over het beeld van vrouwen in het algemeen en hun ontwikkeling in het bijzonder; hadden wij méér inzicht gehad in het neo-kolonialisme en hadden wij de globalisering niet omarmd als een reddende vooruitgang maar kunnen plaatsen als een neo- neo-kolonialisme; hadden wij eerder een medicijn gevonden tegen de ‘Hollandse ziekte’ en hadden wij de VOC-mentaliteit van onze bestuurders kunnen corrigeren en het ‘Nederland Gidsland’ als gedachte alleen al kunnen ontkrachten en hadden wij misschien wel een klimaat-veranderingen eerder kunnen voorspellen op basis van onderzoek in het verleden.

Helaas, een hele generatie kwam niet toe aan haar eigen geschiedenisonderzoek en geschiedschrijving binnen de universiteiten en onderzoeksinstituten. Gelukkig is er buiten die besloten wereld een groep bevlogen historici wel aan het onderzoeken geslagen, uitgaande van de actualiteit en heeft zij de resultaten in vooral aansprekende documentaires en series op de buis gebracht. Niet op de zeurerige, zelf voldane toon als in de jaren zeventig met zoveel miljoen Nederlanders, maar in bondige reportages met deskundigen en vooral met frisse blik. Laat nu net dit clubje mensen afstevenen op een desastreuze financiële afrekening.

september 2018

De ene verloren generatie is de andere niet

Er is op dit moment een onbenoembare tendens in Nederland om veel aandacht te besteden aan de ‘kansloze’ millennials. Jongeren, inmiddels dertig die na hun opleiding, zie zij grotendeels nog met een beurs en een flinke bijdrage van tweeverdienende babyboom-ouders hebben kunnen bekostigen niet in hun vakgebied aan de slag kunnen. Hoe flexibel zij zijn dat zij toch maar een andere richting in hebben kunnen slaan en daar hun bestaantje bevredigend mee kunnen bekostigen. Anderen onder hen: schrijvers, onderzoekers, curatoren en dichters in spe, allemaal briljant en geëquipeerd om de babyboom-professoren en voorbeelden na te volgen krijgen wel kansen en publicatiemogelijheden, vinden gehoor en resonans zoals niet eerder vertoond bij jonge mensen, behalve dan bij de babyboomers. Zij vormen namelijk geen bedreiging meer voor de meest oude mensen die al decennialang de cultuur in Nederland terorriseren, de bb-tjes. Mensen die tijdens hun opleiding al aan de slag konden aan universiteiten en overige cultuurhistorische instituten, altijd ondersteund door vervangende dienstplicht die zij slim inzetten als het om de jonge mannen ging en daarna door gewoon te blijven zitten vanaf hun 20e tot hun 70e nog steeds daar zitten of ergens waar vandaan zij invloed kunnen uitoefenen. En dan hebben wij niet eens over hen die hun fysiek kapitaal moeiteloos ingezet hebben om verder te komen door de informele omgangsvormen en de sexuele revolutie. Iets waarvan iedere vrouw die wat verder wist te komen van beschuldigd werd, lijkt het wel.

De rijke bb-tjes zien nu hun nageslacht moeite krijgen met het vinden van werk in het verlengde van de opleiding en gaan nu werken aan de baankansen van hun kinderen, omdat zij nu eenmaal op posities zitten van waaruit zij kunnen beïnvloeden, sturen en netwerken. Echter, alle generaties tussen de millennials en de bb-tjes zijn verloren en het is in feite niet eerlijk dat een verloren generatie nu méér aandacht en mogelijkheden krijgt dan de andere generatie. De junior-vacatures zijn nog steeds niet voldoende om alle millennials te bevredigen, dat zou ook wat al te gortig worden, maar de lijsten met vacatures zijn lang, heel erg lang zeker voor hen die in de jaren 1985-1990 de arbeidsopmarkt opgingen en een nog groter obstakel voor hun neus zagen, de zittende bb-tjes.

Ik gun ieder mens werk in het verlengde van zijn of haar opleiding: niet is bevredigender dan in één rechte lijn je bestaan inhoud te kunnen geven en daar ook nog van te kunnen leven met het werk waarin je je passie kwijt kunt. Uiteindelijk vinden wij allemaal dat wij maatschappelijk werk relevant doen, al is het in de vermaledijde kunst en cultuur in brede zin. Moeilijker vind ik ook het argument dat de oudere generaties hun opleiding niet hebben kunnen verzilveren omdat zij niet goed genoeg waren, niet voldoende capaciteiten hadden en als hun diploma’s en cijferlijsten niet ondersteunden dan lag het vooral aan de sociale vaardigheden. De huidige verloren generatie mag geheel en al de schuld geven aan de crisis van 2008 en daarvan in feite profiteren. Ik laat maar even in het midden wie die crisis veroorzaakt heeft en er niet van geleerd heeft.

Een ander zuur punt is het feit dat de generatie die in 1985 ongeveer de markt op kwam en geen werk kon vinden in het verlengde van hun opleiding nu gedwongen is ook nog eens door te werken tot 67,5. Hoe bont kun je het maken eigenlijk in sociaal opzicht. Natuurlijk, had een andere studie gekozen zegt iedereen. Maar waarom? Waarom was de oudere generatie met 20 jaar wel in staat een baantje te krijgen en de twintigers van een generatie later niet en hoe makkelijk is het om dan na 30 jaar te zeggen dat ze alsnog niet geëcuipeerd zijn voor het werk omdat ze hun brood hebben moeten verdienen in ander werk en niet hebben laten zien hoe echt gedreven ze wel niet waren. De generatie van na 1985 was ook nog eens de club die als eerste met freelance werk aan de slag ging. Hoe frustrerend was dat! Niemand wist van de hoed of de rand als het om deze opdrachten ging en de freelancers werden als een bedreiging gezien door het zittende personeel en afgescheept met de restjes van het beleid. Zelfs de Belastingdienst en de Kamer van Koophandel hadden geen flauw benul met wie ze nu weer mee te maken kregen. Niemand was in staat om in deze tak pensioen of arbeidsongeschiktheid te regelen en het gebrek aan secundaire arbeidsvoorwaarden en de voordelen van een vast contract maakten dat zij moesten werken als anderen niet hoefden te werken en vaak achteraf niet uitbetaald kregen als de begroting niet rond kwam. Teveel uitgegeven aan communicatie en pr. Regel dan je bestaan maar eens met een jong gezin.

Het klinkt allemaal heel gefrustreerd en dat ben ik uiteindelijk ook. Maar ik heb nog het geluk gehad om binnen te komen bij de overheid en daar in verschillende baantjes te kunnen werken, waar het mij niet gemakkelijk gemaakt werd en waar ik het uiteindelijk mezelf ook niet meer makkelijk kon maken door een jonge generatie die op mijn nek zat. Ook in het verlengde van mijn opleiding heb ik uiteindelijk eigenlijk niet veel kunnen doen binnen die organisaties. Ik heb direct de inhoud moeten verlaten om taken uit te voeren waar de zittende massa geen zin in had en die specifiek voor vrouwen (dienstverlening) en jonge mensen (automatisering) bestemd leken. Geeft niet, veel van geleerd, maar leuk was dat niet. Ook niet omdat de opleiding uiteindelijk daar helemaal niet op ingericht was en er alsnog weken besteed moesten worden aan bijscholing die overigens de zittende massa aan zich voorbij heeft laten gaan. Nog maar niet te spreken van de stress en onzekerheid die dit soort werk met zich meebrengt, als je in je hart weet dat het niet helemaal is wat je wilt.

Veel anderen hebben dit geluk niet gehad en zullen dat ook niet krijgen, dus ik klaag niet. De generatie die na de millenials komt is, vrees ik, helemaal de kop van jut en zal uitgebuit worden tot er iets helemaal verkeerd gaat. De generaties na de millennials en voor de bb-tjes zullen op hun oude dag nog meer schade gaan oplopen en met kunst en vliegwerk hun natje en droogje moeten zien te houden. Maar goed, misschien dat de kinderen van de bb-tjes meer inzicht hebben in de maatschappij en over hun leeftijdsgrenzen durven heenkijken. Maar ik ben bang van niet: wat zij nu laten zien, hoe goed zij ook zijn, is uiterst traditioneel en conservatief. Zelfs in hun muziek grijpen zij terug op het verleden.

En als conclusie ik schrijf het nog maar een keer: basisinkomen. Het zou voor de komende generaties best eens een oplossing kunnen zijn, als overgangperiode. Om dat bb-tjes niet al te veel te laten schrikken. En om dit verhaal niet alleen maar te laten handelen over de hoger opgeleiden en het hun feestje te maken: ook voor de overige niveaus moeten er eerlijkere baankansen komen. Zij die na 2008 werk kwijt geraakt zijn, hoe moeten die nu verder? Kunnen zij wel weer terug als metselaar of timmerman in een vaste dienst. Of moeten zij verder als freelancer? Of al die IT-ers die nu met nieuwe systemen en automatiseringsomgevingen te maken krijgen: hoe gaan die nu verder? Je leest daar nou nooit wat over. Waarschijnlijk omdat hun ouders geen bb-tjes zijn, maar van een verloren generatie zijn.

september 2018

het verdienmodel van de katholieke kerk

Na een aantal jaar onderzoek gedaan te hebben naar het katholieke réveil in de 19e eeuw, blijven er nog steeds lacunes in mijn kennis die ik niet zo snel weet op te vullen. Gelukkig worden die steeds minder en voor de kritische lezer die denkt met een totaal onwetende en ongeschoolde scribent te maken te hebben, wil ik de aanwezigheid van deze leegten toch wat nuanceren. Begaf ik mij met het onderzoek naar het leven en werk van Wilhelm Mengelberg aanvankelijk op het pad van het kunsthistorische handwerk, het onderzoek naar de objecten en het samenstellen van een oeuvrecatalogus, al snel werd dit pad een rijweg waarop ook de (cultuur) historische en vooral sociologische discipline om veel aandacht vroeg in de vorm van het onderzoek naar het netwerk. Na dit netwerk en de oeuvrecatalogus in kaart te hebben gebracht, kwam er een nieuwe rijstrook bij, namelijk die van de geschiedenis. De historische context op macro, meta en microniveau. Het voert te ver dit hier te resumeren. Had ik deze context eenmaal goed in beeld, kwam er weer een rijstrook bij, die eigenlijk de inhaalstrook werd, namelijk de theologische weg. Aan het begin van deze weg stond ik al bij de start van mijn onderzoek, maar ik hoopte eigenlijk dat ik deze weg niet op zou hoeven, omdat ik mij daarvoor niet geëquipeerd genoeg vond en vind eigenlijk en ook omdat de sacraliteit van de te onderzoeken objecten voor mij nog te sterk was. Niettemin begeef ik mij nu op deze weg en probeer de kennis te integreren in het hele onderzoek. Een normaal mens zou zeggen ‘had voor één weg gekozen’,  maar ik houd niet van half werk daarbij is de indeling van de alphawetenschappen in de verschillende disciplines, die allemaal het etiket van wetenschappelijkheid dragen eerder een hindernis dan een vergemakkelijking gebleken. Hoeveel oogkleppen kan een kunsthistoricus ophebben en hoeveel inzichten kan een historicus missen. Enfin de schone taak om al deze kennis samen te brengen tot één leesbaar product dat goed in de markt ligt. En hiermee kom ik op het onderwerp van dit blog.

In mijn onderzoek heb ik de inkomsten van de katholieke kerk in de negentiende eeuw globaal in kaart proberen te brengen en daarover bestaat veel gebrek aan kennis in het algemeen en bij mij in het bijzonder. Behalve de particuliere giften, die ongelooflijk hoog moeten zijn geweest maar wel wisselend van omvang is er maar één vaste bron van inkomsten voor de gemiddelde pastoor en dat is het traktement dat de overheid ter beschikking stelde. De regering stelde dit loon in na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 en trok deze gelijk aan het inkomen dat zij aan protestantse en gereformeerde dominees wilde besteden. Echter deze lijken nauwelijks gebruik gemaakt te hebben van deze mogelijkheid, zo is mij uit de literatuur duidelijk geworden. Zij wisten zichzelf te bedruipen door de giften van de gelovigen en door eigen kapitaal. De katholieke priesters echter zouden massaal een beroep gedaan hebben op dit inkomen.

Nu heb ik in de Nederlandse parochiearchieven intensief onderzoek gedaan in die kerken waar relatief veel en belangrijk Mengelberg-werk aanwezig is en slechts in één geval een officieel verzoek gevonden om een traktement van de overheid te krijgen en wel in een parochiearchief in een stad in het Noorden van Nederland. En niet de minste pastoor verzocht om een extraatje: één van de belangrijkste figuren in het gildenetwerk en in de verankering van de katholieke kerk in de gemeenschap en de vorming van het katholiek onderwijs. Ik ga de naam niet noemen, ingewijden weten die ongetwijfeld en ik laat graag andere onderzoekers mijn werk dunnetjes of minder dun over doen. Maar het is illustratief dat van deze pastoor nu net een schriftelijk bewijs is gevonden voor de financiële onderstand door de overheid. En er moeten er dus meer geweest zijn, van die jongens die weinig geld uit de familie meekregen, van het bisdom te weinig ontvingen en bij de (toekomstige) parochianen nog te weinig reclame voor zichzelf gemaakt hadden om goed te kunnen leven. Voor alle duidelijkheid: ik sluit zeker niet mijn ogen voor de goede bedoelingen en de gedrevenheid van deze mensen en ik wil zeker de kerk niet aanvallen, geen enkel genootschap dat uitgaat van het goede in de mens, maar ik wil wel kennis vergaren over dit onderwerp, omdat ik denk dat hiermee het mechanisme van veel geloof bijgesteld zou kunnen worden naar voor iedereen begrijpelijke proporties.

In de financiële paragrafen van het Liber Memorialis van de verschillende parochies (zeg maar de dagboeken van de pastoor die volgens een vaste indeling bijgehouden werden) vind ik in de financiële verslaglegging geen neerslag van de inkomsten van de pastoor en de kapelaans. Wel worden de schenkingen en stichtingen uitdrukkelijk vermeld, maar hoeveel daarvan aan ‘de strijkstok bleef hangen’ is onduidelijk. En dan de inkomsten die een kerkelijk dienaar vanuit het bisdom kreeg. Daar ben ik ook niet veel over te weten gekomen via de parochiearchieven, maar daar is vast méér over te vinden in de bisdomarchieven. Kortom behalve de archieven van de parochie, zou een onderzoek in de bisdom- en ministerie-archieven veel opleveren. Nog los van de archieven van de kloosterorden, want ook de orden hadden eigen kerken en parochies en juist deze waren heel rijk, maar wat kregen zij uit het moederklooster of van hun overste in Rome? Ik kan mij echt niet voorstellen dat er zoveel inkomsten uit Rome en het bisdom binnenstroomden, dat het katholieke réveil hiervan betaald zou kunnen worden. Wie zou deze handschoen willen opnemen en dit willen gaan onderzoeken? Ik heb er overigens geen zin meer in, sinds ik door ‘gelovigen’ (kunnen wetenschappers eigenlijk wel gelovig zijn?)  weinig subtiel gewezen wordt op mijn eigen verdienmodel. Ik zal daar nog wel eens duidelijkheid over verschaffen in een volgend bericht en heb dat al eens eerder gedaan.

En er is nog een andere handschoen en dat is namelijk het beantwoorden van dezelfde vraag voor de joodse gemeenschap: want reken maar dat in die negentiende eeuw waar de religieuze controversen tot grote hoogte gedreven werden dit een belangrijk element geweest is. Ik heb mij hier nog helemaal niet in verdiept en zou zo snel niet weten waar ik zou moeten beginnen. Maar ik ben heel benieuwd naar de rijkdom van de killes in het algemeen en de joden in het bijzonder en de reden voor al dan niet terechte afgunst bij de overigen. Of dat wij vooral met beeldvorming te maken hebben en dat is weer van belang voor mijn onderzoek, want religie is in de katholieke kerk voor een groot deel beeldvorming met echte beelden en hoe sterk die gemanipuleerd kan worden heb ik inmiddels wel begrepen.

En dan is natuurlijk de volgende stap het onderzoeken van het verdienmodel van de katholieke kerk in de 20e eeuw en heden ten dage. Mijn indruk is inmiddels dat de rijke roomse meesters hun knechten hebben verloren door de sociale zekerheid, verbeterd onderwijs en een efficiënt functionerend overheidsapparaat (de democratie dus) en dat zij nu hard op zoek zijn naar nieuwe loopjongens en meisjes die niet met het verleden belast zijn. Voor een deel heeft de kerk dit zelf veroorzaakt door een grote bijdrage te leveren aan het onderwijs, maar de bijdrage van de kerk aan het sociaal welzijn van een hele maatschappij is uiteindelijk bedroevend. Ze kost vooral erg veel geld. De kreet die je af en toe een politicus hoort slaken die de weg kwijt is, en dan vooral in het zuiden, dat de kerk noodzakelijk is om een aanvulling te leveren op dit sociaal-maatschappelijk terrein door bestrijding van de armoede en  alle overige sociale ellende te lenigen is eigenlijk godgeklaagd. Dit is nou net de lacune die ik de kerk uiteindelijk niet toevertrouw te dichten en waarvan ik haar uiteindelijk toch stiekem verdenk moedwillig geschapen te hebben.

september 2018