Mijn definitie van geloof luidt……

Er doen veel definities de ronde over spiritualiteit, religie en geloof. Ik voel me soms het vrouwtje dat van de markt komt met boodschappentassen vol, niet met marktkoopwaar, maar met boeken, zoals Marita Mathijsen omschrijft in haar slotwoord van Historiezucht. Ik heb het beeld laatst nog bij een hoogleraar gebruikt om aan te geven hoeveel titels er wel niet geschreven zijn over zoiets als historisme, ‘entangled history’, ‘invention of tradition’ en ‘cultural transfers’. Allemaal boeken uit de jaren tachtig in een betrekkelijke kleine niche van de wetenschap. Je zou bijna anders gaan denken.

Zet ik mijn definitieboompje op, dan is religie de hele boom. De definitie is die van Davies die parafraserend luidt dat religie de overtuiging is dat er een emotionele band is tussen hen die overleden zijn, de levenden en zij die nog geboren moeten worden. Ik vind dit altijd nog de omschrijving die mij het meest past, omdat én emotie én de kringloop van het leven erin voorkomt. Zo zeer, dat ik pas tijdens het lezen van deze definitie begreep, waarom mensen zich überhaupt met spiritualiteit willen bezig houden en naar het transcendente zoeken. Het is trouwens gevaarlijk terrein deze definitie en er zal over gestruikeld worden, misschien. De definitie is het resultaat van een groot onderzoek onder alle religies naar de emotie van aspecten van religie die alle geloofsovertuigingen gemeenzaam hebben. Knap werk.

Een belangrijk onderdeel van mijn boompje is de stam en daar hecht ik het geloof aan. Daar heb ik inmiddels een eigen definitie voor bedacht op basis van mijn onderzoek naar de negentiende-eeuwse katholieke emancipatie in het algemeen en het Mengelberg-onderzoek in het bijzonder. Deze definitie luidt: geloof is een irrationele legitimatie van macht en machtsmisbruik.

De kerk, de gemeenschap van gelovigen, zijn de zijtakjes en bestaan uit netwerken die, het hiërarchische en gender-bepaalde karakter van de kerk volgend, perfide te noemen zijn en manipulatief met het verleden omgaan. Ik heb voor de kerk als gemeenschap nog geen definitie bedacht. Inclusief is zij in ieder geval niet en christus navolgend al helemaal niet. Zelfs in tegendeel, in schokkende mate.

Ik denk dat ik de verder definities maar even laat rusten en nog even een woord wijd aan onze ‘inclusieve’ samenleving, vooral gebaseerd op de recente feiten over het gedrag bij de Belastingdienst en de vreemde omgang met criminaliteitscijfers in AZC’s. Het lijkt tegengesteld, maar dat is een paradox. Hoewel alleen slechte tot matige historici gebruik maken van het model van de paradox, weet ik na herlezing van de Zauberberg  van Thomas Mann.

Ik heb net het glorieuze voorwoord van de antropologe en genderdeskundige em. prof. dr. Gloria Dekker op de Nederlandse vertaling van James Baldwin gelezen Niet door water maar door vuur. Hierin schrijft zij een brief aan haar 18-jarige nichtje in Groningen in navolging van een brief die Baldwin ooit schreef. Ik was diep onder de indruk. Hiertegen kun je niets inbrengen dan alleen maar hopen dat onderwijs op zo jong mogelijke leeftijd nog iets kan bijsturen in een ontwikkeling die zo razendsnel gegaan is en waarvan nu lijkt dat deze niet bij te sturen is. Het is jammer dat onze geleerden in geesteswetenschappen over het algemeen niet de ‘brightest buttons in the box’ zijn en een ‘mijn grootvaders klok’ gehalte hebben. De theorieën uit andere disciplines uit de jaren tachtig worden nog steeds als uitgangspunt genomen voor elke dissertatie in dat vakgebied. Dat kan toch niet echt waar zijn? Omgevallen kaartenbakken dat zijn ze, dat wel. Kunnen leuk schrijven en geanimeerd vertellen en weten echt heel veel. Maar voor die kaartenbakken hebben wij nu van die leuke, vierkante apparaatjes  met een geheugenomvang waar je je geen voorstelling meer van maken en dat wat je niet weet kom je al zoekend tegen. Ik vind ze heerlijk die geheugens, zou mijzelf er wel aan willen koppelen. Het scheelt mij ook een hoop gesjouw met tassen vol boeken overigens.

mei 2019

Impressies van geloof, hoop en liefde. Mijn naam is Jezus Christus

mijn naam is jezus christus 1 (1)      mijn naam is jezus christus 1 (2)

 

Over de jaren 1997 tot en met 2018 anno vandaag, heb ik een verzameling impressies van geloof, hoop en liefde bijelkaar gebracht in een geel mapje dat ik gekocht heb in de wereldwinkel in Leeuwarden. Een heerlijk winkeltje waar ik graag kwam en nog steeds kom ik graag in de wereldwinkeltjes, maar niet meer in dat Leeuwarden winkeltje. Nooit meer. Het bestaat vast niet meer en het bestaat niet dat ik nog een voet in Leeuwarden zet. Het mapje is een soort ‘stationary’ waarin zich verschillende papiertjes bevinden, handgeschept, in verschillende kleuren en formaten en vier in de vorm van een laddertje. In de band zit een klein, rond geel potloodje. Aanvankelijk werkte ik hiermee, maar was niet tevreden over het resultaat.

mijn naam is jezus christus 1 (3)

De titel die ik het van begin af aan meegaf luidde ‘Mijn naam is Jezus Christus’, maar na een paar jaar vond ik dat teveel godsdienstwaanzinnig klinken en heb ik het veranderd in ‘Zijn naam is Jezus Christus’ om nu weer de oude volgorde te hanteren, want die heb ik niet voor niets gekozen en er zijn meer kunstenaars die zich openlijk identificeren met de heiland (vooral mannen). Het lijden stond in die eerste jaren centraal: het lijden van vrouwen, maar ook van Christus als vrouw, van Maria als moeder. Ik heb een aantal crucifixen met vrouwenlichamen geschilderd. Niet uniek, bleek. Grote namen waren mij al voorgegaan, maar het voelde wel intens en godslasterlijk. En dat voelt het nog steeds als ik het mapje doorblader en uiteindelijk van de definitieve inhoudsopgave voorzie.

mijn naam is jezus christus 1 (6)

Hoever sta ik nu af van die periode, de jaren na de geboorte van onze oudste? Jaren die toch echt de zwaarste tot nu toe zijn geweest en waarvan ik maar niet wil bekomen. Het voelt allemaal nog zo vers, nog zo dichtbij, nog zo verinnerlijkt op een verkeerde manier. Therapieën hielpen dus niet, medicatie ook niet en ouder worden evenmin. Dat is jammer, dat laatste. Daar had ik wel op gehoopt. Slijten doet het misschien toch wel uiteindelijk. Ik heb natuurlijk tien jaar lang geen acht geslagen op het aanwezige trauma, het onderdrukt, een mechanisme gebruikt dat verdacht veel op dat van de struisvogel lijkt. En dan komt het in het kwadraat op je af. Duurt het dan vanaf 2007 twintig jaar? Als ik 67 word, dan heb ik nog een lange tijd voor de boeg, maar ik ben op de helft.

mijn naam is jezus christus 1 (7)

Nog een paar woorden over godsdienstwaanzin: ik verafschuw dat verschijnsel tot in elke vezel van mijn lichaam. Ik zie er wel eens voorbeelden van: een man die op de grond valt voor een kruis, een wezenloos zittende vrouw die aan het bidden is alsof haar leven er vanaf hangt in haar eigen huis of in een kerk, zelfverminking onder het mom van kastijding als extreme vormen, maar ook the Passion, de Heiligdomsvaart, het luiden van klokken waar niemand om vraagt, reliekenverering in het openbaar en processies. Ik geloof dat daar voor mij de grens ligt: openbaarheid. Devotie in de beslotenheid van een kerk of huis is nog daar aan toe, maar op de openbare weg, daar trek ik toch een grens. Niet dat ik mij schaam of plaatsvervangend schaam, maar omdat het niet democratisch is, niet gedeeld in de hele samenleving, niet gewaardeerd door iedereen en omdat het verkeerde reacties op roept. Stille devotie, devotie van de stilte.

mijn naam is jezus christus 1 (5)

En dan die occupatie met Joden en hun lijden: ook dat komt in dit projectje weer terug. Het kwam al eerder voor, tijdens mijn middelbare schooltijd. Maar ik heb niet zoveel met Jodendom eigenlijk. Ik ben volstrekt geen filosemiet en heb eigenlijk ook een afkeer van slaaplokken, hoeden, tulbanden, gebedssnoeren en dat heen en weer buigen. Ik hoef dat niet te zien in de openbare ruimte. Diaspora-geschiedenis is daarentegen razend interessant en natuurlijk het lijden, het zinloze lijden van een volk dat tot permanent zondebok gemaakt werd omdat het zich niet aanpaste, maar vooral omdat het zich niet mocht aanpassen. Dat ik nu weer met die materie bezig ben is toeval geweest, maar misschien toch ook weer niet. Bij veel onderzoekers was het tot op heden nog niet op hun pad gekomen, wel op het mijne. Vreemd.

mijn naam is jezus christus 1 (4)

De lijst met titels spreekt voor zich en behoeft geen toelichting. Wel misschien dat het lijden van Christus een intense indruk op mij gemaakt heeft en nog steeds doet, niet alleen van pijn maar vooral ook van zinloosheid. Het zinloze lijden van een huilende god. Een essay schreef ik er over. Staat nog ergens op de pc, of niet. In ieder geval is het projectje nu definitief afgerond en kan het resultaat in de tekenla ‘definitief werk’ worden gelegd. Klaar voor de containter op termijn. De genade van de container zal ik maar zeggen, maar genade is voor de zondaar.

mijn naam is jezus christus 1 (8)

 

  1. Jezus Christus is mijn naam/ Jezus Christus is zijn naam
  2. Het Lam Gods I
  3. Vrouwenaltaar van Gerrit Terpstra
  4. De Een en de Ander
  5. Brandoffer
  6. Joden en vrouwen zijn altijd schuldig
  7. Oudste dochter
  8. Eleonora
  9. Venster
  10. Puzzle
  11. Stuk steen
  12. All’Italiana
  13. Nederland-Suriname (kolonie)
  14. Mijnenveld in de Derde Wereld
  15. Want sterk als de liefde is de dood
  16. Strafregels
  17. Davidster
  18. Slachtoffers van de Shoah hebben een naam
  19. Toverwas
  20. God zeg ik
  21. Joden en vrouwen; Andreas Burnier
  22. Ballade van Mauthausen
  23. Mijn ogen zijn jouw ogen
  24. Jezus man van smarten
  25. Pasen 1998
  26. De Heer is waarlijk opgestaan!
  27. Christus triumphator
  28. Het Lam Gods II
  29. Heimwee en nostalgie
  30. Laat de kinderen tot mij komen
  31. Juden raus
  32. Tijd is niets, plaats is alles
  33. Und siehet, die Sonne Homers lächelt auch auf uns
  34. De aarde rond
  35. They have a dream!
  36. Roomskatholiek socialisme: Rooms Rood
  37. The black box
  38. Human rights and the United Nations
  39. Naar Jesaia 1: 18
  40. Veertje op het water I
  41. Veertje op het water II
  42. Liefde tot de hele mensheid
  43. How to explain religion to a dead bird
  44. Bedevaart
  45. Demiurg
  46. De onbewogen beweger
  47. De wereld van ideeën; Plato
  48. Ecce agnus Dei
  49. 11; 19, zachtmoedig lam
  50. Dignus est agnus
  51. Hij is geofferd omdat hij het zelf gewild heeft
  52. Het einde van de goddelijke kunst I
  53. Lam Gods naar Van Eyck
  54. Het einde van de goddelijke kunst II
  55. De talmoedjood Meerssen
  56. Het jodenvraagstuk 2006: Lang leve Lea Dasberg
  57. Filigrain, wat als Jezus een vrouw geweest was?
  58. Het laatste oordeel
  59. Hoe ziet goedheid eruit?
  60. Gesluierde Synagoga
  61. Geel is de kleur van de Joden
  62. Onschuldig kind I
  63. Onschuldig kind II
  64. Son of Saul 

Tekst bij ‘Het einde van de goddelijke kunst’: “Het Lam Gods. Lijdend schaap herinnert aan het Lam Gods. Het lam als jong, onschuldig dier is het symbool voor zuiverheid en onschuld. Dit lam is afkomstig van het beroemdste altaarstuk van de gebroeders Van Eyck in Gent. Maar het lijkt helemaal niet op een lam, het is een schaap. Een volwassen dier, oud en vet en vooral dominant. Net zo ‘groot’als de inscriptie op het werk zelf: ‘de schilder Hubert van Eyck, groter dan wie niemand gevonden werd, begon het zware werk dat Johannes de tweede in de kunst voltooide.'”

 

oktober 2018

‘En wij bidden niet voor de geile beer uit Rotterdam’

Waarschijnlijk ben ik in de verkeerde bubbel terecht gekomen. Ik word om de oren geslagen met berichten over sexueel misbruik in de katholieke kerk en de beschuldigingen en verdedigingen gaan razendsnel over en weer. Het ene analoge bericht wordt ontkracht door het andere, ondersteund door allerlei adhesiebetuigingen of juist het tegenovergestelde in mijn bubbel. In de weerwil van al die berichten blijven mij voortdurend woorden in herinnering komen, die ik hoorde als middelbare scholier van het Willibrordcollege in Goes tijdens een heilige mis in de Hoogte ter ere van Pasen. Tijdens de voorbeden sprong een leraar, het was vrijwel zeker mijn geliefde leraar Nederlands Karel Lockefeer naar voren die de woorden ‘En wij bidden niet voor de geile beer uit Rotterdam’ uitspuugde in de microfoon. De pastores, rector en mede- opperhoofden die zo’n school kent, reageerden geagiteerd. Klonk er ook niet ergens een zwak applaus? Waarop de leraar sprak dat het nu maar eens gezegd moest worden en dat de jongens beschermd moesten worden. Zomaar een incident van heel lang geleden. Midden jaren zeventig, ik zat in de tweede of derde klas. Kan ook de vierde zijn geweest. Waarschijnlijk waren er in de bovenbouw jongens die naar het seminarie wilden en daarover met betreffende leraren hadden gesproken.

Ik was niet de enige die in die ruimte zat, er moeten méér mensen zijn die zich dit herinneren. Ik hoop het, want ik kan het ook verkeerd memoreren. Zoals er véél meer mensen geweest moeten zijn die min of meer op de hoogte waren van de misstanden op allerlei terrein in die heerlijke roomskatholieke familie van die dagen. Toch? Het gaat nu om bewijzen: mensen die de kerk willen verdedigen doen dat op eigen gezag en refereren naar niet controleerbare controles van leerlingenlijsten en geboortejaren en oral history. De ene hoogwaardigheidsbekleder aan wie een al dan niet terecht een vlekje zit wordt verdedigd op basis van persoonlijke getuigenissen, waarvan dit er natuurlijk ook één is maar dan in de andere richting. Ik vertelde over het gebeuren tijdens het eten en mijn ouders keken bedenkelijk en zeiden dat het bekend was dat er vieze dingen in Rotterdam gebeurden. Naast Amsterdam was ook Rotterdam één van de vele poelen van verderfs die Nederland kende. Echt goed door wat er nu precies aan de hand was, had ik niet. Over sex werd niet openlijk gesproken, nooit.

Maar daar gaat het toch helemaal niet om? De verdedigers van de kerk doen dit nu voornamelijk om hun eigen hachje te redden, zelf niet in de beklaadenbankjes te komen of om besmet te worden met de odeur van medeplichtige, want inmiddels zijn wij zo ver dat wij allemaal vinden dat wie er bij stond ook medeschuldig is. Netwerkjustitie en dat is nou precies wat er nodig zou zijn. Isoleer de schuldigen niet alleen en berecht hen, maar neem hun netwerk mee en evalueer de hele kerk en haar omgeving. De elite dus. Nu komt er weer een tweedeling, die van slachtoffers en daders die het blikveld vernauwt. En het is zo opvallend: de daders blijken altijd de heren (in opleiding) te zijn van de tweedeling die de kerk al van begin af kent, die van meesters en knechten. De slachtoffers behoren allemaal tot de laag van de knechten, de meelopers zitten er tussenin.

september 2018

het verdienmodel van de katholieke kerk

Na een aantal jaar onderzoek gedaan te hebben naar het katholieke réveil in de 19e eeuw, blijven er nog steeds lacunes in mijn kennis die ik niet zo snel weet op te vullen. Gelukkig worden die steeds minder en voor de kritische lezer die denkt met een totaal onwetende en ongeschoolde scribent te maken te hebben, wil ik de aanwezigheid van deze leegten toch wat nuanceren. Begaf ik mij met het onderzoek naar het leven en werk van Wilhelm Mengelberg aanvankelijk op het pad van het kunsthistorische handwerk, het onderzoek naar de objecten en het samenstellen van een oeuvrecatalogus, al snel werd dit pad een rijweg waarop ook de (cultuur) historische en vooral sociologische discipline om veel aandacht vroeg in de vorm van het onderzoek naar het netwerk. Na dit netwerk en de oeuvrecatalogus in kaart te hebben gebracht, kwam er een nieuwe rijstrook bij, namelijk die van de geschiedenis. De historische context op macro, meta en microniveau. Het voert te ver dit hier te resumeren. Had ik deze context eenmaal goed in beeld, kwam er weer een rijstrook bij, die eigenlijk de inhaalstrook werd, namelijk de theologische weg. Aan het begin van deze weg stond ik al bij de start van mijn onderzoek, maar ik hoopte eigenlijk dat ik deze weg niet op zou hoeven, omdat ik mij daarvoor niet geëquipeerd genoeg vond en vind eigenlijk en ook omdat de sacraliteit van de te onderzoeken objecten voor mij nog te sterk was. Niettemin begeef ik mij nu op deze weg en probeer de kennis te integreren in het hele onderzoek. Een normaal mens zou zeggen ‘had voor één weg gekozen’,  maar ik houd niet van half werk daarbij is de indeling van de alphawetenschappen in de verschillende disciplines, die allemaal het etiket van wetenschappelijkheid dragen eerder een hindernis dan een vergemakkelijking gebleken. Hoeveel oogkleppen kan een kunsthistoricus ophebben en hoeveel inzichten kan een historicus missen. Enfin de schone taak om al deze kennis samen te brengen tot één leesbaar product dat goed in de markt ligt. En hiermee kom ik op het onderwerp van dit blog.

In mijn onderzoek heb ik de inkomsten van de katholieke kerk in de negentiende eeuw globaal in kaart proberen te brengen en daarover bestaat veel gebrek aan kennis in het algemeen en bij mij in het bijzonder. Behalve de particuliere giften, die ongelooflijk hoog moeten zijn geweest maar wel wisselend van omvang is er maar één vaste bron van inkomsten voor de gemiddelde pastoor en dat is het traktement dat de overheid ter beschikking stelde. De regering stelde dit loon in na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 en trok deze gelijk aan het inkomen dat zij aan protestantse en gereformeerde dominees wilde besteden. Echter deze lijken nauwelijks gebruik gemaakt te hebben van deze mogelijkheid, zo is mij uit de literatuur duidelijk geworden. Zij wisten zichzelf te bedruipen door de giften van de gelovigen en door eigen kapitaal. De katholieke priesters echter zouden massaal een beroep gedaan hebben op dit inkomen.

Nu heb ik in de Nederlandse parochiearchieven intensief onderzoek gedaan in die kerken waar relatief veel en belangrijk Mengelberg-werk aanwezig is en slechts in één geval een officieel verzoek gevonden om een traktement van de overheid te krijgen en wel in een parochiearchief in een stad in het Noorden van Nederland. En niet de minste pastoor verzocht om een extraatje: één van de belangrijkste figuren in het gildenetwerk en in de verankering van de katholieke kerk in de gemeenschap en de vorming van het katholiek onderwijs. Ik ga de naam niet noemen, ingewijden weten die ongetwijfeld en ik laat graag andere onderzoekers mijn werk dunnetjes of minder dun over doen. Maar het is illustratief dat van deze pastoor nu net een schriftelijk bewijs is gevonden voor de financiële onderstand door de overheid. En er moeten er dus meer geweest zijn, van die jongens die weinig geld uit de familie meekregen, van het bisdom te weinig ontvingen en bij de (toekomstige) parochianen nog te weinig reclame voor zichzelf gemaakt hadden om goed te kunnen leven. Voor alle duidelijkheid: ik sluit zeker niet mijn ogen voor de goede bedoelingen en de gedrevenheid van deze mensen en ik wil zeker de kerk niet aanvallen, geen enkel genootschap dat uitgaat van het goede in de mens, maar ik wil wel kennis vergaren over dit onderwerp, omdat ik denk dat hiermee het mechanisme van veel geloof bijgesteld zou kunnen worden naar voor iedereen begrijpelijke proporties.

In de financiële paragrafen van het Liber Memorialis van de verschillende parochies (zeg maar de dagboeken van de pastoor die volgens een vaste indeling bijgehouden werden) vind ik in de financiële verslaglegging geen neerslag van de inkomsten van de pastoor en de kapelaans. Wel worden de schenkingen en stichtingen uitdrukkelijk vermeld, maar hoeveel daarvan aan ‘de strijkstok bleef hangen’ is onduidelijk. En dan de inkomsten die een kerkelijk dienaar vanuit het bisdom kreeg. Daar ben ik ook niet veel over te weten gekomen via de parochiearchieven, maar daar is vast méér over te vinden in de bisdomarchieven. Kortom behalve de archieven van de parochie, zou een onderzoek in de bisdom- en ministerie-archieven veel opleveren. Nog los van de archieven van de kloosterorden, want ook de orden hadden eigen kerken en parochies en juist deze waren heel rijk, maar wat kregen zij uit het moederklooster of van hun overste in Rome? Ik kan mij echt niet voorstellen dat er zoveel inkomsten uit Rome en het bisdom binnenstroomden, dat het katholieke réveil hiervan betaald zou kunnen worden. Wie zou deze handschoen willen opnemen en dit willen gaan onderzoeken? Ik heb er overigens geen zin meer in, sinds ik door ‘gelovigen’ (kunnen wetenschappers eigenlijk wel gelovig zijn?)  weinig subtiel gewezen wordt op mijn eigen verdienmodel. Ik zal daar nog wel eens duidelijkheid over verschaffen in een volgend bericht en heb dat al eens eerder gedaan.

En er is nog een andere handschoen en dat is namelijk het beantwoorden van dezelfde vraag voor de joodse gemeenschap: want reken maar dat in die negentiende eeuw waar de religieuze controversen tot grote hoogte gedreven werden dit een belangrijk element geweest is. Ik heb mij hier nog helemaal niet in verdiept en zou zo snel niet weten waar ik zou moeten beginnen. Maar ik ben heel benieuwd naar de rijkdom van de killes in het algemeen en de joden in het bijzonder en de reden voor al dan niet terechte afgunst bij de overigen. Of dat wij vooral met beeldvorming te maken hebben en dat is weer van belang voor mijn onderzoek, want religie is in de katholieke kerk voor een groot deel beeldvorming met echte beelden en hoe sterk die gemanipuleerd kan worden heb ik inmiddels wel begrepen.

En dan is natuurlijk de volgende stap het onderzoeken van het verdienmodel van de katholieke kerk in de 20e eeuw en heden ten dage. Mijn indruk is inmiddels dat de rijke roomse meesters hun knechten hebben verloren door de sociale zekerheid, verbeterd onderwijs en een efficiënt functionerend overheidsapparaat (de democratie dus) en dat zij nu hard op zoek zijn naar nieuwe loopjongens en meisjes die niet met het verleden belast zijn. Voor een deel heeft de kerk dit zelf veroorzaakt door een grote bijdrage te leveren aan het onderwijs, maar de bijdrage van de kerk aan het sociaal welzijn van een hele maatschappij is uiteindelijk bedroevend. Ze kost vooral erg veel geld. De kreet die je af en toe een politicus hoort slaken die de weg kwijt is, en dan vooral in het zuiden, dat de kerk noodzakelijk is om een aanvulling te leveren op dit sociaal-maatschappelijk terrein door bestrijding van de armoede en  alle overige sociale ellende te lenigen is eigenlijk godgeklaagd. Dit is nou net de lacune die ik de kerk uiteindelijk niet toevertrouw te dichten en waarvan ik haar uiteindelijk toch stiekem verdenk moedwillig geschapen te hebben.

september 2018

Mijn Heiligdomsvaart: van ‘Jezus is boos’ naar de ‘Sedes sapientiae’

sedes website

 

Naar de kerk gaan werd beperkt tot  een vroege mis op zaterdagochtend en alleen met feestdagen een hoogmis. De behoefte om een mis bij te wonen is nooit zo bijzonder sterk geweest eigenlijk bij ons thuis en bij mij en dat gaat het ook nooit worden. Met het op kamers gaan wonen, verdween de mis uit mijn leven. Empathie in de zin van een vereenzelviging met lijden heb ik wel: ik vind het nu eenmaal moeilijk de pijn van andere mensen langs mijn koude kleren af te laten glijden. Dat lukt mij niet zo goed, maar een dergelijk gevoel voor een religieuze, historische of romanfiguur heb ik toch nooit gehad. Slechts eenmaal was ik helemaal onder de indruk van een toneelspeler die Cyrano de Bergerac speelde en met zijn uitgeleende poëzie een beminde aan zijn erg lange neus voorbij zag gaan. Van sociale afwijzing had ik wel last, maar alleen in de schoolklas of op het speelplein. Nooit thuis, in de buurt of bij andere activiteiten. Het speelde wel in Leeuwarden in de werkomgeving en ik denk ook heel sterk in Maastricht op een breder vlak. De compensatie maakte het allemaal dragelijk en daarbij vond ik leren veel te leuk om daardoor mijn plezier in school te laten vergallen. Het heeft mij wel onzeker en onhandig gemaakt, dat wel. Maar dat past ook wel weer bij het nerd-achtige dat ik graag koester en wat ik vermoedelijk ook gewoon ben. Misschien toch die opera in die paar gevoelige jaren in de middelbare schoolperiode die ik van s’ochtends vroeg tot s’avonds laat grijs draaide? In die periode had ik ook veel belangstelling voor de geschiedenis van Israël, wist ik alles van de val van Jeruzalem tot de Jom Kippoer oorlog en vond ik een kibboets ook wel iets voor mij. Een spreekbeurt over concentratiekampen in de tweede klas wist mijn leraar Duits, vorig jaar toevallig de priester die mijn moeder de ziekenzalving gaf, zich nog te herinneren. Knap van hem, maar ik vond het dan ook een hele goede leraar. Maar ook die manie ging vrij snel voorbij: ik had nog wel een tijdje een poster met een olijfboomgaard in Israël met herder en schaapskudde op mijn kamer hangen. Het beeld van de Goede Herder heb ik altijd erg mooi gevonden.

goede herder -2

De preoccupatie met het lijden kwam toch eigenlijk pas na de geboorte van de oudste. Misschien is dat zo’n indrukwekkende gebeurtenis voor mijn type mens dat ik er niet zo makkelijk overheen kon stappen. Het was ook niet niets eigenlijk en wist ik veel waar ik aan begon? De omgeving werkte ook niet op alle fronten mee en de last van alleen verdiener was toch zwaarder dan ik dacht al waren de taken goed geregeld en liep het ook zoals verwacht. In die periode ben ik weer gaan tekenen: veel religieuze onderwerpen en natuurlijk ‘moederkunst’. ‘Moederkunst’ de grote valkuil voor serieuze kunstenaressen na de geboorte van hun kind. Wij zijn nu eenmaal niet allemaal Modersohn Becker, Kollwitz of Dumas.

botticelli maria. website

Ik heb wat moeders met kinderen getekend, geschilderd, geboetseerd, gesneden en in steen gehouwen. Van abstract tot figuratief, van goed geslaagd tot redelijk. Er zat geen enkele echt mislukte variant onder. Maar ‘moederkunst’ werkt niet, al helemaal niet op een kunstacademie. De madonna’s die er later voor in de plaats kwamen, van de Schutsmantel tot Anna ten drieën werden almaar abstracter. Maria als treurende moeder is niet zo’n thema geweest. Mijn inlevingsvermogen hield bij pièta’s toch wel op, daar werd een grens overschreden: zo’n vrouw met een volwassen man op schoot.

hl anna ten drieen website

Met het lijden van Christus identificeerde ik dus mij wel, moet ik bekennen. Ik schilderde crucifixen met vrouwenlichamen in allerlei variaties en maakte mijn eigen interpretaties van kruiswegen. Ook hield ik een soort boekje bij waarin ik allerlei religieuze onderwerpen uitbeeldde en het Isenheimer Altar was en is een grote inspiratiebron (nog voordat ik wist dat heel veel kunstenaars iets met dit werk hebben: ik zag het voor het eerst toen ik dertien was). Mijn opleiding tot kunstenaar vond plaats in de jaren dat ‘Jezus is boos’ en het werk van Gerrit Terpstra in het Noorden bekend werd vanaf 1995. Vooral de kerkjes ingericht met het altaar door Terpstra maakte wat los in mij. Ik houd nog steeds een soort boekje bij met bijbelspreuken, citaten, beeldmotieven en tekeningetjes van inspirerende persoonlijke belevenissen vanuit een religieus perspectief. Het droeg zelfs de titel ‘ik ben jezus christus’. Ik schaamde mij van het begin af aan over die titel en heb deze dan ook op een gegeven moment veranderd.

maria met kind website 2

Inmiddels ben ik over het mede-lijden heen, al weer heel lang. Hoewel ik begrijp dat Jezus het symbool van het goede is en dat het goede altijd overwint, zie ik toch in de uitbuiting van de figuur van de lijdende christus in vooral de katholieke kerk vooral een manipulatief doel. Een beeld van Maria met kind ben ik in het kader van de Mengelberg-studies nog aan het onderzoeken, dat van de Sedes Sapientiae. Dat is toch wel een heel ander beeld, dat ook als wapen in de strijd gegooid werd. Op vaandels droegen christelijke strijders het icoon van de zetelende Maria met het kind op schoot mee. Dat maakte misschien nog wel meer indruk dan het kruis. Met die kennis kijk je toch weer anders naar de talrijke madonna en kind beelden uit de Mengelberg-ateliers. De titel voor mijn dissertatie, die er natuurlijk nooit komt, was goed gekozen: ‘kunstenaars in dienst van het leger van de paus’.

engel bij het graf 2

maria, jezus en Johannes de Doper website

maria met kind website 3

 

juni 2018

Mijn heiligdomsvaart: Job

DSC_3571

 

Nog doordenkend over Mozes met een opgeblazen gezicht en barstende hoofd- en oorpijn als gevolg van een allergische reactie op de steek van een blinde vlieg (wel eerder steken gehad, nooit eerder een allergische reactie; waar komt dat nu weer vandaan?) kwam ik in mijn geheugen een voorval tegen waaraan ik nooit eerder aan teruggedacht had. Na het overlijden van mijn opa kwam oma wel eens bij ons logeren en dan gingen wij er op uit. Meestal werd er wel ergens een kerk bezocht. Ik geloof dit keer in Zeeuws-Vlaanderen. Voor het neogotisch altaar staand begon mijn vader een exposé over wat er te zien viel en natuurlijk kwam Mozes weer voorbij (nu na mijn onderzoek weet ik dat het ‘weer’ is want niemand lijkt zoveel te zijn afgebeeld in die jaren als Mozes). Mijn oma, die nooit heel dol op deze van haar vier schoonzoons was, fluisterde ‘uitslover’. Ik dacht werkelijk heel lang dat zij daarmee Mozes bedoelde, nu geloof ik dat niet meer zo heilig. Ik heb dus heel lang Mozes als een uitslover gezien, want ja een beetje gelijk had ze wel. Ik geloof niet dat mijn vader er erg mee zat met die opmerking als hij die gehoord zou hebben. Hij heeft zich er in ieder geval nooit wat van aan getrokken dat zijn schoonmoeder hem zo zag, want een hoge pet had hij niet op van zijn schoonfamilie. Dat had Mozes ook niet gedaan als zijn schoonmoeder dat van hem gezegd had. Maar zo gek was de opmerking van oma niet: je kunt Mozes zeker als een ‘pater familias’ zien en nog veel verder gaan en hem de plaatsvervanger van God zien, in dit geval Jahweh dan. Mijn opa stond bij mijn oma onder plak, bij ons thuis was het toch wel een beetje andersom.

En wie was dan Jezus, zijn zoon: ongetwijfeld Job zo heb ik geleerd uit het mijn onderzoek. Deze arme, lijdende man was de vooraankondiging van de Christus. Je komt Job niet tegen op de negotische altaren. Ik heb slechts één Duitse afbeelding gevonden van een Job op de mestvaalt terwijl zijn vrienden langskomen en één Job als heilige in vol ornaat. Misschien als er meer Jobjes op de altaren gestaan hadden dat mijn vader en oma niet zo’n hekel hadden gehad aan neogotiek. Mijn vader vond het oplichterij en namaak en mijn oma hield van de Tooropstijl en expressionisme. (Dat uiteindelijk in essentie niet zo heel ver verwijderd is van de neogotiek overigens: ‘oude wijn in nieuwe zakken’)

DSC_3569

Job heeft mij altijd geïnteresseerd en ik vind de teksten uit het boek Job aansprekender dan die in Mozes. Vooral de passage daar over de rijke en arme die beiden een tsekkel voor de hemel moeten betalen bij Mozes vind ik nogal stuitend en kapitalistisch. Het is én een voorbeeld van deviantie én een voorbeeld van een navrante geldeconomie. De kerk beriep en beroept zich erop dat zij zo antikapitalistisch is, maar ik weet dat zo net nog niet. Ik vond overigens al langer dat het eigenlijk fout gegaan is in de wereldgeschiedenis met Mozes. Ik zou managers en politici juist aanraden om eens bij Job te rade te gaan en wat minder ego kan geen kwaad zou ik zo denken.

Mijn Jobjes zijn erg zielig, uitgeteerd en wanhopig. Ik heb ze ook gemaakt in een minder vrolijke periode in mijn leven, waar ik doorheen moest zien te komen met kunst en vliegwerk. Ik heb hem ook gekleid: een heerlijk onderwerp om te boetseren, maar van bakken kwam het nooit. Ach ja, echt veel verloren gegaan is er daarmee niet.

DSC_3570

De afbeeldingen spreken voor zich. Maar toch nog terugkomend op Mozes en zijn veelvuldig optreden in de negentiende eeuw en zijn populariteit onder reactionaire intellectuelen van boven de 60 nu: ik geloof dat er toen een soort grootvader-cultus aan de gang was en dat er nu weer een soort opa-verering aan het opkomen is vooral ingegeven door de opa’s zelf die immers van de babyboom-generatie zijn én een goede gezondheid én geld én tijd hebben. Een soort zelfverheerlijking dus onder het mom wij moeten onze beschaving redden en onze normen en waarden herstellen. Nadat ze deze weinig fijngevoelig in de jaren zestig afgebroken hadden om zelf de baantjes in te nemen. Het meest irriterend vind ik de tachtiger die mij nu met u aanspreekt, maar van wie ik weet dat hij dat dertig jaar geleden tegen niemand ooit deed. Huichelaar. Maar hier ontbreekt even de nuance.

Toch zit er wel iets in mijn redenering: niet voor niets werd recent gepubliceerd over het feit dat na 1870 in de katholieke kerk er een mannelijkheids-cultus opleefde om het vrouwelijke in de kerk zo terug te dringen. De gilden en de broederschappen zijn daar een goed voorbeeld van. De opgeklopte Maria-verering had ook zo zijn negatieve kanten dus en een reactie van onvermijdelijk. Jozef werd op het schild gehesen en mannelijke heiligen werden voorbeelden voor jonge jongens die in verkennerij bijvoorbeeld zich konden uitleven én ontplooien ver van het schone volk. Ach ja, het is wat tussen man en vrouw in de maatschappij in het algemeen en in de kerk in het bijzonder. Ik ben bang dat in het laatste segment het heel moelijk gaat worden, zelfs de ‘wetenschap’ werkt niet mee. Als je in de databank van de Tilburg University gaat kijken naar de verklaring van de hagiografie van vrouwelijke heiligen door moderne wetenschappers dan val je van je stoel af door de psychologie van de ‘koude grond’.  Bij de mannelijke heiligen daarentegen vind je daar helemaal niets van terug, dat blijven een soort ‘jongens van De Wit’, echte helden. Zou zo’n databank onder supervisie staan van de Congregatie voor de Geloofsleer misschien? Misschien een leuk onderwerp voor volgende week om uit te spitten, na de Heiligdomsvaart. En gelukkig heb ik nooit wat gehad met heiligen in mijn beeldend werk of in hen inspiratie gevonden: al dat gedweep en die uitsloverij dus die aflevering kan ik schrappen.

juni 2018

Mijn Heiligdomsvaart 3, Mozes en de Stenen Tafelen

DSC_3565 (2)

Natuurlijk liep in de ommegang ook Mozes mee en zijn volk. Duidelijk herkenbaar en wat hadden ze het warm. Ze konden zich zonder problemen inleven in een tocht door de woestijn c.q. Maastricht.

DSC_3564 (2)

Zelf had ik van jongsaf aan een bepaald beeld van Mozes dat nogal gewelddadig was eigenlijk. Alleen dat rieten mandje was erg aardig, maar dat was maar het begin. Daarna kwamen de grote daden van deze leider der leiders, of manager der managers. Ik geloof dat Mozes recentelijk is gebombardeerd tot een voorbeeld voor Nederlandse managers door theologen en voormalige premiers, de jongens van De Wit met een VOC-mentaliteit dus. Ach ja, als het ze lukt de Noordzee nog eens te splijten en zo naar Engeland over te kunnen steken dan heroverweeg ik mijn antipathie. Maar die is groot.

DSC_3566 (3)

Je hebt de Stenen Tafelen met de Tien Geboden en het Gouden Kalf waaromheen zijn volk danste onder leiding van zijn zoon Aäron. Uit woede smeet hij de Stenen Tafelen kapot. Daaraan vooraf ging een moord op een Egyptenaar waardoor Mozes moest vluchten, gevolgd door een strijd met de farao en de Tien Plagen van Egypte. Wij moesten die op school in een klein tekenschriftje tekenen: vooral de sprinkhanen vond ik wel leuk om te doen. De moord op de oudste zonen hoefde niet. Ik geloof dat de meester deze oversloeg, helemaal zeker weet ik het niet.

Ik kwam dit negatieve beeld onverwacht weer tegen toen ik mijn map met oud werk aan het doornemen was met enigszins bijbels georiënteerde maaksels in het kader van mijn eigen ommegang, namelijk die door oude mappen. In het kader van een heel leuk project van Frits Hesseling en Geurt van Dijk, ‘Kunnen boeken drijven’ heb ik illustratries gemaakt geïnspireerd op de stenen tafelen van Mozes, heksen en een combinatie van beiden. Geurt vond dat ik mij maar eens moest verdiepen in heksen en hoe er met hen was omgegaan in het verleden onder meer met de waterproef. Waarom hij mij daar expliciet op attendeerde weet ik niet: wij waren in total met zo’n man/ vrouw of twintig.

DSC_3568 (3)

Ik ben aan de slag gegaan en kwam uiteindelijk bij een uitvoering in zeefdruk van Mozes met de Stenen Tafelen terecht. Dit keer zonder ellenlange verklarende tekst, het beeld was voor iedereen duidelijk. Geluk ging het maken van zeefdrukken mij iets beter af dan het drukken van houtsnedes, maar ik was inmiddels ook wel weer een paar jaar verder.

SONY DSC

De voorstudies en afgekeurde ontwerpen zijn ook wel apart: vooral die waarin ik Mozes in verband breng met de nazis en boekverbrandingen zonder enig voorbehoud. Geen idee waarom ik dat toen deed. Het was nog maar eind jaren negentig en mijn onderzoek naar de neogotische kunst in Rijnlandse kerken lag nog in het onbekende verschiet. Dat ik de afgelopen jaren gestruikeld ben over hele nare Mozessen is misschien een bewijs van het feit dat dingen nooit onverwacht of onbedoeld op je weg komen en dat er sprake is van een soort rotonde. Alleen nu nog de juiste uitleg gaan zoeken.

juni 2018

Mijn Heiligdomsvaart deel 2 Mijn ark en de Man van Smarten

DSC_3560 (2)

DSC_3562 (2)

‘Installatie “De Ark van Noach”, verbeelding van de ark als surfplank-achtige skateboard met een inmens groot zeil, samengesteld uit de diverse houtsnedes met de voorstelling van de “Man van Smarten” zoals deze in de loop der eeuwen gevisualiseerd werd. Hoogte 4,5 m. Winter 1999/ Annelies Abelmann’

DSC_3555 (2)

Een volgend project waar redelijk goed op gereageerd werd, al kwam het curieus tot stand is de Ark van Noach of althans mijn ark. Zoals voor vele latent religieuze mensen is de Ark van Noach een dankbaar verhaal om mee aan de slag te gaan. Het appeleert ook nog aan het milieubewustzijn van de laatste decennia en de zorg voor flora en fauna. Vooral in gezinnen met kinderen is dit misschien wel het enige Bijbelverhaal, naast het kerstverhaal dat gemakkelijk verteld en verbeeld kan worden. Een reuze dankbaar onderwerp dus. Dat Noach ook de hoofdpersoon is in het genante verhaal dat hij stomdronken door zijn zoons naakt op de grond wordt ontdekt, is een detail dat wij graag vergeten. Dat hij hierbij veelal als een ‘echte’ jood wordt uitgebeeld eveneens. In mijn gezin kwam de ark ook letterlijk binnenvaren in een prachtig houten uitvoering met dito bemanning van een bekend verantwoord merk dat op de Vrije scholen gebruikt wordt en in Rudolf Steiner-achtige families al decennialang generaties kinderen overleeft. Even de naam vergeten. De bemanning wordt tot op heden nog wel eens uitgebreid met een beestensoort, mannetje en vrouwtje, te koop bij een verantwoorde winkel in Aken. Maar goed de Ark vaarde al in Leeuwarden een eindje met mij op en ik heb dit onderwerp op verschillende manieren uitgebeeld, maar nooit figuratief. Dat was de grootste kritiek van mijn docenten: waarom beeld je deze onderwerpen niet gewoon letterlijk uit. Ik voelde gêne, heel veel zelfs, niemand deed dit behalve Gijs Frieling die heel kort docent in Groningen was en mij met deze schaamte confronteerde en mij het advies gaf binnen een kerkgenootschap te gaan werken als ik met dit type werk doorging. Ik wilde ook niet in illustraties vervallen; die richting had ik bewust niet gekozen omdat ik merkte dat weinig teksten mij eigenlijk echt inspireerden en ik vond en vind de abstraherende werkelijkheid nog steeds interessant en ‘veilig’. Je kunt in je uitleg nog wat variëren en dat is tijdens zo’n opleiding best makkelijk en een schrijfseltje erbij voegen is ook heel leuk.

DSC_3556 (2)

Maar goed een ruimtelijke ark kwam er uiteindelijk toch, toen de grote kantine van de school ingericht mocht worden met werkstukken van een docent ruimtelijk. Hij had hierover geen overleg gepleegd met zijn collega, mijn docent ruimtelijk en die vond, toen ik hem de schetsontwerpen presenteerde, het ontwerp spannend genoeg om het uit te werken. Op formaat met een hoogte van bijna 5 m. Dit formaat werd bepaald door een grote stapel drukken die ik van een houtsnede gemaakt had met het gezicht van de ‘Man van Smarten’ in verschillende stadia van figuratie. Tot mijn grote verbazing zag ik een detail van mijn afbeelding tijdens de heiligdomsvaart langs komen op het passiekruis van de Akense delegatie. Blijkbaar hadden méér mensen inspiratie gehaald uit de kunstgeschiedenis, maar ik maakte er ‘kunst’ van en geen devotie. In die tijd voelde dat nog helemaal niet goed; nu is het geaccepteerd. In ieder geval was de drukgang nogal uit de hand gelopen en had ik erg veel afdrukken gemaakt. Zo veel zelfs dat de ‘Man van Smarten’ op de drukmat stond. Mijn docent gaf mij die mat zuchtend mee met de opmerking dat ik de volgende keer even moest overleggen voordat ik aan de slag ging: hij had gedacht dat ik het al kon, dat was zijn fout. Ik had echter nog nooit achter een drukpers gestaan, maar zoals zo vaak dacht ik wel dat ik mij er mee zou kunnen redden. Maar goed ik hoefde de schade niet te betalen, want dat was ingecalculeerd en dit jaar waren er nog geen echte rampen gebeurd. Goed met die stapel druksels moest ik wat doen en die kwam dus in het ontwerp voor de Ark terecht. Mijn Ark zou een surfplank op wielen worden met een gigantisch zeil.

 

DSC_3559 (2)

Ik mocht aan de slag en op de vraag waar ik het ding neer kon zetten zei de docent doodleuk dus in de kantine want die was ontruimd. De hele commotie over de tentoonstelling van de andere docent was mij geheel ontgaan en ik had niet direct door dat ik een beetje uitgespeeld werd. Ik heb een aantal avonden hard geknipt, geplakt, gezaagd, geschroefd en getimmerd en door toeval ontdekte ik dat mijn op papier al niet uitvoerbare project toch kon blijven staan door de mast gewoon op de grond te zetten. De docent vond het wel een interessante oplossing maar technisch niet helemaal volmaakt. Leermomentje dus voor de volgende keer maar wel ruim voldoende. Ik zette dat ding in de kantine en er kwam een storm van protest van de deelnemers van de expositie en de betreffende docent/curator. De directie zou er bijgehaald worden en ik zou het ding moeten weghalen. Gelukkig was ik hen voor, want ik voelde de bui al hangen en demonteerde mijn ark vliegensvlug en zat al weer in de trein naar Ljouwert toen het feest losbarstte. Het is toch altijd weer opmerkelijk hoeveel sneller afbreken gaat dan opbouwen. Ik kreeg van opvallend veel docenten complimenten, maar ik weet niet of dit nu was vanwege mijn actie of mijn werk. Van het object rest alleen nog een klein vlaggetje, de drukmat, de houtsnede zelf, enkele afdrukken, ontwerptekeningetjes en een paar hele snelle foto’s. Toch wel aardig dat het Akense Passiekruis dit weer bovenhaalde.

DSC_3557 (2)

DSC_3563 (2)

juni 2018

Mijn Heiligdomsvaart deel 1’de nomadische biechtstoel’

DSC_3553 (2)

 

 

Eigenlijk had ik geen twaalf dagen willen wachten om  ‘mijn’ heiligdomsvaart te evalueren. Want dat hoort er natuurlijk bij zo’n bedevaart. In managerstaal: ‘wat heb je er nu van meegenomen? ‘of ‘wat heb je er van geleerd?’.  Het antwoord moet blijk geven van zelfinzicht, bezig zijn met voortdurende ontwikkeling en openstaan voor nieuwe uitdagingen. Voor mensen van boven de vijftig altijd wel een riskant moment, zo’n vraag. In mijn omgeving ken ik nu drie mensen van rond de 60 die na een indrukwekkende loopbaan gevraagd worden zich ergens anders te gaan oriënteren omdat gebleken is dat zij niet ‘open stonden voor verdere ontwikkeling’.  Wees dus gewaarschuwd.

DSC_3548 (2)

Het uitstel in tijd heeft ook te maken met een bacterie die in mijn lijf aan het ronddollen is; de borellia burgdorferi. Eén van de uiteindelijk twee teken die ik gemist heb tijdens mijn vakantie. Stof genoeg voor een volgend blog. En met mijn proefschrift natuurlijk. Ik schrijf nu eindelijk flink door, spreek af en toe inspirerende mensen die mij weer verder helpen en inderdaad, ‘ik neem er veel van mee’.  Vooral de overtuiging dat in mijn geval de weg naar het doel erg lang wordt, maar het gaat om de weg en niet het doel.

DSC_3552 (2)

Maar kort en goed: voor mij betekende het van nabij volgen van de heiligdomsvaart, behalve een reïntegratie-traject in de Maastrichtse binnenwereld, vooral een confrontatie met mijn devotie van vroeger en met die van nu, die er dus verbazingwekkend genoeg nog steeds is. Ik weet niet of het des mensen is, deze eigenschap. Ik denk het niet, om mij heen zie ik te veel mensen die ik er van verdenk dit niet als gen meegekregen te hebben. Ik zie wel in de omgeving van heiligdomsvaart mensen die het aangeleerd hebben, maar die ik er van verdenk vooral aan presentatie te doen en netwerk-achtige voordelen najagen. En ik zie ook mensen die devotie als uitlaatklep gebruiken voor hun creatieve, fysieke en sociale talenten. Geweldige mooie dingen gezien en gehoord absoluut. Maar dan is het geen devotie die voorop staat, maar meer de volle kerk als schouwtoneel. In het tweede geval de volle kerk als een soort rotary en in het eerste geval een stille kerk als bezinningsplaats. Een volle kerk kan ook ‘stil’ zijn zoals de Slevrouw dat kan zijn, heb ik gemerkt. Dat was wel indrukwekkend. Onder de tweede categorie vallen ook de mensen die vanuit hun devotie aan kunst werken: de zusters uit Simpelveld bijvoorbeeld die in de 19e eeuw door Franz Bock (even googlen) geleerd kregen hoe ze met oude technieken naar oude voorbeelden paramenten konden vervaardigen. Op het moment dat de kunstenaar zijn werk ging signeren wat het gedaan met de devote kunst, denk ik soms.

DSC_3551 (2)

Maar nu houd ik mij weer met anderen bezig en hoe ik mij tot hen verhoud en dan ben ik altijd de observator, onderzoeker, rapporteur en vooral buitenstaander. Het onderwerp is nu vandaag mijn religieus geïnspireerde kunst, helemaal van mij. Of het kunst is laat ik in het midden, maar devotie was wel de aanleiding of voorbeelden van devotie. Voor die kunst kan ik heel ver terug gaan, naar mijn kindertijd waarin het hoogtepunt het schrijven van de menukaarten voor het kerstdiner was. Het schrijven deed mijn vader op de typemachine voor alle zekerheid, maar het illustreren was de taak van de kinderen. Daarvoor werden diverse getijdenboeken met miniaturen uit de kast gehaald om daaruit voorbeelden te kiezen. In de voorkamer met een schrijfplank op schoot en potjes verf, inkt en ecoline, penselen en kroontjespennen en mooi papier. Ik geef toe dat de resultaten niet getuigden van een opmerkelijk tekentalent of creatief inzicht. ‘Blijven oefenen’ zei mijn vader altijd en ‘goede materialen gebruiken’.

DSC_3549 (2)

In het katholiek onderwijs krijg je veel mee van de roomse geloofsovertuiging maar niet van de kunst die daarbij hoort. Helemaal niet eigenlijk. Ook de geschiedenisles blonk er niet in uit. Nu is dat in ieder geval op de middelbare school wel anders, maar was het vak CKV niet wegbezuinigd inmiddels of mocht kunst geen examenvak meer zijn? Zoiets? Uit die tijd zijn het vooral foto’s, kiekjes, want ook met fotograferen kun je niet vroeg genoeg beginnen vond mijn vader. Ik tekende ze na, doe ik nog steeds wel.

Nee echt intensief religie en religieuze kunst als inspiratie voor eigen werk gebruiken begon pas toen ik een stage in Parijs liep en daar alle prachtige kunst, religieus dan wel profaan, voortdurend kon zien. De eerste schetsen dateren uit het Musée de Cluny. Die heb ik nog in de map met het reisverslag zitten. Dat verslag ga ik nog eens uitwerken als ‘egodocument’.  Daarna ging het snel met mijn artistieke carrière. Hoe zwaarder het dagelijks werk werd, hoe meer ik tekenen en schilderen als uitlaatklep zocht en daar veel voldoening in beleefde. Natuur en religie, dat waren de inspiratiebronnen. Later tijdens mijn opleiding aan Minerva heb ik dit laatste doorgezet, zeer tegen de zin van enkele docenten in. Ik was daarin wel een buitenbeentje maar voelde mij toch thuis in die omringende ruwe Friese-Groningse religieuze oerbeleving. Op aanraden van docenten zocht ik contact met Regnerus Steensma, want ja dat intellectuele in mij zocht toch ook wel een weg, vonden ze. Ik schreef hem twee brieven, hoorde niets, belde hem en kreeg te horen: ‘Mevrouw ik ken u niet. Prettige dag verder.’ ‘Ach’,  zei één van de docenten: ‘Hij houdt niet van vrouwen.’ Dit was in 1997. In 2000 hoorde ik hetzelfde zeggen over de grote historicus achter het onderzoek naar de bedevaarten, die ik als studente aangeschreven had om iets te gaan doen met de geschiedenis van bedevaarten. Hoe heette die man ook al weer? Ik had een goede scriptie daarover geschreven in mijn examenjaar. Die stuurde ik mee op. Nooit wat gehoord. Volgens een collega ‘hield die ook niet van vrouwen’.  En o ja, nu ik toch bezig ben, ook de voormalige rijksarchivaris van Drenthe Heeringa schijnt hetzelfde te hebben gehad. Maar die heb ik gelukkig niet gekend of ooit benaderd. Verder heb ik er nooit last van gehad, van ongelijke behandeling.

Maar goed een hoogtepunt in mijn zoektocht kreeg pas echt goed vorm  toen ik mee mocht doen met het programma van Tadashi Kawamata. Mijn ontwerp van een bouwkeet als ‘nomadische biechtstoel’ was geselecteerd en ik kreeg budget om aan de slag te gaan. Hoe kwam ik aan dat onderwerp? Dat nomadische was al een thema van mij met het ‘nomadisch archief’ en ‘mijn migrerend voorouderaltaar’. Er hing al een tijdje weer verandering in de lucht; ‘Ik moest Friesland verlaten’ aldus een wethouder. Dit werk werd redelijk positief ontvangen moet ik zeggen. Ze waren wel uitermate kritisch daar bij Minerva tegenover kunsthistorici: hielden ze he-le-maal niet van. De biechtstoel kwam naar boven toen ik een foto zag van een modern vormgegeven biechtstoel in een nabij gelegen kerk. Ik er naar toe en de pastoor gevraagd hoe een biecht nu eigenlijk in zijn werk ging. Hij was niet heel toeschietelijk moet ik zeggen. Ik wilde de neogotische biechtstoel even uitproberen. Hij reageerde of het heiligschennis was. Enfin heb dit alles in mijn ontwerp verwerkt en ben de biechtstoel gaan nabouwen met intensieve hulp van Michiel en oudste dochter. Dat was heel leuk. Wij stonden op een binnenpleintje van een woningbouwcomplex op het terrein van een voormalige kerk. Die plek hadden ze speciaal voor mijn keet uitgezocht.

Een onderdeel van de presentatie was een cassetterecorder waarop mijn ouders het Onze Vader (mijn vader) en het Wees gegroet (mijn moeder) hadden ingesproken. Hoe ik ze zo gek gekregen heb, weet ik nog steeds niet. Michiel heeft foto’s van de sessie gemaakt en die zijn mij heel dierbaar en nog dierbaarder is het bandje dat ik nog steeds heb. Ik had een brievenbusje geïnstalleerd en formulieren waarop mensen hun zondes konden opschrijven met een korte uitleg wat nu een zonde is met de hele rataplan erachter (vond men beeldend niet zo sterk, helemaal mee eens). Twee briefjes werden gedeponeerd: niemand verwachtte ook dat dat wat zou worden. Er was vooral angst  dat de keet als toevluchtsoord voor junkies zou gaan fungeren. Dat viel overigens mee. Enfin ik stond natuurlijk af en toe een middagje bij de keet en af en toe kwam er toch iemand binnen. Een keer kwam er een Groninger van mijn leeftijd die het bandje beluisterde en naar buiten stoof met de mededeling ‘Gatver, die stemmen afschuwelijk’.  Ik was helemaal verbouwereerd. Dat was een heel nieuwe invalshoek. Akkoord het aanhoren van de twee gebeden was voor mij ook geen waardevrij moment. Maar afschuwelijke stemmen……. Maar ik heb het bandje echter nog steeds niet herbeluisterd.

Gisteren heb ik verrijkende kritiek op mijn teksten gekregen: ik gebruik te veel woorden. Een goed moment om dit relaas nu maar te stoppen en er een vervolg aan te geven in nog te schrijven blogs, waarin ik wat meer religieus geïnspireerd werk laat zien. Maar aanhakend aan het begin van deze blog: verrijkend is iets pas echt als je er over kunt praten en dat lukte wonderwel in de nomadische biechtstoel.

begeleidende tekst:

‘De Nomadische Biechtstoel

Inspiratie:

In enkele dagbladen stonden afgelopen zomer artikelen over de biecht, vooral een artikel waarin melding gemaakt werd van het verdwijnen van deze roomskatholieke traditie trok mijn aandacht. De bij dat artikel afgedrukte foto van een uitgebreide biechtstoel in een kerk met een knielende man, inspireerde mij tot het maken van een rijdende biechtstoel. Een gegeven dat goed paste in het concept van de nomadische academie, namelijk een verplaatsbare ruimte waarin je je altijd ter contemplatie kunt terugtrekken.

Associatie:

Na deze eerste inspiratie kwamen associaties naar boven die ondermeer te maken hadden met mijn jeugd. Allebei mijn ouders zijn roomskatholiek en streng opgevoed in de traditie van de biecht. Van vroeger herinner ik mij de verhalen over het biechten, waarbij het vooral voor mijn moeder moeilijk was ‘zonden’ te vinden om op te biechten. (Denk ik). Mensen met een streng innerlijk geweten blijken nogal wat moeite gehad te hebben met het biechten. Als klein meisje vroeg ik mezelf af hoe het zou zijn achter een gordijn al knielende de stoute en ondeugende dingen die je gedaan had te vertellen aan een priester. Voor een kind toch een bijna mythische figuur. De stemmen op het bandje zijn die van mijn ouders: mijn vader als priester en mijn moeder als biechtelinge. Ik vond deze confrontatie tussen hen met iets hun jeugd een bepaalde emotie oproepen, die ik nog niet eerder zo had meegemaakt. Ik vind het dan ook indrukwekkend hun stemmen op het bandje te horen, vooral de gedachte in het achterhoofd houdend dat mijn vader, als het mogelijk was geweest om als gehuwde man priester te worden misschien wel pastoor zou zijn geworden. Hij immers al een gedeelte van het seminarie achter de rug toen hij mijn moeder leerde kennen. Een tweede associatie die ik kreeg had te maken met het feit dat heden ten dage vele psychologen, psychotherapeuten en psychiaters hun geld verdienen met een bepaalde vorm van zielzorg (therapie) die op de een of ander manier vroeger door priesters werd uitgeoefend. Natuurlijk is de huidige pastorale zorg een hele andere dan de vroegere zielzorg, maar toch ben ik gaan nadenken over de functie van de biecht voor individu en maatschappij. De biechtstoel en de biecht als plaats en mogelijkheid om je geweten te zuiveren en via een onschuldige boetedoeningen weer onbelast verder te gaan. De biecht als middel om de psychische gezondheid goed te houden. Een derde verband met het gegeven van de biecht legde ik met de sociaal-maatschappelijke ontwikkeling na het Tweede Vaticaans Concilie (1962). Het tijdstip waarom de officiële biecht werd afgeschaft. In Nederland gingen grote groepen katholieken van de ene op de andere dag niet meer biechten. Een verschijnsel dat in andere landen lang niet zo rigoureus voorkwam. Daar ging het loslaten van de biecht veel gemakkelijker. Mij intrigeerde deze omslag sterk. Hoe zijn al die roomse mensen omgegaan met het feit dat zij plotseling niet meer hoefden te biechten?

Over deze installatie:

De bouwkeet heeft min of meer dezelfde afmetingen als een grote biechtstoel in een kerk. Een dergelijke biechtstoel bestaat uit een cabine in het midden voor de priester en aan weerszijden een cabine voor de penitent. De traditionele biechtstoelen zijn allemaal verbonden aan een kerkgebouw, dit is het grootste verschil met de rijdende biechtstoel. Deze kan overal neergezet worden. De ruimte is ingericht met twee gelijke cabines aan de achterkant gescheiden door een wand met het traditionele biechtvenster. Onder het venster bevindt zich een gleuf waar briefjes, geld etc doorheen geschoven konden worden. Onder deze ‘brievenbus’ bevinden zich de plankjes om met de armen op te steunen. Aan de kant van de priester staat een gewone stoel en hangt er een gordijn voor het venster. Aan de kant van de penitent is een knielbank aangebracht. De gordijnen zijn paars. Voor de biechtcabines staan twee traditionele bidstoeltjes.

Over de biecht:

De biecht is binnen de roomskatholieke kerk een sacrament. Iedere gelovige die wil biechten kan terecht bij een priester. De huidige biechtvorm lijkt nauwelijks nog op de ouderwetse biecht, maar heeft meer de vorm van een pastoraal gesprek. Er zijn nog steeds mensen die gebruik maken van de biecht, ook jongeren. Persoonlijk lijkt het mij bijna onmogelijk om in zo’n biechtstoel vrijwillig je verhaal te vertellen, laat staan verplicht. Wanneer een priester de biecht hoort dan draagt hij een paarse stool. Hij dient te gehoorzamen aan het biechtgeheim: datgene wat een biechteling hem vertelt blijft alleen bij hem. Na afloop van de biecht wordt absolutie gegeven en de boete opgelegd. Vroeger, in de tijd van mijn ouders, waren dat enkele Onze Vaders en/of Weesgegroetjes.

De zonden:

Zoals de priester op het bandje ook vertelt zijn de zonden ingedeeld in categorieën. De zeven hoofdzonden, waaronder hovaardigheid, gierigheid, onkuisheid, nijd, gulzigheid, gramschap en traagheid vallen. De zonden tegen de Heilige Geest, waartoe: aan Gods genade wanhopen, op Gods barmhartigheid vermetel vertrouwen, een gekende waarheid van het Geloof bestrijden, de evenmens Gods liefde en genadegaven benijden, hardnekkig zijn in de boosheid en het berouw of de boetevaardigheid verachten behoren. De laatste categorie bestaat uit de wraakroepende zonden, zoals de moedwillige doodslag, onkuisheid tegen de natuur, het verdrukken van de armen, van weduwen en wezen en het onthouden van het rechtvaardige loon voor werklieden.

Uitgeleide:

Praktiserend katholiek ben ik al jaren niet meer, wel op mijn eigen manier gelovig. Religie speelt in mijn beeldend werk op dit moment een belangrijke rol. De biecht als sociaal-maatschappelijk fenomeen in al haar facetten is boeiend, maar geen gegeven om naar terug te verlangen in de oude vorm. Het zondebesef en de gevolgen van zondig gedrag zijn echter van alle tijden en zullen altijd een last blijven voor individuen en maatschappij. Of zoals de laatste zin van de traditionele boetedoening luidt: “Zoals het was in het begin, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen amen.”

 

Leeuwarden/Groningen 10 0ctober 1998. Annelies Abelmann (voor meer informatie over dit werk of bezichtiging op afspraak kunt u contact opnemen met tel. Nr. 058-2120301) ‘

juni 2018

In de marge van de heiligdomsvaart: Jan van Steffenswert, koormantels, iconen en ex voto’s

DSC_3442 (2)

Verschillende interessante presentaties waren er te zien in de marge van de heiligdomsvaart, zoals de reliekenverzameling in de schatkamer van de Servaas en de fototentoonstelling in het theater aan het Vrijthof. Deze tentoonstellingen verdienen veel meer aandacht dan ik ze nu geef, maar ik heb deze eigenlijk te vluchtig gezien en kan er niet zo veel over zeggen.

DSC_3469 (2)

Gemaniëreerde foto’s zoals in het Vrijthoftheater spreken mij altijd wat minder aan dan meer realistische fotoreportages, maar dat is natuurlijk een persoonlijke voorkeur. In de ruimte werkten ze werkelijk prachtig en de manier waarop ze gepresenteerd werden was perfect. De presentatie in de schatkamer van de Servaas was erg goed en vooral bescheiden: passend voor zowel onderwerp, locatie als maker. In dat opzicht was de tentoonstelling in de schatkamer van de Slevrouw van een heel andere orde: deze leek meer op een eindejaarsexpositie van een kunstacademie, waarvoor te veel studenten zich hadden kunnen aanmelden. Het kunstwerk dat mij het meeste aansprak was het laatste met de ex voto’s. Een thema dat zo goed paste bij de heiligdomsvaart. Eigenlijk was dat kort en goed ook het enige werk dat een passend thema had  en een spannende uitwerking liet zien, met die haken en bungelende lichaamsdelen. Vele andere werken hadden weliswaar religieuze symbolen en herkenbare beelden verwerkt in vaak perfect uitgevoerde werken en een passende titel gekozen, maar een echte link met de aanleiding, de heiligdomsvaart was er niet. Aan een kant jammer aan de andere kant wel heel indrukwekkend om te zien hoe de technische vaardigheden van kunstenaars zijn toegenomen en hoe de presentaties geperfectioneerd zijn. Ik herinner mij nog de tessacrepjes achter de houtskooltekeningen en de gerecycelde passepartouts uit mijn tijd. Als je je werk echt serieus nam, dan moest je vooral geen aandacht aan de presentatie besteden, geen titel verzinnen (een uitbeelding moet je zonder woorden kunnen begrijpen) en geen citaten uit de kunstgeschiedenis ‘stelen’. Wat is er veel veranderd. Gelukkig, het beeld is er wel een stuk vrolijker op geworden. Toch bleef het etiket ‘kwebbelkunst’ wel een beetje hangen, vooral toen ik in lelijke witte plakletters op een grafzerk dichtregels zag staan. Jammer van het mooie gedicht. De term is overigens niet van mij, maar wel erg aardig. Toen ik tijdens presentaties in Groningen soms religieus geïnspireerd werk liet zien, sprak de docent over ‘cerebraal geknutsel’.  Ook een heel leuke kwalificatie. Het is misschien niet aardig om alle werken in deze tentoonstelling zo af te serveren en ook niet terecht natuurlijk. Ik heb een paar beelden voor ogen van werken die ik best goed vond. Ik vind het alleen zo jammer dat al zeven jaar bekend is dat er een heiligdomsvaart gehouden wordt en dat je eigenlijk al zeven jaar lang je hierop kunt voorbereiden als kunstenaar, maar ook als samensteller. Samen naar zo’n expositie toewerken, overleggen, nadenken over thema’s en materialen te gebruikt kunnen worden, afmetingen en mogelijke ingrepen in de ruimte (in dit geval: niet doen). Heel anders dan door een ladenkast struinen en er iets uitpikken wat je bevalt. Maar ik weet natuurlijk niet hoe het gegaan is de samenstelling van deze tentoonstelling. Ik vind wel dat het een hele goede zaak is dat ook een kerk nadenkt hoe om te gaan met kunstenaars in hun directe omgeving en bekijkt hoe hun werk in een religieuze omgeving zou kunnen passen of ingepast zou kunnen worden. Als er iets is dat ik geleerd heb van mijn onderzoek naar kerkelijke kunst in de 19e eeuw, dan is het wel dat beeldtaal belangrijk is en dat creatieve energie inderdaad een devote kracht kan zijn. Je moet het niet gaan overdrijven natuurlijk, zoals ze soms deden: knielen voordat je een werkplaats ingaat bijvoorbeeld.

DSC_3459 (2)

De tentoonstelling over de iconen in de crypte van de Onze Lieve Vrouw was heel leuk om te zien. Prachtig mooie en inventieve iconen, die ik helaas zelf nooit op zou hangen, maar die wel heerlijk zijn om te maken volgens mij. Het is er nooit van gekomen om hieraan te beginnen hoewel ik wel door een lieve kunstenares uitgenodigd was om eens mee te doen met een dergelijke workshop bij de Zusters onder de Bogen. Dat was alweer tien jaar geleden en zij is inmiddels overleden. Eén van die mensen die je maar heel kort in je leven meemaakt, maar die toch na hun dood nog een eind met je mee blijven lopen. Zij ging wel helemaal op in het schilderen van iconen en betaalde grif voor de cursussen (daar lag voor mij overigens de hoogste drempel). Wel heel mooi te ervaren hoe iedereen genoot van deze kunst, van wie zij vermoedelijk allemaal de scheppers wel kenden of zelf waren en elkaar daar ook tegenkwamen. En wat ik ook persoonlijk van alle kunst mag vinden, het scheppingsproces blijft een daad van overgave en concentratie ongeacht het resultaat.  Deze zin lijkt wel de afsluiting van dit relaas, maar ik wil toch nog de aandacht vestigen op het Bonnefantenmuseum.

DSC_3464 (2)

 

Daar was een presentatie over restauratie van groot corpus van Jan van Steffenswert te bewonderen, een corpus waarvan de originele polychromie nog bewaard gebleven was. Dat wilde ik wel eens zien. De indruk werd gewekt dat je het restauratieproces ook kon meemaken, dus ik was dubbel nieuwsgierig. Maar goed dat laatste was niet het geval, dat had ik ook wel kunnen snappen want het was zaterdag. In ieder geval kon ik een beetje in de buurt van de indrukwekkende stellage komen met het beeld erop. Er was een streng koord gespannen om de staketsels heen, zodat je de tekst- en fotoborden aan de linkerwand niet kon bekijken en lezen, als ze dat waren natuurlijk. Nou doe ik dat nooit of zelden tekstborden lezen, maar als het je verboden wordt, dan is het plotseling een ander verhaal. Het is niet uit een soort arrogantie dat ik die teksten niet lees hoor, maar ik moet iedere keer bewust mijn ogen instellen, van beeld naar tekst en andersom en dat lukte mij nooit al goed.  Het gonst al een aantal jaren rond dat er heel wat gaat gebeuren rondom Jan van Steffenswert: het museum heeft er veel subsidie voor kunnen krijgen. Ben benieuwd naar de resultaten van dit prachtige project, had er best wat voor willen doen. Als reïntegratie of zoiets.

DSC_3425 (2)

De tentoonstelling over de koorkappen was toch eigenlijk wel het hoogtepunt: jonge mensen die zoveel creativiteit aan de dag leggen om zulke mooie dingen te maken, dat is toch wel genieten. Elk liturgisch gewaad, al weet ik niet of ze allemaal wel zo geschikt zijn voor de katholieke eredienst, was perfect gemaakt en mooi gepresenteerd. Eén bleef mij bij, die was gemaakt van gerecycelde kerstballen. Dat vind ik toch wel een vondst: de createur was al wel van gevorderde leeftijd.

DSC_3430 (2)

Snel ben ik nog even door de vaste opstelling gelopen om de hedendaagse toevoegingen in de vaste opstelling te bekijken. Een trend die eind jaren tachtig al in Italië begon op te komen en waarvan ik dacht dat het nu toch wel voorbij zou zijn. Of je hangt oud en nieuw op gelijkwaardige wijze naast elkaar of niet, maar lukraak wat moderns in de oude opstelling neerzetten is toch passé? Enfin, ik vond het een beetje tegenvallen, maar toch wel heel aardig om te zien. Wat ik dus miste was de communicatie tussen de objecten of juist de botsing. Maar dat is ook niet makkelijk: mensen blijven toch in hokjes denken en vanuit raampjes kijken, dus wat ik zie communiceren ziet een ander weer botsen en omgekeerd. Weer viel mij de gewijde sfeer op die je in sommige musea nog steeds treft en die ook in het Bonnefanten zo overheerst. Jammer, het maakt dat je toch liever snel weer door gaat naar een volgend evenement: een goeie devotie dus.

DSC_3457 (2)

 

juni 2018

‘Een goede devotie’; de kern van de heiligdomsvaart

DSC_3484Uiteindelijk heb ik het belangrijkste moment van de heiligdomsvaart gelukkig kunnen meemaken en zelfs in tweevoud. Het leek even hachelijk te worden met al die achterstallige huishoudelijke klussen en werk in de tuin, maar met het leegstorten van het laatste emmertje sop en de inzet van manlief kon ik mij toch rond 12.00 uur opmaken om de stad in te trekken. Het voelt iedere keer als een soort onderdeel van een reïntegratieprogramma, dat betreden van het stadshart. Maar goed ik maakte eerst een omtrekkende beweging langs het Bonnefantenmuseum om de twee presentaties die horen bij de heiligdomsvaart te bekijken en de ingrepen in de vaste opstelling die ook wel raakvlakken met religie hebben te bezien. Naar het Centre Ceramique trok ik vervolgens om de tentoonstelling over Barmhartigheid te zien en een fototentoonstelling. Welke tentoonstelling? Wat is daar aan de hand? Moet hier niet van hogerhand, van onze lieve heer dan,  ingegrepen gaan worden? Al meer dan anderhalve week ligt de hele uitlening plat, loop je voor niks naar het gebouw om je boeken te halen en zijn de medewerkers nog net geen gestresste kippen die van de leg af zijn geraakt. Maar het scheelt niet veel want ze blijven echt zo klantvriendelijk mogelijk en dat kost energie. Wat een professionaliteit. Maar ik wil als klant nu de stress niet hebben vanwege  boeken die niet uitgeleverd kunnen worden als gevolg van een systeem dat niet werkt. Wij zijn mensen, geen systemen en wij hebben altijd nog de mogelijkheid om de dingen zonder systeem zelf te regelen. Niet dat de wereld vergaat als ik mijn boeken niet krijg. Ze komen op de stapel, maar voor IBL- boeken geldt wel een beperkte uitleentermijn (en het kost mij extra geld bovenop het hoge sterabonnementsgeld en je wilt niet weten hoe lastig het is om ze aan te vragen als je nog steeds je pasnummer niet uit je hoofd kent).

Vervolgens naar de OLV om daar de iconen-tentoonstelling te zien en de presentatie van moderne kunst in relatie met religie. Ook daarover, net als over de andere presentaties morgen of een andere dag méér. In ieder geval was ik om 14.00 uur ruim op tijd voor de reliekentoning in de Slevrouw en besloot ter plekke die in de Servaas ook  maar mee te pakken. En dan alle ervaringen in één keer te verwerken en beschrijven. In beide kerken ging de toning op eenzelfde manier met het plechtig binnendragen van de relieken en het op afroep tonen van de overblijfselen nadat de namen van de eigenaren waren opgenoemd. De mannen en de vrouwen gescheiden: de vrouwelijke relieken allemaal door vrouwen getoond in de OLV; in de Servaas lukte dat niet, te weinig vrouwen of religieuzen. Ik vond dat wel mooi als vrouw: vrouwen die vrouwelijke heiligen dragen. De sfeer en entourage in de OLV middeleeuws in de Servaas negentiende eeuws; een beetje gechargeerd gesteld. In de OLV ingetogen en devoot en in de Servaas triomfalistisch en evangeliserend, ook wat overdreven gezegd . Beide presentaties vond ik geweldig en maakten indruk. Op geen van beiden valt iets af te dingen voor wat betreft intentie en overtuiging, als ik dat al zou mogen of willen doen natuurlijk. De parochianen en hun portemonnee bepalen de uitstraling van een kerk, devotie en negotie gaan nu eenmaal hand in hand; dat weten wij nu wel en die verschillen zie en voel je ook wel, maar integriteit kan hetzelfde zijn.

Toch zou het eens aardig zijn om een studie te doen naar de verschillen tussen deze twee parochies en de manier waarop elke kerk zich wil(de) manifesteren. De Servaas gaat natuurlijk voorop  omdat zij het graf van Servaas herbergt. Die Monulphus en Gondulphus toch, wat hebben die allemaal zitten knutselen met hagiografie en relieken? Wat mij ook opviel tijdens mijn onderzoek zaterdag was dat er  een soort historici of archivarissen-strijd of concurrentie bestaat die zich afspeelt binnen een zekere archiefdienst. Ik zag twee oud-collega’s een vooraanstaande rol spelen in de OLV. Twee hele dierbare collega’s van een professionaliteit die je maar zelden ziet in de archiefwereld. En wat deden ze dat goed en vol overgave. En in de Servaas zag ik ook een oud-collega de functie van regelneef vervullen eveneens vol overgave en in de wandelgangen na afloop ‘omarmd’ worden door een andere oud-collega met aanhang en een oud-collega van het SHCL. Die laatste kom ik toch op de gekste momenten en gekste plekken tegen in stad en land. De andere collega is nog eens met dezelfde aanhang bij mij thuis in Dordrecht op bezoek geweest: mijn man had zich uitgesloofd iets lekkers klaar te maken. Aardige mensen zonder bijbedoelingen en dertien jaar later ook ouder geworden. Maar wijzer? Na 2006 van deze mensen nooit iets anders meer gezien dan hun ruggen. Ach ja, archivarissen en sociale vaardigheden. Het blijft tobben.

DSC_3451

Maar goed, terug naar datgeen waarvoor ik op aarde gekomen ben naast heel veel andere dingen. Een onderzoek naar de historiciteit van de relieken in relatie met de hagiografie c.a. kon nog wel eens heel spannend worden. En dan die negentiende eeuw: hoe heeft het in die tijd op Maastricht ingewerkt, de concurrentie tussen Servaas en Slevrouwke. Het vervelende van archivarissen is echter dat zij op de bronnen ‘zitten’: dat betekent dat uiteindelijk zij degenen zijn die bepalen wie welke bronnen mag inzien. De groene sticker (voor materieel niet raadpleegbare bronnen), niet te verwarren met rood dat openbaarheidsbeperking betekent (bij het vml gemeentearchief werd dat ooit omgedraaid) kan je natuurlijk overal wel opplakken. Het geloof rechtvaardigt veel en het is emotie, zo leerde ik van een collega-onderzoekster. En dat klopt: zou dat doorgewerkt hebben in de pathologische richtingenstrijd in de archiefdienst al weer zo lang geleden? Maar objectief onderzoek bestaat niet, net als Sinterklaas. En of dit blog mij nou verder zal helpen?

Jammer dat ik zo in de greep was van de reliekentoning in de Servaas, anders had ik de lezing in de S. Jan kunnen volgen over de eerste kerstening in dit gebied door mgr Delville uit Luik: leuk om dat in een protestantse kerk te doen. Heel jammer. Maar een mens kan niet overal tegelijk zijn. Ik ben nog steeds Hermione Granger niet. In de Servaas ben ik tot het laatste moment gebleven totdat de relieken weer naar de schatkamer gedragen werden. Dat ging via het hoogaltaar. Jammer. Het ging wat uit als een nachtkaars, als je het als een voorstelling ziet. Wat het ook uiteindelijk is, maar wat het bij mij niet werd. Ik was zelf verbaasd over de indruk die het tonen van de overblijfselen van mensen die heilig verklaard zijn op mij maakte. In beide kerken, zelfs de gordel van Maria, die eigenlijk van Barbara is. Ik moest denken aan de definitie over religie die ik opgenomen heb in mijn inleiding op mijn ooit nog te verschijnen proefschrift. Deze is afkomstig van Davies en ik heb hem uitgekozen omdat hij als enige schrijver alle godsdiensten in zijn overzicht behandelt en omdat hij expliciet emoties als aspect van zijn onderzoek voorop stelt. Hij geeft min of meer als definitie van geloof, dat het de overtuiging is die ons verbindt met onze voorouders en onze nakomelingen. Er is al iemand heel hard gestruikeld over die definitie: maar ik laat hem erin. Zeker na deze ervaringen en zeker als je je probeert te verplaatsen in de late middeleeuwer, vroege renaissancemens of de negentiende eeuwer. De andere eeuwlingen laat ik maar even aan mij voorbij gaan. Mensen blijven mensen ongeacht hun cultuur en geschiedenis.

Van de moderne heiligen zijn geen relieken: ik heb onthouden Edith Stein en de zalige Clara Fey. De eerste is voor mij iconisch doordat mijn moeder haar als ‘idool’ heeft gekozen en een eigen boekenkastje had met publicaties van en over Teresia benedicta a cruce; de tweede omdat ik haar uitgebreid ben tegengekomen in mijn onderzoek in Aken en omgeving en haar, ondanks haar ultramontaanse instelling een warm hart toedraag. In de ommegang liep een klein groepje mee uit Simpelveld. Gelukkig hebben wij van deze voorbeeldige heiligen wel andere overblijfselen in de vorm van bronnen, die beter getoetst kunnen worden op hun validiteit. Want dat is toch wel een punt: het gesjoemel met relieken was natuurlijk fenomenaal door de eeuwen heen.

Bij mijzelf te rade gaand waarom deze reliekentoning zovel indruk maakte kom ik tot het volgende: het is niet alleen datgeen wat Davies zo kernachtig uitdrukt. Het is ook de ervaring dat ergens wonen ‘voor altijd’, wat ons streven was en is  een verdieping krijgt door mensen zo met voorouders om te zien gaan die ook jouw voorouders worden. Hen te eren, om hulp te vragen en te bedanken voor wat zij zijn geweest, of althans wat wij daarvan gemaakt hebben van die hulp. Geen blinde overgave, maar herinneren. In mijn academietijd in Groningen heb ik een voorouderaltaar gemaakt: onder mijn voorzaten zitten geen heiligen, net zomin als die er onder mijn nazaten zullen komen. Er is zelfs bedroevend weinig materiaal bekend van mijn beide families en met elke opruimactie hier in huis wordt dat van nakomelingen ook steeds minder. En het was ook nog eens een nomadisch voorouderaltaar dat inderdaad gedurende mijn migraties ergens verloren gegaan is. Zelfs foto’s zijn er niet meer: wel van het voorouderarchief, waarop ik afgestudeerd ben. Missschien dat het nomadische nu wat minder wordt in ons dagelijks leven. Of ik word oud, kan ook en morgen ga ik weer naar Goes: acht uur treinen heen en terug, Nederlandse nomade en manlief naar Utrecht, om te werken. Doen er niet veel vanuit Limburg.

Tijdens de mis werd ook iedere keer gezegd dat je kunt biechten of kunt praten over je geloof of het ontbreken daarvan neem ik aan. Een teken van verzoening, vergeving en opnieuw beginnen. Ik heb een foto van het bordje gemaakt en gehoopt dat het wat makkelijker zou zijn eens met iemand uit deze selecte groep mensen te praten als onderdeel van mijn reïntegratie. Ik heb hele heldere, mooie en integere woorden gehoord vanaf het altaar die zijn blijven hangen. Door bijna niemand werd gebruik gemaakt van deze gelegenheid. Ik geloof dat het helemaal niet populair is deze mogelijkheid onder de parochianen. Als ik er één heb zien zitten gisteren dan is dat veel, te woord gestaan door de kapelaan. Zou dat nog een verschil maken, als een gouverneur er ging zitten? Jammer dat ook de parochianen daar niet in voorgaan: het is een toetsmoment en het geeft  aan in hoeverre een kerk méér is dan alleen een religieuze rotary. Wil je tradities overdragen en van kerken geen grafkamers maken of musea dan zullen gelovige mensen jongeren, nieuwelingen en herintreders het voorbeeld moeten geven. Doe het voor, op zijn minst. Bij de hand nemen hoeft nu ook weer niet, zeker niet als je na dertien jaar oud-collega’s treft die je daarna nooit meer gesproken hebt en alleen de ruggen hebt gezien. Maar in een biechtstoel klim ik niet, zeker niet nadat ik na al mijn Mengelberg-biechtstoelen die ene in Overijssel met een geldbakje versierd heb gezien. Ik heb nog eens een nomadische biechtstoel gemaakt voor interessant kunstproject in Groningen. Ik ga daar binnenkort nog eens een verslag van maken van dat project: mijn eigen heiligdomsvaartkunst uit de oude doos. Komt er ooit nog een volgende creatieve periode, dan ga ik liever een tijdmachine maken om die Monulphus en Gondulphus nog eens aan de tand te voelen over hun Servatius en verleng ik mijn studieuze fase (waarin ik toch méér plezier en succes ervaar) dan ga ik nog eens op nader onderzoek uit.  Maar al met al blijft de reliekentoning een goede devotie.

DSC_3487

Naschrift

Toch nog even over mijn oud-collega’s die ik hier in mijn blog opvoer en van wie de ingewijden heus wel weten wie het zijn. Het is niet persoonlijk bedoeld, maar het verbaast mij allemaal nog steeds dat na mijn ongelukkige uitval uit het werkzame leven, waarvan ik zelf nooit gedacht had dat het – nog-  een keer zou gebeuren, niemand ooit nog een seconde naar mij omgekeken heeft. Zelfs niet ‘professioneel’, volgens de regels dus. Dat deden ze in Leeuwarden beter: daar herinner ik mij nog een bos bloemen. Je kunt mensen wel bij het grof vuil zetten en met pek en veren uit de stad willen jagen, maar in mijn geval zat er wel een heel gezin achter dat niet zomaar verscheept kon en wilde worden.

Trouwens dat ik mij ziek moest melden had uiteindelijk niets met het werk in Maastricht te maken. Akkoord, ik was vermoedelijk niet de juiste vrouw op de juiste plek op het juiste moment al lagen er best mogelijkheden om succesvolle trajecten in te zetten en af te maken.  Ik zat in de trein naar Groningen om een congres bij te wonen van de Nederlandse huisleverancier van archiefbeheersystemen en wilde over Leeuwarden reizen om een ‘Tiffanyschaal’ bij vrienden af te leveren die misschien geen vrienden zijn. De schaal was ook niet van Tiffany, maar weten zij veel. Het zijn geen kunsthistorici en ik laat mensen graag in hun waan en waarde. Zeker als ze ergens voor betaald hebben. Tijdens de reis naar Groningen kwamen twee oud-collega’s van het GAL zowat op mijn schoot zitten. Ik kon geen kant op. Slechts een half uur, maar een verstopt trauma van meer dan tien kwam naar boven. En niet zo’n beetje ook. Het is nooit meer weggegaan, geen enkele dag. En ik zie nog iedere keer die twee zelfgenoegzame kerels van middelbare leeftijd met een vette grijns op hun gezicht zitten. Te veel eer voor dit soort, weet ik wel, maar toch.

Een ingewijde verklaarde een tijdje terug dat mijn verhaaltje over mijn ‘(g) orgelende directeur’ de reden is geweest van de doodverklaring. Dat moest ik maar verwijderen van mijn site: ik heb het op ontoegankelijk gezet. Ben mij daar gek: het enige schrijfseltje dat ooit gepubliceerd is en een prijs gewonnen heeft. Maar lieve mensen dit verhaaltje schreef ik meer dan vier jaar nadat ik deur in het archief dicht gedaan had: dus dat is helemaal niet waar, dat het aan dat verhaaltje ligt. Jullie gebruiken het nu als de beroemde stok. Had mijn ziekmeldingsprocedure en reïnegratietraject fatsoenlijk begeleid, zoals de regels dat voorschrijven dan was er nooit een verhaaltje geschreven. Ik heb mij aan de regels gehouden en zal dat altijd blijven doen. En ik blijf het volhouden, het is fictie, zoals mijn hele Maastrichtse leven fictie lijkt te zijn en die reliekentoning dus ook. Maar oh wat is het mooi en het houdt je op been: het is een vorm van communicatie over de werkelijkheid heen. Dat lokt devotie namelijk wel uit: communicatie, maar eenzijdig, want god en heiligen praten nooit terug.

juni 2018

DeOmZieners: doe goed en zie niet om?

https://www.anneliesabelmann.com/wp-admin/post-new.php

Miquel weet hoe het heelal in elkaar zit en hoe het leven ooit begonnen is. Hij begrijpt dat de mens maar een nietig onderdeel van de hele schepping is en wil graag dat andere mensen die grootsheid van de schepping in hun hart voelen. Dat maakt hen tot betere mensen, denkt hij. Hij deinst er niet voor terug om de mensen om hem heen zijn opvattingen te verkondigen en daar hij op een begraafplaats werkt, zal hij ook af en toe de doden wel in zijn missie betrekken. Maar dat hoeft hij niet, nog niet, misschien wel nooit niet. Hij wordt omringd door collega’s, een lieve vriendin en mensen die hij voor zich weet te winnen.

Sofie is zo’n lieve vriendin, die zich vooral zorgen maakt om  Pieter. Een oudere man die verplicht vrijwilligerswerk moet doen om zijn uitkering te mogen behouden. Slavernij zo meent zij terecht. Pieter wordt als een hete aardappel van de ene werkgever in de volgende loondienst geschopt en trekt zich dat persoonlijk aan, want niemand wil hem houden. Doet hij zijn werk niet goed? Uit verdediging trekt hij zijn oranje veiligheidshesje voortdurend aan: iets wat Sofie wil beletten, want dat maakt hem juist kwetsbaar. Ze is niet blij met het geraaskal van Miquel, want dat zou de positie van Pieter in gevaar kunnen brengen: het vrijwilligersbaantje tussen zerken bevalt eigenlijk wel en strafkorting op je uitkering is een ramp.

De begraafplaats is dus de locatie van dit toneelstuk, dat geen toneelstuk is maar een aanklacht tegen onze neoliberale maatschappij die je in het hart moet treffen hoe liberaal je ook bent. Dat had u niet gedacht toch? Dat in de heiligdomsvaart anno dit jaar een toneelstuk opgevoerd zou worden waarin de aller- allerarmsten van Nederland een hoofdrol toebedeeld krijgen: het ‘sous- prolétariat’ zoals Alwine de Vos van Steenwijk het omschrijft in haar stukken in navolging van de oprichter van de Vierde Wereldbeweging, de priester Jospeh Wresinski? Het is de naar hem vernoemde stichting die dit toneelstuk produceert  in het kader van het inzetten van cultuur tegen armoede. U had ook nog nooit van hem gehoord, net als ik overigens voor ik de folder van de voorstelling toevallig in handen kreeg, toch?

De coördinatrice van de avond legde dit allemaal helder uit aan het begin van de voorstelling. Het was goed dat zij dat deed, maar ik denk dat de mensen die op dit optreden waren afgekomen wel weten waar het over gaat, waar het over zal gaan in de toekomst en waar het altijd over ging: de kanslozen in Nederland. Geen politicus, gemeenteambtenaar, wetenschapper of zelfs maar een vertegenwoordiger van de kerk te bekennen. Echt niet. Na bijna een week heiligdomsvaart ken ik deze mensen wel van gezicht en de kerkelijke vertegenwoordigers zijn natuurlijk herkenbaar aan hun witte boordje al dan niet aangevuld met andere uiterlijke kenteken van hun functie. Dat wist de coördinatrice ook en al tevergeefs speurend naar een gezicht van een vertegenwoordiger uit beide machten, de wereldlijke en politieke, benadrukte ze toch maar hoe geweldig het was dat deze groep mocht optreden tijdens de heiligdomsvaart. Ze herhaalde het een aantal malen: mij sneed het door de ziel, maar ik ben misschien een beetje bevooroordeeld.Volgens mij mag de organisatie van de vaart juist blij zijn dat deze groep überhaupt kwam opdagen. Wat was het thema ook maar weer?

Ik heb het programma er even bij gepakt. Kan het zijn dat de besloten ‘Rijnlandlezing’ in het Provinciehuis wat uitgelopen is doordat Jaime de Bourbon de Parme, tot voor kort Nederlands vertegenwoordiger bij de Heilige Stoel zo’n geïnspireerd spreker is? Of dat de borrel daarna zoveel interessante netwerkcontacten opleverde dat de eetafspraken gewijzigd werden en dat de belangrijkste vertegenwoordigers van de heiligdomsvaart de voorstelling niet helemaal konden meemaken? Het celebreren van de hoogmis na de lezing werd door andere prelaten gedaan, zag ik op de lijst. Je kunt niet overal tegelijk zijn, ik ben Hermione Granger niet en dat geldt ook voor priesters, dus te snelle conclusie mag je niet trekken. Vermoedelijk zal het Rijnlandse gezelschap wel na de borrel naar de mis zijn gegaan en daarna zoals het hoort zijn gaan souperen. Maar er moest toch echt iemand nog even omzien naar wat er in de Lambertus gebeurde, dus  verlieten twee priesters na de communie snel de Servaas om nog voor het eind van de voorstelling in de Lambertus te zijn. Bergje op in gestrekte draf. Enfin, hier maar geen woorden aan vuil maken verder, maar ik moet het wel even kwijt.

Terug naar het toneelstuk dat dus gespeeld wordt door begaafde ervaringsdeskundigen en bekeken werd door mensen die op een of andere manier weten dat er een andere parallelle wereld in Nederland is en door lotgenoten of bijna- lotgenoten van de acteurs. Ik voel mij geen lotgenote van deze mensen, maar heb wel meegemaakt, twee keer in mijn leven, dat de grenslijn tussen de armoedeval en het enigszins kunnen doorgaan op een acceptabel bereikt niveau na (te) hard studeren en werken angstwekkend dun is. Ik heb het geluk gehad terug te kunnen vallen op de welvaartsstaat die Nederland zelfs nog iets meer dan tien jaar geleden was en op naasten die nog meer de schouders eronder gingen zetten om ‘het schip drijvend te houden’. Maar hoe moet dat nu met het ‘sous-prolétariat’ na veel te lang neoliberaal beleid anno nu? Het antwoord bleef ook in deze voorstelling uit. Drie acteurs zetten echte zoons neer uit de rijke familie Van Saeftinghe en een bastaardzoon die gedrieën hengelden naar de erfenis van hun vader die zij dachten te begraven, maar die ondertussen vanuit een rolstoel het gezinsdrama gade sloeg. Elsje, zijn secretaresse en moeder van de zoons probeerde het inhalige tuig nog wat bij te sturen, maar daar trapten de jongens na veertig jaar niet meer in. Ook zij hield zich vooral bezig met het eigen leed dat zij tijdens haar huwelijk zelf verzameld had. Norbert Jan, de pater familias, die dus helemaal niet overleden was probeerde wel een oplossing te bedenken voor de kanslozen die hij ontmoet had op het eind van zijn leven. Hij had de begraafplaats gekocht en gaf  twee mannen die verder wilden komen een vast contract om te kunnen blijven werken. De verwikkelingen en de scenes zijn natuurlijk te veel om op te noemen. Sofie zette Elsje aan het eind maar eens onder de douche (achter het toneel hoor) want zij wist uit ervaring hoe troostrijk dat kan zijn, als je weer niet op tijd geld gekregen hebt van de schuldhulpverlening, totdat de waterleidingmaatschappij natuurlijk de kraan dichtdraait. Dan houdt ook dat op. Eén van de gecontracteerden vroeg zich nog af of het papier wel ‘echt’ was. Het was een jongen die aandoenlijk op het toneel stond en keihard zijn best deed om op de goede momenten zijn tekst op te zeggen. En wat deed hij dat goed, net als Sofie die maar een keer een woord vergaat in de lange teksten. Aan het eind van de voorstelling gaf Miquel zich weer over aan de schepping: hij was zonder meer de ster van de avond, maar uiteindelijk ook niet meer dan een klein onderdeeltje in het heelal.

Omzieners_0979_JochemJurgens_web-1024x681

Nabeschouwing

Na afloop had ik best langer willen blijven om de iets te schrijven in het boek, maar even wist ik niet of er zinnen uit de pen zouden vloeien. Ook had ik met de mensen willen praten over hun rol, hun spel en hun missie, maar ook dat deed ik niet. Ik heb nog wel een paar woorden kunnen wisselen met de spreekstal-meesteres: de mensen kwamen uit heel Nederland, één van hen was helaas ziek geworden onverwacht en moest vervangen worden door ik dacht dat zij zei de auteur en schrijver van het stuk. Maar ze moest nu zelf snel invallen, want alle mensen verlieten de kerk. Gelukkig wel met achterlaten van een geldelijke gift. Voor straf heb ik méér gegeven dan ik betaald heb voor de voorstelling van de Messiah, waarvan ik de prijs eigenlijk wel erg hoog vond voor de abominabel slechte zitplaats.

Waarom bleef ik niet en anderen met mij? Ik was gewoon boos: op mijn eigen bevoorrechte positie en die van de overige toeschouwers die in de gelegenheid waren dit stuk te zien (de toegang was overigens wel gratis). Wat hadden deze mensen op het toneel minder dan ik? Niets, in het verkeerde nest geboren? Hoeft niet persé. Het gaat erom wat de anderen (wij dus) wel hebben: de overvloed aan kansen die wij  krijgen en die alleen maar meer lijken te worden in verhouding met hen die minder hadden en nog minder krijgen. Maar ik wil het tenminste zien en ondergaan en nadenken over oplossingen en vooral maar voortdurend blijven hameren op belang van dat BASISINKOMEN.  En misschien mij zelfs gaan inzetten als vrijwilliger (als dat proefschrift eindelijk klaar is), maar ik schijn sociaal niet zo vaardig te zijn. Maar hoe zit het met de mensen die niet zijn komen kijken: die VVD’er uit het schrijfgroepje voor kankerpitten van twee jaar geleden. Die zo goed weet hoe hij andere mensen de maat moet nemen als schoolinspecteur omdat zijn opa in de mijnen gewerkt heeft? Voor mij is hij het portret geworden van de nepotistisch ingestelde neoliberale elite die over mensen beslist zonder enig empatische intelligentie. Ik krijg er de kriebels van.

En hoe opereert de kerk hier eigenlijk in? In gedachten probeer ik mij te verplaatsen naar honderd jaar geleden en de heiligdomsvaart uit die dagen voor ogen te krijgen: inhoudelijk zal daar niet eens zo veel verschil in zitten. De vertegenwoordigers van de S. Jan zullen dan zeker niet meegelopen hebben met verstandelijk beperkte mensen (ik snap nou wel waarom de S. Jan dit tegengas gaf). Maar dat kon wel eens het enige verschil zijn in essentie. De aandacht voor de culturele en historische aspecten zal niet veel anders zijn geweest. Ook in die jaren nadruk op de vroegste kerstening van het gebied (komt morgen aan de orde), de culturele en vooral muzikale rijkdom die de kerk heeft voortgebracht (gisteren met de Messiah van Händel in een notendop) en het benadrukken van de alliantie tussen het Vaticaan, het koningshuis,  het provinciebestuur en de elite van Maastricht in de Rijnland-lezing. Het enige verschil is dat het arbeidersproletariaat door Leo X ontdekt en gemobiliseerd niet meedeed in de verschijning van grote groepen bruidjes, verkenners en schoolklassen. Is dat er niet in Maastricht e.o., een proletariaat? Ja natuurlijk wel, méér dan in de rest van het land, maar de katholieke kerk kijkt niet meer naar hen om. Het lijkt wel of dit instituut in Nederland telkens wegkijkt als de boodschap van Christus echt in de praktijk gebracht moet worden en juist de vorming van deze onderklasse bevordert samen met de culturele en bestuurlijke elite. Wij hebben inmiddels door goed historisch onderzoek geleerd dat de kerk nooit naar deze groep omgekeken heeft. Dat ook achterin de kerken in de middeleeuwen niet de allerarmsten zaten. Die kwamen niet eens in de buurt van een kerk, die echter dit imago sinds de 19e eeuw wel hoog houdt. Wie zorgt er dan wel voor die  absoluut kanslozen. Daarvoor moet je bij het Leger des Heils in de praktijk zijn en de Vierde Wereldbeweging, waartoe deze groep toneelspelers behoort, die de cultuur wil inzetten tegen armoede in theorie (maar dat laatste weet ik nog niet zeker dat wil ik nog eens gaan onderzoek). Alle (ex) priesters en priesterstudenten zouden misschien eens een tijdje volontair moeten worden bij deze beweging: dat kan dicht bij huis al. In Zuid-Limburg of ze zouden eens bij het Leger des Heils moeten gaan kijken, soep uit delen in de winter onder de Noorderbrug. Misschien een thema voor de volgende heiligdomsvaart: armoedebestrijding in de praktijk. Na nog weer zeven jaar neoliberalisme bijna niet te missen.

Naschrift

De organisatoren en priesters hebben het tijdens deze tien dagen ongelofelijk druk en ook de periode ervóór zal niet rustig geweest zijn en daarna gaat het leven ook weer door in het normale tempo dat iedereen verwacht. Natuurlijk is een toneelstuk in het culturele nevenprogramma van de vaart niet het belangrijkste en is armenzorg in de kerk binnen een parochie geregeld of door kloosterorden daarbuiten. Als je een rijke parochie hebt, heb je nu eenmaal minder werk te doen in die sfeer. Snap ik. Maar het is zo jammer dat bij een Messiah wèl vertegenwoordigers van stad en kerk aanwezig zijn en bij dit toneelstuk niet. Juist dit onderwerp. Misschien toch voor de volgende keer een soort draaiboek maken, wie waar bij is? Kijk bij een rondleiding door een hele deskundige Maastricht-kenner als Jacques v.d. Boogaart, hele boeiende tour door de stad gemaakt, hoeft dat natuurlijk niet. Maar goed, stoom afblazen was toch echt wel even nodig.

juni 2018

Van 130 Maastrichtse missionarissen

IMG_2195 (2)Van jongsaf aan had ik iets met de missie: ik had een fotoboekje over Bram die naar het seminarie wilde en misschien wel missionaris kon worden als hij goed zijn best deed en twee grotere fotoboeken, ter grootte van een Verkadealbum waar ik al evenzeer verliefd op was, van een meisje op Tahiti en één ergens in de binnenlanden van Afrika. Ik zag hoe ze eruit zagen als ze dansten en in hun hut aan het werk waren of als ze op witte plastic sandalen naar school liepen. Hele mooie foto’s uit de jaren vijftig die in mijn herinnering minder van wit superioriteitsgevoel zinderden dan wij nu beweren. Althans ik zag het niet: ik beschouwde de hoofdpersonen als gelijken en liep met hen mee naar school, danste samen met hen en at mee uit de grote ronde houten schaal. Maar ik was nog jong hoor, een jaar of zes, zeven.

joseph archief utrecht (56)

Later had ik in de buurt protestantse vriendinnetjes die steevast op de vraag ‘Wat wil je later worden?’ antwoordden dat zij voor de zending wilden gaan werken. Dat was er niet één, nee van zeker vier meisjes kan ik mij nog herinneren dat zij dat als toekomstbeeld zagen en zeker de hele lagere schooltijd lang: ik ging in 1974 naar de middelbare school. Thuis aan tafel informeerde ik eens of ik ook in de zending zou kunnen werken. Nee, dat was iets voor protestanten. Katholieken moesten intreden in een kloosterorde en daar moest je zeker niet aan beginnen tenzij er niets anders opzat. Mijn moeder keek wat moeilijk toen ze die laatste woorden uitsprak. Mijn grootmoeder is altijd heel fier geweest op het feit dat niemand van haar kinderen hoefde in te treden. Ze konden gewoon in de burgermaatschappij hun weg afleggen. Dat was óók roeping blijkbaar, misschien wel een veel grotere.

joseph archief utrecht (79)

Tijdens een kunstenaarsretraite in het klooster Steyl in 2005 kwam ik in aanraking met de missieorde SVD van Arnold Jansen,  zowel de mannen- als de vrouwenorde. De kerk bestaande uit twee verdiepingen maakte indruk op mij. De eerste verdieping was de kapel en op de pijlers stonden de namen van de werelddelen waar de missionarissen naar toe werden gezonden. Het was een neogotisch interieur en voor het eerst liet ik deze stijl eens goed op mij inwerken. In het nabij gelegen museum waren de relicten van turbulente missionaris-levens ten toon gesteld en daar heb ik met genoegen rondgelopen. Tijdens deze retraite kreeg ik bevestiging van een echte dichter van mijn schrijfseltjes tijdens een workshop. Ze was blind maar veerde op bij mijn voordracht en verzekerde mij nog méér te gaan schrijven dan ik al deed. Dat gaf en geeft mij nog steeds moed. Gewoon doorschrijven dus: op zekere leeftijd moet je het van die kleine bemoedigingen hebben.

joseph archief utrecht (90)

De heiligdomsvaart anno nu bood de gelegenheid om een voordracht te volgen van een missionaris en zonder al te veel hinder van voorkennis ben ik maar eens in de kanunikkenkelder gaan zitten, heb ik een heerlijke abrikozenvlaaipunt gegeten, twee lekkere kopjes koffie gedronken en op mijn gemak meerdere inleidingen aangehoord. Ik had natuurlijk wel gegoogled op de naam van de spreker Nico Distèr en kwam aardige informatie tegen, die ik echter niet opgeslagen had, want ja tot op het laatste moment twijfelde ik nog of ik wel naar die bijeenkomst zou gaan. Al meer dan tien jaar houd ik bij Maastrichtse aangelegenheden de vluchtroute open, zodat ik ongezien weg kan komen. Je weet maar nooit welke gemeenteambtenaar of bestuurder je nu weer tegen het lijf loopt. Maar het zag er allemaal heel gemoedelijk uit en dat bleef het uiteindelijk ook tot het eind.

joseph archief utrecht (95)

 

De missionaris, die natuurlijk geld nodig had voor zijn project vertelde een mooi en integer verhaal en voor het eerst had ik weer het gevoel dat het allemaal wel mee valt met dat witte superioriteitsgevoel. Hier stond gewoon iemand te praten over wat hem echt drijft en probeert mensen te inspireren in zijn idealen te geloven. En die idealen zijn anno nu helemaal niet slecht: je kunt je afvragen of ze anno kolonisatieverleden wel zo integer waren, want laten wij eerlijk zijn onze voorouders werden niet uitgenodigd om het christendom te brengen en de beschaving op te leggen (welke beschaving?). Maar gezien de huidige situatie is het niets meer dan ontwikkelingshulp en ja wel binnen het stramien van de franciscaanse rite, maar in weerwil van despotische regimes. Het is maar waar je voorkeur naar uitgaat.

joseph archief utrecht (101)

Tijdens mijn intensieve studie de afgelopen jaren heb ik het proefschrift van Eric Sengers gelezen over de deviantie-theorie en godsdienst. Daaruit wordt pijnlijk duidelijk dat de missie-gedachte niet zomaar een god- of menslievende instelling was, maar eerst en vooral een middel om te overleven. Want het aantal katholieke gelovigen liep al van c. 1920 terug naar het dieptepunt van anno nu. Hierbij wel goed noteren dat dit ook voor de protestantse kerken gold en geldt, die zeker in Nederland met hun zending de kolonisator konden volgen. Er waren immers drie keer zo veel protestantse kerken in de Nederlandse kolonieën dan katholieke. Niettemin was en is er zeker veel af te dingen op de noodzaak tot evangeliseren vanuit Europa en Amerika. Maar missionering vindt in ieder geval vanuit Europa nauwelijks nog plaats, nu komen de onderzoekers en de registratoren van dat verleden aan de beurt. En daar was ik al enigszins mee begonnen door de aanleiding tot de missie in de negentiende eeuw te bestuderen en de manier waarop de kerken werden geplant en ingericht en daarover een artikel te schrijven dat echt gepubliceerd werd in een peerreviewed tijdschrift. In Polen, maar in het Engels. Eerlijk gezegd mijn enige tastbare wapenfeit van de afgelopen jaren. Dit artikel staat op deze site overigens.

joseph archief utrecht (48)

De missionering anno nu in Nederland zelf, kwam ook aan de orde bij monde van een indrukwekkend Nederlands sprekende Venezolaan. Oprecht, gedreven en weliswaar erg overtuigd van zijn geloof, maar wel openstaand voor andere meningen. Eigenlijk vind ik de kerk nu pas weer interessant worden met die missionarissen uit verre landen, met hun andere verschijning en taalgebruik en vooral hun energie. Van hen kun je echt wat leren over hoe het hier in Nederland gaat en niet alleen op geloofsterrein. Ik vind het een verrijking in alle opzichten. Lang leve de ontkerkelijking.

Rest alleen nog het missie-verleden goed te documenteren en te vertellen. Veel missionarissen uit de omgeving van Maastricht, Luik en Tongeren bijvoorbeeld zijn gestorven tijdens hun missie. Van hen weten wij helemaal niet veel, ook niet van de 130 missionarissen uit Maastricht over wie Nico vertelde (welke periode en welke orde eigenlijk?). Het zou toch mooi zijn het verhaal van het leven van deze mensen vast te leggen en te delen met onze kinderen en kleinkinderen en te laten zien dat misschien de kerk als instituut wel een veel te groot superioriteitsgevoel had en heeft, maar dat het de missionarissen en missiezusters waren die het – vuile-  werk moesten doen en nu ook maar moeten zien het te redden met wat er over gebleven is. Een missie waarvoor misschien te veel jonge mensen zonder al te veel perspectief werden geronseld.

Afbeelding1

‘in zulke ogenblikken begrijp je iets van de verlatenheid van christus op het kruishout

Illustratie uit themanummer ‘Honderd jaar Kromstaf’ KI van 1953

De overige illustraties zijn afkomstig uit het archief van de Josephkerk in Utrecht, nu in bewerking bij het Utrechts Archief (geen toestemming gevraagd)

mei 2018

Thebaanse trompetten en de Broederschap van het Heylige Hout van Dordt

ommegang (4)ommegang (13)

Het zag er vanaf een uur of elf dreigend uit afgelopen zondag. Het was warm en benauwd en donkere wolken hingen boven het Heuvelland. Na twee dagen Heiligdomsvaart was ik wel een beetje uitgeput. Hoeveel devotie kan een mens verdragen. Ik had ook geen zin om mij te kleden op een derde intensieve rooms-leven dagje, maar na een spannend onweer met hagelstenen en windvlagen, dat zich vooral boven het arme Berg en Terblijt ontlaadde begon het toch te kriebelen van de nieuwsgierigheid. Moest ik niet nog een IBL-aanvraag bij het Centre Céramique ophalen? Dan kon ik gelijk even doorfietsen naar de stad om daar eens rond te neuzen. Het bleef dreigen maar in mijn niet-stadse klofje, dat ook nog eens weinig representatief is, toch de gok gewaagd. Direct voor de Hoge Brug zag ik aan mijn rechterhand al de processie oprukken uit Wyck. Zette mijn fiets onder de brug en ging via een sluiproute Wyck in en stuitte direct op een vaandel met één van de afbeeldingen van de Sacramenten, ik geloof uit mijn hoofd van de Meester van Alkmaar. Maar pin mij er niet op vast. Dat ik boekjes verzamel wil nog niet zeggen dat ik ze ook allemaal lees. Ik heb een achterstand van jewelste met als meest recente stapel die uit de Thiérache.

ommegang (122)

ommegang (25)

Omdat de stoet toch stilstond ben ik weer kruip door sluip door de Servaasbrug overgegaan en kwam oog in oog te staan met Abraham die het een beetje warm had, net als zijn volgelingen. Het bekende Dordtse gezelschap ‘Wrongel en wei’ kwam ik ook tegen. Ik associeer deze groep altijd nog met een concert van middeleeuwse kerstmuziek in het Hof in Dordt. Ik kan mij verbeelden, maar ze liepen toch wat verloren door deze devote stoet. Ik zag ze ook al vrij snel na de stoet wat onhandig ‘aftaaien’, zoals ik ook altijd doe. Zonder al te veel sociaal verkeer.

Verder gelopen om het begin van de stoet te bereiken: ik passeerde een grote witte auto met het portret van Servaas op een aanhangwagen in een onduidelijke geel, zwart- witte vormgeving en kwam al benend uit op een leeg Vrijthof. Ben op hetzelfde bankje gaan zitten als de voor vorige dag  naast twee aardige Duitse dames die het verdomden om met dit weer boven op de tribune te gaan zitten. Veel te gevaarlijk. Een aardig meisje kwam vragen of wij routebeschrijvingen wilde hebben: de dames hadden er al een gekregen toen zij een kaartje voor de tribune kochten.

ommgegang (24)

Na ruim drie kwartier wachten naderde er vaag wat muziek en ik ben toen maar eens wat gaan wandelen: ik kwam bij het hek voor de eretribune en dat leek mij geen geschikte plek. Na wat doorlopen kwam ik uit bij het theater waar de weg afgezet was en dat leek mij een hele goede plek. Zeker om alles te zien, minder om te fotograferen omdat op elke plaatjes ‘America today’ terecht zou komen. Dat moest dan maar. Een aardige fotografe van de Kirchenzeitung gaf mij nog wat uitleg over haar ‘Canon Eos en nog wat’ camera, voor het geval ik wilde overstappen op wat professioneler materiaal. Dat laatste had ik zelf geopperd hoor. Ik vond het een erg goede fotograaf, vooral opdat ze niet zo hysterisch aan het rondrennen was. Er liep ook een raar mannetje rond in een blauw pak met een tas vol geluidsapparatuur dat het presteerde om de stoet stil te zetten als hij een foto wilde maken. ‘Ach ja, Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers’, zei mijn oma altijd.

ommegang (52)

ommegang (23)

De plaatjes spreken voor zich. Het heeft geen zin om het hele programma van de stoet te citeren. Ik vond het geweldig om mee te maken en heb er ook wat van geleerd. Zo brak ik mij al een tijdje het hoofd hoe de enorm grote processiekruizen van Hans Mengelberg uit het begin van de vorige eeuw nu rondgedragen werden in zo’n stoet. Bij een Duitse groep zag ik de oplossing: de jongens hielden een soort uitvergroot schoenenrek vast met daarop een nog veel groter kruis. Dus niet liggend, zoals ik altijd dacht. De Duitse groepen blonken overigens uit in traditionalisme. De Belgische waren wat meer ‘middeleeuws’ en de Nederlandse deelnemers waren of gewoon zichzelf in hun religieuze functies of imiteerden toch wel een beetje het carnavaleske, maar dan serieus. Ik miste Luik in de stoet: de bakermat van de bloedprocessie en eigenlijk van al het rooms middeleeuwse gebeuren in deze gebieden. Tongeren en Hasselt waren er wel, maar geen Liège. Jammer.

ommegang (20)

De Ridders van het Heilig Graf waren er overigens ook weer: in grote getale en in het midden liep een Edelvrouwe. Het houten kruis hadden zij thuis gelaten, maar een vaandel droeg de voorste ridder wel. Zij werden gevolgd door de Ridders van het Hospitaal van Sint Lazarus in Jeruzalem. De Broederschap van het Heylighe Hout van Dordt bestond uit drie leden. Ik had toen ik in Dordrecht woonde nooit van hen gehoord, maar ik wist wel dat er een Sterre der Zee kapel in de stad was. Ik vond dat kort voor mijn verhuizing langs de Maas een leuke link. Aardig thema voor een onderzoek: de rol van de rivier in de religie. Over rivieren, dus water gesproken: sommige deelnemers hielden het nauwelijks vol, zoals sommige vendeldraaiers. Het lijkt zo eenvoudig, maar toch als je er met je neus boven op staat dan zie je pas wat voor een krachtsinspanning die mannen moeten leveren.

ommegang (76)

Inmiddels was ik van observatiepunt gewisseld: ik dacht namelijk dat het voorbij was op het moment dat het begon te regenen. Een beetje ‘de hand van God’. Maar dat bleek toch niet zo te zijn. Nu stond ik voor de Bershka en zag in een grote wolk van wierook het staartje van de stoet voorbij komen. In een grotere groepen dan de vrijdag en met veel meer misdienaartjes, akolieten, diakenen, priesters en wat dies meer zij. De seminaristen van Rolduc, allemaal buitenlandse jongens toonden de relieken, die ik eigenlijk in omvang en uitvoering wat vond tegenvallen waren al eerder langs gekomen. Misschien had de organisatie het aantal relieken aangepast aan de dragers.

ommgegang (88)

 

Of ik over zeven jaar nog een keer ga kijken weet ik niet. De tweede keer carnaval is mij niet goed bevallen: dezelfde groepen, dezelfde gezichten en dezelfde pakjes. Het werd saai. Daarbij is het netwerk-gehalte tijdens zo’n optocht toch wat te opzichtig: het is de rotary maar dan anders. Er zit wel zeven jaar tussen, dus wie weet. Maar ik denk eerder dat ik eens ga bijhouden wanneer andere steden in de omgeving een dergelijke tocht organiseren en ook zou ik eens wat meer willen weten over de achtergrond van de groepen. Wie weet als ik ooit mijn mega-promotie project afrond. Wat ben ik jaloers op die oud-collega’s die dat allemaal onder werktijd hebben kunnen doen met gebruikmaking van alle faciliteiten. Ik had het toch handiger moeten aanpakken tien jaar geleden. ommegang (90)

 Ik kreeg overigens van een aantal mensen wat valse blikken toegeworpen, maar dat kan ik mij verbeelden. Het was natuurlijk wel een ongegeneerd fotograferen dat ik deed, maar ja dan moet je ook maar niet te koop gaan lopen en zeker niet met je geloof. Ik onderscheidde een personeelsboer en een zeer kleine mevrouw die mij fixerend aankeek. Ik had haar eens gezien in het RHCL. Ook ging er een mevrouw die volgens mij in een mis naast mij had gezeten bij de Bershka voor mij staan terwijl de stoep voldoende ruimte bood voor een ‘eigen’ plek. Dat verpest wel je foto’s. Ach ja, dat van die kostgangers klopt; je komt bij zo’n gelegenheid als deze wel heel veel types tegen. Overigens die tienduizend bezoekers over wie de nieuwslezer sprak s’avonds leek mij wat te veel, maar toch gewoon veel belangstelling.

ommgegang (101)

ommegang (50)

ommegang (102)

mei 2018

Een Riddergebed en de Zwarte Christus uit Wyck

DSC_9811 (2)

 

De vrijdag, de eerste volle officiële dag van de pelgrimage kent een interessant programma dat met de Lauden begint. Om tien uur. Zoals elke dag van de komende tien dagen met de Lauden begint. Deze worden gezongen bij zonsopkomst. Ooit kende ik het hele rijtje uit mijn hoofd met de uren waarop zij gezongen moesten worden, van de metten tot de completen. Deze kennis hoorde bij de bagage die ik meekreeg bij het vak middeleeuwse kerkgeschiedenis aan de archiefschool. Een ander onderdeel waren de kloosterorden met hun stichters, kledij en belangrijkste kloosters. Hoewel ik de dag na het geslaagde examen na het vele leren in een tentje ontspannen op mijn rug kon liggen in Italïe in de buurt van een belangrijk klooster kreeg ik toch plotseling een soort zenuwinzinking omdat ik niet meer wist van welke orde deze was. Maar ik ben toch heel erg blij geweest deze kennis zomaar voorgeschoteld te hebben gekregen, met zoveel andere kennis die deze opleiding bood, die ik eigenlijk reken tot de enige echte scholing die ik ooit gehad heb. Misschien omdat ik er toch wat harder voor moest werken.

Het mooie liturgieboekje geeft de teksten weer die gezongen moeten worden en van enkele teksten sta ik toch wel te kijken. De agressieve en gewelddadige taal zouden een IS-strijder niet misstaan. Het intrigeert mij wel, die tekst en ik wil het origineel er nog wel eens bij gaan nemen, net als van het verhaal over de Samaritaanse vrouw. Ben benieuwd wat een bijbel uit c. 1850 precies vertelt in deze passage.

De lauden werden gevolgd door een eucharistieviering met de ridders en edelvrouwen van het Heilig Graf in Jeruzalem. Ik heb nu geen zin hier het historische exposé weer te geven dat ik geschreven heb over de verering van het Heilig Graf naar aanleiding van een paar werken van Mengelberg, maar illustratief is wel dat de onderscheiding die bij deze Orde hoorde de laatste was die in de 19e eeuw ingesteld werd en dat rondom de kopieën van Heilige Graven in vooral Duitsland tijdens de lijdenstijd heftige passiespelen worden georganiseerd. Ik heb inmiddels de voorbeelden van deze graven hier in het Zuiden, waar ze ook voor komen maar eens op een rijtje gezet voor een inhoudelijk blog t.z.t.

In ieder geval was de stoet van ridders en edelvrouwen bescheiden van omvang. De witte mantels waren niet van echt mooie stof gemaakt en de fluwelen mutsen volgens mij ook niet. De voorste ridder droeg het karakteristieke houten kruis met de vier kleine kruisjes als verbeelding van de vijf wonden van Christus. Het embleem was ook de op de mantel genaaid. De dames droegen zwart met een kanten doek over hun hoofd. Het gezelschap moest die dag nog een keer optreden in een processie en in een bidstonde bij de noodkist. Ik had tijdens het schrijven van mijn stukje voor mijn vermoedelijk nooit te verschijnen proefschrift al eens intensief gegoogled naar dit gezelschap. Het is een elite zonder meer, maar daar zijn er meer van Nederland. De enige die ik persoonlijk eens ontmoet heb is nu commissaris van de koningin in Friesland en geloof ook de jongste van het gezelschap. Ik vond dat wel een ontdekking. Indertijd leerde ik dat Friezen alleen voor God knielen en niet voor de paus….

Behalve het riddergebed dat uitgesproken werd, werd ook het gebed voor Servaas opgelezen en het Servaaslied gezongen. Dat laatste is een erg vrolijk deuntje dat voor een Hollander toch wel wat carnavalesk aandoet, als het niet zo van een roerende devotie was en eerlijk gezegd deed het mij best wel wat. Ik heb bijna nergens zo lang gewoond als in Maastricht. Ik had helaas geen boekje waarin de tekst van het riddergebed stond, misschien had niemand dat. Maar ik ben het na afloop gaan opvragen bij het organisatiebureau. Een mevrouw kopieerde onmiddelijk de tekst voor mij. Heel aardig, maar daardoor weet ik niet of het ook gepubliceerd mag worden natuurlijk. Dus ik houd die tekst maar even onder mij. Wat mij wel opviel dat het op geen enkele manier nog lijkt op de originele intenties van de 19e eeuwse ridders. Ook hier zou de originele tekst nog heel wat aardige inzichten kunnen opleveren. Er wordt verwezen naar de vijf wonden van Christus, maar dat is al heel oud. Verder is het een opsomming van een levenswijze die iedereen wel zou willen voeren en dan speciaal het leven zonder lafheid. Even komt de oude bedoeling terug wanneer de ridder zijn idealen moet voorleven onder de ongelovigen (niet de heidenen). En dat zijn nu eenmaal vanouds de moslims en de joden.

DSC_9823 (2)

Om 19.00 uur was er een ommegang van de vier devoties uit de stad die hun ‘topstukken’ naar de Servaas brachten samen met de kaarsen die later plechtig voor het altaar zouden worden neergezet. Dit was een veel fotogenieker en toegankelijker gebeuren en daarbij is het fotograferen tijdens missen toch niet helemaal mijn ding. Ik was vooral heel nieuwsgierig hoe de Zwarte Christus uit Wyck zou werken in een processie en ik moet zeggen dat ik niet teleurgesteld was. De samenkomst na afloop was een zgn. Taizé-viering, maar dat kwam niet helemaal uit de verf geloof ik, behalve dat er geen eucharistie gevierd werd en één Taizé-lied gezongen werd. Dat ontbreken van de H. Communie vond ik wel fijn; ik had mijn deel al gehad die ochtend en was al aan het nadenken hoe ik onder een tweede uit zou kunnen komen. Mijn laatste communie heb ik twee jaar geleden gehad toen ik eigenlijk alleen naar de kerk kwam om de opvoering van een nieuwe mis aan te horen tijdens het festival ‘Musica sacra’. Een mis die eigenlijk een beetje tegenviel.

Ik vind het communiegaan zelf niet het meest inspirerende van een mis; dit offerritueel dat volgens mij toch te veel nadruk gekregen heeft sinds de 19e eeuw en niet overeenkomt met de eigenlijke bedoeling van de eerste christenen om de verrijzenis van de zoon van God te vieren met een gezamenlijke maaltijd benadrukt te veel het lijden van Christus en de nederigheid die je zelf moet opbrengen als dank voor dit lijden. Daarbij is het als je er langer bij stilstaat een ritueel dat heidens geïnspireerd is. Ik hou zelf van een meer abstracte of literaire geloofsbeleving, zoals de joden dat bijvoorbeeld hebben moeten ontwikkeling na de definitieve vernieting van hun tempel in 70 n. C.

Wat mij betreft mogen al die corpussen en kruiswegen dus wel uit de kerk gehaald worden, zeker de triomfkruizen. Al ben ik stiekem wel een liefhebber van de via dolorosa, maar dan buiten, rondkom een kapel of misschien in een kloostergang.

DSC_9848 (2)

Ook bij deze gelegenheid viel mij de kwaliteit van de muziek en zang op als heel erg goed en mooi. Natuurlijk gaat het om het geloof en de devotie, maar wat is het fijn als daar ook een mooie uitvoering aan gegeven kan worden. De Lauden van de ochtend werden gezongen door één man met een prachtige stem. Een half uur lang. Ik had er niet aan moeten denken als daar iemand had gestaan die niet kon zingen, dan was ik de kerk wel uitgegaan voor hij uitgezongen was.

DSC_9852 (2)

Jammer was de voorganger die meende te moeten opmerken dat de kerken op zondagen zo leeg waren en met deze mis en met kerstmis juist weer bomvol. Dat weten wij nou wel en je verandert er toch niets aan. Natuurlijk snakt iedereen wel naar een mooie voorstelling met de Kerstnacht gedurende een feest dat inmiddels bijna drie dagen lang moet duren. Daarbij een beetje creatiever en minder passiever met het misschema omgaan door het jaar heen kan toch ook geen kwaad. Je kunt toch van te voren peilen wie er wil komen en of het zin heeft een mis door te laten gaan. Het ‘non possumus’ van de kerk komt ook werkelijk op alle terreinen voor die je je maar kunt bedenken, internet is er één van.

DSC_9859 (2)

En dan dat collecteren. Ik weet het niet. Natuurlijk kost alles geld en heeft ook de kerk dit slijk der aarde hard nodig. Maar het voelt toch als een soort ‘deconfiture’ om dit tijdens de mis te doen. Er wordt meestal gecollecteerd tijdens de voorbereidingen van de eucharistie, maar zelf vind ik die volkszang dan toch veel aardiger die zo’n moment zou kunnen opvullen en zou mij liever daarop willen concentreren dan op het moment waarop het rieten bakje onder mijn neus wordt geduwd. En het is ook zo genant om weer in je portemonnee te moeten zien dat die twee euro-munt verdwenen is en dat je alleen heel veel kleingeld hebt en dat de collectant altijd kan zien wat je in het bakje stopt. Gebruiken de protestanten daarom van die diepe zakken misschien met zo’n handige lange steel? Het collecteren na afloop van een bijeenkomst vind ik toch veel prettiger of gewoon een collectebus neerzetten kan toch ook?

 

DSC_9863 (2)

En dan dat gedoe met die liturgieboekjes. Als je, net zoals ik door de verkeerde deur naar binnenstapt dan mis je zomaar het uitdeelpunt van die boekjes. Tijdens de Lauden die ochtend was er nog een assistent die mensen zonder boekjes er een gaf maar in een bomvolle kerk doe je dat niet. En tsja, die participatie van vrouwen valt toch eigenlijk ook wel erg tegen als je de foto’s zo bekijkt. Alleen de misdienaartjes waren allemaal meisjes met lange haren en er liepen zelfs drie bruidjes mee. Wie de jeugd heeft…… maar die bruidjes hoeven toch echt niet, al zijn ze heel schattig. Ik besef eens te meer dat ik hier helemaal niets over te zeggen mag hebben: ik ben een buitenstaander als het om een groot deel van deze devotie gaat.

DSC_9817 (2)

DSC_9867 (2)

DSC_9868 (2)

DSC_9871 (2)

DSC_9881 (2)

DSC_9883 (2)

mei 2018

Bij het ‘putje van S. Servaas’ en over het fotograferen van mensen: 55e heiligdomsvaart

DSC_3363

DSC_3382 (2)

DSC_3387 (3)

DSC_3399 (2)

 

DSC_3393 (3)

DSC_3402 (2)

DSC_3403 (2)

 

Toelichtende woorden zijn toch niet nodig om uit te leggen dat deze foto’s geen beeld geven van de hele heiligdomsvaart? Dit was slechts de openingsceremonie die plaats vond bij het putje van S. Servaas in het Jekerdal om 16.00 uur. Ik was er ruim op tijd naar toegegaan, voorzien van een stevige regencape en een paraplu. Code oranje was afgegeven en in de verte waren al behoorlijke donkere wolken te zien. De organisatoren hadden uit voorzorg de speakers in plastic verpakt en ook de buste van Servaas had een regenkap gekregen. Deze werd na het plechtig binnendragen er af gehaald, want als er tien druppels gevallen zijn, dan is dat veel. Ik heb netjes gewacht aan het begin van het terrein, nog niet achter de heg, ‘de plaats voor de heidenen’. Dat hoeft nu ook weer niet. Er voegden zich wel geteld twee hele vage bekenden onder de afzijdige omstanders, van wie de meesten toch wel op enig moment een kruisje sloegen of binnesmonds meezongen.

De viering werd gadegeslagen door de bewoners van het nieuwe, naastgelegen pand vanaf een terras op de eerste verdieping. Onder hen bevond zich een mevrouw in een crème-kleurige palazzobroek bijgestaan door een wisselend gezelschap in- en uitlopende heren. Het is jammer dat dit pand daar gebouwd is: het doorbreekt de magie van het putje als grens van de stad, van de bebouwing. Was er geen plek aan de andere kant van het putje?

Waren de bewoners van het naastgelegen huis toeschouwerd van een toneelvoorstelling, alle andere aanwezigen hadden vermoedelijk toch wel een band of een link met het opgevoerde wijdingsspel. De stoelen waren bestemd voor door de wol geverfde gelovigen, die een aandeel hadden in de totstandkoming van het evenement of dicht bij mensen stonden die dat hadden. Het koor, dat echt mooi zong en de koperblazers van wie er één bijzonder mooi speelde. Op zo’n moment realiseer je je hoe belangrijk de kwaliteit van muziek is bij het serieus nemen van zo’n religieuze belevenis. Ik verbaas mij er steeds weer over hoe religie aan kunst in brede zin op een hoger niveau kan tillen, zowel inhoudelijk als in uitvoering. Maar dat zegt misschien weer iets over mij, die nu eenmaal graag betekenis in kunst wil zin en geen dollartekens in de ogen heeft.

Ieder had een rol in het geheel en voerde deze goed en vol overtuiging uit. Van de voorgangers tot de gastvrouw, van de koristen tot de leden van het gilde en de diakenen tot de dragers van de buste. Iemand zonder katholiek verleden zou hierin een mooi teamspel kunnen zien. Ik niet: ik zag de tweedeling, die tussen meesters en knechten, die de geschiedenis van katholieke kerk zo kenmerkt en die nog steeds bestaat. Ik zag ook het onderscheid in de rangen en standen van de aanwezigen, die verder gaat dan alleen kleding. Een standsbewustzijn die in de 19e eeuw zo nadrukkelijk in het leven geroepen werd door de kerk en die tot uiting komt in de toewijzing van de parochiekerk, de plaats in de kerk die je je kunt verloven en de egards of het ontbreken daarvan waarmee je bejegend wordt. Ik ken de verhalen maar al te goed uit overlevering en uit eigen ervaring al denk ik wel dat het heel anders is als je in een geheel katholieke gemeenschap leeft, in plaats van in een omgeving waarin katholieken de minderheid vormen.

Geheel in lijn van de verwachting sprak de voorganger over de ontmoeting van Jezus bij de bron met de Samaritaanse vrouw: een afbeelding die bijzonder vaak voorkomt op altaren uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Zet je een andere bril op dan kun je van alles gaan fantaseren bij deze scene. Maar in dit geval ging het om omgaan met elkaar op basis van gelijkheid, zonder vooringenomenheid of discriminatie. Het sprak mij wel aan, vooral toen nadrukkelijk gewezen werd op roddel en achterklap die gemeenschappen eigen is en die volgens mensen die er voor doorgeleerd hebben, psychologen, de smeerolie voor het groepsgevoel is.

‘Doe goed en zie niet om’ is het motto van deze pelgrimage die tien dagen duurt. Maar misschien nog meer ‘Doe goed en praat er niet teveel over’.

DSC_3405 (2)

 

Over het fotograferen van mensen: een aantal aanwezigen was er qq. Zij waren van de pers en waren herkenbaar aan een perskaart om de nek, een camera of imponerende fototoestellen op de borst. Zij liepen zelfbewust en zonder gène door het publiek heen maakten foto’s, doken op interessante handelingen en maakten plaatjes van de fotogenieke momenten. Ik zelf durf geen foto’s van mensen te maken: heb dat nooit gedurfd. Dat komt ook omdat ik zelf ab-so-luut niet gefotografeerd wil worden. Aan mijn spiegelbeeld kan ik nog snel voorbijgaan, maar aan een foto niet. Die blijft. Maar buiten dat, vind ik dat je eigenlijk toestemming moet vragen aan mensen om ze te fotograferen. Maar doe je dat, dan kun je geen onopgesmukte foto’s nemen. Neem nou die ‘heiden’ die met zijn pet op van het schouwspel wegkijkt. Had ik hem gevraagd te mogen fotograferen dan had hij er nooit zo bijgestaan. En dat geldt voor alle andere mensen op de foto’s. Het is de eerste keer dat ik zoveel mensen gefotografeerd heb en deze foto’s ook laat zien in mijn blog. Ik ken hen niet. Als ik hen op straat tegenkom, dan wel. Ik heb nog steeds een betrekkelijk goed visueel geheugen, al is dat na de crash in de jaren negentig heel wat minder geworden. Ik hoop dat niemand mij iets kwalijk neemt. Je hebt nu eenmaal hoofdrolspelers en figuranten.

mei 2018

“Heilige Maria het hoeft niet meer” ; egodocument over katholieke identiteit

Vanochtend wandelde ik over de bevroren helling onder het Missiehuis in Cadier en Keer en ontmoette daar pater ‘Valentin’, althans die naam schonk hij zichzelf na afloop van ons gesprek bij het afscheid nemen. ‘De mooiste naam die wij kennen’.  Ik geloof niet dat hij echt zo heette, maar dat was ook helemaal niet erg. Vóór de ingang van de Maria –grot gelegen tussen twee kruiswegstaties gevat in neogotische kasteeltorentjes,  spraken wij een klein half uur over zijn verleden. Hij bleek op school niet de slimste, maar wilde wel heel erg graag, net als zijn broer, die inmiddels al weer heel wat jaren geleden overleden was, priester worden. Pastoor het liefst, want dan ‘was je wel wat’. Na twee keer doubleren op het seminarie werd het de missie, want hij had nou eenmaal ‘boven de ogen niet veel zitten’. Hij had gelukkig al vlot vrede met die opgelegde toekomst gekregen. Missionarissen waren harde werkers, individualisten, die honderd kilometer van elkaar verwijderd in de bush alléén hun werk deden zonder naar enig contact met elkaar te neigen. Fysiek zwaar, dat wel, maar voor het overige welbevinden had hij het altijd prima naar zijn zin gehad in Ghana. Over een tijdje ging hij er weer eens naar toe voor drie weken; hij keek er naar uit zijn ‘familie’ weer te zien. Het Missiehuis stond te koop en de paters zouden zich terugtrekken in een goedkopere, kleinere nieuwbouw. Zij waren nog maar met een tiental, allen vele jaren ouder en zieker dan hij. Elke dag herdachten zij in de koffiekamer wel een overleden broeder. De oudste was in 1890 overleden. Behalve met het zorgen voor zijn oudere confraters, vulde hij zijn dagen met het verzorgen van de grot, de tuin en het wandelen in de omgeving. Hij wees mij de weg over het terrein en ik vervolgde mijn wandeling via de St. Antoniusbank naar een andere Maria-grot, die vrij hoog op een helling ligt. Deze grot kende ik goed: de eerst keer kwam ik hem tegen vanaf de andere kant, vanuit Bemelen en alle volgende keren ging ik er een kijkje nemen. Echter tijdens een wandeling op een heldere oktoberdag onderaan de trap nam ik het besluit niet meer naar boven te klimmen met in mijn hoofd de gedachte: “Heilige Maria het hoeft niet meer” en nog méér zinnen die ik ergens opgeschreven heb staan.  Het was mijn hoofd, mijn gedachte,  maar het gevoel kwam van heel diep. Daar, op die plek liet ik de religieuze identiteit los die ik al die jaren in verschillende hevigheid had onderhouden, gekoesterd of weggedrukt. Een katholieke identiteit, waarvan in de vorming vooral mijn moeder een belangrijke rol gespeeld had. Tijdens die wandeling, zonder de klim naar boven, haalde ik mij de gebeurtenissen voor de geest die deze val van mijn geloof, háár geloof, moesten ondersteunen, dikte ze wat aan en begreep op dat moment ook dat het sociale isolement door het wonen in het katholieke zuiden, waar aloude uitsluitings-mechanismen nog springlevend zijn, daar mede oorzaak van was.

Vandaag ben ik wel de trap opgeklommen en heb ik de grot weer eens bekeken: het geheel was inmiddels opgeknapt na een ellendige aanval van vandalisme. En er was een nieuw element aan toegevoegd: een ingemetselde steen uit de grot in Lourdes in 2011 aangebracht. Er brandde een waxinelichtje voor Maria. Misschien had broeder Valentin deze die ochtend wel aangestoken.

De ingemetselde Lourdes- steen maakte mij duidelijk dat er nog steeds een vrij levendige devotie rond deze grot plaatsvond. De sporen daarvan had ik een decennium eerder ook al gezien, maar ik had eigenlijk gedacht dat deze nu helemaal verdwenen zou zijn. De berichten over de toestand van de katholieke kerk in West-Europa in het algemeen en in Nederland in het bijzonder zijn zo slecht, dat je als relatieve buitenstaander denkt dat dit geloof niet meer beleden wordt. Iedere willekeurige Nederlander zal denken dat deze kerk geen enkele rol meer speelt in Nederland, behalve in Limburg dan. Maar klopt dit wel?

Door mijn onderzoek naar het leven en werk van Wilhelm Mengelberg (1837-1919), de eigenaar van twee bloeiende ateliers voor kerkelijke kunst in Nederland en Duitsland vanaf 1857, ben ik mij gaan verdiepen in de opkomst, bloei en verval van de katholieke kerk in Nederland. Het voert te ver om hier een verkorte versie van mijn voorgenomen proefschrift te geven, maar de ateliers en hun geassocieerden leverden de interieurs voor bijzonder veel kerken in met name het Rijnland; de aartsbisdommen Keulen en Utrecht. De kerken die nieuw gebouwd werden, waren bijna allen geheel opgetrokken in de neogotische stijl en vormden in architectuur en uitmonstering een organisch geheel. Het iconografisch programma was in hoofdlijnen hetzelfde en de aandacht voor de opschriften in het Latijn opvallend groot. Alleen al het verzamelen van deze Latijnse opschriften, wat ik voor de Mengelberg- objecten gedaan heb, zou een schat aan informatie opleveren over de ‘ideologie’ die achter deze kerken schuil gaat. Een ideologie waarvan wij de uitstraling en de invloed niet meer kunnen zien en ondergaan. Want door uitputtend bronnenonderzoek in archieven in Nederland en Duitsland kon ik het netwerk van de familie Mengelberg exact aanduiden als ideologisch ‘ultramontaans’ en het ´ultramontanisme´ als de religieuze overtuiging van deze katholieke kunstenaarsfamilie, haar opdrachtgevers en werknemers aanwijzen.

Het is moeilijk een eenduidige definitie van het begrip ultramontanisme te geven, omdat het zich onder verschillende noemers, in verschillende perioden in verschillende mate van heftigheid manifesteerde binnen de katholieke kerk. Dat laatste is een onmiskenbaar gegeven: het is een katholiek fenomeen. De uitdrukking ‘ultra montanes’ geeft ook aan dat het een Noord-Europees verschijnsel is, dat verwijst naar Rome, ‘over de bergen’ heen. De paus als kerkelijk én wereldlijk leider naar wie men zich richtte in volle overgave ongeacht de landsgrenzen. Het is dus ook een supra -nationaal verschijnsel. Het wordt in de gangbare literatuur afgezet tegen het liberale katholicisme daarvoor en het politieke katholicisme van de eeuwwisseling.

In de context van mijn onderzoek gaat het om het gedachtegoed van katholieken zoals zich dat ontwikkelde na het katholiek réveil van de eerste helft van de negentiende eeuw, naar een heftig politiek en militair optreden, ingegeven door enerzijds de drang zich maatschappelijk te manifesteren en emanciperen en anderzijds de noodzaak zich te verdedigen tegen aanvallen van buitenaf. In drie gebieden vond deze aanval op de kerk fysiek plaats: in Italië in het kader van de eenwording van dat land, waarbij de paus voor het eerst van zijn wereldlijk bezit beroofd werd, in Duitsland waar een strijd losbrandde tussen Otto von Bismarck, de kanselier van Pruisen en de katholieken in Rijnland-Westfalen. Deze strijd heeft de naam ‘Kulturkampf’ gekregen en had grote gevolgen voor de bestaanszekerheid van vooral contemplatieve orden en de Jezuïeten, van wie er velen hun heil over de grens zochten.  En een derde brandhaard was Frankrijk, waar tijdens de opstand van de Commune in Parijs, na de vernietigende nederlaag in de Frans- Duitse oorlog in 1871, de aartsbisschop en 23 priesters de dood vonden. Tel daarbij de opkomst van het rationalisme op: onder deze noemer schaarde men elke vorm van modern denken en handelen, zoals het liberalisme, socialisme en naturalisme en de bedreiging voor de kerk was groot, heel groot.

De persoon van de verliezer Pius IX (1792-1878, paus vanaf 1846) bleek erg belangrijk. Hij trok zich terug in zijn paleis en ging verder als ‘gevangene van het Vaticaan’ en bracht daarmee een massieve golf van sympathie op gang. Hij werd tijdens zijn leven reeds vereerd en zijn beeltenis stond op de hoek van altaren, waarvoor gelovigen moesten knielen. Rome en het Vaticaan  waren wel eerder in de geschiedenis ten prooi gevallen aan invallende legers, maar nog niet eerder was de betrokken paus zo’n persoonsverering ten deel gevallen.

In deze periode werd de kerk ook ingrijpend gereorganiseerd en gecentraliseerd en volgde men de organisatie van de natiestaten na, met een bureaucratisering, het opzetten van een propagandamachine en het professionaliseren van de missie. De paus was onfeilbaar verklaard in kerkelijke zaken, hij had exact omschreven wat de dwalingen waren, had de Maria- verering gekanaliseerd en opgetuigd met een nieuw dogma  en oude vormen van devotie herbevestigd. Hierbij hoorde een beeldtaal die de ongeletterde gelovigen moest aanspreken op emotioneel niveau, maar ook de hoger opgeleide katholieken naar zich toe moest trekken. Een heruitvinden van de Middeleeuwen lag ten grondslag aan de invoering van de neostijlen, waarvan de al eerder genoemde neogotiek de belangrijkste was. Behalve de beeldtaal, werd ook een specifieke vorm van middeleeuwse organisatie nieuw leven ingeblazen, de gilden. En juist via deze gilden verspreidde de beeldtaal van het ultramontanisme zich met als doel het (her) kerstenen van de hele wereld. De ideologie van het ultramontanisme was een vorm van nationalisme zonder grenzen.

Het verdient nu aanbeveling om een sprong in de tijd te maken en vanuit de jaren na het Tweede Vaticaans Concilie (1965) terug te kijken naar deze ontwikkeling en dan vooral naar de dramatische neergang die de kerk in feite al vanaf 1920 doormaakte. Dit verval werd tot ver in de jaren vijftig nog goed gecamoufleerd en gecompenseerd door de missieactiviteiten, maar na de jaren zestig was de leegloop niet meer te ontkennen. Dit fenomeen deed zich overigens ook voor bij overige kerkgenootschappen en kan dus als een breder maatschappelijk verschijnsel beschouwd worden, niet uniek voor de katholieke kerk, maar door de hevigheid waarin het zich voltrok wel indrukwekkend, alleen al door de sloop van – neogotische-  kerkgebouwen en de verkwanseling van kerkinterieurs en kerkgoederen.

Deze terugval wordt binnen de kerk door sommige prelaten beschouwd als een zuivering: alleen de ware katholieken zijn overgebleven en op hun schouders kan een nieuwe triomferende kerk worden gebouwd. En dit is precies de kern van de zaak: het terugvallen van de kerk tot de vorm en omvang van een sekte, maakt dat de kerk niet zal gaan verdwijnen uit onze maatschappij, zoals zo velen denken en misschien hopen, maar juist zal gaan herrijzen. Dit valt te verklaren op basis van een theorie die in de jaren tachtig van de vorige eeuw is ontwikkeld in de Verenigde Staten en die de naam ‘Rational choice theory on religion’ gekregen heeft. Dit model probeert de levenscyclus van een kerk te verklaren vanuit de rationele keus die de gelovige maakt om tot een kerk te willen behoren omdat daar iets tegenover staat. Als ruil voor zijn toewijding krijgt hij namelijk beloningen en deze kunnen van diverse aard zijn. Een belangrijke beloning is de sociale winst, door het gaan behoren tot een gemeenschap.  Een andere manier is de immateriële beloning, die in het hiernamaals gegeven zal worden. Vooral deze laatste vorm van belonen is belangrijk, want op de weg daarnaar toe kunnen je zonden je vergeven worden en werk je op basis van devoot gedrag naar een eeuwig leven en de heropstanding toe. Deze aantrekkingskracht is vooral heel sterk in de periode dat de gemeenschap nog een sekte is en de term die gebruikt wordt om het onderscheid met de rest van de maatschappij aan te duiden, is ‘deviantie’.  De sekte maakt gebruik van de methode van ‘othering’ om de ‘otherness’  van ongelovigen aan te geven. In deze jaren waarin de deviantie het grootst is, zijn de beloningen het meest exclusief. Het onderscheid met de anderen wordt uitgedrukt in kleding en uiterlijk, taal, handelingen, vieren van feesten en herdenkingen en in kerken uitgedragen in missen en bijzondere bijeenkomsten. De deuren van de kerken zullen altijd open staan voor andersdenkenden, maar in alle gevallen is er wel een ruimte of een moment in de mis waarop zij niet welkom zijn: zoals het koor of de eucharistie.

In de loop van de bloeiperiode vermindert de spanning met de omgeving, zullen de gelovigen zich gaan socialiseren en wordt de bijzonderheid van de beloningen minder. Ook het straffensysteem, onder meer dat van de sociale uitsluiting functioneert minder goed, want men gaat steeds meer op in rest van de maatschappij. Confessionele instanties en hun medewerkers schudden het geloof af, betreden andere paden en gaan misschien andere kerken bezoeken. Het religieus ‘shoppen’ in de jaren negentig is daar een voorbeeld van.

De maatschappij raakte ontzuild en geïndividualiseerd en moest plaats gaan bieden voor een nieuwe ‘multi-culturele’ samenleving, waarvan wij nu vinden dat zij mislukt is. Maar had zij kunnen slagen? Bestemd om voort te bouwen op het fundament van een vermolmde, verzuilde maatschappij waarvan uitsluiting de belangrijkste steunbeer is?

In Nederland, waar de neergang opvallend snel ging, speelden twee zaken een rol: allereerst bleven de katholieken een minderheid en was het al vanaf het eind van de negentiende eeuw voor hen belangrijk zich te laten kennen als goede vaderlanders en Oranjegezinden en ten tweede had als gevolg van de deviantie, het inrichten van bijzonder onderwijs (middelbare scholen en universiteit), juist voor hen veel succes, omdat zij voor wat betreft sociale status en inkomen niet eerder in staat waren in zulke grote getalen, jongens en meisjes, naar school te gaan. Het werd mogelijk om binnen het geloof een lang onderwijstraject te volgen en deze scholing veroorzaakte de bijzonder kritische houding van veel katholieken in de jaren tachtig, versterkt door de emancipatie van de vrouw. Daarnaast kwam, in overeenstemming met andere kerken, de oecumene op en pasten de voorgangers hun diensten en missen aan speciale doelgroepen aan. Kortom de rollen werden omgedraaid: de kerk paste zich aan, in plaats van dat de (aspirant) gelovige zich aanpaste aan een nog altijd ondemocratisch, hiërarchisch en monotheïstische organisatie, die officieel uitgaat van segregatie op basis van geslacht.

De kritiekpunten op deze theorie zijn te belangrijk om niet te noemen: zo wordt betwist of geloof een rationele zaak is, of er echt sprake kan zijn van een rationele keuze. Daar zit natuurlijk zeker een kern van waarheid in: religieuze identiteit is geen jas die je willekeurig aan of uit kunt trekken of kunt verwisselen voor een dunnere of dikkere variant al naar gelang de verandering van het weer. De manier waarop wij worden opgevoed in het geloof, de nestgeur die wij meekrijgen en de bestaanszekerheid, niet alleen in materiële zin, dat een geloof biedt, is aantrekkelijk. Geloof op zich staat niet ter discussie. Elke organisatie, of dat nu een kleine Amerikaanse sekte is of de wereldkerk, die oprecht uitgaat van het geloof in het goede van de mens, goedheid voorop laat staan en zich wil bekommeren om hen die een mensonwaardig bestaan hebben en daarvoor eigen aanspraken op macht en geld inleveren, is een waardevolle aanvulling op hetgeen een overheid te bieden heeft. Het gevaarlijkste moment in de identiteitsvorming, is het moment dat godsdienst politiek of economisch wordt en dat zij in een machtsstructuur gehanteerd wordt als een instrument om zich zelf te onderscheiden van de rest van de maatschappij, om aan dit onderscheid rechten te ontlenen en om wraak te nemen op eerder aangedaan echt of vermeend leed. Aan iedere vorm van identiteitsvorming, etnisch, politiek of religieus, kleeft een agressief randje. Elke identiteit is immers gebaseerd op uitsluiting, zelfs de milde variant van ‘eigenheid’ geeft al aan dat er een ‘anders zijn’ is, waarmee men zich niet wil associëren.

Behalve dat de leiding van de Rooms-katholieke kerk in Nederland bewust voor het terugvallen van de kerk naar een sekte lijkt te kiezen, identificeert zij zich ook nog eens met een periode waarin het ultramontanisme hoogtij vierde. Een identificatie die bijna gelijke tred houdt met het zo snel opgekomen nationalisme, dat zich ent op het eind van de negentiende eeuw.

Het wordt tijd om weer terug te keren naar mijn ijkpunt uit het begin van het verhaal: de figuur van de Heilige Maagd Maria. Haar relevantie voor mijn persoonlijk leven is door een kritisch beschouwen van mijn katholieke opvoeding, de recente ervaringen in het katholieke Zuiden waar het conservatisme onder traditionalistische katholieken met een neoliberale signatuur nog steeds voortleeft, zelfs herleeft en vooral door mijn onderzoek naar het ultramontanisme bijgesteld en teruggebracht tot de juiste proporties. Ik doorzie de mate van projectie die een dergelijk icoon oproept en begrijp hoe de kerk hiervan gebruik gemaakt heeft met het optuigen van een grootse Maria-devotie, de aanbidding  van de Hl. Jozef, die niet zomaar beschermheilige van de katholieke kerk werd in de negentiende eeuw en de verering van de Hl. Familie. Ook de devotie van het Heilig Hart, vanuit Frankrijk overgewaaid naar Nederland is zo’n iconisch gebeuren. Niet voor niets werd na de Franse nederlaag in 1871 de Sacré Coeur gebouwd op de top van een heuvel, om van een smadelijke nederlaag tegen Duitsland, natuurlijk een straf voor de goddeloze staat van het land, een triomf voor de katholieke kerk op termijn te maken. De lijst van koepelkerken die daarna gebouwd werd is lang en wordt misschien in de toekomst nog verder aangevuld met nieuwe kerken.

Wat er op dit moment aan hervorming plaatsvindt in een ander type koepelkerk, de moskee zou een voorbeeld kunnen zijn om de deviantie die nu aan het ontstaan is, te voorkomen. Daar wordt voorzichtig de vernieuwing door vrouwelijke voorgangers getolereerd, diensten van en voor vrouwen georganiseerd en de verering van de islamitische Mariam (zij is identiek aan Maria) benadrukt. Het doorbreken van de traditionele machtsstructuur en het daarbij behorende misbruik van vertrouwen en manipulatie wordt langzaam doorbroken. In dat opzicht is de persoon van Maria méér dan ooit belangrijk geworden en heeft een deel van de islamieten een grotere doorbraak bewerkstelligd dan de katholieke kerk vermoedelijk ooit zal kunnen of willen realiseren. Maria doet er méér toe dan ooit te voren. Broeder Valentin besteedt niet voor niets een groot deel van zijn tijd aan het verzorgen van de Maria-grot in de Limburgse heuvels, al ben ik benieuwd of hij zal terugkeren uit Ghana om een taak te hervatten die eigenlijk te zwaar is voor een bejaard mens. Ook al voer je die uit in opdracht van de kerk.

 

 

 

februari 2017

Oog in oog met de heilige Oda in Amay

We wisten het wel vorig jaar, toen wij Huy aan het ontdekken waren, dat er in Amay nog iets bijzonders te zien was. Wij hadden dat immers opgemerkt toen wij over de tentoonstelling van Karel de Grote liepen in 2014 en Amay als karolingische plaats was aangegeven. Karel is er nooit geweest hoor, daar niet van. Maar vorig jaar verliep het bezoek wat anders dan gepland. Ten eerste dreunde na de salade op het marktplein, zo rond een uur of twee, de tweede chemo hard door. Ik heb de schatkamer in Huy nog gered, ben nog even terug gerend om van het laatste contante geld de catalogus te kopen, want ik wist niet zeker of het chemo-brein nog informatie kon opslaan. Dat kan het brein inderdaad niet, informatie vasthouden: het is nog steeds frustrerend om je korte termijn geheugen, dat na zware tijden die het in Leeuwarden al had doorgemaakt, nog slechter te voelen worden. Maar goed gewapend met het boekje kon ik de terugreis weer aan.

Wij wisten het ook weer dat er in Amay wat te ontdekken viel, toen wij de presentatie in het nieuwe Centre Charlemagne in Aken bezocht hadden: daar wordt het plaatsje wederom opgevoerd in directe omgeving rond Karel. En wij hadden een duidelijker beeld van de rijkdom, die daar te vinden was, vanwege een foto van een intrigerende grafkist. Nog steeds was Karel de Grote niet in Amay langs gekomen, maar dat gaf niet, de schat was immers ouder, namelijk merovingisch. En ik word daar helemaal wild van. Nou ja, gezien de leeftijd en conditie wat minder dan vroeger.

Op naar Amay dus en daarna naar Huy. Een stadje dat niet anders omschreven kan worden in Van ‘t Groenewoud-achtige termen,als een godvergeten oord. Wij parkeerden op het kerkplein en zoals gebruikelijk in dit soort plaatsjes was er ruimte genoeg en kostte het geen geld. De kerk viel al van verre op, door de vreemde torenconstructie. Drie torens in totaal boven het westfront, waarvan de middelste uit de zestiende eeuw stamde en daar geplaatst was omdat de twee zijtorens aan het verzakken waren. Nauwelijks winkels te bekennen, laat staan gelegenheden om koffie te drinken.

Wij togen naar binnen en kwamen in een kapittelkerk terecht waarvan delen nog uit de Romaanse periode stammen, met een barok interieur, wat rococo-elementen en een verdwaald neogotische toevoeging. Een mooie, serene kerk. Wij gingen op zoek naar de sarcofaag. Niet te vinden, er was geen ingang naar de crypte die wij eigenlijk verwacht hadden. Er was blijkbaar sowieso geen crypte. Het koor werd net gepoetst en de poetsvrouw had er een hip muziekje bij opgezet. Geef haar eens ongelijk, de geur van wierook hing er nog, dus er was compensatie genoeg. Wij zijn niet zo van het zomaar een koor beklimmen, dus wij gingen braaf het gangetje naar het museum in. En wat voor een museum: het zag er niet uit. De kloostergang was ingericht met bij elkaar geraapte vitrines waar de grootst mogelijke schatten lagen. Ik overdrijf niet, kan dat wel heel goed, maar in dit geval is dat niet zo. Het begon met een fraai fallus-object in miniatuurformaat, gevolgd door een mal van Phrygische herkomst waarmee waszegels vervaardigd konden worden. Deze mal was gewijd aan een vruchtbaarheidsgodin die niet in het Romeinse rijk vereerd werd, waarmee maar weer eens het bewijs geleverd werd hoe groot de afstanden waren waarover men reisde, als legionair, als koopman of als slaaf. Gevolgd door verschillende wapens, zoals zwaarden, onderdelen van soldatenkledij, knopen, gebruiksvoorwerpen en aardewerk, allemaal merovingisch dus.

Wij werden rondgeleid door een over enthousiaste jongeman, die zich direct afvroeg, toen hij onze neuzen zag, hoe wij wisten dat hier iets te zien was. Er was nog nooit een buitenlander binnen geweest. Wij kregen dan ook VIP tour, in het Frans. Ik was even vergeten dat specialistische uitleg in rap Frans op een gegeven moment vermoeiend wordt, maar jarenlange gezamenlijke ervaring met manlief en elkaar aanvullende sterke kanten in taalbeheersing (hij verstaat alles, ik kwek gewoon altijd door) hielden ons scherp. De gids hield het bijna anderhalf uur met ons vol (of wij met hem) en hij liet ons de rest van de kerk, de buitenkant en een stukje van de stad zien (wij ontdekten gelukkig een bakkerij, waar wij na afloop direct naar toe gegaan zijn). Een weilandje halverwege de helling waar een arts en zijn vrouw, die van adel was, begraven lag. Een Luikse arts die veel betekend had voor de gezondheid in de stad, omdat hij namelijk ontdekt had dat de bron, die naast het kerkhof gelegen was, de oorzaak was van een steeds terugkerende cholera-epidemie. Het kerkhof werd verplaatst naar de top van de heuvel en de ziekte verdween. Hij zelf werd echter geëerd met een ereplaatsje halverwege de helling als laatste rustplaats, want zijn weduwe zag zich niet de gang naar het graf van haar man afleggen tegen de heuvel op. Ik moest haar daarin wel gelijk geven.

Het hoogtepunt van de rondleiding was de sarcofaag van de heilige Oda.  De kerk was gewijd aan de heilige Oda en Joris.Op de deksel staat haar naam geschreven als Sancta Chrodoara en na lang twijfelen heeft men haar geïdentificeerd als de heilige Oda. Zij kwam oorspronkelijk uit Austrasie, als dochter van koning Childebert en als weduwe van een belangrijk heer, de in 688 overleden Bogo van Aquitanië en had besloten zich te wijden aan het christelijk geloof en een kerk te stichten. De plek werd bepaald door een worp vanaf een heuvel, die nog steeds de ‘chaire de St. Oda’ heet aan de andere zijde van Maas van een stok die ruim twee kilometer verder terecht kwam. Daar werd de voorganger-kerk van de H. Joris en Oda-kerk in Amay gebouwd.

Zij is gepersonifieerd afgebeeld, wat heel bijzonder is voor deze periode. Een menselijk gelaat en een vrouwengestalte met een staf in de hand, ten voeten uit. De deksel bewerkt met traceerwerk en één zijkant met wijnranken. Oda zou de wijnstok naar dit gebied gebracht hebben. De grafkist is zo gaaf, dat je bijna je ogen niet kunt geloven. In het verre verleden had men nog wat gerommeld met de vloeren, zo had men in de 11e eeuw de Romeinse mozaïekvloer wat omhoog gebracht. In 1977 vonden amateurarcheologen van de plaatselijke historische vereniging de kist, nadat de pastoor hen had aangemoedigd eens te gaan graven, want hij vond het zo ‘ruiken’. Omdat zij alleen in de weekeinden konden graven, ging het werk gewoon door tijdens de missen en moest de pastoor zijn werk doen omgeven door stofwolken. Zo vertelde de gids. Ik weet niet wat een groter wonder is: de aanwezigheid van de grafkist of het vermoeden van de pastoor dat er wat lag onder het koor. Dat er belangstellenden voor de sarcofaag gearriveerd waren, ging als een lopend vuurtje rond, want toen wij wilden vertrekken kwam er nog een stokoude man aangesneld die bij de opgraving aanwezig was geweest en zijn verhaal wel wilde vertellen in murmelend dialect. Echtgenoot had echter twee plaatselijke biertjes kaap gemaakt met de naam ‘Chodoara’ in het museum (blijkbaar bleek het brouwen van bier een geslaagder alternatief voor de wijnbouw in deze streek) en wilde hij graag aan zijn verse broodjes beginnen.Volgend jaar misschien, maar of die mijnheer dan nog leeft.

De relieken van Oda liggen nu in een dertiende eeuwse schrijn, die alleen op haar feestdag 23 oktober tevoorschijn gehaald wordt. Op deze schrijn staan scenes uit de levens van Joris en Oda afgebeeld, alsmede de twaalf apostelen en de beeltenissen van de hoofdpersonen. In één van de reliëfs is een pelgrim afgebeeld met een Jacobsschelp: de oudste afbeelding van dit attribuut in het Luikse.

Toen wij vertrokken werd de kerk geprepareerd voor een huwelijk door drie jongedames: witte linten werden opgehangen, de bloemist kwam langs en er was een heen en weer geloop van mannen die een onduidelijke taak hadden. Toen wij in Huy op het terrasje zaten achter onze salade, kwamen de drie dames langs gesneld met een aantal stropdassen in de armen die ze in de plaatselijke kledingzaak gekocht hadden. Het geloof in het algemeen en bijbehorende feesten in het bijzonder worden toch echt gedragen door de vrouwen geloof ik. Voor wat betreft de wetenschappelijkheid blijft toch in mijn achterhoofd het geluid klinken van het verachtelijk gesnuif van mijn vader in de jaren zeventig op het moment dat er wéér een belangwekkende archeologische vondst gedaan werd waarvan kond gedaan werd. ‘Allemaal nep’, was zijn gevleugelde uitdrukking Ik weet het niet: de grafkist is wel heel erg gaaf en de wijnranken wel heel apart in het geheel. Over de tekst kan ik niets zeggen: geen idee hoe Merovingers hun latijn gebruikten en de Chodoara en Oda naar één persoon herleid is, werd mij ook niet precies duidelijk. En dan die pastoor met zijn voorgevoel dat er iets onder het koor zou liggen. Ach ja, zoals de gids in het katakomben de opmerking van een hoge prelaat parafraseerde aan wie hij een rondleiding gaf: ‘de essentie van geloof, is het geloven’.  Vraag maar aan Oda.

augustus 2016

De katakomben van Cuypers en het altaar voor de Jezuïeten van Mengelberg in Valkenburg

inscriptie katakomben

Tien jaar geleden liepen wij al eens door de katakomben in Valkenburg en waren wij onder de indruk van dit, voor Nederland, unieke gangenstelsel. Een gangenstelsel dat een kopie is van de katakomben in Rome. Nu was het moment gekomen om er nog eens naar toe te gaan, beladen met kennis van vijf jaar onderzoek naar de katholieke emancipatie in Nederland na 1853 en in Duitsland in de jaren na de ‘Kölner Wirren’ in 1837, de aanloop naar de ‘Kulturkampf’, de strijd tussen de katholieken en het Pruisen van Bismarck. Een strijd die haar hoogtepunt bereikte in de jaren zeventig en uiteindelijk pas in het midden van de tachtiger jaren bezegeld werd.

In deze periode speelden de ultramontaanse katholieken een belangrijke rol in het katholieke bewustwordingsproces in beide landen. Zij verenigden zich in Gilden, richtten aartsbisschoppelijke musea op en verspreidden hun kennis en onderricht over de ware christelijke kunst in diverse periodieken over Noord-Europa, en Italië in verschillende talen vertaald. Katholiekendagen werden georganiseerd in Mechelen, Luik, Aken en Keulen. Tentoonstellingen werden georganiseerd waarop oude christelijke kunst en nieuwe vormen van kerkelijke kunst in historistische stijlen gepresenteerd werd. Ook in een stadje als Valkenburg komen de hoofdrolspelers in deze stroming elkaar uiteindelijk tegen ten tijde van de tweede fase van het ultramontanisme: Pierre Cuypers en Wilhelm Mengelberg. De laatste slechts bescheiden in de kapel van de Jezuïeten, maar wel véélzeggend, want juist daar bevindt zich net dat enige werk van Mengelberg in heel Limburg (tot op heden bekend dan) De eerste is veel overtuigender zowel bovengronds als ondergronds in stadje en omgeving aanwezig.

Valkenburg was door haar ligging een aantrekkelijke plaats voor Duitse gevluchte kloosterlingen tijdens de ‘Kulturkampf’, onder wie de Jezuïeten. En het plaatsje had ook nog eens, als eindstation van de eerste spoorweg, de mogelijkheid om zich te ontwikkelen tot een toeristische trekpleister als een bijna on- Hollands paradijs, waar de katholieke kerk graag op wilde inspelen door haar erfgoed hier aan te bieden, al was het maar in kopievorm. De textielfabrikant Jan Diepen (1872-1930), die vroegtijdig de leiding van het familiebedrijf losliet, greep die kans om zijn voorliefde voor christelijke archeologie en vroeg- christelijke kunst in een exacte kopie van de katakomben in Rome te laten botvieren met beide handen aan. Met veel geld, een uitstekend ultramontaans netwerk en vooral met speciale toestemming van paus en curie.

En de katakomben werden populair: zelfs het Bernulphusgilde uit Utrecht, elk jaar bijzonder kritisch over het reisdoel en vele malen niet tot een beslissing kunnen komend en daardoor de reis maar overslaand, trok met een groot gezelschap in 1916 midden in oorlogstijd naar Valkenburg. Zij deden op die tweedaagse reis ook Maastricht en Meerssen aan.  In Maastricht vond de beroemde confrontatie plaats tussen Jan Kalf, die eigenlijk de rondleiding moest houden door de St. Servaas en Pierre Cuypers, die met vermoedelijk flinke stem en fiere houding ondanks zijn hoge leeftijd het stokje van de rondleiding overnam en Kalf aan de kant zette en zijn versie van de restauratie en bouwgeschiedenis van de kerk vertelde. Tevens werd op deze reis tijdens de Algemene Ledenvergadering door Gildebroeder pastoor Eppink gevraagd of het toch niet eens mogelijk zou zijn een moderne kerk te bezoeken in het vervolg. Ook bij deze katholieken brak langzamerhand de modernistische zon door. Na deze vergadering op de eerste dag en de Gildemis de daarop volgende dag, na natuurlijk een goede maaltijd, een verkwikkende nachtrust en een versterkend ontbijt in hotel Ubachs, vond het bezoek aan de katakomben plaats. Even een opmerking terzijde: laat mijn buurman nou net een kleinzoon zijn van de toenmalige uitbater van dat hotel! De secretaris van de katakomben-vereniging Karel Diepen (1873-1954), de jongere broer van Jan nam de rondleiding op zich en vertelde uitgebreid over de totstandkoming van dit meesterwerk in de jaren 1909-1913. Na afloop van de tour schreven de broeders hun namen op de wand. En hun namen waren in goed gezelschap, want niet de minste katholieke voormannen hadden en hebben hun handtekening daar achtergelaten. Helaas konden wij bij kaarslicht geen van de namen van de Gildebroeders terugvinden zo snel meer terugvinden (als er geen licht is in die gangen, dan is het er wel héél erg donker). Voor een genuanceerd beeld dient wel vermeld te worden dat de archeologische gedrevenheid om een zo goed mogelijke kopie van de katakomben te maken wel voorop stond, zoals blijkt uit het feit dat twee protestantse professoren lid waren van de Adviescommissie. Zij waren gevraagd vanwege hun deskundigheid op gebied van vroeg- christelijke kunst, maar gaven door hun lidmaatschap een ‘oecumenisch’ tintje aan het initiatief. Er kwamen dan ook protestantse en ‘ongelovige’ toeristen op de grotten af, onder wie die ongelovige hoogleraar uit Gent.

Rond negentienhonderd was een ander kopstuk van de Gildebeweging, Wilhelm Mengelberg aan de slag gegaan in Valkenburg.  In 1893 werd begonnen met de bouw van het Ignatiuscolllege aan de  Kloosterweg in Valkenburg onder leiding van architect Hermann Joseph Hürth. De opheffing van de Jezuïetenkloosters in Keulen, Essen, Bonn Kreuzberg, de stad Bonn, Aken, Koblenz en Maria Laach en de gastvrije ontvangst in Valkenburg, maakten de weg vrij voor een dergelijk bouwproject. De broeders Köster, Linden, Busch en Rathgeb kochten een stuk grond aan en begonnen met de bouw. De Akense architect werd ingehuurd en de eerste steen kon op 1 mei 1893 gelegd worden. De kapel werd in 1894 op de 20e december ingewijd en in de loop der jaren werd het gebouw verder uitgebreid en verfraaid. Het Ignatiuscollege telde aan het begin van het schooljaar 1895/96 268  bewoners. De bouw had c. 800.000 Mark gekost en dit geld werd voor een deel  gedragen door de opbrengst van de verkoop van het klooster bij Maria Laach aan de Benedictijner orde.  In de periode 1897-1903 werd de kapel verfraaid o.a. met een nieuw hoogaltaar waarvoor in 1900 een wedstrijd werd uitgeschreven, waarbij Wilhelm Mengelberg de eerste prijs won. Dit vleugelaltaar werd op feestdag van St. Ignatius 1900 ingewijd. De bijbehorende verlichting en het noodzakelijke uitbreken van de vensters in het koor moesten toen nog plaatsvinden.  De Keulse schilder Rosenthal, met wie Mengelberg regelmatig samenwerkte, decoreerde de kapel naar het ontwerp van Wilhelm. De firma Klais vervaardigde het orgel en voor orgels van deze orgelbouwer hadden de Mengelberg-ateliers ook al meerdere malen opstanden vervaardigd. In 1910 werd nog een speciaal gedeelte aangebouwd voor schrijvers, die uit het opgeheven ‘Schriftstellerheim’ uit Luxemburg overgekomen waren. Bij deze aanbouw hoorde ook een Astronomietoren. De bevolking groeide en de kapel moest worden uitgebreid met een crypte waarin ook altaren werden opgesteld. In 1941 werd het complex in gebruik genomen door de SS en werd er een elite-opleiding gevestigd.  De kapel werd na verloop van jaren afgebroken alsmede de sterrenwacht en de filosofenvleugel. Op de plaats van de afgebroken kapel werd een nieuwe gebouwd, die in 1965 in gebruik genomen werd. Van het interieur is, zover bekend, niets bewaard gebleven. Van het altaar is slechts een vage, oude foto overgebleven. Uit contemporaine publicaties weten wij dat de architectuur niet als echt geslaagd beschouwd werd. De inrichting, de beschildering en de vensters van het glasschilderatelier Oidtmann in Linnich, waarvoor Mengelberg eveneens diverse ontwerpen gemaakt heeft, maar waarvan in dit geval niet bekend is of dit hier ook het geval was, echter maakten veel goed. Een pluim voor Mengelberg.

Lopend door het grensstadje met zoveel monumenten die herinneren aan Pierre Cuypers, dringt zich toch de vraag op wat precies de aard en inborst van de bevolking en van de inwijkelingen, onder wie de familie Van Diepen en de Jezuïeten geweest is. Niet Duits, noch Nederlands, evenmin gemiddeld Limburgs (wij zijn inmiddels kenners van het type ‘Limburgsheid’), maar in ‘Ultramontania’, zoals Limburg genoemd werd in de negentiende eeuw, ultramontaans misschien. Niet voor niets schonk Pius X een marmeren gedenkplaat voor de ingang van de katakomben. Beladen met deze kennis, boven op de al aanwezige informatie, maakt een derde bezoek aan dit stadje, dat zindert van het cultureel erfgoed, méér dan de moeite waard. En misschien nog aardig om te vermelden: in de kelder bevindt zich een ruimte waar getrouwd kan worden. Dus voor wie nog trouwplannen heeft.

NB Paul Post heeft in 2005 ‘Museum Romeinse Katakomben in Valkenburg aan de Geul. Het verhaal van een unieke kopie’ gepubliceerd, waaruit de kennis over de ‘protestantse hoogleraren’ afkomstig is.

 

 

augustus 2016

Jihadisme in Zierikzee

Nu in Parijs de doden van vrijdag de dertiende martiaal herdacht zijn met het zingen van het Franse volkslied, het uitroepen van de oorlog en het klaarzetten van de guillotine, blijft er in mijn geheugen voortdurend een beeld hangen dat al erg oud is. Een beeld uit de zomer van 2002 en dat ik toch graag nog eens zou willen beschrijven.

Het was een aardige zomerse woensdagmiddag in Zierikzee, waar ik toen werkte als archivaris. Op papier één van de leukste banen die ik ooit gehad heb, maar in de praktijk, zoals dat bij mij blijkbaar normaal is, een tegenvallende klus vanwege de zielig mislukte match met twee leden van het team. Weer van hetzelfde type man, middelbaar, ongetrouwd, wit en niet al te slim. Met hen kan ik in aanleg niet opschieten, toen niet, nu niet en in de toekomst niet. Maar goed, dat ter terzijde.

Op die woensdag, ik bivakkeerde toen ook nog eens in de mooiste werkkamer voor een archivaris van heel Nederland in het oude stadhuis van Zierikzee, besloot ik een rondje over de braderie te lopen en ik koos er voor om eerst in een parallel straatje aan de markt te beginnen. Daar lag een klein kunstenaarsbenodigdhedenwinkeltje, waarvan ik hoopte dat de winkelier wat leuke spulletjes in de aanbieding zou doen. Het was stil in dat straatje en halverwege stonden de kraampjes, gewoon een paar planken op schragen. Niet veel. Ik schat zo’n drie. De eerste was een rommelkraampje, waar gewoon huishoudelijk spul lag. Niet iets om een kraampje voor op te richten. Achter dat kraampje stond een moslim, met enigszins westerse kledij, maar toch herkenbaar als moslim. Ik keek wat verbaasd naar de koopwaar, waar echt niets bijzonders tussen zat. Op een gegeven kwam vanaf de hoek, uit mijn looprichting, een jonge moslim aangestapt met stevige tred. Hij was wel helemaal herkenbaar als moslim met een djellaba en een gehaakt wit mutsje op. Hij stopte bij de hoek van het kraampje en begroette de verkoper met een lichte buiging en een religieuze groet. Ze keken elkaar indringend aan en letten totaal niet op mij. De witte moslim pakte papiergeld uit zijn zak en stopte het in een conservenblikje, ze knikten weer naar elkaar, zeiden iets onverstaanbaars, begroetten elkaar ter afscheid en de witte moslim vertrok weer. Ik draalde nog een beetje, keek de jonge man na en liep verder naar het volgende kraampje. Hoewel er niets bijzonders gebeurd was, maakte het geheel toch wel indruk op mij vanwege de samenzweerderige uitstraling, het papiergeld en de onnozelheid van de koopwaar die er lag.

Nu, meer dan tien jaar later, begin ik dit beeld eindelijk in de juiste context te zien. Het heeft even geduurd, ik geef het grif toe. Hier werd gewoon gecollecteerd voor de jihad, zoals wij, westerlingen geld inzamelen voor het kankerfonds, de blindengeleidenhond of de stichting Dorcas. Zeker, 9/11 heb ik niet gemist. In tegendeel, na Tsjernobyl is deze gebeurtenis tot nu toe de meest indrukwekkende geweest die ik meegemaakt heb, maar ik heb geen moment toen de relatie gelegd tussen dat geld en gewapende aanslagen. Nu snap ik niet, dat ik zo naïef kon zijn…… Ik vraag mij al heel lang af, hoe al die arme, jonge moslims zonder uitzicht op een bestaan in het Westen aan het geld komen wapens te kopen, auto’s en appartementen af te huren, communicatiemiddelen te betalen waarmee zij over de hele wereld met geestesverwanten kunnen communiceren en dan ook nog in staat zijn volledig onder te duiken. Er moet al misschien voor 9/11 een georganiseerde geldstroom op gang gekomen zijn onder deze groepen om de Jihad te bekostigen en wij stonden en staan er gewoon maar bij te kijken, zoals ik in Zierikzee op die mooi zomerse dag deed.

Dat wij met gevaarlijke mensen te maken hadden, wist ik wel. Al veel eerder, toen ik net bezig was met mijn bijvakstudie Turkologie in Utrecht en mij verdiepte in de relaties tussen het Osmaanse Rijk en de Republiek. Niet dat ik toen aan zulke toekomstige mogelijkheden dacht, zeker niet, maar ik herinner mij wel een congres ergens in 1984 waarbij de Turkse geheime politie op kwam dagen om een spreker te beletten zijn mond open te doen. En ik herinner mij vooral de verdiepingsstof die ik gelezen had om mij het onderwerp eigen te maken en dan vooral over het wezen van de Islam. Kennis waarvan ik dacht dat elke intellectueel die wel zou hebben, alleen ik niet, maar waarvan ik nu weet dat geen enkele intellectueel die heeft en ik eigenlijk ook niet. Want de aard van deze godsdienst is bijzonder moeilijk te doorgronden en niet zomaar gelijk te stellen aan de twee andere mannelijk, monotheïstische, hiërarchische wereldgodsdiensten, zoals het christendom en het jodendom. Al direct bij de stichting heeft Mohammed de mogelijkheid gehad om zijn geloofsgemeenschap organisatorisch samen te laten vallen met de wereldlijke organisatie: een ijzersterke combinatie. Hieruit is de snelle expansie en indrukwekkende machtsopbouw voortgekomen. Bleef christen- en jodendom tot op de dag van vandaag onafhankelijk van de staat en misschien nog zelfs een tegenhanger van de staat, in de moslimwereld is dit één organisatie. De gewelddadigheid die hieruit voortkomt is er een die én gesanctioneerd wordt door de wereldlijke overheid (economie, bestuur en politiek) en door de kerk (cultuur, godsdienst en alles wat daarmee samen hangt). Behalve dit aspect, is de Islam ook nog eens zo’n zeshonderd jaar jonger dan het christendom en heeft daardoor, als wij het Verlichtingsdenken willen geloven,  dat elke beschaving een soort gelijke levensduur heeft, nog een heel gewelddadig hoogtepunt te beleven.

Dit brengt mij op een moeilijk punt, namelijk dat van de geloofsbeleving. Door onze ouderdom zijn wij als cultuur de intensiteit van onze geloofsbeleving al lang voorbij. Ik denk zelfs, dat veel mensen zich niet meer kunnen indenken hoe sterk en leidend geloofsbeleving kan zijn. Dat maakt dat de afstand tot moslims niet alleen groter geworden is in de loop van achterliggende eeuw, maar dat ook de animositeit onoverbrugbaar is geworden. Als wij niet meer beledigd kunnen worden middels onze God, weten wij wel dan wat wij gelovigen aandoen, die dat nog wel aanvoelen? Dit speelde absoluut bij Charliehebdo een rol en ik zal eerlijk zeggen, dat ik zelf nooit veel op gehad heb met satires waarin geloofszaken bespot worden.

Dat zegt iets over mijn religieuze beleving, die vermoedelijk nog wat sterker en hardnekkiger is dan bij mijn gemiddelde landgenoot. Hoewel ik de kerk de rug toegedraaid heb en nooit weer daar terug zal komen, is er wel een residu geloof bij mij blijven hangen waar ik nog steeds ‘last’ van heb. Toen ik mijn onderzoek naar Mengelberg begon, snapte ik wel dat ik veel kerken zou moeten gaan bezoeken en altaren zou moeten bezichtigen. Geen probleem, het onderwerp van het historisme, de katholieke emancipatie, het ultramontanisme en de kerkelijke kunst stonden en staan borg voor voldoende onderzoeksgenot. Daarbij geloof ik dat er misschien wel een priester in mij schuilt. Toch vond en vind ik het nog steeds moeilijk om zomaar een koor te betreden en een altaar te gaan besnuffelen. Sterker nog, in het begin had ik er zo veel moeite mee, dat heel veel belangrijke aspecten van het onderzoek zijn blijven liggen en ik eigenlijk nog een aantal bezoeken over moet doen. Ik vond het echt heiligschennis, dat ik daar in dat koor aan zo’n  altaar aan het trekken was. Dat heeft niet met een latente religieuze behoefte te maken, want ter plekke in gebed vervallen deed ik niet en emotioneel worden ook niet. Maar het was op de een of andere manier de wetenschap dat er op die plek iets aanbeden wordt, waar ik toch met mijn bescheiden verstand niet bij kon komen en waar van ik wist dat het dan niet misschien een mijnheer God was, maar dat het toch iets was dat raakte het goede, het eeuwige en het zuivere. Een hogere macht die niet meer bestaat, maar waarvan ik zou willen dat die er nog wel is.

Inmiddels ben ik van dat koudwatervrees af. Hoe dat zou gekomen is? Nou eigenlijk heel eenvoudig: in een prachtig Duits dorpskerkje moest ik onderzoek doen naar een altaar en omdat op de achterkant van de schrijn soms interessante inscripties staan, ben ik achter het altaar geslopen. Tot mijn verbazing zag ik daar de schoonmaakspulletjes van de koster staan. Ik vond dat zo’n vermakelijke gewaarwording, dat de relativiteit van het heilige al snel tot mij doordrong. Toen ik nog eens een paar weken later in het visitatierapport uit de jaren rond 1880 in een Duits parochiearchief las, dat de betreffende pastoor de gewoonte had met zijn fiets de kerk binnen te rijden en het rijwiel achter het hoogaltaar te stallen en dat daartegen toch echt opgetreden moest worden, was ik overstag. Iets is zo heilig, als je het zelf maakt en ik  maakte het vanaf die tijd een stuk minder heilig.

Dat zullen onze Moslimbroeders niet doen vrees ik. Aarde en wezen van deze jonge mannen ken ik niet: misschien dat zij zich kleine afsplitsingen van Mohammed voelen en zich daardoor boven de wet voelen staan. Dat het geloof van Mohammed in hen zo sterk leeft, dat zij zich daar mee vereenzelvigen. Dat zij gevaarlijk zijn voor onze samenleving, stond bij mij wel al in de jaren tachtig vast. Maar zoals gezegd, ik kan niet goed overweg met bepaald type mannen en daar behoren ook dit type jongens toe.

Frankrijk heeft de gelovigen de oorlog verklaard, zonder na te denken of zij zelf fouten gemaakt hebben in de behandeling van deze jongens. Dat hebben ze, meer dan ze zelf denken en dat geldt voor de hele westerse samenleving. Op zijn minst hebben wij hun geloof niet serieus genomen. Is dat een reden om zoveel geweld te gaan gebruiken tegen ons? Ik denk terug aan die moslims in Zierikzee. Die waren ons niet goed gezind, dat begrijp ik nu wel en ik denk dat er heel veel meer ons niet goed gezind zijn geweest als die jaren en dat nog zijn, ook al doen zij in ons gezicht normaal. De onoverbrugbare kloof tussen geloof en ongeloof is er tussen gekomen. Wij snappen niet meer wat geloven is.

Dat besef heeft bij mij wel een angst en afkeer veroorzaakt. Vroeger, nog niet zo heel lang geleden, was ik enthousiast over Arabische muziek, eten, literatuur en kunst. Ik zette graag een Putumayo cd op met dergelijke muziek en kon er prima naar luisteren. Dat lukt mij nu niet meer: ik heb een echte afkeer gekregen van deze cultuur en voel mij daar eigenlijk heel slecht onder, als cultuurliefhebber. Maar zo ver is het dus wel gekomen. Ook kan ik met mijn ongeloof deze cultuur niet meer bereiken, de moslims moeten mij niet in mijn ongeloof (en niet als vrouw, dat is een bijkomend probleem), dat in feite ook een vorm van geloof is, gaan bedreigen en aanvallen en komen datgene wat mij dierbaar is te na.

De vluchtelingenstroom die nu op gang gekomen is, door het geweld van de moslims, maakt mij evenzeer bang. Ik begrijp deze stroom niet meer. Zij is niet wat wij dachten dat zij was. Het is iets heel anders. Als wij tegen deze moslims moeten gaan vechten in eigen land, waarom kunnen zij dat niet gaan doen. Zij hebben er meer belang bij, dan wij. Het voelt niet meer oprecht wat er gebeurt, niet dat ik iets wil afdoen aan het leed van de vluchtelingen en de verschrikkelijkheid van het ontheemd zijn. In tegendeel. Maar wij zijn niet goed bezig, wij leveren ons zelf uit aan mensen die geen genade met ons zullen hebben, omdat ze niet geleerd hebben genade te hebben.

november 2015