Balade 54: over een wandelpad met een kadaver door de Vallei van St Niklaas naar een dertiende eeuws kerkportaal van de S. Lambert

Gezicht om de mairie van Lalobbe
Gezicht op de mairie van Lalobbe

Ten Zuiden van Signy- l’Abbaye ligt het plaatsje Lalobbe. Vorige jaren waren wij er al eens doorgereden, maar vanochtend opperde manlief het voorstel om nu eens in het gebied van de ‘cidre’ te gaan wandelen: van de appelboomgaarden. Het was ons al opgevallen dat het een aardig, langgerekt plaatsje was, waarvan de welvaart bloeiend was door de kweek van appelen voor de cidre tot na 1880. ‘Cidre de Lalobbe’ was een begrip in deze wereld, maar ging desondanks toch ten onder. Twintig jaar geleden werd de productie weer nieuw leven ingeblazen.

Na een rustig ontbijt in een inmiddels redelijk opgewarmd huisje kwamen wij rond negen uur aan op het kerkplein van Lalobbe. Bij deze wandelroutes is het altijd even zoeken naar het echte begin, want op de aangeraden parkeerplaats staat namelijk nooit  een verwijzing welke richting je op moet. Na even wat heen en weer gelopen te hebben, vonden wij het goede weggetje tussen twee huizenrijen door. Een misselijk makende stank kwam ons echter tegemoet en in het buitenste huisje aan de rechterkant bleek een vorm van afval-anarchie te heersen, die zijn weerga niet kent. Een paar meter voorbij dit onwelriekende binnenplaatsje struikelde ik bijna over iets dat verdacht veel op een kadaver leek. Meestal doe ik dan net of ik niets zie, ik registreer het niet en loop stug door, maar dit keer keek ik toch wat langer naar de overblijfselen van vermoedelijk een schaap. Het zag er vreselijk uit: uiteengereten en alle eetbare onderdelen waren verwijderd, er afgescheurd.

De klei van de vlakte van Rogiville
De klei van de vlakte van Rogiville

Snel liepen wij door, even overwegend om rechtsomkeert te maken, maar wat wij in de verte zagen liggen was toch aantrekkelijk genoeg om met de tanden op elkaar en de neusgaten dicht door te stappen. Onderwijl de hopen hondenstront ontwijkend die hier lagen. Blijkbaar was het schapenbeest door honden opgegeten. De hondensporen leidden ons door de vallei van de St. Niklaas. Een mooi stroompje, met af en toe verval en sterke versnelling. De oevers waren drassig en het pad was, toen de honden blijkbaar ergens rechts afgeslagen waren, bezaaid met reeën-prenten en andere sporen, die ik zo gauw niet kon herkennen.

Het is een prachtig dal, maar bepaald niet geschikt voor rolstoelen en mensen met kinderwagens. Bomen lagen her en der over het pad, deels moedwillig neergelegd om gemotoriseerd vervoer te hinderen en mountainbikers, deels door de storm van twee weken geleden. Het fotograferen liet ik maar even achterwege, want dit zou te gevaarlijk worden voor mijn onverzekerde uitrusting.

Meterslange rijen boomstammen
Meterslange rijen boomstammen

Na een spannende tocht arriveerden wij in ‘La Besace’ en kwamen via het volgende gehuchtje ‘Rogiville’ op de vlakte terecht waar een ijskoude wind stond en meterslange rijen met opgestapelde boomstammen ons juist weer beschutting boden. De zon brak door en uit de wind aten wij een stokbroodje paté: voor het eerst deze dag een gevoel van voorjaar.

De afdaling ging door een stuk bos dat zo mogelijk nog minder geschikt was voor rolstoelers en scootmobiels: er was geen pad meer, maar een langgerekt, heel smal moeras. Struinend over de hoger gelegen bosranden bereikten wij het eind van dit bospad, dat prachtig was vanwege de met mos begroeide bomen, boomstronken en takken die overal her en der verspreid lagen.

Nog meer prachtig mos
Mosgroei op bomen

Wie de voorstelling van Pauline Cornelisse gezien heeft over de mosjes, weet waarover ik het heb. Dit is het Walhalla van de mosjes. Je zou zo een tentje opzetten om op het zachte mos te gaan liggen en rustig vanonder de luifel rond te kijken welke soorten je ziet. En dan te bedenken dat het product mos hier decennialang gegroeid moet zijn om de omvang te bereiken die het nu heeft. Opgemerkt moet wel worden, dat de score van het soort mos niet hoger dan één kwam.

Nog meer schimmel op dood hout
Curieuze schimmelgroei op dood hout

Gisteren zagen wij trouwens een hele aparte schimmelgroei op takken en bladeren. Een spierwitte, langgerekte en draderige begroeiing die op een kabouterbaard lijkt. Ik heb er foto’s van gemaakt. Geen idee wat het is. Tijdens diezelfde wandeling konden wij ook zien hoe de ‘elfenbankjes’ op het hout ontstaan en groeien: het begint met een oranje- achtige gelei, die zich vormt tot een draderige knoop, waarvan de structuur uiteindelijk in de paddenstoel terug te zien is. Overigens zullen het misschien geen ‘elfenbankjes’ geweest zijn, maar ik weet even geen beter alternatief.

Na het mos- bos gingen wij verder door het dalletje van de Vaux en werden door een vriendelijke Belg de juiste richting gewezen. Er was inmiddels op een aan zijn tweede huis aanpalend terrein een machinefabriek verrezen, die het emplacement vermoedelijk wat verder uitgebreid had, dan wettelijk toegestaan was. Gelukkig begon de man geen boutade over deze zeer ingrijpende inbreuk op zijn tweede leven en wandelden wij rustig verder. Gisteren hadden wij een andere ervaring, maar wel leerzame.

'Elfenbankjes' op dood hout
Elfenbankjes op dood hout

In La Coccinelle spraken wij met de zeer praatgrage slager, die een uiteenzetting gaf over de gevolgen van de Brexit voor het Franse platteland. Wie denkt dat deze twee niets met elkaar te maken hebben, die vergist zich flink, zo bleek uit zijn verhaal. Overigens was het geen uitwisseling, maar een eenrichtingsverkeer en het kan zijn dat hij het vorig jaar ook al verteld had. Dit lag niet aan de man, maar aan onze stijve hersenen die nog niet ingespeeld waren op het Frans. Wat is er nu aan de hand? De op het Franse platteland residerende Engelsen blijken over het algemeen een niet onaanzienlijke rol te spelen in het bestuur van de plattelandsdorpen. Zij mogen deze (semi) officiële functies bekleden omdat Groot- Brittannië lid is van de EU, maar nu dus niet meer. Status-loze Engelsen verdrietig en de Fransen op het platteland bedroefd. Of dit een echt probleem zal worden, weet ik niet. Gezien de vrij autarkische opstelling van de Franse plattelanders lijkt het mij dat ‘men’ zich er niet zoveel van zal aantrekken.

De route eindigde achter de kerk, waar hij ook begonnen was. Wij hadden de drie beken gezien waar in de negentiende eeuw het ijzererts gewassen werd om het te ontdoen van de klei, het zgn. ‘patouillet’. Op verschillende plaatsen waren nog resten van een soort perrons te zien. Ik moet er niet aan denken dit soort werk te doen en het zullen vooral vrouwen en kinderen geweest zijn die hiermee aan het werk gezet werden. De mannen zullen het erts gedolven hebben.

Het prachtige dertiende eeuws portaaltje van de St. Lambert, met zijn beeltenis ten voeten uit van veel jonger datum, versterkte de indruk van het zijn van een halteplaats op weg naar Compostella, net als Signy l’Abbaye. Er was zelfs een officiële pleisterplaats aangegeven, die al heel lang geleden gesloten was, zo bleek. Het kerkje was één van de vele versterkte bedehuizen in deze streek, maar zoals het er nu uitzag niet meer in gebruik.

Ingangsparijt S. Lambert in Lalobbe
Ingangsparijt S. Lambert in Lalobbe

Er wonen nog maar 204 mensen in het dorp, van wie één dus een Belg en de tweede, die wij op het eindpunt ontmoetten, een Nederlander was met twee honden. Hij zocht tevergeefs met zijn mobieltje bereik en was bang dat wij zijn honden iets zouden aandoen. Ik heb maar niet laten merken dat het eerder andersom was. De foto’s van het portaal zijn niet zó goed geworden met twee springende honden tegen mijn benen.

februari 2020

Het ‘Museum voor Oorlog en Vrede in de Ardennen’; een chronologisch overzicht van aanvallen op onze democratie vanaf het midden van de 19e eeuw. Van een overbodig proefschrift en een overtollig museum

Beeld uit animatiefilm Eerste Wereldoorlog

In 2018 heropende het ‘Musée Guerre et Paix en Ardennes’ opnieuw haar deuren na een lange en ingrijpende verbouwing. Het oude museum heb ik nooit bezocht, want het ligt in Novion-Porcien, een heel klein stadje in ‘des Ardennes emeraudes’; een landstreek die geliefde en ik nog maar vrij recent ontdekt hebben. In mijn jeugd bezocht ik met mijn ouders veel musea, waaronder ook alle die gewijd waren aan de Tweede Wereldoorlog. In combinatie met de verhalen over de Tweede Wereldoorlog, de onafzienbare rij films en televisieseries, waarvan overigens ‘Allo, Allo’ tot de topfavorieten behoorde, en de fascinatie voor alles wat militair was, maakte dat ik wat uitgekeken ben geraakt op deze, zwaar overschatte breuk in onze recente geschiedenis.  Niet dat de vreselijkheid ervan onderschat mag worden, geenszins, maar de ‘nieuwe’ tijd die na de vrede aangebroken zou hebben, was toch echt niet zo nieuw als ons voorgespiegeld werd.

Behalve aan de Tweede Wereldoorlog besteedt dit museum ook aandacht aan de Frans- Duitse Oorlog van 1870 en de Eerste Wereldoorlog. In een uitgeleide nog stil wordt zelfs nog uitgebreid stilgestaan bij alle gewapende conflicten na 1945 en als inleiding wordt de Krimoorlog tot leven gewekt. Een tijdlijn louter bestaande uit uniformen, die begint bij de Krimoorlog en eindigt bij de Slag om Berlijn: 150 meter paspoppen van het mannelijk geslacht. In de hele rij staat slechts één vrouw, de marketenster uit een nog veel vroegere periode. Een emancipatoire kniesoor die hierop let, dacht ik aanvankelijk.

Ingang Musée guerre et paix en Ardennes

 

De rij mannelijke paspoppen werd op het eind doorbroken door een Japanse soldaat die de merkwaardige schoenen droeg, gebaseerd op de traditionele teenslippers. Een verassing. Verder miste ik de uitleg over de rare versieringen op de helmen, waarom die ‘Pickelhaube’ en dat vreemde schermpje bij de ‘Ulanen’? 

Schoeisel van Japanse soldaten in de Tweede Wereldoorlog

De architectuur en inrichting van het gebouw is indrukwekkend. Het aangezicht lijkt op een bunker begroeid met grasland met een interessante ingangspartij, die misschien bewust wat doet denken aan een loopgraaf, maar dat kan te ver gezocht zijn. De ontvangstruimte is ruim opgezet en duidelijk bedoeld voor het ontvangen van grote groepen bezoekers. De garderobe is klein en kluisjes ontbreken, waardoor de indruk gewekt wordt dat vooral hele middelbare scholen hierdoor heen gejaagd worden met hun jas nog aan.  Het vinden van een parkeervakje op zondagochtend in februari, terwijl het regent en waait was dan ook geen enkel probleem, want genoeg ruimte voor bussen.

Bij de balie werden wij ervan bewust dat het hier om een ‘departementaal museum’ ging, waar onze ICOM- kaart niet geldig was. Je had ook nationale en gemeentelijke musea, waar de kaart wel geldig was, maar hier niet. Een veeg teken dat de aankomende departementale identiteit al voorspelde, zonder dat ik mij daarvan bewust was.

De bemensing van het gebouw was terecht gekomen bij dames, die hieraan hun handen vol hadden, maar het geweldig goed oppakten en nog vriendelijk bleven ook. Meer dan 5000 vierkante meter tentoonstellingsruimte hadden zij onder hun hoede. Het gebouw bood gelegenheid om drie oorlogen uitbundig over het voetlicht te brengen, waarvan het aandeel van de Tweede Oorlog echter overdonderend was. Het materieel dat hier te zien was, zou menig lid van ‘Keep them rolling’ jaloers maken. Zelf heb ik het niet zo op die club, maar dat is niet zo belangrijk. Ik meen gezien te hebben op L1 dat een burgemeester vorig jarig nog bij een optocht van deze gasten stond te salueren. (De veteranen lieten nogal lang op zich wachten en je moet toch wat)

Zicht op presentatie Frans- Duitse Oorlog

Voor mij was de oorlog van 1870 erg interessant. Het Franse Keizerrijk dat ten onder gaat door toedoen van het zich nog vormende Duitse Keizerrijk, maar vooral door eigen historistische megalomanie en religieuze – katholieke-  hysterie. Frankrijk verklaart Pruisen de oorlog en ondanks dat God vóór de katholieke Fransen is, loopt het uit op het debacle waarin de Slag bij Sedan de apotheose vormt. Een ruime zaal met een projectie op een landkaart geeft inzicht in deze slag, echter in een snelheid die de argeloze bezoeker doet duizelen. Het is duidelijk dat er nu ook weer niet te lang stil gestaan moet worden bij deze nederlaag van de Fransen, die vooral te danken was aan het moderne materieel van de Pruisen, dus aan de niet- menselijke factor.

Zicht op de presentatie 'la belle époque'

Een aparte ruimte besteedt aandacht aan de tijd vóór 1870 en aan het Belle Époque vóór 1914 en gaat in op de wereldtentoonstellingen, die toch steeds weer een verbluffend beeld geven van de aspiraties van het machtswellustige Europa. Wat ging er toch mis in deze jonge natiestaten, die boven alles jonge democratieën waren in een koninklijk of keizerlijk jasje? De teksten bieden daarover weinig informatie in die zin dat wel gewezen wordt naar het ‘Dansende Congres’, terecht natuurlijk en de herverdeling van Europa, maar niet aan het fenomeen van de ontwikkeling van de parlementaire democratie. Toch niet de minste verworvenheid van de 19e eeuw zou je denken.

Dit nadrukkelijk negeren van de ontwikkeling van de democratie kom ik steeds vaker tegen in mijn literatuurstudie over de 19e eeuw. Het is een trend die al van begin jaren negentig te zien is en waarin een recent proefschrift ‘De stad als vaderland. Brugge, Leeuwarden en Maastricht in de eeuw van de natiestaat – 1815- 1914’ , een weliswaar indrukkend en goed leesbaar proefschrift, een dieptepunt in vormt. Het uitgangspunt in de studie is het zoeken naar de lokale antwoorden op de natievorming, maar ik heb geen onderzoeksvraag, hypothese of methode kunnen terugvinden, evenmin een ‘stand van het onderzoek’. Laat staan dat er een goed overzicht van de onderzoeksdata wordt gepresenteerd.

‘In het boek zullen de actieve deelname aan en reactie op dat nationale selectieproces van erudieten uit de provinciehoofdsteden ontleed worden.’ ‘Dat selectieproces’ slaat vermoedelijk terug op: ‘Deze scheppers van een coherent nationaal zelfbeeld canoniseerden echter slechts enkele steden, waarbij andere steden uit de boot vielen.’ Een zin die volgt op: ‘Het roemrijke verleden van de steden rechtvaardigde voor hen de eigentijdse natiestaat.’ De ‘hen’ zijn de ‘erudieten’. (Peverelli, 11) Nou ben ik niet heel erg ingevoerd in het begrip ‘erudiet’, een definitie ontbreekt overigens dus ik mag fantaseren wat ik wil, maar het lijkt mij nogal rekbaar en vooral afhankelijk van de context. Ik denk altijd maar zo: ‘ Een gymnasiast van het Barlaeus in Amsterdam, is toch niet hetzelfde als die van een gymnasium van een provinciehoofdstad.’ En dat geldt voor de hele laag van erudieten in een provincie, hoe belangrijk de provinciehoofdstad zichzelf ook vindt. Blijkbaar was het stedelijk patriotisme een reden om de aspiraties van nationale overheden te steunen, maar het was moeilijk want het verlies aan autonomie (In welke zin? Het moeten aanvaarden van één tijd, maat en geld?) en lokale identiteit (Hoe zo? Tot ver in de 20e eeuw werden klederdrachten gedragen, traditionele bouwstijlen uitgevoerd, dialecten gesproken en lokale tradities gehandhaafd. Maar…., en dat is toevallig, wat is de Maastrichtse of Limburgse klederdracht, en welk dialect is nu echt Limburgs? Ze spraken toch Frans en lazen Franse kranten? Mutatis mutandis is dit ook van toepassing op Leuven en Leeuwarden)

Het is een studie, die binnen het kader ‘identiteitsgeschiedenis’ geschreven werd, misschien dat dat het gebrek aan wetenschappelijke methode en achterliggende theorievorming verklaart, want ik vermoed dat het hier vooral gaat om het veiligstellen van de eigen identiteit in weerwil van democratische ontwikkelingen die langzaam, maar niet  te stoppen naar een andere samenleving voeren. Zelfbevestiging dus om een nieuwe tijd het hoofd te bieden, precies zoals de ‘erudieten’ van de negentiende eeuw dat deden. Maar dat was toch het laatste waarnaar wij wilden streven in de wetenschap, toch ook in de geesteswetenschappen? Zelfbevestiging: een doodzonde voor de wetenschapper.

Zijn wij echt in een antidemocratisch tijdsbestek terecht gekomen uit angst voor de toekomst? Waarom wordt het belang van de ontwikkeling van de natiestaten en lokale identiteiten zo over geaccentueerd en niet dat van de parlementaire democratie, die juist die identiteiten mogelijk gemaakt heeft, de ruimte gegeven heeft? De wetenschappers achter deze publicaties lijken vooral door een godsdienstige (Katholieke) of een racistische (Friese) achtergrond, ongetwijfeld onopgemerkt, voortgestuwd te worden, waarin een duidelijke afkeer van het centrum van het land overheerst; toch het centrum van onze democratie. De situering van ons regeringscentrum is toch arbitrair zeker in het digitale tijdperk: zou het beter voelen Maastricht als regeringshoofdstad te kiezen? Of in het verleden gekozen te hebben? Dan zou deze hele studie zowaar overbodig zijn geweest.

Een minderwaardigheidscomplex op religieus en racistisch gebied ondermijnt onze democratische rechtstaat van binnenuit, doordat de democratische geschiedenis van ons land niet voorop staat in de beleving van een klein deel van ‘erudiet’ Nederland. Deze wetenschappers moeten zich eens bewust worden van het feit, dat zonder deze democratie zij waarschijnlijk nooit in de collegebanken terecht gekomen waren en deze zelfbevestigende studies niet geschreven hadden kunnen worden, die méér met een geborneerd standsbewustzijn dan met lokale eruditie of cultuur te maken hebben.

Nathalie Chiminsky uit Rethel

Terug naar het museum waarin de aanvallen op onze democratie uitgelegd worden, want zeker de beide wereldoorlogen waren dat, geëntameerd door keizerrijken die haaks op democratie stonden (en dat ook niet verdoezelden).  Op heldere wijze wordt op drie niveaus de oorlogen in hun contexten uitgelegd. De tekstborden en de toelichtende landkaarten zijn voortreffelijk, behalve dat ze niet volledig zijn. De menselijke belevenis en de ‘petite histoire’ is ontleend aan Ardeense voorbeelden en bepaald indrukwekkend. Van de Slag bij Bazeilles en Sedan in 1870, via de bezetting van de Ardennen in de Eerste Wereldoorlog en de gevechten rondom Sedan (kwam wat minder uit de verf, omdat daar vermoedelijk niet zoveel artefacten van overgeleverd zijn) naar de Tweede Wereldoorlog. Het laatste tijdsgewricht wordt voelbaar met het imponerende verhaal over een Joods gezin Chiminsky in Rethel dat de oorlog niet overleeft. De inrichting van deze ruimte wijkt af van de Mme Tussaud- achtige entourage van de andere ruimten en was bijna kunstzinnig te noemen. Behalve de marketenster speelde het Joodse meisje de enige vrouwelijke rol in het toneelspel van de oorlog en vrede in de Ardennen en dan eigenlijk nog maar een bijrol. Identiteitsbevestigend was de nadruk die gelegd werd op het feit dat de lokale bestuurders de naam van het meisje geschrapt hadden uit de deportatielijsten (ze was ondertussen katholiek geworden), maar dat de Duitsers dat gemerkt hadden en hun eigen lijsten bijhielden.

H. Mis achter de loopgraven van Verdun, anoniem

De genadeloze expositie van de inhoud van een graf waarin anonieme soldaten uit de Eerste Wereldoorlog gevonden waren, maakte op mij wel veel indruk in die zin dat ik mij toch afvraag of het ethisch verantwoord is deze lichaamsresten zo tentoon te stellen, hoewel ze nagemaakt waren, maar die indruk werd niet gewekt. Ik herinner mij de discussie die ontstaan is kort geleden in Groningen, waar een religieus object van een stam uit Afrika tentoongesteld werd in de kantine vol schransende studenten. Iedereen was het er over eens dat dit niet kon. Overbodig was het nabouwen van de loopgraven, want die kun je in het echt bezoeken en het schimmenspel was enigszins lachwekkend.

Intrigerend was evenwel de animatie in de vorm van een ‘graphic novel’, waarin het verhaal verteld wordt van de laatste Franse soldaat, die net voor de afkondiging van de wapenstilstand doodgeschoten werd. Aan deze ‘heilige’ Augustin Trebluchon is inmiddels een hele serie memorabilia gewijd, waarbij je je afvraagt waarom niemand stilstaat bij het eerste slachtoffer van deze oorlog of bij alle onschuldige doden. In deze animatie komt een beeld voor dat echt volledig afwijkt van het tot dan toe tentoongestelde en dat alleen nog enigszins in verband kan worden gebracht met de treurende vrouw aan het begin van de tentoonstelling uit een serie tekeningen van Honoré Daumier,  die de ellende van de Frans- Duitse oorlog uitbeelden. Maar in dit geval stond de pleurante bij een doodskist, waarover de Franse vlag gedrapeerd was met de woorden ‘Dieu’ en ‘Patrie’ erop. (Zie eerste illustratie)  Hier komt toch echt het Franse superioriteitsgevoel weer naar boven van het stiekeme, oude keizerrijk dat in de vorm van een republiek toch nog steeds in het blikveld van God heldendaden verricht. Het einde van het verhaaltje was overigens volstrekt ongeloofwaardig. De achterkleindochter van Augustin roeit samen met de achterkleinzoon van de Duitse moordenaar, Hermann (hoe verzin je het), in een bootje de Maas af naar een zonnige toekomst zonder oorlog.

Zicht op presentatie Tweede Wereldoorlog

Het is moeilijk om je te realiseren dat je een flink deel van de dag doorgebracht hebt in een museum dat zich niets aantrekt van genderongelijkheid, geen oog heeft voor de democratisering in de natiestaten als noodzakelijke historische context en het ‘landje pik spelen’ van de keizerrijken als daden van mannen voorstelt. Zeg maar de echte ‘erudieten’ van heel Europa. Daar kan geen proefschrift tegen op.

februari 2020

De Genadestoel uit het atelier van Wilhelm Mengelberg in het Keulse ‘Domblatt’

Kölner Domblatt 2019

Jahrbuch des Zentral-Dombau-Vereins/ 19,80 €/ inkl. 7 % MwSt. zzgl. Versandkosten

Im Auftrage des Vorstandes herausgegeben von Peter Füssenich und Klaus Hardering

Aus dem Inhalt:

Peter Füssenich, 60. Dombaubericht von Oktober 2018 bis September 2019;

Albert Distelrath, Die Teilergänzungen an Baldachinen vom Michaelportal – ein Werkbericht;

Anna Skriver, Das Wandbild mit dem Marientod – das früheste Altarbild des Kölner Domchores;

Mira Wurth, Der Marientod in der Marienkapelle des Kölner Domes. Bestandsaufnahme eines exemplarischen Teilbereichs;

Sabine Gertrud Cremer, Christian Hohes Dokumentation der Wandmalereien in der Marienkapelle des Kölner Domes;

Annelies Abelmann, Die Gnadenstuhldarstellung von Friedrich Wilhelm Mengelberg im Kölner Dom und die katholische Bewegung

sowie Berichte und kleine Nachrichten

____________________________________________________________________________________________

december 2019

Nazi-design en de groeiende behoefte aan een nieuwe mannenwereld

Zo vanachter de geraniums heb ik een wat vrijere kijk gekregen op de ontwikkelingen in de samenleving. Ik heb voor die positie niet gekozen, maar werd door een onwillige werkgever die eigen regels volgt en niet die van gemeentelijke overheden in de rest van Nederland dertien jaar geleden daartoe gedwongen. Ik weet natuurlijk niet hoe het nu met die regels gaat, op de bank gezeten en geheel tegen werkgevers’ en mijn verwachtingen erop blijven zittend, maar desondanks is de blik die je dan ontwikkelt een verrijking gebleken. Ik ben niet meer gebonden aan ‘wiens brood men eet, diens woordt men spreekt’, al ben ik mijn ouders nog steeds heel erg dankbaar dat zij mij geboren hebben laten worden in Nederland en heb ik diep respect voor de verworvenheden van de verzorgingsstaat die mijn gezin voor de financiële ondergang behoed heeft en hoop ik dat in de toekomst iedereen van deze rijkdom weer mag genieten en ik misschien op mijn eigen manier toch een steentje mag bijdragen. Maar bovenal heb ik mij ook losgezongen van algemeen bekrompen en religieus bepaalde omgangsregels. Ik besef dat ik dat al deed tijdens mijn kleuterschooljaren toen ik herhaaldelijk uit het lokaaltje verdween op eigen initiatief, omdat ik de harde nonnenhand tijdens de ‘priklessen’ niet kon velen. Ik dacht dat het sneller en makkelijker zou gaan, zo’n prikpen als mesje te gebruiken in plaats van elk puntje naast elkaar in een rechte lijn neer te zetten. Nu begrijp ik dat dit onderdeel was van een groots lesprogramma om kinderen een betere coördinatie aan te leren. Dat laatste is mij bij mislukt, maar de eigenzinnige oplossing toont aan, dat de aanleg er vermoedelijk al helemaal niet was en de gekozen methode eigenlijk een hele goede was. Misschien dat in het individueel onderwijs dit wat beter geapprecieerd werd en de zelf ontwikkelde methode juist als creatief bestempeld werd. Ik heb tijdens de handwerklessen op de lagere school ook nog eens geleerd, hoe groot het verschil was tussen de aan te leren vaardigheden voor jongens en meisjes. Die prikpen is bij het mannelijk deel überhaupt nooit geoefend, geloof ik.

Al tijdens mijn laatste officiële werkdagen merkte ik een verandering in de omgang tussen mannen en vrouwen op de werkvloer. Een ontwikkeling die ik in Dordrecht al zag ontstaan (wij hebben het dan over 2005) en waarbij ook vrouwen zelf eensgezind vonden dat de emancipatie voltooid was. Ik was daar toen al niet van overtuigd en ben dat nu helemaal niet meer. Niet dat ik vind dat vrouwen voorrang moeten krijgen of dat er quota ingesteld moeten worden. Helemaal niet, maar ik had liever gezien dat de concurrentie van vrouwen gewaardeerd en geaccepteeerd zou worden en dat hun overwicht in het onderwijs zou resulteren in gelijkaardig werk voor natuurlijk liefst hetzelfde loon. Vrouwen blijven maar als versiering in elke organisatie rondlopen en voor hun baasjes de hete aardappelen uit het vuur halen tegen dumpprijzen. Wat een debâcle eigenlijk.

Gelukkig zijn er steeds meer dames die gewoon in de concurrentie-modus gaan staan en laten zien wat ze geleerd hebben en wat ze kunnen, zonder zich voortdurend klein te maken en te verontschuldigen. Wel toevallig dat direct met de toegenomen emancipatie, plotseling het hebben van diploma’s minder belangrijk werd geacht en dat nu het halen van diploma’s überhaupt een soort topsport geworden. Ik weet nu uit ervaring dat de concurrentiestand ook niet helpt en zo lang duurt als je geen kinderen hebt, mantelzorg verricht of ten onder gaat aan fysieke en psychische problemen waarvoor mannelijke oplossingen geboden worden in therapie en medicatievormen. Na jaren tobben hoor je als vrouw dat er eigenlijk helemaal geen kennis was over vrouwelijke psyche en fysieke gesteldheid en dat medicaties daar nu eenmaal niet op zijn afgestemd. Wij werden en worden als ‘kleine’ mannetjes behandeld. En dat met mijn fysiek. Overigens is het hebben van een partner die wel kiest voor actief huisvaderschap en zorgtagen ook geen garantie voor succes, want die krijgt te maken met een mannelijke uitsluitingsmechanismen. Dat wil je ook niemand aandoen.

Maar goed, genoeg kattengejank. Die emancipatie is dus niet gelukt en nu zitten ook de mannen met de gebakken peren. Want dat is zeker, doordat zij de ontwikkelingen niet hebben kunnen bijhouden en niet op tijd de bakens hebben kunnen verzetten, heeft ook deze niet te verwaarlozen groep een probleem. Want hoe ga je met die toegenomen concurrentie van de dames om? Zelfs als zij fysiek al niet meer tot de te domineren sekse behoren? Je gaat dan naar het verleden kijken en zoekt een stijl die op dit moment bij je gevoel van verdwenen eigenwaarde en onmacht past. De hausse aan voorbeelden is echt groot, maar het meest opvallend is de mannenmode waarin de ‘peaky blinders’ stijl en de barbershop weer teruggekomen zijn uit jaren van inktzwarte depressie, sociale ongelijkheid en de grootste vorm van milieuvervuiling in de directe woonomgeving. De stijl wordt als tegenhanger gepresenteerd van de officiële stijl van de elite, die natuurlijk de oorzaak is van alle ellende. Mannelijke stijl als uiting van superioriteit, afkeer van abstractie, moderniteit en atonale muziek en vooral van intersexualiteit. Homo-erotiek als uiting van hiërarchie en bepaling van gedragsregels. Eigenwaan en zelfverheerlijking in verkeerd begrepen stijlen en beelden doordrenkt van een sentimentele grootvaderromantiek.

In deze lijn is de belangstelling voor het Nazi-design goed te plaatsen. Martiale museumdirecteuren die als gemankeerde kunstpausen verdachte stijlen op basis van esthetiek de wereld inslingeren, zonder de context te presenteren. Nee, ik ben niet naar de beruchte tentoonstelling gegaan en had ook al niet de eerste officiële herdruk van ‘Mein Kampf’ in de kast gezet. Ik ga dat alsnog niet doen. Als kunsthistoricus weet ik dat de beeldtaal van de Nazi’s en die van de communisten en socialisten, Maoisten en katholieken niet zo heel veel van elkaar verschilt en dat herken je vooral aan de manier waarop de vrouw wordt uitgebeeld en het mannelijk lijden wordt gesublimeerd. Zie je het geijkte vrouwbeeld, dan weet je hoe de vlag erbij hangt en moet je, als vrouw dan, wat voorzichtiger worden in het blindelings volgen van nieuwe trends. Niet vallen voor die ongemakkelijke lange rokken met dito schoenen, ingesnoerde tailles en openhangende blouses met kanten dessous; strakke jurkjes waar je van lieverlee je mobieltje tussen je tieten moet stoppen, omdat er geen zakken in zitten of kiezen voor het altijd in de weg hangende, lullige schoudertasje. En dan moet je natuurlijk ook nog om de trein te halen, die hakjes ergens instoppen zodat je op hippe sneakers voor het fluitsignaal naar binnen kunt hippen en voor je baas op tijd op hakjes kunt inklokken, terwijl je dure deodorant toch niet helemaal de inspanningen kan verdoezelen, die je ook nog eens met een overdaad aan parfum voorhands hebt proberen te voorkomen. Dat betekent weer een ‘mummy-bag’ van de grootste categorie meeslepen, met alles erin om op de werkvloer je mannetje te kunnen. Want werken is topsport geworden, zeker voor vrouwen. 

De behoefte aan een eigen mannenwereld is natuurlijk begrijpelijk en zeker niet af te wijzen. Het is fijn dat een sekse zijn dynamiek kan uitleven in sport en spel en kan experimenteren met andere uiterlijkheden, die een goed gevoel geven en waarvoor de dames ook nog vallen. Ik geef toe die jeans worden zo langzamerhand wel heel vervelend. Maar het is jammer dat blijkbaar het verdriet over deze verloren gegane mannenwereld niet opgelost kan worden door een nieuw mensbeeld waarin vrouwen en mannen gelijkwaardig zijn, waarin wij gewoon als normale mensen met onze normale eigenaardigheden met elkaar kunnen samenwerken en het gesjans en charmeren in werksituaties achterwege kunnen laten om machtsposities niet te hoeven innemen, die resultaten frustreren. Ik zou liever een vrolijke, vrijetijdswereld willen scheppen zonder religieuze uitingen op straat, waarin iedereen met een basisinkomen zijn of haar eigen talenten zou kunnen ontplooien en al dan niet een zinnige bijdrage zou kunnen leveren aan het samenleven op zich, alleen al door het bezig zijn. Gezamenlijk de grote problemen aanpakken, waar wij allemaal mee te maken hebben en schuldig aan zijn in plaats van te vechten om ons dagelijks brood in een steeds gecompliceerder wordende samenleving met steeds meer uitvallers. Mannen zullen het wel overleven, maar het zijn de vrouwen, kinderen en bejaarden die – weer-  de dupe gaan worden, omdat zij zorgen en verzorgd worden. Wij hebben het design van de jaren dertig niet nodig om een mooie omgeving te creëren, wij hoeven er ook niet in opgevoed te worden en wij hadden dit moeten tegenhouden op het moment dat duidelijk werd dat niet het hele verhaal verteld zou worden. 

 

november 2019

Musica sacra 2019: de wreedheid van lege stoelen en ‘Loving our Neighbour’

Elk jaar kijk ik wel uit naar het programma van Musica sacra, omdat met de combinatie muziek, architectuur, kunst, religie en kennis mij wel aanspreekt. Ook het tijdstip waarop het spektakel plaatsvindt, midden september, is voor mij een veelbelovend moment in het jaar. Al was het alleen maar omdat er verjaardagen invallen. Dat brengt weer wel met zich mee dat ik niet alles kan volgen, maar dat kan uiteindelijk toch niet want de prijzen zijn niet gering, in verhouding dan natuurlijk, want de kwaliteit van het gebodene is altijd goed (althans van wat ik heb meegekregen in de afgelopen jaren). 

De dagdelen voor de officiële opening op donderdag werden gevuld door een intensief congres dat als titel droeg: ‘Music and religious exile Singing the Lord’s Song in a Strange Land’, naar aanleiding van Psalm 137.  Het werd gehouden in de Jan van Eyck-academie, een a-typische locatie in het festivalprogramma en duurde van 9.00 tot 18.15 uur. Eveneens een a-typische tijdspanne in de programering. Je moest je van te voren opgeven en ik denk dat de publiciteit wat mager is geweest, want ik kwam er door een actief bemiddelingsgebaar ook pas achter dat er een congres gehouden werd, waar ik erg blij van zou kunnen worden volgens de tipgever. Gelukkig was ik niet de enige, maar het moet gezegd, de uitstekende lezingen werden zeer matig bezocht en dat deed de sprekers geen recht. Allen geleerden van een zeer hoog niveau, die echt niet bij de Maastrichtse Studium Generale misstaan zouden hebben en misschien zelfs een maatje te groot zijn voor dit bijscholingsinstituut. Daarom is het onbegrijpelijk dat hier niet een actieve ronseling van toehoorders op losgelaten is door de organisatie. Zelf bedacht ik dat pas toen ik in de zaal zat, want eigenlijk wist ik tot op het moment van vertrek niet of ik wel zou gaan naar het congres, gezien andere zaken die mijn aandacht vroegen. Jammer, maar eerlijkheidshalve geef ik toe dat mijn netwerk in Maastricht niet geactiveerd had kunnen worden, want dat is er niet.

Inhoudelijk wil ik nog wel eens dieper op de lezingen ingaan in een ander verband, maar ik wil mij nu toch vooral concentreren op het debacle na afloop van de lezingen in het conservatorium. De lezingen werden de hele dag al afgewisseld door de muzikale interventies van heel hoog niveau, maar de dag zou afgesloten worden door indrukwekkende optredens van Shishani Vranckx & Friends (die wij natuurlijk allemaal kennen van ‘Vrije Geluiden’) en door niemand minder dan George Mathew van ‘Music for Life’ in New York, die ‘Beethoven for the  Rohingya’ in januari gedirigeerd had. Hij was al even aanwezig bij de eerste lezing, waar hij een behoorlijk relevante en corrigerende opmerking maakte op de alom verbreide opvatting dat IS als fenomeen uit de lucht is komen vallen en de grote golf van migraties heeft veroorzaakt, zonder dat de VS en Europa daar ook maar iets van schuld in hebben. Ik denk dat als Mathew die kanttekening niet geplaatst had, niemand dat had gedaan. Ik was met hele andere onderwerpen bezig en de ongenuanceerde inleiding ging langs mij heen, maar dat is geen excuus.

Maar goed het optreden van Namibisch- Belgisch Sishani trok geen mensen en Matthew had het helemaal maar te doen met alleen een hele lege zaal, waarbij ook nog eens de installatie niet goed geïnstalleerd was. Beide optredens waren buitenbeentjes in de programmering en dat leidt bij mij tot de voorzichtige conclusie dat er een andere wind is gaan waaien in het festival. Een wind die reactionair is en vooral blaast in de richting van de bekende christelijke muziektradities zoals het Gregoriaans en de Barok alles uitgevoerd door blanke musicien uit de katholieke, conservatieve hoek komt. Werkelijk de enig andere gekleurde hoofdpersoon in het programma was Aretha Franklin in de film ‘Amazing Grace’. In een koor zag ik nog een gekleurde medemens voorbij komen. Nu let ik daar helemaal niet op, maar het is nu achteraf redenerend opvallend dat juist deze twee optredens geen publiek getrokken hebben, zelfs de organisatie van wie toch de hele dag iemand aanwezig was bij het congres liet verstek gaan. De lunch was nochthans erg goed, dus de honger kan het niet zijn geweest. Onbegrijpelijk en beschamend.

Die reactionaire wind waait niet alleen door dit festival, maar ook door het cultureel kerkelijk erfgoedwereldje. De minister heeft een gigantisch bedrag voor het behoud van leegstaande kerken uitgetrokken omdat zij zo graag in alle stilte een kaarsje wil kunnen opsteken en kunnen voelen tot welke traditie zij behoort, opgegroeid zonder duidelijke kaart blijkbaar. Ze heeft een heuse wandeling gemaakt langs kerken en zich laten onderdompelen in wat zij als haar identiteit en dus dat van het hele Nederlandse volk ziet, zo kunnen wij lezen in de NRC (de krant van de nuance?). Het is niet nodig om heel veel woorden aan deze onzin te wijden, maar het is duidelijk dat de minister geadviseerd wordt door mensen die hun boterham verdienen aan godsdienst en kerkelijk erfgoed. Daar is niets mis mee: ik ben er ook dagelijks mee bezig en als ik hiervoor betaald zou kunnen worden, dan zou mij dat heel dierbaar zijn, maar hier zijn mensen aan het werk die een ander verhaal willen schrijven dan alleen een wetenschappelijk en onbevooroordeeld betoog. Zij willen de toekomst van Nederland laten bepalen door erfgoed dat geen functie meer heeft en het kost wat het kost vasthouden. Een levende kerk heeft een levendig gemeenschapsleven en dat hangt niet af van bestaande kerkgebouwen die op instorten staan. Als de minister zich zou verdiepen in wat een neogotische kerk bijvoorbeeld aan boodschappen kan uitdragen, die echt niet meer passen in deze tijd dan zou zij zich nog eens achter de oren krabben. Behalve religieus anti-semitisme, rassicisme en anti-feminisme, was er ook nog eens sprake van een schrijnend standsverschil en sociale ongelijkheid in deze, door haar zo gevenereerde gebouwen. En laten wij wel wezen, ik kan alleen voor de katholieke kerk spreken, is er nu zoveel veranderd eigenlijk? De kerk is niet democratisch geworden, de kerk is nog steeds een bolwerk van gender-ongelijkheid en wordt nog steeds geleid door witte oude mannen. Wil de minister ons deze identiteit opleggen? Ik denk toch van niet: ze is echt onkundig en  haar wordt een rad voor ogen gedraaid.

Natuurlijk is het kerkelijk erfgoed ongeacht gezindte heel belangrijk en is er geld nodig om het te inventariseren, selecteren en deels te behouden, maar zoveel? Waarom wordt de draai niet gemaakt naar een modern geloof, weg van het sektarische, met een daarbij behorende architectuur en beeldtaal? Waarom wordt dat niet ontwikkeld en grijpen wij alleen terug op die zwaar beladen emotionele beeldtaal van de kruisweg, die al in de tijd van ontstaan ter discussie stond? Waarom laten wij onze democratie, zo makkelijk vallen uit angst voor de toekomst die wij toch moeten vullen met samenleven met andere religies en culturen, of wij nu willen of niet?

Het reactionaire komt naar boven bij een groep oudere, welgestelde blanke Nederlanders die een sentimentele hang naar hun religieus verleden hebben. Ik kwam ze tegen bij een oude film van Tarkovski over Andrej Roeblov uit 1966, ze bleven na afloop zitten overdonderd door de film, alsof ze het ultieme van onze beschaving uitgelegd kregen. Hallo: de film is fossiel en schetst een opvatting van het beeld van de middeleeuwen in de jaren zestig van de vorige eeuw in Sovjet-Unie! De Sovjet cultuupolitiek druipt er vanaf. Deze mensen zijn vergeten dat het in de jaren vijftig en zestig echt allemaal niet zo gezellig was binnen de verschillende zuilen in Nederland, laat staan dat er communicatie was tussen de zuilen. Het applaus dat klinkt na de optredens van Armacord en de Schola Maastricht is welverdiend, daar niet van, maar het had moeten klinken in het conservertorium bij ‘Beethoven and Loving our Neighbour’ van George Matthew en Mark Kuss. Dit optreden was het echte hoogtepunt van het festival en ik was ongelooflijk onder de indruk van de kracht en inzet van deze topmusici, die voor wrede lege stoelen optraden en voordurende herhaalden dat geweld, geweld voortbrengt en Beethoven dat zo goed uitgelegd heeft in zijn ‘Egmond’. Een muziekstuk waar ik mee ben doodgegooid vroeger, maar dat ik nooit zo beluisterd had en nu niet meer op een andere manier kan horen. 

Ik schaam mij voor dit festival, voor de mensen die dit gratis programma-onderdeel aan zich hebben voorbij laten gaan, voor hen die ‘in functie’ waren en er geen aandacht aan besteed hebben terwijl ze wisten dat de mensen zich niet hadden opgegeven. Ik heb de bobo-lijst doorgenomen en de lijst met subsidiegevers en snap het nu wel. Ik hoop dat de niet-westerse interpretaties van ‘onze’ muziek en de moderne muziek van onze rijke samenleving mag blijven doorklinken, anders mag van mij dit subsidiebedrag, samen met dat voor het behoud van het kerkelijk erfgoed op een hoop gegooid worden en besteed mogen gaan worden aan het uitvinden van een identiteit die verbinding brengt en geen verwijdering. Hoe was de titel ook al weer van het door iedereen gemiste programmaonderdeel? ‘Loving our Neighbour’. 

september 2019

Uit de reeks : ‘En hier reden wij toen verkeerd’ (voorjaar 2019)

Le musée malgré tout

 

Ondanks alles een museum

willen stichten voor een ander,

maar vooral voor jezelf.

 

Ondanks alles een monument

willen oprichten voor een kind,

maar vooral voor jezelf.

 

Een museum, slechts een nieuw dak

boven een verzameling of

collectie van opa.

 

Niet jouw oude troep, lieu-de-

mémoire voor de overwinning

in een verloren oorlog.

 

Allemaal musea en mo-

numenten van verloren

zelfbehoud voor een ander.

 

Eigenlijk alleen voor jezelf,

monument van de ondergang,

slechts un musée malgré tout.

 

DSC_4517 (2)

augustus 2019

Alte Männer sind Kriegstreiber

De film ‘Sarajevo’ op Netflix biedt een mooi inkijkje in het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog, waarbij het toeval van de aanslag door Prinzip onderuit gehaald wordt. Het blijft waarschijnlijk tot in lengte van dagen onzeker hoe het precies gegaan is, maar het is bewonderenswaard dat de historici achter deze film zo gedegen te werk zijn gegaan om een ander scenario op te voeren dat goed aansluit bij de meer recente opvattingen over het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog.

Maar die aanslag vond ik zelf niet het meest interessant. De manier waarop de hoofdpersoon geconfronteerd wordt met de hoge officieren die òf de gang van zaken van te voren al hadden voorbereid, zoals de film suggereert, òf direct gebruik maakten van de mogelijkheden die de moord hen gaf vond ik een ‘eye-opener’.  Een jonge idealistische man, een jood, die daar blijkbaar voor het eerst in zijn leven direct mee geconfronteerd werd in negatieve zin tegenover een roedeltje oude mannen dat de loop van de geschiedenis wil gaan bepalen en daarin nog slaagt ook.

Hoe komt dit beeld overeen met het boek waar ik al eerder over schreef van Christopher Clark en waarin de invloed van oude mannen (en hun jongere geliefden) op het verlangen naar strijd van hun (klein) zoons onder woorden gebracht wordt. De eer van je grootvader verdedigen of je grootvader wreken is blijkbaar een emotionele drijfveer voor veel jonge mannen.

In mijn onderzoek naar de beeldtaal van de kerkelijke kunst in de negentiende eeuw komt een opvallend motief telkens terug. Dat is dat van God de Vader, die als oude man, soms lijdend soms mild, met het lijk van zijn zoon of het gekruisigde lichaam voor zich afgebeeld wordt. Het is een motief dat terugkomt in tijden waarin katholieken zich emanciperen en politiek actief worden. Het is een typisch masculien beeld, dat vermoedelijk veel mannen harten in vuur en vlam zal zetten en Dürer heeft hierin zeker een hoogtepunt bereikt.

Het belang en de invloed van oude mannen was in de antieke wereld al groot, immers alleen mannen uit de hoogste laag van de bevolking  van boven de 50 of 60 mochten meedoen in het bestuur van de polis en waren verantwoordelijk voor de politiek van hun stad. Hun zoons en kleinzoons mochten zich in gymnasia vooral bezig houden met lichaamsoefening en daarbuiten met het produceren van nageslacht. Niet voor niets zijn de epen van de klassieken vol oorlogen en strijd: geen wonder dat er geen eind lijkt te komen aan de Trojaanse oorlogen.

Blijkbaar is dit patriarchale beeld ingesleten, want ik kom in mijn onderzoek en gang door universiteiten opvallend veel oudere mannen tegen op dit vakgebied die aanschurken tegen oer-conservatieve overtuigingen en restauratiegedachten koesteren van het ‘altaar’ in de samenleving. Natuurlijk in combinatie met de ‘troon’. (Wat die troon betreft: wordt het niet eens een tijd om die neogotische troon van Willem Alexander van Cuypers eens te gaan vervangen door een meer eigentijds ontwerp? Nu wij toch bezig zijn in die hoek. Ik vind echt dat deze storend veel op de cathedra van de bisschoppen lijkt in de katholieke kerken. Je hoeft niet de hele ridderzaal te veranderen: maar gewoon eens wat accenten verleggen. Meegaan met de tijd: modern koningschap enzovoort).

Deze mannen lijken zich te verenigen in ‘de Orde van den Prince’ en zich, doordat inmiddels analfabetisme toch een heel eind weggewerkt is, richten op het herstel van culturele waarden en behoud van gelijkaardig cultureel erfgoed. Een grensoverschrijdend samenwerkingsverband van, zo benadrukte een sympathiek lid mij, oude, hele lieve mensen, onder wie opvallend veel grootvaders. Maar er zijn meer van die genootschappen waarin onze cultuurhoeders zich verenigen en vooral de subsidiestromen beheersen.

Behalve de oververtegenwoordiging van oude mannen in mijn onderzoeksveld is er ook een uit balans geraakte oververtegenwoordiging van oude mannen in de politiek wereldwijd. Enkelen van hen swaffelen tegen dictatoriale opvattingen aan en in hun kielzog komen de kloontjes weer naar boven. Ik vind dit toch op zijn minst zorgwekkend, zo nog meer afstotend, vooral gezien de massale aanhang van vrouwen die achter hen staat (die ‘Trump-train’ bijvoorbeeld). Ach ja, die vrouwenziel ook. Ik ben heus niet zo’n feminist hoor.

Ik denk wel eens, al die afbeeldingen op een rijtje zettend van God de Vader, of het niet eens tijd zou worden voor een nieuw godsbeeld (en dus een nieuwe troon). Gewoon moeder aarde of de zon met een leuke jurk aan en een kroon op haar hoofd of, zoals de iconoclastische christenen doen, alle afbeeldingen verwijderen en alleen met het woord verder gaan. Bij dat laatste verliezen zoveel kunstenaars, architecten, ambachtslieden en niet te vergeten kunsthistorici hun werk. Dat is ook niet aardig.

‘Alte Götter sind Rächer’, is misschien een variant op de oude man als oorlogszuchtig mens, die al schrijvend bij mij op komt. Maar dan zitten wij meer op de lijn van Thor en komen helemaal in de verkeerde hoek terecht, al hoewel de katholieken wel degelijk de noodzaak voelden zich te wreken op datgeen hen was aangedaan en nog steeds werd aangedaan. Geschiedvervalsing is wel het minst kwalijke effect hiervan.  Al zal het woord wraak niet officieel in de mond genomen zijn, maar eerder verdediging. Maar van wat en tegen wat? En misdaden van erfvijanden van de katholieken werden toch wel heel makkelijk uit de duim gezogen. Een aangedikt lijden uit het verleden roept gevoelens van vergelding op niet van vergeving, zeker in beeldtaal.

Ik vond de samenleving toch een heel stuk prettiger toen de VUT nog bestond en opa’s vooral gingen vissen of duiven melken met hun kleinzoons en zich niet bezig hielden met het op zijn minst verdedigen van hun beschaving, want is die wel zo beschaafd? Die beschaving van oude mannen en hun god?

 

 

 

juli 2019

‘Tous les matins du monde’ en opnieuw de S. Didier in Asfeld

Het merkwaardige kerkje in de vorm van een viola da gamba laat mij niet los. Tijdens het opruimen van de cd- kast kwam ik de cd tegen met de filmmuziek van ‘Tous les matins du monde’ uit 1991 gewijd aan het leven van de toentertijd befaamde gambist Jean de Sainte Colombe (ong. 1640 – ong. 1700). Behalve dat zijn levensdata niet duidelijk zijn, is ook zijn voornaam Jean onzeker. Monsieur de Sainte Colombe en zijn twee dochters Brigide en Francoise speelden samen de viola da gamba en hij gaf ook onderricht aan onder meer Marin Marais (1656-1728). Deze componeerde in 1701 zijn ‘Tombeau pour Monsieur de Sainte Colombe’ als eerbetoon en oogstte er aan het hof van de Zonnekoning veel succes mee.

De net uitgekomen film bezochten wij indertijd in Parijs toen wij op kennismakingsbezoek gingen bij het echtpaar waar ik drie maanden in een tuinhuisje zou verblijven tijdens een internationale stage. Ik vond het geweldig en de tintelingen van spanning en uitdaging gierden door mijn lijf. Alles was Frans in mij, boven en onder mij en Parijs zou mijn toekomst worden. Ik had namelijk helemaal geen zin om daarna weer terug naar Assen te moeten. De film was natuurlijk Frans en niet ondertiteld en een enkele nuance in het gesprokene ontging mij wel, maar het muzikale verhaal maakte veel goed. De muziek hebben wij altijd beluisterd als we heimwee hadden naar Parijs en de dagen een beetje zat waren.

Terug naar Monsieur de Sainte Colombe die in ieder geval een hele succesvolle leerling gehad heeft in de persoon van Marin. Hij gaf ook les in Parijs en zal daar waarschijnlijk ook gewoond hebben. Dat hij niet een passieve muziekbeoefenaar was, blijkt wel uit het feit dat hij de viola da gamba verrijkte met een zevende snaar waardoor de klank een vollere omvang kreeg.

Hij zou mij niets verbazen dat de bouwheer van de kerk, Monsieur de Sainte Colombe en diens leerling Marin Marais goed gekend heeft. Misschien heeft De Sainte Colombe wel met zijn dochters opgetreden in de kerk.  Misschien is het wel de eerste kerk die ook als concertzaal gebruikt werd naast de mis. Was ik dat al eens tegengekomen? Ik geloof het niet. Een kerk die én voor de eredienst én voor concerten gebruikt werd in de 18e eeuw lijkt mij vrij uniek, maar ik weet natuurlijk niet precies hoe de liturgie zal zijn geweest. Misschien werd de muziek er gewoon ingeweven.

Wat zou ik graag eens willen kijken of er nog archieven zijn die hierover méér kunnen onthullen, want het is merkwaardig dat er zó weinig bekend is over De Sainte Colombe. Ik ben nu echt de dagen zat hier, gelukkig heb ik de cd weer gevonden.

juni 2019

De staf van de heilige Didier

Nog wat na filosoferend over het verhaal van de kerk in de vorm van een viola da gamba gewijd aan de H. Didier, kreeg ik tijdens een boswandeling het beeld voor ogen van het godsgericht dat de H. Didier had met de rebelse bisschop ergens voorbij de Vogezen in Noordelijke richting gehad heeft. Op een open plek in het bos lieten zij een vuur aanleggen en het was de bedoeling dat ieder zijn staf in het vuur zou gooien om daarna te zien welke zou verbranden en welke niet. De uitkomst is duidelijk, je bent een heilige of je bent het niet. Didier mocht een ongeschonden staf uit het smeulende vuur rapen. En zo wandelend onder het zonnelicht lekkende bladerdak bedacht ik mij dat die staf natuurlijk een symbool was voor de strijkstok van de viola da gamba. De Franse katholieke zeloten in de Parijse Salon hadden met z’n allen heel hard nagedacht over welke heilige nu het meest in aanmerking zou kunnen komen voor hun meest moderne, muzikale bouwwerk en ja hoor, daar had je Didier. Een viola da gamba is namelijk geen gitaar.

Ik ga het Martinuskapelletje in de Vogezen nog eens bezoeken, waar Didier zo naar aan zijn eind gekomen is op de terugweg van het godsoordeel. Hij ligt er begraven en weet vast niet dat zijn staf ook als strijkstok gebruikt werd in later tijden. Symbolisch dan.

juni 2019

Op zoek naar verloren vliegvelden en een kerk in de vorm van een viola da gamba

DSC_4696

Als de dag alleen maar bestaan had uit het bezoeken van onzichtbare vliegveldjes uit de Eerste Wereldoorlog en daartussen gestrooide dodenakkers had ik het ook wel goed gevonden, maar manlief vond het toch wat al te martiaal worden. Daarom kwam het goed uit dat in het gebied waar de vliegveldjes ooit gelegen hebben, de kerkhoven netjes aangeharkt en opgeknapt als gevolg van het eeuwjubileum er ook een merkwaardige kerk gelegen was in een plaatsje met naam Asfeld.

De zoektocht naar de vliegvelden uit de Eerste Wereldoorlog op de vlakke akkers rondom plaatsjes als Juniville, ook bekend van de ‘route Rimbaud-Verlaine’ had uiteindelijk niet meer dan een indruk gegeven van de ruimtelijkheid waarin de eerste oorlogmachientjes het blauwe luchtruim kozen vanaf 1916. Het kasteel dat er geweest moet zijn, bleek veranderd in een moderne woonwijk in aanbouw en van het complex stond alleen nog een vuilgele stenen muur. Veel romantisch was hier niet meer te ontdekken. De gedetailleerde studie die geliefde van de situatie gemaakt had, was gebaseerd op een uitgebreide studie vorig jaar gekocht in de boekhandel van Charleville-Mezières, natuurlijk vernoemd naar Rimbaud. Een amateurhistoricus had een huzarenstukje verricht met deze studie: steeds vaker val je als onderzoeker van welk formaat dan ook terug op werk van zogenaamde amateurhistorici. Mensen die vanuit een bepaalde, lokale of regionale optiek een onderwerp uitspitten en alles boven de grond weten te krijgen. Ze hoeven zich niet druk te maken over wetenschappelijke methoden en theoretische inkadering. Maar al te vaak worden deze studies geplunderd door minder met tijd en inzet begenadigde intellectuelen.

Ik moet wel eerlijk zeggen  dat de fascinatie voor de vliegerij in de Eerste Wereldoorlog mij niet erg gegeven is, maar ik vind het leuk om mee te gaan in een ongeschreven jongensboek. Ik ben er mee getrouwd zal ik maar zeggen. Was dat niet zo, was het een imaginaire novelle of achterhaald sonnet dan was ik vermoedelijk al lang uitgelezen.

DSC_4717 (2)

Van de twee kerkhoven was één erg indrukwekkend. Uitgerekte rijen met christelijke en enkele joodse en islamitische graftekens en een massagraf waar alle ongeïdentificeerde knekels ingekieperd waren. Gelukkig was er een monument geplaatst en één van de weinige expressionistische overigens. Ach, elke stijl maakt indruk op zo’n veld.

DSC_4716 (2)

Aan de kerk wil ik wat meer aandacht besteden. Het is zo’n merkwaardig bouwwerk dat je even twijfelt of je het serieus moet nemen. Het ligt in een onooglijk Frans dorpje op een groot en kaal plein, dat vermoedelijk oorspronkelijk behoord heeft bij een kazerne op militaire opleidingsschool. Té groot voor de toch voornamelijk boerenbevolking. De geknotte wilgen in kale kledij gaven het plein iets dreigends en de wolkenluchten, waaruit af en toe een nat bombardement viel, verhoogden de sfeer.

DSC_4698

 

Met een ingehouden adem liep ik naar het gebouw. Manlief stond er voor om het tekstbord te lezen. Ik vond het zo’n vreemd bouwsel, dat ik echt geen idee had hoe ik dit moest plaatsen. Gelukkig bracht het bij de ingang aangebrachte bord en een aardig gestencild blaadje wat méér informatie.

DSC_4697 (2)

Het bouwwerk werd gebouwd in opdracht van de burgemeester Jean Jacques de Mesmes, graaf van Avaux (1640-1688) die de Vredes van Nijmegen in 1679 had mede mogen ondertekenen, die onder meer een einde maakte van de oorlog van de Republiek met Frankrijk die culmineerde in bijvoorbeeld het beleg van Maastricht. Ter ere van die eer liet hij in 168o deze kerk bouwen. Hij vroeg de Dominicaner bouwheer Francois Romain (1647-1735) om een kerk te bouwen in de vernieuwende stijl van de barok met een muzikale twist. De vorm van viola da gamba moest terug te zien in het ontwerp en in de uiteindelijke uitvoering zodat de muziek en de zang nog beter naar de hemel zouden kunnen opstijgen. De kerk werd opgedragen aan S. Didier van Rennes die in conflict kwam met een ketterse bisschop in Straatsburg en door een godsgericht de strijd won. Op de terugweg door de Vogezen werd zijn gezelschap overvallen en vond hij de dood. Niet helemaal duidelijk is wat de relatie met Asfeld en de bouwheer zou kunnen zijn.

DSC_4703

Een aardig weetje over de architect is, dat hij eerder de Servaasbrug in Maastricht gebouwd had in 1684 en dat hij zijn toekomstige opdrachtgever vermoedelijk ook in die stad heeft ontmoet. Zijn ervaring kon hij gebruiken om de Pont Royal in Parijs aan te leggen en opzichter te worden van de wegen en bruggen in het arrondissement Parijs.

De bouwheer was een erudiet man, een man der letteren die een grote bibliotheek bezat en studiereizen maakte. Hij was lid van de Franse Académie en kon zich bewegen in de hoogste Franse kringen. Hij was ceremoniemeester van de meest prestigieuze kerkelijke ridderorde van Frankrijk, de ‘Ordre du Chevaliers de Saint Esprit’.

Het gebouw bestaat uit drie delen, een peristyl omgeven door een colonnade met een dak, een campanile met een klokkestoel en een rotonde die de romeinse bouwkunst moest verbeelden. Ik waande mij weer even in de collegebanken bij mevr. dr. Isings om de architectuur en bouwstijlen uit de klassieken uitgelegd te krijgen. Mooie colleges waren dat.

DSC_4707

Ik zal eerlijk zeggen dat de woordenschat mij ontbreekt om zonder verdere studie een goede beschrijving van het gebouw te geven, maar de gebogen lijnen worden voortgezet in de kappelletjes die een kleine galerij vormen van mindere hoogte. Elke kapel heeft een absidiool, mooi woord voor een klein koor. Volgens het informatiebord telt de kerk 138 pilaren en heeft het een lengte van bijna 45 meter en een omtrek van 145 meter. Het geheel is opgetrokken uit baksteen, dat de vervreemding verder verhoogt. Je verwacht eerder een wit gepleisterd gebouw.

Rond 1900 werd de kerk verrijkt met een orgel van de fameuze orgelbouwer Clovis Renault, waardoor de muzikale lading  werd versterkt werd. De schilder Rostislas Loukine (1904-1988)  schonk een icoon aan de kerk voorstellende Maria met de apostelen Petrus en Paulus. Deze in de entourage van Nicolas de Staël opgeleide kunstenaar, vervaardigde iconen naar voorbeelden uit zijn moederland en naar eigen inventie. Hij illustreerde ook de fabels van La Fontaine. Zijn werk is vooral bekend in de streek Aube. Ik heb deze kennis achteraf gegeneerd overigens, anders had ik wel een plaatje geschoten van het icoon. Ik ben niet echt gegrepen door deze schilderkunst eigenlijk. Het schijnt heel rustgevend te zijn, ze te maken.

Blijft natuurlijk de vraag hoe de bouwheer op het idee kwam om een violo da gamba als uitgangspunt te nemen voor zijn kerk. In ieder geval is bekend dat de kerk ook een inlossing van een belofte was aan de aartsbisschop van Reims, kardinaal Le Tellier, een broer van één van de rechterhanden van de zonnekoning, Francois-Michel le Tellier (1641-1691) waarbij de toegankelijkheid van het hele construct een voorwaarde was. De invloed van de Italiaans barok is natuurlijk evident, maar dat er géén enkele rechte lijn in het geheel te ontdekken valt is wel opvallend. Ook aan de binnenzijde niet. Aardig is de tweede zuilenrij die de rotonde omgord en waarover een licht valt door ramen, een soort triforium.

Het vrij moderne altaar van E. Romagny is best aardig en laat eveneens geen enkele rechte lijn zien.

DSC_4701      DSC_4702

De poëzie, eerder dan de muzikaliteit van het gebouw zou in de richting kunnen wijzen van de kring rondom Mme. De Sévigné, die één van de belangrijkste salons hield in Parijs.  Eén lid van de familie De Mesmes was aangetrouwd en kind aan huis in Hôtel de Rambouillet van Marie Rabutin-Chantal (1626-1696). Zij werd vooral bekend voor haar lange correspondentie met haar dochter en de eer die Proust haar bewees door haar schrijfstijl te prijzen. Je kunt je voorstellen dat in een select gezelschap de bouwheer en de kardinaal met haar gesproken hebben over de bouwopdracht dat onder genot van het spel op een viola da gamba het idee voor een analoge vorm bedacht werd. Je ziet de heren met hun bepoederde pruiken al enthousiast worden en de dames in hun jurken met queu’s beschaafd lachen achter hun hand. De muziek van Lully komt bij mij naar boven.

Misschien is maar goed dat dit idee geen trend geworden is in de 17e eeuw. Kerken in de vorm van een piano, fluit of hoorn, dat voert toch wat te ver. Niettemin is de kerk elke twee jaar een orkestzaal voor concerten met, inderdaad, de viola da gamba als hoofdingrediënt.

Informatie o.a. ontleend aan G. Tramuset, l ‘extraordinaire église d’Asfeld, s.l., s.a., s.n.

 

juni 2019

‘Musée Franco-Américain du Château de Blérancourt‘ : een steengoed museum

Portret van Vicomtesse de Poillüe de Saint-Périer door John Singer Sargent, 1883, olieverf op doek. Collectie musée d'Orsay

Portret van Vicomtesse de Poillüe de Saint-Périer door John Singer Sargent, 1883, olieverf op doek. Collectie musée d’Orsay

Avontuurlijke vakanties draaien om het nemen van initiatief. Als je eenmaal uit je luie tuinstoel bent opgestaan om iets te ondernemen dan volgt er bij sommige mensen vanzelf een volgende episode in het vakantieverhaal. Een soort ‘bingewatchen’, maar dan anders. Ons bevalt dat prima, al kwamen wij in het verleden soms doodmoe thuis van vakanties en hadden wij geen tijd om al de informatie die wij verzameld hadden te bekijken, vast te leggen en te verwerken. Een voormalige leidinggevende wees mij er eens op dat de werkgever werknemers vakantie gunt om uit te rusten. Ik ben nooit een goede werknemer geweest. Vakantie met kinderen is sowieso een heel ander verhaal, maar het ritme van ontdekken, van het een naar het ander gaan was in ons gezin een ingebakken patroon. Waren de kinderen grote mensen of de grote mensen kinderen? Ik denk het laatste. Met een derde vakantie in de Thièrache hebben wij echter het patroon enigszins weten te doorbreken, doordat wij op bekend terrein komen al drie jaar achter elkaar. Vooral vanwege de prettige locatie waar wij kunnen verblijven, het natuurhuisje van Tim en Ber. Ik kan dit optrekje iedereen aanraden en verwijs dan ook naar het tabje Links van deze site.

DSC_0400

De excursie naar het museum van Jeanne d’Aboville waar ik eerder over schreef, leidde tot een tweede ontdekkingstocht naar een heel ander soort museum dat aan de kant van de autoroute aangegeven werd met een groot bord, maar achteraf gezien met toch weer een aardige overeenkomst. Met dit soort aanwijzingen moet je altijd oppassen in Frankrijk en vooral niet spontaan de eerst volgende afslag nemen om naar de betreffende bezienswaardigheid te reizen want, ten eerste kan de locatie nog kilometers ver weg liggen en heb je net de benzinetank gemist en ten tweede kan het voorkomen dat het bord aan de autoroute de enige verwijzing was en dat je de rest van het traject maar moet gissen, als je geen Gis of kaart bij de hand hebt dan. Op reis naar Jeanne zagen wij dus de vermelding van ‘musée Franco-Américain du Château de Blérancourt’ en ik sloeg deze in mijn geheugen op, waar al wel belletjes aan het rinkelen gegaan waren. Het weer werkte in mijn voordeel, want het was nog een paar dagen regenachtig en manlief gaf zich tenslotte gewonnen om naar dit museum te gaan. Hij is niet zo gecharmeerd van Amerika en laat het liefst alles wat maar een beetje verwijst naar McDonald’s, Big American Pizza en cola links liggen. Sinds ‘Trumpie’ is het er niet beter op geworden en vindt hij het vooral een land van idioten. Laat nou net hij degene zijn die uiteindelijk het meest genoten heeft van de tentoongestelde objecten als kenner van de luchtvaartgeschiedenis in de Eerste Wereldoorlog. Maar daarover straks meer.

Lafyette op zijn doodsbed door Ary Scheffer, olieverf op doek, 1834

Lafayette op zijn doodsbed door Ary Scheffer, olieverf op doek, 1834

Voor mij was het juist intrigerend om méér te weten te komen over de Amerikaanse Vrijheidsoorlog en de rol van de Fransen met daarin Marquis de la Fayette (1757-1834) op de voorgrond. Ik heb daar helemaal niet zoveel weet van en het is ook nooit op mijn weg gekomen om deze lacune in mijn kennis op te vullen, maar ik wist wel dat er erg veel plaatsen en plaatsjes in de USA de naam van de beroemde markies dragen. Ik plaats tegenwoordig ook alles tegen de achtergrond van het ultramontanisme binnen de 19e eeuwse katholieke kerk en hoopte ook iets meer te weten te komen over de beïnvloeding vanuit die hoek. Die koepel van het Capitol is toch wel heel rooms eigenlijk. Maar ik moest toegeven dat ik niet precies kon vertellen wat wij te zien zouden krijgen, want erg veel informatie over dit museum wordt er niet verspreid via de plaatselijke ‘bureaux de tourisme’. De internetbundel van mijn iPhone was inmiddels op dus ook via de digitale snelweg kon ik niet veel naders leren.

Bij het verlaten van de autoroute werd al snel duidelijk dat de wegwijzers naar het museum nog uitgevonden moesten worden, maar daar waren wij op voorbereid. Wij hadden een lijstje met plaatsnamen in de juiste volgorde en die werkten wij netjes af. Zelfs tot, bij nader inzien nog maar een halve kilometer van het museum wordt er niets aangegeven, waardoor wij toch verkeerd gereden waren. Ik begrijp na het bezoek ook wel waarom: er komt geen hond. Het is hier natuurlijk een kip of het ei verhaal. Wij hadden de parkeerplaats, de tuinen en het kasteel helemaal voor onszelf. Ik meende zelfs dat de supposten schrokken van onze komst en prompt rechtop gingen zitten en staan toen ze levende zielen zagen naderen. Wat overigens ook miraculeus is bij het nemen van initiatieven tijdens wat mindere vakantiedagen is, dat wanneer je op bestemming komt het weer plotseling opklaart. Ook nu was dat het geval en het museum en haar aardige tuinen (zwaar overschat in de brochures overigens die ik achteraf doornam) begonnen te baden in een prachtig licht. Het licht van de vroege mei is echt heel mooi. Het gebouw is dan ook een schepping van niet de eerste de beste architect, namelijk Salomon de Brosse (1571-1626), die eerder het ‘palais du Luxembourg’ voor Maria de Medici ontworpen had, waardoor het hele plaatje nog mooier werd. De Franse Revolutie heeft het château niet links laten liggen en het behoorlijk in omvang gedecimeerd. Het was al een ruïne toen het in de Eerste Wereldoorlog in de frontlinie terecht kwam.

Monument ter ere van Anne Murray Dike in Blérancourt

Monument ter ere van Anne Murray Dike in Blérancourt

Deze ligging, enerzijds een aanleiding voor een bijna totale vernietiging, werd anderzijds ook haar redding. Een Amerikaanse filantrope, Anne Morgan(1873-1952), dochter van de puissant rijke bankier, mecenas en kunstverzamelaar John Pierpont Morgan kocht het complex in 1919 aan, waar zij al vanaf 1917 woonde in één van de paviljoens. Zij was sinds 1915 actief in het leveren van humanitaire hulp aan de getroffen Franse strijdgebieden en in 1918 maakte zij hier een officieel instituut van: CARD (‘Comité américain pour les régions dévastées’). Al vrij snel na het einde van de oorlog zette zij zich ook in om de kunstcollectie van het kasteel nieuw leven in te blazen met de oprichting van ‘l’Association Les Amis de Blérancourt’ samen met haar vriendin Anne Murray Dike (1878-1929). De laatste was verantwoordelijk voor organisatie en de logistiek van de humanitaire hulp inclusief de rijdende bibliotheekdienst die verlichting en afleiding moest bieden aan de oorlogsgetroffenen. Ik vraag mij af of dat nu echt zo relevant was, ook al ben ik bibliofiel. Aan haar is een fraai monument gewijd dat vóór het paleis staat en waarvan de voorstelling geïnspireerd is op de figuranten in de propagandafilmpjes uit de tijd zelf, die echt heel aardig zijn om te bekijken. De collectie had van het begin af aan de naam ‘Musée historique franco-américain’ en had tot doel om de participatie van Frankrijk in de Amerikaanse vrijheidsstrijd en de hele volgende geschiedenis te laten zien van vruchtbare wederzijdse beïnvloeding en samenwerking. De dames hadden hooggestemde idealen.

Paviljoen waarin de beide Anne's leefden

Paviljoen waarin de beide Anne’s leefden

In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, in 1935 om precies te zijn, maar daar wisten de initiatiefnemers nog niets van, van die wereldoorlog die op komst was, werd het museum en haar collecties ondergebracht in een nieuw gebouw. Hieraan werd in 1938 een nieuwe vleugel aangebouwd. Het huidige, indrukwekkende onderkomen dateert uit de eerste jaren van de 21e eeuw en werd in 2017 officieel geopend en is met recht een bijzonder geslaagd voorbeeld van een modern museum, waarin alles klopt. Van looprichting tot lichtinval en van goede tekstbordjes (wel is er af en toe een stukje tekst weggevallen) tot effectief gebruik van moderne media. Direct bij het nemen van de juiste afslag, in dit geval de linkerkant, kreeg ik alle kennis aangeboden die ik ontbeerde. Zo leerde ik dat Verlichtend Frankrijk zich al in de 17e eeuw interesseerde voor de overzeese gebieden van wat wij nu Noord-Amerika noemen en deze als ‘la Nouvelle France’ zagen. Gelukkig had ik via het ‘Dwarsverband 18e eeuw’ tijdens mijn studie genoeg kennis opgedaan om de daaropvolgende ontwikkelingen te kunnen plaatsen en dan vooral die met betrekking tot de ‘bon sauvage’: wel een eenzijdige visie overigens, maar goed ik studeerde kunstgeschiedenis.

Niagarafalls met indianen door Leon Reni-Mel, 1930, olieverf op doek, collectie museum

Niagarafalls met indianen door Leon Reni-Mel, 1930, olieverf op doek, collectie museum

Het zal de leeftijd zijn, maar ik beoordeel tegenwoordig heel kritisch de lesstof die ik ooit aangeboden heb gekregen (en waarvoor mijn ouders krom gelegen hebben) op het uiteindelijke nut en de effectiviteit ervan. Ik probeer dat zo objectief mogelijk te doen door mijn onbeheerste kennisdrang buiten beschouwing te laten, maar kom tot de conclusie dat het Nederlandse onderwijssysteem direct na de Mammoet-wet volledig failliet gegaan is of dat ik stelselmatig op de verkeerde scholen en universiteiten gezeten heb. De enige opleiding die er echt toe gedaan heeft was de toen al hopeloze ouderwetse archiefopleiding en bijbehorende stages en het privé onderwijs dat ik thuis kreeg. Ik hoop dat in de afgelopen decennia er toch iets ten goede gekeerd is door de internationale concurrentie. Wat dat aangaat ben ik géén tegenstander van onderwijs in het Engels. Maar dit terzijde.

Allegorie op de bevrijding van Amerika door Frankrijk van Jean Suau (1758-1856), 1784

Allegorie op de bevrijding van Amerika door Frankrijk van Jean Suau (1758-1856), 1784, olieverf op doek

In ieder geval werd mij nu duidelijk hoe zeer de Fransen Noord-Amerika als hun gebied zagen en hoe duidelijk zij hun nieuwe opvatting over de staatsinrichting daar wilden introduceren. Dit alleen al bracht hen in conflict met het ouderwetse Groot-Brittannië, buiten het feit dat die er na de Hollanders al flink gesetteld waren en veel gebieden geannexeerd hadden. Na de Onafhankelijkheidsverklaring in 1776 moest alleen nog het Engelse juk afgeworpen worden en de band tussen Benjamin Franklin en Lodewijk XVI worden vastgelegd en bestendigd, vermeldde het hedendaagse tekstbordje. Deze mening werd ook zo gevoeld in Noord-Amerika, volgens hetzelfde bordje. De Amerikanen hadden een bijzonder grote bewondering voor de Franse cultuur en staatsopvatting en zagen dit Europese land als land van de vrijheid. Lang leve Montesquieu, Voltaire en Rousseau. In hetzelfde jaar van de Bill of Rights (‘Life, Liberty and the pursuit of Happiness’) werd de Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen (‘Liberté, Égalité et Fraternité’) afgekondigd. Bij de museumbalie heb ik een prachtige kopie van de Déclaration gekocht. Het viel mij op hoezeer de vormgeving lijkt op die van de Stenen Tafelen die Mozes vasthoudt. Partner was tevreden over de aankoop en dacht erover om deze in de Hunnenweg voor het raam te hangen, alleen dat is onzichtbaar voor digitale overtreders van deze rechten met wie wij te maken hebben gehad recentelijk en nog steeds.

Walter Dean Goldbeck, olieverf op doek, collectie museum

Walter Dean Goldbeck, portret van Anne Morgan, 1915, olieverf op doek, collectie museum

Natuurlijk mag in dit kader ook niet het cadeau vergeten worden van Frankrijk naar aanleiding van de honderdste verjaardag van de Onafhankelijkheid in 1876 van het Vrijheidsbeeld. Zij houdt in haar arm overigens ook een soort stenen tafel vast met de grondwet. De toorts is het licht van de rede, de gebroken boeien staan voor vrijheid. De kroon is ontleend aan de personificatie van het geloof bij het grafmonument van paus Clemens XIII door Canova. Een prachtig allegaartje dat aanvankelijk bedoeld was om het Suez-kanaal te versieren, meen ik mij te herinneren. Dit stenen hoogtepunt in de relatie Frankrijk en VS werd in 1932 pas beantwoord met een tegengift in de vorm van een beeldhouwwerk ‘La Liberté éplorée’, de eeuwige vrijheidsstrijd van Frankrijk verbeeldend, geplaatst in het stadje Meaux, waar de eerste slag aan de Marne geleverd werd. Amerikanen vochten overigens toen nog niet mee in de oorlog. De ronkende tekst die de Fransen eert, doet je vermoeden dat ze Napoleon even vergeten zijn.

Detail van het portret van Peggy Guggenheim door Alfred Gourmes

Detail van het portret van Peggy Guggenheim door Alfred Gourmes

Helaas heeft deze Napoleon zich ook niet zo druk gemaakt over de declaratie en vermoedelijk ook niet over de Tien Geboden, want veel rechten werden successievelijk onder zijn bewind weer ingetrokken, zoals in 1802 t.a.v. de slavernij. Deze werd uiteindelijk in 1848 in Frankrijk en in 1865 in de USA weer afgeschaft. Het Vaticaan heeft deze rechten overigens nooit erkend en misschien dus ook niet de afschaffing van slavernij. Maar dat hoeft zij ook niet: ze heeft Mozes en paus Johannes Paulus II heeft in 1991 een eigen versie neergepend bestaande uit vijf artikelen. Het grote verschil tussen beide versies ligt in het feit dat de kerk de rechten op het hele leven van nog niet geboren mensen vastlegt en de universele verklaring die van inmiddels geboren mensen behartigt. De Islam heeft ook een eigen versie, die erg ver gaat en volledig afwijkt van wat wij democratisch zouden noemen. Het kan dus nog erger, met dien verstande dat ik er van uit ga dat alle drie de varianten onder mensen ook vrouwen verstaan, maar dat weet ik zo net nog niet……… Wat ik van deze kleine excursie wel weet is dat de rechten van de mens dus niet universeel zijn.

De breisterf of Clotilde van Louis Paul Dessar, c. 1893, collectie museum

De breister of Clotilde van Louis Paul Dessar, c. 1893, collectie museum

Wat toch wel universeel blijft, is het genot van goed gepresenteerde kunst en de daaraan gewijde afdeling startte al goed met een portret van Lafayette op zijn doodsbed door de Dordtenaar Ary Scheffer (1795-1834). Het is een olieverfschilderij vervaardigd in 1834 naar voorbeeld van een tekening van de dode markies een dag na zijn overlijden. Scheffer maakte verschillende versies van dit doodsportret die getoond werden op verschillende exposities en in Parijse salons. Ik heb tijdens mijn werk in Dordrecht alle literatuur over Scheffer doorgenomen en recentelijk ook het leuke, maar veel te snel geschreven boekje van Henk Wesseling maar kan mij niet herinneren iets over deze serie portretten gelezen te hebben. Een leuk onderwerp voor nader onderzoek.

'l'Heure du thé' van Maud Hunt Squire, 1925, collectie museum

‘l’Heure du thé’ van Maud Hunt Squire, 1925, olieverf op doek, collectie museum

Schreef ik naar aanleiding van mijn bezoek aan de collectie van Jeanne dat er een vrouwelijke hand te ontdekken valt, ook hier geldt hetzelfde. Je kunt er niet omheen of deze collectie is door twee vrouwen samengesteld. Niet alleen figureren veel vrouwen in hun natuurlijke rol of habitat op de werken, ook de Parijs- Amerikaanse sfeer van na de Grote Wereldoorlog wordt als heel vrouwelijk voorgesteld. Wat het waarschijnlijk ook was, want van een mannenoverschot zal na deze oorlog geen sprake meer zijn geweest. Opvallend zijn de schilderijen met de herderin en de breister, maar ook de moeder en haar dochter theedrinkend in een Parijs etablissement geeft een mooi overzicht van het vrouwenleven. Het ‘l’Heure du Thé’ werd geschilderd door een kunstenares genaamd Maud Hunt Squire (1873-1955) en dateert uit 1925. Het portret van de breister, genaamd Clotilde (wat een perfecte naam voor een breiende vrouw) werd vervaardigd door Louis Paul Dessar (1867-1984) en dateert uit 1930. Het werd voor de collectie aangekocht. Dit geldt ook voor het schilderij met de herderin dat gemaakt werd door Charles Sprague Pearce (1851-1914) in 1889. Zelf was ik toch wel onder de indruk van het portret van de bekend John Singer Sargent (1856-1925) van ‘Vicomtesse de Poilloüe de Saint-Périer’ uit 1883, dat uit de verzameling van Musée de Orsay aangevoerd werd. Het schilderij dateert uit 1883 en toont een levendige vrouw in een gewaagde rode japon. Sneu detail is het feit dat zij zo smartelijk om het leven zal komen tijdens de brand in de ‘Bazare de la Charité’ in 1897.

Herderin van Charles Sprague Pearce, 1889, olieverf op doek, collectie museum

Herderin van Charles Sprague Pearce, 1889, olieverf op doek, collectie museum

Een portret van Peggy Guggenheim mag niet ontbreken in de serie vrouwen van dit museum. Zij vestigde zich in 1920 in Parijs en zal daar Anne Morgan en haar vriendin zeker meer dan eens ontmoet hebben. Dit paar had in de Franse hoofdstad een optrekje. Het is een fraai portret van Alfred Courmes (1898-1993) uit 1926, dat uit de collectie zelf komt en waarvan ik hier een detail laat zien. Als afsluiting van de afdeling kunstgenot wil ik nog een ‘Hollands’ schilderijtje voorstellen, dat vervaardigd werd door ene Harry van der Weijden (1868-1952 (?). Tenminste ik dacht het puur Hollands was, maar het zou om een Amerikaanse schilder gaan, geboren in Boston die een Bretonse vissersjongen afgebeeld heeft. Het hoofddeksel van het joch overtuigde mij. Van deze schilder hangt nog een nachtelijk landschap uit 1898 in de belendende zaal in de stijl van James McNeil Whistler. Een grote rots die uitloopt in een rivier beschenen door de volle maan met een  roeibootje op de kant, die ik niet had hoeven bekijken eigenlijk. Van der Weijden was de oprichter van een kolonie Amerikaanse kunstenaars in Montreuil-sur-mer.

De Bretone vissersjongen van Harry van der Weyden, 1890, collectie museum

De Bretone vissersjongen van Harry van der Weyden, 1890, collectie museum

 

De benedenverdieping van het museum is voor het grootste deel gewijd aan de Eerste Wereldoorlog, met een kleine afdeling over de Tweede Wereldoorlog want Anne Murray deed haar werk nog eens dunnetjes over na 1940. En hier ging het hart van manlief sneller slaan. Van de piloten uit de Eerste Wereldoorlog is niets tastbaars overgebleven, maar hier lag zowaar nog een uniform en een brilletje. Mij viel vooral het formaat van het kostuumpje op. Maar goed het neergezette vliegtuig gaf ook al de verhoudingen weer en dit werd voortgezet in de brancard en het ziekenwagentje. Want een nare toestand moet dat zijn geweest, als je toch langer was dan 1.60 m in die tijd! Ik krijg al rugpijn bij het idee.

Detail van de aquarel waarop de vliegeniers van Lafayette staan afgebeeld, collectie museum

Detail van de aquarel waarop de vliegeniers van Lafayette staan afgebeeld, collectie museum

Heel aardig is de aquarel waarop de vliegeniers afgebeeld staan, onder wie een donker gekleurde piloot. Mochten de voormalige slaven in de Eerste Wereldoorlog nog gewoon zij aan zij vechten met hun voormalige bazen, in de Tweede Wereldoorlog zou dit heel anders zijn, lees James Baldwin er nog maar eens op na. Het gaat hier wel om het ‘miljonairs squadron Lafayette’ overigens, waaraan een best goede film gewijd is: ‘Fly boys’. Méér informatie kan ik helaas nu niet geven, omdat ik het verkeerde tekstbordje gefotografeerd heb. Maar desondanks is er erg veel verloren gegaan van de universele rechten van de mens als je het zo in vogelvlucht bekijkt en blijkt de waarde van geld altijd nog te prevaleren. Misschien moet ik toch maar die replica voor het raam hangen en mijn lidmaatschap van Amnesty international nog maar niet opzeggen.

Vignet dat op de Amerikaanse vliegtuigen afgebeeld werd.

Vignet dat op de Amerikaanse vliegtuigen afgebeeld werd.

Informatie werd o.a. ontleend aan C. Gragez en M. Schneider,  Musée Franco-Américain du château de Blérancourt. Le Guide, Blérancourt; s.n. 2017 en de diverse tekstborden in het museum.

juni 2019

De Notre Dame de Bon Secours in Neuvizy: een Madurodam- versie van de Notre Dame in Parijs

Neuvizy narthex

Het gebied van de Ardennes eméraudes is bezaaid met kerken in allerlei soorten en formaten. De versterkte kerken van de Thiérache vormen een categorie apart en daar omheen liggen kerkjes met torentjes à la Lourdes, kleine Maria-kapelletjes en neogotische kathedraaltjes in zakformaat. Er is één opvallende uitzondering en dat is de kerk van Notre Dame de Bon Secours in Neuvizy die gebouwd is naar voorbeeld van de Notre Dame in Parijs, maar dan een slagje kleiner en zonder de spits van Viollet-le-Duc die recentelijk zo smartelijk verbrandde.

De op internet inmiddels legendarische brand van ruim een maand geleden roept eigenlijk veel vragen op. De oorzaak is toch wat moeilijk te duiden als je er niet met je neus boven op gestaan hebt en blijkbaar was niemand op dat moment in de buurt van het begin van de brandhaard om een getrouw ooggetuigenverslag te leveren. Twee oorzaken vechten om de eer: een menselijke fout of een technisch mankement. Jammer dat er niet een brandwacht aangesteld was, direct met het ingaan van het eind van de werkdag. Een technisch mankement blijft volgens deskundigen toch de meest voor de hand liggende oorzaak.

Enkele opvallende punten vallen te vermelden als het om de komende restauratie gaat: allereerst die gesneuvelde spits van Viollet -le- Duc. Het is geen geheim dat onder de mensen van het Franse cultureel erfgoed diens werken en overbodige toevoegingen helemaal niet gewaardeerd worden. De Fransen lijken hierin traditioneler te zijn in hun restauratieopvattingen dan hier ten lande enerzijds en anderzijds juist een voorkeur te hebben om eigentijdse toevoegingen te realiseren. De negentiende eeuwse tierelantijnen, die wij waarderen van Pierre Cuypers c.s. gaan vele Franse restauratie-architecten te ver. Menigeen zal zich misschien verkneukeld hebben bij het zien van het instorten van het wat groot uitgevallen pinakeltje. Toch is er volgens manlief een miniatuur bekend waarop de kerk met een spits staat afgebeeld. Zo bizar is de vinding van Viollet-le-Duc dus niet. En de miniatuur werd vervaardigd door Jean Fouquet kort na 1450.

detail miniatuur

Een ander punt is dat het bekend is dat de Franse katholieke kerk geen luis heeft om dood te knijpen. Anders dan haar Duitse zuster ontvangen de bisschoppen geen rooie cent. Ze zijn immers geheel onafhankelijk van de staat geraakt in 1905 en worden daarom geacht hun eigen broek op te houden. Hier ligt een akelig probleem voor de dure kerkgebouwen die de staat in haar bezit heeft. Want de staat beheert wel het gehele erfgoed in Frankrijk en die overheid heeft niet zoveel geld over om kerkelijk erfgoed te restaureren. Sterker nog het voorbeeld van de vroegtijdige afbraak van de kerk in Abbeville, waar de altaren nog in gewijde staat waren doet menig devoot mens rillen. Al bij het eerste vonkje vuur lijken staat en kerk de handen ineen geslagen te hebben om zoveel mogelijk donaties binnen te krijgen. Plotseling gaan bij Macron staat en kerk hand in hand in één geldstroom.

De verschillende zich zelf respecterende kranten hebben speciale uitgaven gepubliceerd met het verslag van de brand, de schatten die het inderdaad miraculeus overleefd hebben en vooral de enorme grote bedragen die een aantal Franse families gedoneerd heeft aan de kerk (of de staat, dat is nu om het even) om de restauratie aan te vatten. Het gaat om schrikbarend hoge bedragen, waarvan wel tien kathedralen gebouwd kunnen worden. Het lijkt erop dat kerk en staat een groots réveil van de Notre Dame voor ogen staat. Een operatie die op militaire leest geschoeid wordt en onder leiding staat van een belangrijke (katholieke) en inmiddels gepensioneerde brigadegeneraal. Apart, om hier zo’n prestige- project dat binnen vier of vijf jaar afgerond moet zijn voor een of ander voetbalevenement, waarin Frankrijk toch geen kampioen zal worden van te maken. In Frankrijk zelf verbazen ze zich er ook over. En wat mij voortdurend verbaast bij de inzet van gepensioneerden in West-Europa is de vraag waarom al die pensionado’s nu niet gewoon kunnen gaan vissen met hun kleinzoons of als het om dames gaat appeltaarten bakken met hun kleindochters. Volgens mij wordt iedereen daar veel gelukkiger van, maar de opa’s en oma’s zijn vastbesloten nutteloze monumenten van zichzelf voor hun nageslacht op te richten. Misschien ook wel een vorm van werkverschaffing door een generatie bij wie het geld te hoop loopt.

Maar er is iets gaande in Frankrijk: een niet onaardig historisch tijdschrift kopte zelfs hoe Europa eruit zag toen Frankrijk (dat is Napoleon) het nog voor het zeggen had. In de trant van ‘Er was eens een werelddeel dat geleid werd door nobele Fransen….’ Een teken dat het heel erg slecht gaat in het land. Een constatering die ik kan onderschrijven vanuit het gebied waar ik vakantie vier, waar in drie jaar tijd de welvaart zienderogen achteruit gegaan is.

neuvizy raam met mariabeeldje

Het aantal kerksluitingen is weliswaar fors, maar het aantal roepingen is zeker met 2000 per jaar niet gering. Het grote aantal afstotingen van kerkgebouwen staat namelijk in geen verhouding tot de hoeveelheid kerken die het land nog steeds rijk is. Alles is relatief. Zo’n klein, vergeten kerkje ben ik toevallig tegengekomen in de Thièrache. Een kerkje dat veel katholieke Parijzenaars niet zullen kennen in een onbekend dorpje in de Franse Ardennen. Het is een getrouw kopietje van hun geliefde Notre Dame. Prachtig gelegen in de groene beboste heuvels tegen een helblauwe lucht, wit afstekend, als de zon schijnt weliswaar. Het is een genoegen om dit kerkje te bezoeken en de nabij gelegen Maria-weg te lopen door het bos. Wat hou ik van die ‘Waldandacht’: prachtig. Daar zijn moderne kunstwerken te zien die de sfeer van het bos combineren met devotie. Wat mis ik dergelijke moderne kunst in Nederland. Zou het zelf graag willen ontwerpen en maken natuurlijk. Een werk steekt er bovenuit. De anderen vallen binnen de categorie cerebraal geknutsel, waar in sommige musea inmiddels aandacht aan besteed wordt. Het grote neogotische middelpunt echter behoeft erg veel restauratie, waarvoor geen gelden binnenstromen zoals bij de Parijse grote broer, zoveel is duidelijk. Niet altijd is de combinatie van ‘Waldandacht’ en in dit geval historiserende kunst goed geslaagd. Ook het kerkje zelf heeft heel wat achterstallig onderhoud en zou een financiële injectie heel goed kunnen gebruiken. Overigens is het begrip ‘Waldandacht’ in piëtistische zin ook van toepassing op gewoon een verering van de natuur waarin het goddelijke zich openbaart. Je hebt er dus geen artistieke toevoegingen voor nodig. Een Wodan-eik omarmen, kan ook, maar dat is hedendaagse vorm van piëtisme.

Na het lezen van het opmerkelijke boek van Ruth Harris over Lourdes en de Lourdesdevotie ben ik overigens anders gaan kijken naar die ‘Waldandacht’. Terzijde merk ik op dat het een opmerkelijk boek is, omdat het de eerste publicatie is die heel duidelijk de beweging van het ultramontanisme in het katholieke verhaal van de negentiende eeuw vervlecht op een overtuigende manier. De plaats waar de verschijning plaatsvond was niet zomaar een plek in het bos in de Pyreneeën. Nee, het was een stuk grond waarover de gemeenschap twistte met de overheid onder meer over het gebruik van het hout: het sprokkelen van hout was een recht voor de gelovige boerenbevolking, maar de Franse overheid dacht daar in het midden van de 19e eeuw heel anders over. Ook hierover ging de strijd dus: het economisch gebruik van het bos.

Neuvizy Abigail

Een dergelijke onwetendheid is te vergelijken met het gebrek aan kennis dat ik ooit had aangaande het schilderij ‘Angelus’ van Millet, waar elke kunsthistoricus een uiting van vroomheid op het platteland in ziet. Nog steeds. Maar de achtergrond is dat precies in het jaar dat dit werk gemaakt werd, de discussie losbarstte over het mogen kleppen van het angelus.  Niets devote dweperij, maar gewoon een strijd om de openbare ruimte en de herrie die je daarin mag maken. Kun je toch zien hoe snel je op het verkeerde been gezet kunt worden als het om kunst gaat. Blijven opletten, blijven lezen vooral in niet-kunsthistorische literatuur, wikipedia alleen maar gebruiken ter verificatie van feitjes en vooral de ‘Katholieke Encyclopedie’ uit de jaren dertig raadplegen. Een opmerkelijk wetenschappelijk genuanceerd gedrocht.

Ik heb niet nagekeken of er in Frankrijk nog meer miniatuur Notre Dametjes staan. Het exemplaar in Neuvizy werd gebouwd in de jaren dat de katholieke emancipatie in deze gebieden een enorme opgang maakte en spoorlijnen werden ingezet om nieuwe bedevaartplaatsen te ontginnen en economisch te exploiteren, zoals in ons dorpje le Fréty met de S. Gorgon, dat herinneringen oproept aan de kerk in Lourdes.

Neuvizy debora

In Neuvizy begon het met slechts een klein kapelletje voor een minieme dorpsgemeenschap na de vondst van een miraculeus Maria-beeldje in het midden van de 18e eeuw door een paar boerenkinderen. In een mum van tijd veranderde de vlek in een bedevaartsoord van indrukwekkende omvang. De Maria-weg in het bos leidt naar de plaats van de vondst van het beeldje. In 1865 werd de eerste steen gelegd voor een passende kerk, een imposant, misschien wel megalomaan bouwwerk voor zo’n plaatsje in opdracht van pastoor Nicolas Valentin. Bouwmeester Jean-Baptiste Couty werd gevraagd een kopie te maken van de Notre Dame met de drie beuken, transept en koor met de twee ingangstorens. De belangrijkste inrichtingsstukken, in kunsthistorische zin, van de kerk zijn de 35 glas-in-lood ramen die een catechisatie geven vanaf de schepping tot het eind der tijden. Vooral vooraanstaande persoonlijkheden uit het Oude Testament, Noach, Abraham, Mozes, Salomon, Jesaja en zo voort en zo verder en nog veel interessanter tien vrouwen worden uitgelicht. De vroegste glazen dateren uit het begin van de kerkstichting en noemen de namen van de stichters in mooie opdrachten, de latere ramen, na 1890 laten fotootjes zien van de stichters. Mooi hoe die technieken hier samen komen, net als op het bovenste laagje van de slagroomtaart waarop je een foto van de jarige kunt laten printen. Het rechteraltaar is als een reliquarium opgevat en toont het ooit gevonden Maria-beeldje en de ex voto’s aan de muren in de kerk getuigen van de levendige devotie die haar hier ten deel viel. De pastoor hield er van te spreken van zijn Lourdes in de Ardennen met het uiterlijk van de Notre Dame dan.

neuvizy het maria-altaar

De bedevaartsplaats heeft veel bezoekers getrokken tot in de jaren zestig van de vorige eeuw. Daarna zal het aantal pelgrims gestaag afgenomen zijn zoals in zovele andere bedevaartsoorden het geval was. Het prettige van zulke plaatsen is dat er voldoende accommodatie voorhanden is om mensen te ontvangen. Zoals toiletgebouwen, die nog steeds onderhouden worden ook al is er op een doordeweekse dag geen hond te bekennen in dit kerkje, het dorp en haar Maria-bos.

Misschien dat elk verwaarloosd Notre Dametje in Frankrijk wat mag mee profiteren van de genadeloze toestroom van euro’s naar hun grote voorbeeld. Er schijnt inmiddels een rel losgebarsten te zijn rond de ‘dons’, zo kreeg ik de indruk bij het koppen snellen in de kranten die op tv getoond werden. De zoektocht naar een informatieve krant in mijn vakantieoord om deze rel nader te bestuderen, zoiets als de NRC, liep echter op niets uit. Er is in deze contreien geen enkele fatsoenlijke krant te vinden. Misschien dat daar ook een mooie taak ligt voor de Franse overheid: kennis over haar reilen en zeilen wat beter te spreiden. Maar terwijl ik dit schrijf realiseer ik mij dat iedere Frans huis een tv antenne heeft, maar of het bijbehorende apparaat altijd op de informatieve zenders afgestemd wordt, vraag ik mij af. Ook niet op zondag.

neuvizy kathedraal in een boerendorp

 

 

 

 

 

 

 

mei 2019

De kunstverzameling van een ultramontaanse verzamelaarster: Gabrielle-Uranie le Maistre de Sacy

Een reis door de kunstverzameling van een ultramontaanse verzamelaarster: de collectie in le musée Jeanne d’Aboville de la Fère in La Fère in het departement Aisne in Picardië 

DSC_4595

 

Geliefde weet altijd op elke vakantie feilloos de kunsthistorische pareltjes uit een streek te vissen en daar koers naar te zetten. Na meer dan dertig jaar volg ik commentaarloos zijn keuzes en zelden vallen ze tegen. Ook dit keer niet, op een zwaar beregende achtste mei, een zaterdag in Picardië, ‘jour de libération’. Troostelozer kan bijna niet. Onderweg van Le Fréty naar La Fère in de regio Aisne zagen wij stille dorpspleintjes met voor de ‘mairies’ verregende dorpstenten staan. Zo sneu voor al die vrijwilligers die dit verzorgd hebben. Ik hoop dat ze ergens onder dak, droog, hun festiviteiten kunnen voltooien. De officiële kransleggingen, vlagvertoon en volkslied aubades waren al achter de rug, getuige de door de koude regen beslagen, in plastic verpakte ruikers en bloempotten, in de meeste gevallen omver gewaaid door de heftige hoosbuien. Ik vind het zo jammer van die prachtige potten en boeketten dat het plastic er niet af gehaald wordt en heb voortdurend de neiging dit even te doen, want altijd, overal laat ik mijn blik glijden langs de namen die in steen gebeiteld staan.

Het stadje La Fère lag er stil en verlaten bij en de eerste indruk was dezelfde als die ik had toen ik Leopoldsburg toevallig passeerde. In plaats van een grote leeuw op het plein, stond hier een zestig ton wegend beeld van de beeldhouwer Auguste Arnaud (1825-1883) voorstellend een ‘artilleur’ met een zwaar geweer over de schouder en een kanon achter zijn enorme benen. Het sierde het voorplein van een groot gebouw dat dienst gedaan had als militaire academie voor marine- officieren, opgericht door kardinaal Mazarin (1602-1661).

DSC_4599

Het beeld was oorspronkelijk  bestemd voor één van de bruggen in Parijs, ‘Pont d’Alma’,  maar op een gegeven moment aan La Fère geschonken. De brug was gewijd aan de overwinning in de Slag bij Alma door het geallieerde leger van Fransen, Britten en Osmanen op de Russen. Een belangrijke slag in de Krim-oorlog. Voor deze brug ontwierpen Arnaud en zijn collega Georges Diébolt (1861-1861) elk twee beelden, waarvan er nog twee ter plekke te zien zijn. Een Franse Zoeaaf van Diébolt en een Infanterist van Arnaud. De zoeaaf was niet in de dienst van de paus, zoals iemand misschien snel denkt, maar in dienst in het Franse leger onder Napoleon III. Wat beiden wel gemeen hebben, de zoeaaf en de infanterist,  is dat zij tot de lichte infanterie behoorden, het legeronderdeel waar altijd de meeste klappen vielen, aldus mijn partner. Op onze reis door dit gebied zouden wij nog méér namen van deze dappere krijgers tegengekomen die vooral gerekruteerd werden onder de Berber-bevolking in Noord-Afrika.

Een mogelijk parkeerplekje lieten wij wat te snel voorbijschieten en kwamen daardoor toevallig bij de dorpskerk terecht. Het is zo’n soort centrumpje, waar je door het eenrichtingsverkeer nooit op je bestemming lijkt te komen. Een kerkmuur waar wij met onze Up langs scheerde, trok direct mijn aandacht en bij het zien van de ingangspartij commandeerde ik geliefde te stoppen. ‘Synagoge’ riep ik enthousiast. Manlief heeft inmiddels een beetje genoeg van dat semitische gedoe, maar stopte toch gehoorzaam, empathisch als hij is als het om kunsthistorisch onderzoek gaat.

DSC_4591 (2)

Het timpaan van de ingangspartij is versierd met een aardig beeldhouwwerk voorstellende Christus aan het kruis met aan weerszijden Ecclesia, gekroond en met kelk waarin zij het bloed opvangt, spuitend uit de zijde van Christus en Synagoga met een kroon die van haar hoofd gevallen is, afzijdig, met het Oude Testament in de hand en een gebroken staf. Helaas niet geblinddoekt, anders zou zij de mooiste, complete synagoga in steen zijn die ik ooit in steen gezien heb (en de vroegste?). De kerk bleek gewijd te zijn aan de blinde Montanus, aartsbisschop van Reims die koning Clovis gedoopt heeft.

Wij staan hier dus op de oudste plekken van het bekeerde Frankrijk bij een romaanse kerk die een respectabele leeftijd moet hebben met haar voorgangers erbij geteld. Volgens een leerling van Ary Scheffer (1795-1858), las ik later, behoorde het portaal tot de meest interessante beeldhouwwerken in Frankrijk en was het ouder dan de sculpturen aan de Notre Dame in Parijs. Men had het plan de ingangspartij in 1853 af te breken. De leerling was overigens wel bevooroordeeld, want hij was geboortig uit La Fère en wilde er alles aan doen om het authentieke karakter van de stad te behouden.

Hoewel ik op dat moment al snel conclusies trok over de mentaliteit van de katholieke bewoners van deze streek, kon ik nog niet weten hoe deze hypothese bevestigd zou worden na het zien van de te bezoeken collectie. Maar nader onderzoek zou nodig zijn om de historische achtergrond van de verzamelaarster te duiden in haar omgeving. Ook Ary Scheffer zouden wij weer tegen gaan komen tijdens een volgende excursie in dezelfde omgeving. In mijn geheugen had ik wel geprent dat ik vanuit mijn ooghoeken een neogotisch gebouw had zien staan bij het binnenrijden van het stadje met ‘Institut Lacordaire’ erop. Een school voor katholieke jongens vernoemd naar Henri Lacordaire (1802-1861), de grote inspirator van de katholieke jeugd en voorstander van onderwijsvrijheid. Hij werd na een lange omweg in 1827 tot priester gewijd en hechtte gedurende zijn hele leven bijzonder aan het begrip ‘vrijheid’. Daarmee schaarde hij zich onder het contigent katholiek-liberalen van wie Félicité de Lamennais (1782-1854) een leider was.  Charles de Montalembert (1810-1870) behoorde eveneens tot deze kring en hechtte evenzeer veel belang aan de vrijheid van onderwijs. De botsing die hierover met de pauselijke autoriteiten ontstond en de daarop volgende encycliek ‘Mirari vos’ uit 1834 had op alle drie een bijzonder negatief effect. Dit bracht hen in conflict met de steeds sterker wordende ultramontaanse richting binnen de kerk. Aardig detail uit het leven van Lacordaire is, dat hij prior van de Dominicaner orde werd en aan het begin stond van de heropleving van deze orde.

Het is moeilijk om de politieke gezindheid van deze mensen goed in te schatten in overeenstemming met hun soms bijna hysterische drang naar emancipatie van katholieken en hun geloof en het utopische verlangen naar een christelijke maatschappij. Huidige, vooral katholieke, oudere onderzoekers van naam benadrukken voortdurend het liberale karakter van de mannen en verwijzen daarbij naar bijvoorbeeld hun stemgedrag in hun functies van politieke vertegenwoordigers in allerlei gremia, maar wat is méér opportunistischer dan stemmen eigenlijk? En wat betekent liberaal-katholiek in verhouding tot niet-liberaal katholiek. Is de laatste categorie conservatief-katholiek? Volgens mij waren deze generaties allemaal liberaal omdat daar het meest te halen viel als het om vrijheid van godsdienst en onderwijs gaat tot 1848. Het is inderdaad te kort door de bocht door deze mensen en hun aanhang als ultramontaans te beschouwen, maar liberaal in de betekenis van niet zo erg ultramontaans katholiek? ‘L’Avenir’ een liberale krant, nee dat toch echt niet. Diegene die dit beweert, heeft de krant zelf nooit gelezen of heeft de behoefte de kerk te beschermen tegen al te kritische beschouwingen over de negentiende-eeuwse kerk. Daarbij is de ultramontaanse factie de ultieme overwinnaar en de vormgever van de kerk en heeft de liberale kant het nakijken gehad. Dat in het vervolg daarop de kerk een sociaal geëngageerde weg inslaat, heeft niets met de vermeende sociale gevoeligheid van deze mensen te maken of de roeping om het lot van het arbeidersproletariaat te verbeteren, maar alles met de ontdekking van de massa en de mogelijkheden deze groeiende bevolkingsgroep in te zetten voor de pauselijke zaak. Kortom met het vergroten van macht en invloed in de samenleving in een tijd dat de dreiging van de eindtijd, de apocalyps tot in de hoogste kringen van de kerk prelaten angst aanjoeg.

Zelf ben ik inmiddels redelijk ingevoerd in het begrip ultramontanisme, maar voor de mogelijke onwetende lezer wil ik wel herhalen wat de inhoud van deze ideologie is. In het kort komt het erop neer dat ultramontanen overtuigd zijn van het feit dat de paus niet alleen het primaat heeft in geestelijke en kerkelijke zaken, maar ook in wereldlijke. Kortom de paus staat boven keizers, koningen en presidenten. Ten aanzien van de teksten die op Wikipedia figureren over de bovengenoemde figuren en waarop iedereen tegenwoordig graag maar te sterk terugvalt, wil ik de onbevooroordeelde lezer waarschuwen dat er een trend is deze helemaal toe te schrijven naar een niet-ultramontaanse duiding van het katholicisme in de negentiende eeuw. In vergelijking met de teksten van ongeveer vijf jaar geleden is veel Wikipedia-informatie dus niet meer bruikbaar.

Enfin tot zover deze theoretische onderbreking. Wij vervolgden onze weg met een omweg naar het pleintje voor het museum. Het was het oude gerechtsgebouw, tegelijkertijd dienst gedaan hebbend als bibliotheek en museum, gebouwd in 1885. De verzameling schilderijen waar wij speciaal voor kwamen was daar ondergebracht op de eerste en tweede verdieping. De rechtbank en de bibliotheek waren al lang geleden vertrokken en waar die gehuisd waren, is onduidelijk. Als het de begane grond geweest, dan was de bibliotheek bedroevend klein en de rechtbank niet meer dan een balie.

Officieel zouden de deuren om 14.00 uur opengaan, maar het ongeduldig, eigenhandig de klink naar beneden drukken en daarmee een luid belgerinkel over mij afroepen, leidde ertoe de conclusie te trekken dat de poort al eerder geopend was. Een aardige, rood aanlopende, zenuwachtige en zwaarlijvige jongeman legde snel uit wat de bedoeling was. Trap op, entree betalen en de zalen boven bezoeken en de verdieping beneden met de archeologie. Ik legde even zo snel, maar vermoedelijk minder duidelijk uit dat ik nog op manlief wachtte. Samen togen wij naar boven, nadat ik alvast een stapeltje interessante brochures had klaargelegd voor de terugweg, infojunk als ik ben.

Van een Icom-kaart had het jongmens nog nooit gehoord, maar de entréeprijs van vier euro viel nog wel op te brengen. Een oud catalogusje (uit 2012!) kregen wij gratis mee. Er was inmiddels al een nieuwe uit 2017, die ook weer afgeprijsd was van 12 naar 5 euri. De hooguit duizend bezoekers die het museum jaarlijks ontving zullen niet bijdragen aan een vlotte verkoop van het boekwerkje waaraan vermoedelijk een wat moeizame voorgeschiedenis kleefde. Na vertrek kreeg ik zelfs nog een tweede oud-cataloogje mee, volgens mij van de schrijfster zelf. Ik heb maar niet om een signatuur gevraagd, want het was echt duidelijk dat het moeilijk lag. Onze gastheer legde nog even  opnieuw de gang van zaken uit niet geheel overtuigd van het feit of wij het begrepen hadden en bepakt en bezakt mochten wij de zalen betreden. Wat wij op onze beurt eigenlijk niet helemaal begrepen, want wij droegen tassen formaatje A3, wijde regenjassen en niet al te nette schoenen. Niet flitsen was het enige, grote gebod dat gold in de ruimten en dat gebod werd verspreid door slordig opgehangen a4-tjes. Eenzelfde categorie viel ook het gebod niet aanraken te beurt, maar dat waren wij sowieso niet van plan.

DSC_4637 (2)

De verzameling van Jeanne (1772-1853), dacht ik nog voordat ik de teksten gelezen had, werd chronologisch gepresenteerd  met een onderscheid naar de aloude scholen. De oude colleges kwamen weer terug, maar o zo vol hiaten. Wat vergeet een mens toch veel gedurende zijn leven van lesstof die je eigenlijk alleen maar voor een tentamen in je hoofd stampt. Een groot deel van de collectie bestond uit Nederlandse werken. Verassend, zo’n verzameling te ontmoeten niet zo heel ver van het vaderland en daar volkomen onbekend. En verassend vrouwelijk, met mooie portretten van dames, thema’s die volgens mij vrouwen aanspreken zoals Orpheus en de Verering van Venus en ‘gevoelswerken’, getuigenissen van doorleefde emoties, zoals het achttiende eeuwse meisje dat treurt over de dood van haar gekooide vogeltje en devote onderwerpen die het vrouwenleven aanraken, zoals De Wijze en de Dwaze Maagden, een biddende Maria Magdalena en de Kroning van Maria. En niet te vergeten een aanvallend werkje met de uitbeelding van een nest jonge vogeltjes, spreeuwtjes volgens mij. Eigenlijk was het voor het eerst dat ik een verzameling van een vrouw uit de negentiende eeuw leerde kennen. De enige referentie die ik heb is Mme De Staël, maar niets is bekend over een kunstcollectie in haar Zwitsers kasteeltje. Natuurlijk hadden alle dames van stand de hand in de inrichting van hun salons, maar zo duidelijk geaccentueerd als hier, kende ik nog niet.

Mooi promotie-onderwerp overigens: een vrouwelijke collectioneur in de negentiende eeuw. In dit geval echter zijn de onderwerpen niet alleen vrouwelijk, maar lijken ze het ook goed te doen op de 18e en vroeg 19e eeuwse salons die dergelijke dames hielden. Diverse afgebeelde thema’s leidden zonder meer tot diepzinnige gesprekken over muziek, mythologie, godsdienst, natuur en geschiedenis. En niet te vergeten de illustere voorvaderen, die met mooie portretten acte de présence gaven en het familieverhaal cachet verleenden. Wat al direct opviel was het feit dat de collectie bepaald niet modernistisch genoemd kan worden en vermoedelijk de oerconservatieve mentaliteit van de katholieke plattelandsadel illustreert. Hoe ziet een contemporaine verzameling in Parijs eruit eigenlijk, bijeengebracht door een vergelijkbare vrouw of van stand? De verzameling ademde dus naast vrouwelijkheid ook een flinke dosis historisme uit.

Langzaamaan kwam ik wat meer te weten. De collectie werd als laatste beheerd door Gabrielle-Uranie d’Héricourt (1796-1875), die bij schenking aan de stad in 1868 verordonneerde dat het museum de naam van haar moeder zou dragen, Jeanne d’Aboville. De collectie was oorspronkelijk vijfhonderd schilderijen rijk, maar niet meer compleet, want drie oorlogen waren er overheen gegaan en hadden hun sporen nagelaten, of liever gezegd hiaten veroorzaakt. In hoeverre de moeder van Gabrielle-Uranie nog daadwerkelijk bijgedragen heeft aan de collectie is niet bekend.

De dochter had trouwens een hechte band met haar moeder, getuige de opdracht “en souvenir de mon excellente mère, à qui je dois tout mon bien-être, ma position de fortune, qui m’a permis de me livrer au goût des arts, quoique dans des limites bien restreintes, et de former cette petite collection…’ boven de ingang. Dat ik nou net in het eerste jaar zonder moeder zo’n opdracht van een dochter tegenkom.

Al in de negentiende eeuw werd de collectie gecatalogiseerd en in 1965 werd de inventarisatie ondersteund door medewerking van het RKD in Den Haag. Volgens het meest recente boekje is de collectie veel geraadpleegd door buitenlandse kunsthistorici en leent het schilderijen uit aan belangrijke tentoonstellingen. Mooi, deze houding in vergelijking met de spasticiteit die officiële musea laten zien in hun uitleningsbeleid.

Gabrielle-Uranie werd in La Fère geboren uit het huwelijk van Jeanne met Louis François le Maistre. Haar mannelijke familieleden bekleedden functies in de militaire academie en in de Franse politiek en hadden de rang van baron. Indrukwekkend was de rol van haar grootvader in de Amerikaanse Revolutie aan de zijde van de befaamde Jean-Baptiste Donatien de Vimeur, comte de Rochambeau (1725-1807). Deze eindigde zijn loopbaan als gouverneur van Picardië en heeft nog voor de muren van Maastricht gestaan. Gabrielle-Uranie  trouwde met de arme Pantaléon-Charles-François du Trousset, comte d’Héricourt (1778-1837)  in 1817. Het huwelijk bleef kinderloos. Met zijn optreden in de slag van Dantzig wist Pantaléon de hoogste militaire onderscheiding te verkrijgen. Het echtpaar verliet snel na het huwelijk La Fère en woonde op verschillende plaatsen, waarbij Gabrielle-Uranie er regelmatig zelfstandig op uit trok. Of zij veel kennis van kunst heeft gehad, is niet bekend, wel dat zij een begaafde harpiste en pianiste was. Helaas is een befaamd portret van haar verdwenen en alleen in een zwart-wit prent overgeleverd, maar van haar moeder is wel een innemend portret van een anonymus bekend. Haar portret wordt door dezelfde A-viertjes over de zalen verspreid. Zij bouwde na de dood van haar man de collectie verder uit en wat ik opmerkelijk vond, was het feit dat zij als vrouw zelf speculeerde op de aandelenmarkt. Voor haar kunstaankopen misschien?

Bij het lezen van de naam Le Maistre gingen bij mij weer allerlei ultramontaanse belletjes rinkelen, maar dat ‘le’ misschien ook ‘de’ zou kunnen zijn, dacht ik niet. Toch is het aardig nog even de naam van Joseph de Maistre (1753-1821), de  grote tegenstander van de Franse Revolutie en de grondlegger van de ultramontaanse theocratie te noemen. Nee, familie waren zij niet van elkaar, maar toch wel toevallig want al kun je twisten over hoe liberaal de ultramontaanse plattelandsadel was, ze zullen altijd en overal meer geneigd zijn tot overtuiging van De Maistre als je het hen op de man af zou vragen dan tot het liberalisme.

Het begin van de verzameling werd door haar man aangelegd en omvatte ongeveer 45 werken en zij bouwde het uit tot vijfhonderd objecten. De collectie liet Gabrielle-Uranie in 1860 aan haar geboortestad na met de bepaling dat het museum de naam van haar moeder zou dragen. Over het jaartal bestaat onduidelijkheid, het ene tekstje noemt 1860 en het andere 1868. In 1869 werd in ieder geval een deel van de collectie voor publiek opengesteld en in 1881 aangevuld met de rest van de schilderijen.

De zwaarste aanslag op de collectie was het bombardement in 1870 door het Duitse leger. In de Eerste Wereldoorlog werd het stadje bezet door dezelfde Duitsers en werd de collectie overgebracht naar Valenciennes en vervolgens naar Brussel. Na afloop van deze oorlog werd duidelijk dat ruim 73 werken niet meer aanwezig waren. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd de collectie op tijd overgebracht naar Pierrefonds, waar het onaangetast de strubbelingen overleefde. De grootste diefstal is dus gepleegd tijdens de overdracht van de werken in de Eerste Wereldoorlog door de Fransen zelf.

DSC_4631

De tentoonstellingszalen zijn een expositie op zich. Waarschijnlijk is er sinds de laatste inhuizing van de schilderijen na de Tweede Wereldoorlog niets veranderd aan de ruimten. De verf bladdert er flink van af en de vochtvlekken zijn te zien. Wel is geprobeerd het klimaat te beheersen door in alle ruimten hygrometertjes te plaatsen en luchtontvochtigers aan te zetten. Bijna aandoenlijk, maar vermoedelijk wel effectief gezien de conditie van de werken, die niet eens zo heel slecht is over het algemeen. Zelfs opvallend goed gezien het feit dat voortdurend geldgebrek een grondige restauratie en conservering heeft gefrustreerd. Wel is de grote discrepantie met de website en het laatste cataloogje wel wat te heftig. Je kunt je wel digitaal fenomenaal presenteren, maar je als je dan in zo’n afgeleefde bende komt met prikborden uit de jaren zestig waarop plaatjes geplakt zijn? Nee, dat zou toch niet mogelijk moeten zijn. Had dan het geld voor de site besteed aan een verbetering van de fysieke presentatie, maar misschien staat het water de eigenaren van deze collectie wel aan de lippen. Uiteindelijk is het stadje één van de meest naargeestige drugsstadjes in Noord-Frankrijk die ik ooit gezien heb en zullen onder de duizend jaarlijkse bezoekers vermoedelijk veel schoolklasjes uit het stadje zelf zijn die door het museum gejaagd worden.

De presentatie begint met Renaissance-werken waaronder een ‘Geseling van Christus’ uit de tweede helft van de 15e eeuw toegeschreven aan een kunstenaar uit de Duitse school en een méér opvallender werk van een halve eeuw later, voorstellend het ‘Martelaarschap van de tienduizend’ van een Saksisch meester. De moord op tienduizend tot het christendom bekeerde Romeinse soldaten op de berg Ararat in Armenië door  de keizer. Kenmerkend voor dit verhaal is de akelige uitbeelding van lichamen die gespiest worden door takken, zoals Albrecht Dürer zich dit voorgesteld had. Aantrekkelijk voor de negentiende eeuwse, ultramontane katholiek is de uitbeelding à la Sebastiaan.

DSC_4607

Persoonlijk stond ik wel even te kijken naar het merkwaardige retabel toegeschreven aan Aertgen van Leijden (1498-1564) onder voorbehoud met de ‘Opwekking van Lazarus’ uit 1557.  Het werk bevatte nog de oorspronkelijke omraming. Geweldig. Het werk wordt ook wel het ‘Booth-retabel’ genoemd naar de opdrachtgever Vranc Booth, een Haagse advocaat. Zijn ouders staan afgebeeld op een zijpaneel (zij stierven een jaar voordat de opdracht uitging) en hijzelf staat als stichter op  het andere, samen met zijn vrouw en talrijke kinderen geportetteerd. Je kunt het retabel in ronkende termen beschrijven als een synthese tussen het Noordelijke maniërisme en de Italiaanse school, maar het lijkt ook of het schilderij niet helemaal afgemaakt is en de merkwaardige stijlbreuk tussen middenpaneel en zijpanelen lijkt wat onbedoeld. Verschillende handen hebben hieraan gewerkt, maar het middendeel is iconografisch interessant. Lazarus, de man die wordt opgewekt uit de dood net zoals de katholieke kerk opgewekt uit haar lethargie in de negentiende eeuw. Al vind de in vooral in Nederland populaire vergelijking met het dochtertje van Jaïrus aantrekkelijker.

DSC_4618 (2)

Erg boeiend vond ik ook het grote, iets latere werk van Maerten de Vos (1532-1603) met de ‘Dwaze en de Wijze Maagden’. Het verhaal, ons overgeleverd door Matheus mag wel als bekend voorondersteld worden. Ik leerde het al in de tweede klas van de lagere school tijdens de voorbereiding voor de eerste heilige communie. Het plaatje dat ingekleurd moest worden, onder meer van de meisjes met de olielampjes staat mij nog voor de geest. Hoe anders is deze uitbeelding: gecompliceerd op zijn minst en je kunt je afvragen of ze gesanctioneerd werd door de kerk. De voorstelling wordt aangevuld met de opstanding waarbij de Dwaze Maagden in het vagevuur terecht komen en heur Wijze zusjes door Christus persoonlijk de hemel ingeleid worden. Hij is wat afgedwaald van het midden, dat is niet correct volgens de kerk. Het was bij dit schilderij dat ik de ultramontaanse mentaliteit met het virulente religieus antisemitisme begon te herkennen. De citering van contra- reformatorische gedachtengoed met een apocalyptische visie in de negentiende eeuw ten top. De Joden die nog slechts een rol spelen in eschatologische zin, van wie er maar een paar nodig zijn voor de uiteindelijke uitverkoring. Ik eet mijn hoed op, als ik hier niet te maken heb met een katholieke vrouw die haar salon vulde met werken die ultramontaanse thema’s verbeeldden aangevuld met opvallend heidense werken, zoals de Orpheus en de Venus om de tegenstelling aan te geven en de discussie op gang te brengen over de ongewenste elementen in haar eigen omgeving. Wat ga ik nog meer tegenkomen?

 

In het vervolg van mijn bezoek ging ik dus de collectie met andere ogen bekijken en werd onder meer getroffen door een prachtig werk van Emmanuel de Witte (1617-1692) rond 1600 van een gefingeerde Dominicaner-kerk. De heroprichting van de Dominicaner-orde was niet het minste wapenfeit in de katholieke kerk in de Franstalige streken (en ver daarbuiten). Niet voor niets stond aan de stadsgrens het ‘Institut Lacordaire’ en zal de verzamelaarster in kwestie een warm pleitbezorgster zijn geweest voor katholiek onderwijs.

DSC_4642 (2)

De bijgeleverde catalogi behandelen slechts een deel van de werken, inderdaad de topstukken. Maar voor mij was een ander schilderij dat buiten de catalogus viel veel opmerkelijker, namelijk een groot portret van Mozes met de stenen tafelen. Een laat 18e eeuws schilderij waarop een imponerende Mozes geschilderd door Jacques Dumont, genaamd ‘le Romain’(1689-1760). Weer een ultramontaans thema en in mijn beleving heden ten dage nog interessanter geworden, nadat een goed ingevoerde krant onlangs wist te melden dat men met zekerheid weet dat Mozes nooit bestaan heeft. Zul je toch net een managementboekje geschreven hebben over de leiderschapsstijl van Mozes voor Dummies. Echt effectief heb ik die leiding van Mozes nooit zo gevonden: veertig jaar door een woestijn trekken is toch wat erg lang. Maar goed had zijn volk maar méér geloof aan de dag moeten leggen. Leuk dat die twee druiventrosdragers van het eerste uur als enigen van de vertrekkenden het beloofde land mocht binnen trekken. Een religieus anti-semitisch thema bij uitstek die twee. Ongetwijfeld is de leiderschapsstijl van Mozez de reden waarom hij telkenmale van stal gehaald wordt als de katholieke kerk het wat benauwd krijgt. Mijn eerste steendruk was een Mozes. Hij komt daarop niet zo sympathiek over. Gek he, hoe dit soort beelden en emoties je werk beïnvloeden.

DSC_0351 (2)

Natuurlijk is het jammer, om alle verdere schilderijen hier niet tot hun recht te laten komen. Het hoofdbestanddeel van de collectie wordt toch gevormd door landschappen, stillevens en genrestukjes. Hiervan wil ik toch nog even de ‘Ruïnes van de abdij van Egmond’ noemen van de hand van Salomon van Ruysdael (c.1600-1670), de oom van,  uit 1664. Vermoedelijk is dit schilderij het voorbeeld voor de gravure die van de ruïne van deze abdij bekend is. De herbouw van het klooster was een onderwerp van gesprek onder katholieken in het begin van de 19e eeuw: de trieste verwoesting in de tachtigjarige (burger) oorlog had een diepe wond geslagen en werd nog altijd betreurd.

De rode draad die ik toevallig gevonden heb wil ik nog even voortzetten en sla daarbij een magnifiek schilderij van Matthias Withoos (1627-1703) over, getiteld ‘Mors vincit omnia’ uit de late jaren 1660. De filosoof die uitgebeeld is in buste zou Seneca kunnen zijn. Dit zou wel eens het topstuk van de collectie kunnen zijn, maar past even niet in mijn betoog. Net als het prachtige ‘Mandje met pruimen’ van Pierre Dupuis (1610-1682) dat de beelddrager van het museum, de site en de recente catalogus geworden is.

Maar nu, bij de laatste redactie van deze tekst herinner ik mij de passages in het boek van Jan DeMaeyer over Arthur Verhaegen die handelen over het zware doodsbesef dat ultramontaanse katholieken aankleefde en dat bij een zoon van Wilhelm, Otto Mengelberg zo sterk overheerste. Wat een wonderwel mooie harmonieuze, ideologische verzameling is dit. Zo tref je deze maar zelfden aan. Een aardig detail op het schilderijtje vind ik de giftige paddenstoelen en het vingerhoedskruid. Maar dat zegt dan weer iets over de schilder zelf misschien?

Om de rode draad toch maar weer op te pakken, die ik gevonden heb en eigenlijk niet hoefde te onderbreken,  keer ik weer terug naar de eerste zaal, waar behalve de al genoemde werken ook een ‘Kruisiging’ van Martin Schongauer hangt (toegeschreven aan weliswaar) en een curieuze ‘Kroning van Maria’, die gedateerd wordt in de tweede helft van de 16e eeuw (niet geheel overtuigend, zou eerder 19e eeuws kunnen zijn) vervaardigd door een Noord-Franse kunstenaar. In een vitrine wordt ook een heel klein tweeluikje uit de laat Keulse school uitgestald, althans dat dacht degene die het werkje kocht of liet kopen, Gabrielle-Uranie.  Maar het blijkt een negentiende eeuwse vervalsing te zijn, dat ziet een ongeoefend oog al. In mijn beleving zie ik een Mengelberg, ik denk Otto senior  (de oom van) al bezig dit werkje te fabrieken, een vroeg 16-eeuws patina toe te voegen en zijn mecenas Alexander Schnütgen te plezieren met zijn vervalsing. Die het werk weer aan de Gabrielle-Uranie verkocht (want ze kenden elkaar allemaal, die katholieken, zoals de hoogleraar zei toen hij mijn netwerk-concept afwees) en van de centjes echte middeleeuwse religieuze kunst voor zijn eigen collectie kon aankopen, waarnaar ‘zijn’ kunstenaars weer konden werken. Want zoals Schnütgen meende, parafraserend, dat het niet gaat om de echtheid van de kunst, maar om de devotie van de waarnemer en de mystieke beleving die het oproept en net zo min om de artistieke kwaliteit, als het maar tranen van devote ontroering oproept. De ideale christelijke maatschappij zonder ruimte voor Joden, gekleurde mensen, moslims en nog een paar andere exotische groepen stond hem voor ogen. Tenzij die exoten meevechten in de christelijke oorlogen natuurlijk en als kanonnenvoer gingen dienen, zoals in deze omgeving meerdere malen het geval geweest is. Dan was er wel ruimte, maar de heldeneer ging naar de vaderlandse aanvoerders en officieren. Verschil moet er zijn, als je als lichte infanterie in de Tweede Wereldoorlog nog met een zwaard Duitse kanonnen werd geacht tegen te houden, zoals de Spahis overkwam bij La Horgne.

DSC_4640 (2)

De conclusie van onze ontdekkingstocht over deze verzameling is, dat wij hier te maken hebben met een naar de 18e eeuw historiserende, encyclopedische collectie, waarin het verlangen naar de periode van vóór de Franse Revolutie terugkomt. Gelardeerd met thema’s die geheel passen in de lijn van de internationale katholieke beweging die begon in Groot-Brittannië met de Oxford-beweging en na 1870 zo sterk werd in Noord-Frankrijk, België, het Rijnland en delen van Nederland.  In de collectie is ook nog eens duidelijk een verwijzing terug te vinden naar de erfenis van de ultra-katholieke Ligue- partij in de 17e eeuwse rebellie die bekend geworden is als de Fronde. Het waren immers de voorvaderen van Jeanne die hierin meevochten, leden van Franse (plattelands)adel die overal in Europa zo’n nauwe band aangingen met koning of keizer en de paus.

Een nog niet gemeld topstuk in de collectie, hoort eigenlijk niet thuis in de conclusie, is een portret van de dochter Louis XV, Adelaide, van Élisabeth Louise Vigée le Brun (1755-1842) uit 179i. Adelaide was een aangetrouwde nicht van de gravin en dit werk is door vererving in de collectie gekomen. De familie behoorde tot een hogere laag van de Franse adel, dan de plattelandsadel. Samen met het schilderij van een onbekende van haar moeder Jeanne d’Arboville, zijn dit twee hele mooie portretten van zestig-jarige vrouwen die ik ken. Zo wil ik ook wel vereeuwigd worden. Over de verzamelaarster zou ik nog willen opmerken, dat in tegenstelling tot wat in de brochures en de teksten te lezen val, de dame wel zeker een groot inzicht in kunst en kennis van de kunstgeschiedenis had, maar dat de beschouwers in dit geval deze kennis niet konden terugvinden in de collectie, omdat zij de context misten van de hoofdrolspeelster in hun eigen verhaal.

Le musée Jeanne d’Aboville de la Fère, 5 rue de Général de Gaulle, 02800 La Fère. www.ville-lafere.fr

Gegevens werden ontleend aan Dérisson, E., La Fère. Musée Jeanne d’Aboville, Les amis du musée jeanne aboville, Châtillon-Coligny 2018 en Debrie, C., Le Musée Jeanne d’Aboville de la Fère, in de serie Art et Tourisme, s.l. 2012

 

 

 

mei 2019

Mijn definitie van geloof luidt……

Er doen veel definities de ronde over spiritualiteit, religie en geloof. Ik voel me soms het vrouwtje dat van de markt komt met boodschappentassen vol, niet met marktkoopwaar, maar met boeken, zoals Marita Mathijsen omschrijft in haar slotwoord van Historiezucht. Ik heb het beeld laatst nog bij een hoogleraar gebruikt om aan te geven hoeveel titels er wel niet geschreven zijn over zoiets als historisme, ‘entangled history’, ‘invention of tradition’ en ‘cultural transfers’. Allemaal boeken uit de jaren tachtig in een betrekkelijke kleine niche van de wetenschap. Je zou bijna anders gaan denken.

Zet ik mijn definitieboompje op, dan is religie de hele boom. De definitie is die van Davies die parafraserend luidt dat religie de overtuiging is dat er een emotionele band is tussen hen die overleden zijn, de levenden en zij die nog geboren moeten worden. Ik vind dit altijd nog de omschrijving die mij het meest past, omdat én emotie én de kringloop van het leven erin voorkomt. Zo zeer, dat ik pas tijdens het lezen van deze definitie begreep, waarom mensen zich überhaupt met spiritualiteit willen bezig houden en naar het transcendente zoeken. Het is trouwens gevaarlijk terrein deze definitie en er zal over gestruikeld worden, misschien. De definitie is het resultaat van een groot onderzoek onder alle religies naar de emotie van aspecten van religie die alle geloofsovertuigingen gemeenzaam hebben. Knap werk.

Een belangrijk onderdeel van mijn boompje is de stam en daar hecht ik het geloof aan. Daar heb ik inmiddels een eigen definitie voor bedacht op basis van mijn onderzoek naar de negentiende-eeuwse katholieke emancipatie in het algemeen en het Mengelberg-onderzoek in het bijzonder. Deze definitie luidt: geloof is een irrationele legitimatie van macht en machtsmisbruik.

De kerk, de gemeenschap van gelovigen, zijn de zijtakjes en bestaan uit netwerken die, het hiërarchische en gender-bepaalde karakter van de kerk volgend, perfide te noemen zijn en manipulatief met het verleden omgaan. Ik heb voor de kerk als gemeenschap nog geen definitie bedacht. Inclusief is zij in ieder geval niet en christus navolgend al helemaal niet. Zelfs in tegendeel, in schokkende mate.

Ik denk dat ik de verder definities maar even laat rusten en nog even een woord wijd aan onze ‘inclusieve’ samenleving, vooral gebaseerd op de recente feiten over het gedrag bij de Belastingdienst en de vreemde omgang met criminaliteitscijfers in AZC’s. Het lijkt tegengesteld, maar dat is een paradox. Hoewel alleen slechte tot matige historici gebruik maken van het model van de paradox, weet ik na herlezing van de Zauberberg  van Thomas Mann.

Ik heb net het glorieuze voorwoord van de antropologe en genderdeskundige em. prof. dr. Gloria Dekker op de Nederlandse vertaling van James Baldwin gelezen Niet door water maar door vuur. Hierin schrijft zij een brief aan haar 18-jarige nichtje in Groningen in navolging van een brief die Baldwin ooit schreef. Ik was diep onder de indruk. Hiertegen kun je niets inbrengen dan alleen maar hopen dat onderwijs op zo jong mogelijke leeftijd nog iets kan bijsturen in een ontwikkeling die zo razendsnel gegaan is en waarvan nu lijkt dat deze niet bij te sturen is. Het is jammer dat onze geleerden in geesteswetenschappen over het algemeen niet de ‘brightest buttons in the box’ zijn en een ‘mijn grootvaders klok’ gehalte hebben. De theorieën uit andere disciplines uit de jaren tachtig worden nog steeds als uitgangspunt genomen voor elke dissertatie in dat vakgebied. Dat kan toch niet echt waar zijn? Omgevallen kaartenbakken dat zijn ze, dat wel. Kunnen leuk schrijven en geanimeerd vertellen en weten echt heel veel. Maar voor die kaartenbakken hebben wij nu van die leuke, vierkante apparaatjes  met een geheugenomvang waar je je geen voorstelling meer van maken en dat wat je niet weet kom je al zoekend tegen. Ik vind ze heerlijk die geheugens, zou mijzelf er wel aan willen koppelen. Het scheelt mij ook een hoop gesjouw met tassen vol boeken overigens.

mei 2019

De verering van Rembrandt in het ‘Wilhelminische Zeitalter’ en in het Derde Rijk

‘”Die holländische Malerei kann man füglich als ein Erzeugnis der staatlichen Selbständigkeit Hollands bezeichnen. Solange die Niederlande ein Ganzes bildeten, war von einer besonderen holländischen Kunst gegenüber der tonangebenden flandrischen nicht die Rede. Das Jahr 1609, in welchem der Abschluß eines zwölfjährigen Waffenstillstandes tatsächlich die Anerkennung der sieben vereinigten Provinzen als eines selbständigen Staates in sich trug, war gewissermaßen das Geburtsjahr der holländischen Malerei.
Worin die Aufgabe bestand, die das neue Volk seinen Künstlern stellte, faßt ein französischer Schriftsteller sehr zutreffend in das Wort zusammen: es verlangte, daß man ihm sein Abbild liefere. Das ist in der Tat der Inhalt der holländischen Malerei: das ehrliche, wahrheitsgetreue Abbild von Land und Leuten und Dingen, die Wiedergabe der schlichten Wirklichkeit, wie die Heimat und die Gegenwart sie zeigten und im Künstlerauge sich spiegeln ließen, mag nun Bildnis, Genre, Landschaft, Tierstück oder Stillleben der Gegenstand des Gemäldes sein. Dieses ehrliche Abbilden der Wirklichkeit war ein großer Teil der Kunst des einen, der über zahlreiche ausgezeichnete Maler hoch emporragend als der größte holländische Maler dasteht; aber es war nicht seine ganze Kunst. Rembrandt wußte seine staunenswürdige Befähigung zu geistreich treffender Wiedergabe der Natur seinem eignen freien Schaffensdrange dienstbar zu machen und fand in ihr das Mittel, den Gebildeten seiner eigenwilligen und lebhaften, gelegentlich geradezu schwärmerischen Einbildungskraft eine Gestalt zu verleihen.”

Dieses Buch über den großartigen holländischen Meister Rembrandt ist ein unveränderter Nachdruck der Originalausgabe von 1895. Illustriert mit über 150 historischen Abbildungen.’

Zo kondigt de uitgeverij de heruitgave van het boek van Hermann Knackfuß (1848-1915) over Rembrandt aan. Het jaar van uitgave is 2015, dus vier jaar voor de grote Rembrandt-herdenking. De paperback van Barnes & Noble is duur, meer dan dertig euro. Geen denken aan hier mijn geld aan te besteden. Ook het e-boek is zo duur.

Sinds gisteravond doet mijn KOBO reader het eindelijk wel, nadat schoonzoon ontdekt had dat het meegeleverde kabeltje van abominabele kwaliteit was en dat het enige goede kabeltje dat ik had, van de ongeveer tien in de loop der tijd verzamelde kabeltjes, het wel deed. Het was tevens het laatste kabeltje en dus de laatste poging. Koop je een voor je huishoudportemonnee veel te duur apparaat (met ondersteuning van de ambtelijke vvv-bon), leveren ze een rottig kabeltje mee. Maar goed ik ben wel blij en hoop nu eindelijk van het ding te kunnen gaan genieten. Het downloaden van e-boeken van de bibliotheek gaat nu plotseling ook een stuk makkelijker. Was ik toch bijna naar zo’n bijeenkomst van digibeten gegaan met mijn apparaat.

Terug naar het boek van Hermann Knackfuß over Rembrandt. Het was niet zomaar een kunstenaar, deze Knackfuß. Ik kwam hem tegen in een essay over de ‘Kaiserjuden’ van Wilhelm II. Een ware opportunist deze Wilhelm. Onder elke laag van de bevolking had hij rijke aanhangers die hij op de een of andere manier te vriend wist te houden en die hem steunden met geld. De ‘Kaiserjuden’ waren hier het meest draagkrachtig van, dus het meest invloedrijk. Onder deze laag werd ook een vooruitstrevende cultuur verspreid, internationaal en welbespraakt in meerdere talen als joden zijn. Een expressionistische en modernistische cultuur die in optima forma vertegenwoordigd werd door Max Liebermann. Samen met de schrijver Theodor Fontane vormde Liebermann een heuse ‘Fontane-Liebermann’ cultuur die een tegenhanger vormde van de antimodernistische en conservatieve ‘Knackfuß’ cultuur. Tot deze cultuur behoorde vooral het ‘Junkertum’, tot de Liebermann-cultuur het ‘Bildungsbürgertum’; in die jaren bijna geheel bezet door hoog opgeleide en goed boerende joden. De autochtone ‘Bildungsbürger’ waren afgezakt of dreigden af te zakken naar een proletariaat, door economische crises, teveel (roomse) kinderen en een slechte gezondheidszorg. Een voedingsbodem voor vreemdelingenhaat in het algemeen en anti- semitisme in het bijzonder. In combinatie met het apocalyptische denken aan het eind van de eeuw een ongekend giftige grond waarin de raciale jodenhaat kon groeien. Behalve het Pruisische protestantse gedachtegoed, het katholieke ultramontanisme (in deze jaren overgaand in het angstaanjagende integralisme) kunnen ook het Duits imperialisme en het pangermanisme als noodzakelijke kunstmest aan deze aarde worden toegevoegd.

Het boekje van Knackfuß verscheen in een voor kunsthistorici die het gotisch schrift kunnen lezen overbekende serie, waarvan de oplage werkelijk enorm groot moet zijn geweest. Niet alleen de Nederlandse Rembrandt werd als Duitser behandeld, ook Anthony van Dyck en Frans Hals werden ingelijfd. En Deense schilders ontkwamen niet aan dit lot. Voeg bij de bovengenoemde kunstmest ook nog de wens van Duitsland om een zeevarende natie te willen worden met grote havens, natuurlijk een aspect van het imperialisme, dan begrijp het cultuurimperialisme van onze oosterburen. Misschien dat over honderd jaar deze wens vanzelf uitkomt met de zeespiegelstijging. Gewoon geduld hebben is soms het meest verstandig. Wel op tijd de musea leeghalen natuurlijk: waterschade is onherstelbaar.

Over Rembrandt schrijft Knackfuß letterlijk dat hij zich aangetrokken voelde tot het ‘häßliche’ en het ‘Judenviertel’ regelmatig bezocht om daar types te portretteren en deze te verwerken in zijn schilderijen en etsen. Lees het hele verhaal in gewoon Duits bij Gutenberg. Grappig dat dit grootse Duitstalige digitaliserings-project gebruikt maakt als icoon van een Karolingisch kruis. Wij draaien in cirkeltjes rond in Noord- West – Europa en die kringetjes worden steeds kleiner en de interval steeds korter……

Wie was die Knackfuß nou eigenlijk? Hij bracht het na zijn opleiding aan de Düsseldorfer kunstacademie tot de belangrijkste hofschilder en concentreerde zich op onderwerpen die de grootsheid van het Tweede Keizerrijk en haar verleden moesten uitbeelden en de gevaren die het rijk in zijn tijd bedreigden. Behalve die vermaledijde joden in het bijzonder, waren het ook de Aziaten in het algemeen. Hierover heeft hij een merkwaardig schilderij gepenseeld waarop de H. Michaël (één van de schutspatronen van Duitsland) samen met een Germania (die lijkt op de Franse Jeanne d’Arc) en een wat treurige Brittannia het hoofd bieden aan een zittende boeddha in een wolk met gele monstertjes, het Aziatische gevaar verbeeldend. Hij schilderde dit werk in 1899. Andere thema’s die hij bij de kop pakte, waren de moord op Atilla de Hun, de Slag bij Nikopolis tegen de Turken en de Slag bij Mühldorf. Een opmerkelijk schilderij dateert van 1902 en toont de keizer en keizerin bij hun intocht in Jeruzalem. In deze jaren gaf Schnütgen, de mecenas van Wilhelm Mengelberg, hem de opdracht een kelk te ontwerpen voor het klooster van de Duitse Orde in Jeruzalem.

Deze Wilhelm Mengelberg, de protagonist van mijn nooit te verschijnen proefschrift, liep weg met Rembrandt. Vooral uiterlijk. Zijn verschijning is een bewuste imitatie van Rembrandt en hij werd daarom ook geroemd door zijn tijdgenoten. Een fijne, Rembrandtieke kop had hij, zo schrijft Gerard Brom ergens. Hij heeft dat Rembrandtieke natuurlijk niet zelf bedacht. Hij liftte mee op de geest van zijn tijd en voelde haarscherp aan wat in het Land van Rembrandt zijn opdrachtgevers gunstig stemde. Zowel in Duitsland als in Nederland, en dat is wel heel interessant. Die cultuuroverdracht tussen het Duitstalige en Nederlandstalige gebied en vooral de annexatie van Rembrandt als Duits schilder. Welke Nederlander is het in culturele kringen in het buitenland niet overkomen bij de vraag wie de grootste Nederlandse kunstenaar nu eigenlijk was na Van Gogh, te horen dat Rembrandt toch eigenlijke een Duitser was?

Naschrift

Ik weet niet of in de herdenking van Rembrandt deze receptie ergens aan de orde komt. De receptie stopt niet na de Eerste Wereldoorlog en wordt ten tijde van het interbellum nog weer opgekookt en in de neo-nationalistische tijden weer.  Als iemand dit leest en dit interessant vindt en misschien zelf gelieerd is aan een uitgeverij of tijdschrift of wat dan ook, ik wil best hier een wat diepere studie van maken en het resultaat voorleggen in een leesbaar manuscript. Maar ongetwijfeld heeft iemand dit allemaal al eens uitgezocht.

 

 

 

april 2019

Hasselt heeft het: de Japanse tuin.

bloei in de japanse tuin
Al twaalf jaar stond het op ons verlanglijstje om in het voorjaar de Japanse tuin in Hasselt te bezoeken en dit jaar kwam het allemaal precies uit. Drie agenda’s sloten naadloos op elkaar aan, het weer werkte mee en de bloei van fruitbomen was op een hoogtepunt. Ook ons energieniveau en humeur gooiden geen roet in het eten. Vier agenda’s op één lijn krijgen, gebeurt helaas bijna nooit meer.

japanse tuin 2019 (4)
In ons huurauto van Greenwheels om 9.15 uur naar Hasselt in België getogen. Dit ging niet helemaal zoals verwacht. Er was nog slechts een autootje beschikbaar in Maastricht en die stond aan de Via Regiaweg. Een flink eindje fietsen van ons huis, maar wij zijn gelukkig niet meer zo verwend als toen wij nog een auto voor de deur hadden staan en gingen de pedalen op.

gezicht op waterval 1

Helaas viel het Upje een beetje tegen. De ruitenwisser aan de achterkant was eraf gerukt en meerdere wieldoppen ontbraken. Bij het tanken bleek dat onder de benzinedop het metaal was afgeplakt met afplakband. Onzinnige reparatie of vergeten het plakband eraf te halen na het spuiten met knalrode verf?
Er was ook pittig gereden met het karretje over de onverharde wegen, maar ter compensatie daarvan lag een ‘snelle Jelle’ koekreep intact in het handschoenenkastje. Ja, die ging natuurlijk verder met ons mee op pad. De servicemedewerker van Greenwheels wilde het beestje eigenlijk op stal houden toen ik de mankementen meldde, maar daar zijn wij toch tegenin gegaan. Er was geen andere auto beschikbaar en het uitje stond rotsvast in onze planning gebeiteld.

gezicht op bruggetje

Gelukkig is de tocht goed gegaan en waren wij de tweede auto die op het parkeerterrein mocht gaan staan. Wij waren dus een keer niet de eersten.
Het park oogde van een afstandje wat rommelig en de ingang leek op die van een dierentuin uit de jaren zestig met zo’n ijzeren draaihek. De entreeprijs gelukkig ook, zes euro per persoon en bijna iedereen uit België in het algemeen en Hasselt in het bijzonder mocht er gratis in. Wij niet. Ik vind toch dat wij als Limburgers hierin één lijn met onze Limburgse buren moeten gaan trekken.  Ook Limburgers gratis naar binnen. Trouwens waarom de tuin niet gratis toegankelijk maken onder toeziend oog van betaalde parkwachten en sluitingstijden zoals de meeste parken in Frankrijk?
Er was zelfs voorzien in een mooi gidsje helemaal gratis en een flyer voor de tentoonstelling van Michiko van de Velde, ’90 days of light’ in het ceremoniehuis. Zoals altijd maakten wij eerst een omtrekkende en verkennende beweging door het park, dat voor een park klein is. Maar verassend, maar mooi, maar fijnzinnig, maar harmonieus. Hasselt heeft in 1992 laten aanleggen na het aangaan van een stedenband in 1985 met Itami.

japanse tuin 2019 (5)

Na de eerste verkenning liepen wij de uitgestippelde route en dat is absoluut noodzakelijk om het karakter van een Japanse tuin te kunnen begrijpen en ervaren. Wij liepen door de traditionele poort van hout, die wel wat weg heeft van de sarsen stenen van Stonehenge en liepen over een bruggetje, met uitzicht op een mooie waterval. Ik wil deze waterspuit niet spectaculair noemen, maar voor deze tuin was het zeker een centraal en imposant element. En dat is ook de bedoeling van een Japanse tuin. Via trapsgewijze bruggetjes die telkens een trede hoger geplaatst waren, liepen wij tussen de grote en kleinere koi karpers naar de waterval. De irissen moesten nog opkomen.

waterval
Elke onderdeel van de tuin is een kopie naar een beroemd voorbeeld in Japan zelf en de waterval werd gemaakt naar de 14e eeuwse variant in Kyoto. De diepere betekenis van een dergelijke imposante rotspartij is dat de karper tegen het water en de waterval omhoog zwemt en springt eenmaal bovenaan gekomen verandert in een draak. Het meest zuivere en eerlijkste wezen op aarde. Zo meldt het boekje. Eindelijk begrijp ik de voorliefde voor draken in oosterse culturen. Een gemis in mijn kennis, absoluut.

japanse tuin 2019 (9)

Heel mooi zijn de pijnbomen die in prachtige vormen gesnoeid zijn en door houten staketsels gesteund worden. Dat wordt tekenen eenmaal thuis. Tussen het groen door zie je een lantaarn staan die gemaakt is naar een voorbeeld bij het graf van één van de keizers ook in Kyoto.

pijnboom en lantaarn
Op een bescheiden hoogte ligt het ceremoniehuis in 17e eeuwse stijl gebouwd. Even belangrijk als het echte huis, is haar weerspiegeling in het water. Het hele huis is van hout en op een verhoging gebouwd. Géén aardbeving kan dit gebouw schade berokkenen.
Een speciaal compartiment van de tuin wordt gevormd door een feestruimte (eerder een soort picknickplaats) onder de kersenbomen. Bloeiende kersenbomen in Japan betekenen groot feest.
Vanaf het keienstrandje is een mooi uitzicht te zien op de rest van de tuin, die telkens verrast door de doorkijkjes. Een Engelse landschapstuin, maar dan op zijn oosters. De enorme karpers krioelen voor je voeten.

pijnboom met schaduw 2
Met een boogje loop je vervolgens langs de vredesbel, die je niet mag laten klinken naar de shinto-tempel. Als ik echt ooit van mijn geloof afval, dan is dit geloof misschien wel iets voor mij. Helaas zijn het alleen nog bejaarde Japanners die dit geloof levend houden. De meesten zijn boedhistisch.
Het ceremoniehuis dat de prachtige naam ‘een plaats van rust en onderkomen voor de reizigers’ meegekregen heeft, ‘Korokan’ in het Japans is helemaal van natuurlijk materiaal gemaakt. Rechts van de ruimte waar de theeceremonie gehouden wordt is een ruimte ingericht met een video-installatie die bij de tentoonstelling hoort.
Ik vond het een prachtige video met een lange opname van Tokyo tegen een blauwe lucht met verkeersrumoer dat na een hele lange tijd verdwijnt. De meeste bezoekers halen die zonsondergang niet. De lucht wordt donker en s’ ochtends om 4.30 uur Brusselse tijd belt een meisje met haar oma in Tokyo. Volgens mij klopt dit niet helemaal. Maar goed. Het gesprek is weergegeven in Japans schrift met Engelse vertaling. Ga er maar aan staan: die taal ga ik niet meer leren.

interieur met zonnen 1
De wanden van de andere ruimten waren versierd met zonnen in verschillende kleuren. Kenmerkend voor de lente, die precies negentig dagen duurt en met haar licht de wortels onder de bodem aan het groeien zet. De kunstenaar probeert de relatie tussen mens en lentelicht te onderzoeken en te verbeelden. Een mooie poging, zeker.
De tuin is een bezoek waard, zeker als de pruimen, kersen en abrikozenbomen bloeien, zoals deze week. Heel bijzonder. Maar er mankeert ook wel wat in de aankleding en invulling. Er had zoveel meer getoond kunnen worden, uitgelegd kunnen worden en vermaakt kunnen worden. De talrijke workshops die gegeven worden doorheen het jaar compenseren dat, maar voor de eenmalige bezoeker is dat allemaal niet weggelegd.
Wij zagen een witte bestelbus door het park rijden met de tekst ‘Hasselt heeft het’ en wij zijn daarna nog even de stad ingegaan om wat te nuttigen. Behalve een drankenautomaat was er in het park niet zoveel te krijgen. Ook daar reden busjes met ‘Hasselt heeft het’. Een beetje dwingend eigenlijk. Gewoon een leuke, gezellige stade met veel mogelijkheden, waaronder de Japanse tuin.

japanse tuin 2019 (61)

O, ja de foto’s werden gemaakt door de jongste telg van het gezin.

 

april 2019

Bloedbruiloft

Vannacht huw ik met een prachtige, donkere schone in een ver en warm land alleen maar bestaand uit een onafzienbare woestijnvlakte. Ik zie haar staan te midden van een uitbundig feestend gezelschap boven op een groot terras van een luxueus hotel midden in de geel-blauwe leegte in het witte licht van de zon. Slechts één weg leidt naar dit gebouw en loopt daar dood.

De zon schijnt op het feest waaraan méér dan honderd mensen deelnemen, volwassenen en veel kinderen. Palmen in grote potten en brede parasols geven maar weinig schaduw en het orkest staat onbeschermd onafgebroken te spelen. Er wordt gedanst, gelachen en geflirt; gefotografeerd en gegeten van grote schalen met overdadig voedsel en veel fruit en de thee wordt met veel schwung uitgeschonken in kostbare glaasjes.

Mijn lief staat als enige vrouw zonder hoofdbedekking fier rechtop op haar lange, slanke benen; haar zwarte haren over haar schouders gelegd en haar nauwe kleed langs haar lijf gedrapeerd. Ik hoor haar overvloedige, traditionele sieraden rinkelen boven de muziek uit als zij beweegt, wat zij gracieus doet.  Het geluid dringt door in mijn verduisterde cabine volgehangen met obsceen grote beeldschermen waarop het feest van verschillende kanten wordt gefilmd.

Ik ken mijn aanstaande goed door de digitale opnamen die van haar gemaakt zijn tot zelfs in haar slaapkamer. Zij is namelijk de zus van een jihadist van wie de misdaden vele malen groter zijn dan mijn nietige misstapjes die immers niemand pijn deden en doen. Het digitale dossier over haar broer heb ik naar huis weten te sturen en daar, op mijn beeldscherm met een nog grotere pixeldichtheid dan die op mijn werk heb ik haar urenlang bekeken. Niemand is in staat zulke bestanden te vinden en te  kopiëren behalve ik omdat ik een expert ben in encryptie en digitale spionage.

Zo heb ik een onvindbare harde schijf vol erotische ‘kinderpoëzie’, porno is zo’n afschuwelijk woord en smacht ik naar het eerste driedimensionale beeldscherm dat er zeker ooit komen zal. Ik kan dan de zachte kinderbilletjes die geuren naar zeep en warme moederhanden beroeren alsof het de borsten zijn van een wulpse, goedgeefse vrouw.

Vannacht zal ik trouwen met mijn bruid, die nu naast haar vader en broer staat. Mijn drone zal de lucht ingaan en precies op haar neervallen, niet op haar broer. Deze staat als een woestijnnomade naast zijn, in een donker pak met spierwit overhemd geklede vader die zijn arm geslagen houdt om zijn kleinzoon van een jaar of tien in dezelfde kleding, maar dan in een kleinere maat. Ze lachen allemaal gul en hartelijk als de jongen foto’s wil maken en moedigen hem aan er nog meer te maken.

Nog even en ik zal verenigd worden met mijn donkere schoonheid van vlees en bloed in wat een bloedbruiloft zal worden en niemand zal ooit weten dat ik haar man ben.

 

februari 2019

Stonehenge en de mythe van een Europese beschaving ouder dan de Egyptische

 

De huidige generatie geschiedschrijvers doorspekt haar geschriften en neerslagen van onderzoeken meer met aloude mythen dan zij zelf denkt of vermoedt. Althans dat onvermoed is te hopen, anders is er sprake van nepgeschiedenis, zoals er sprake is van nepnieuws. Dat voor het laatste de term propaganda misschien wel een geijkt equivalent is, zou een mooie verrijking van onze krantentaal kunnen zijn. Dat voor nepgeschiedenis geen andere term bedacht is, ligt aan de gevoeligheid voor interpretatie van de geschiedenis als zodanig. Héél gevoelig voor verschillende interpretaties is de historie vóór de geschreven bronnen, waarbij de oogst van archeologen bijna de enige bron voor informatie was. Was, want de moderne archeologie kan heden ten dage gebruik maken vele andere disciplines, maar dat maakt het interpreteren weer niet altijd eenvoudiger. In de negentiende eeuw gebruikte met voor het fenomeen nepgeschiedenis, ook wel de term neo. Dan hebben wij het nu over neo 2.0 of wat wetenschappelijker, neohistorisme.

De eeuwige wereld van de doden

De mysterieuze vlakte van Salisbury grenst aan de rivier de Avon, de Salisbury of Hampshire Avon genoemd vanwege de meerdere Avons die Groot-Brittannië telt. Deze mondt uit in het aan de Zuidkunst van Groot-Brittannië in het Kanaal en was vanouds een belangrijke handelsroute. De vlakte van Salisbury werd bewoond door de inwoners van twee ‘levendige’ steden: die van de doden, Stonehenge en die van de levenden, Durrington Walls. Een permanente en een tijdelijke behuizing, want het laatste dorp werd niet het gehele jaar door bewoond. Het gebied had een magnetische werking doorheen de eeuwen op vele mensen en lijkt dat sinds de New Age nog steeds te hebben. Of er inmiddels sprake is van een vorm van neo-paganisme in de verering van Stonehenge, zou een mooi onderwerp voor nader onderzoek kunnen zijn.

‘Stonehenge; voorbij het mysterie’ in het Gallo-Romeins museum in Tongeren

Aan de geschiedenis van deze vlakte met Stonehenge als middelpunt is een informatieve tentoonstelling gewijd in het Gallo-Romeins Museum in Tongeren. Een expositie die nog tot in het voorjaar te bezoeken is en die elke in beschavingsgeschiedenis geïnteresseerde bezoeker eigenlijk niet mag missen. Niet omdat er esthetische hoogtepunten te zien zijn, al kan een oud wit uitgeslagen hertengewei, dienst gedaan hebbend als houweel in een vitrine geëxposeerd tegen een zwarte achtergrond en perfect uitgelicht zeker het oog bekoren, maar omdat het nu toch tot een voorlopige afronding van het onderzoek naar de betekenis van dit monument en het omliggende gebied gekomen is. Nog steeds een tussenstap eigenlijk, blijkens de vragen die onbeantwoord bleven of juist naar aanleiding van de onderzoeksresultaten geformuleerd kunnen worden, zoals de organisatoren terecht opmerken.

‘Stonehenge riverside project’ oftewel internationale samenwerking loont

Een groot archeologisch onderzoek werd met het ‘Stonehenge environs project’ onder leiding van Richard Evans in de jaren zeventig van de vorige eeuw uitgevoerd. De resultaten van dit succesvolle onderzoek werden meegenomen in het vervolg. De huidige vakmensen van het ‘Stonehenge riverside project’ kunnen zich inmiddels laten bijstaan door de indrukwekkende groei aan kennis in diverse disciplines, waaronder chemie, genetica, geologie, biologie, geofysica, geomorfologie, nucleaire fysica, wiskunde, astronomie en bouwkunde. De techniek van teledetectie of ‘remote sensing’ bracht de archeologen stappen verder in hun zoektocht naar tastbare sporen van bewoning in de grond en wat te denken van de kennis over het strontium-isotoop aan de hand waarvan de plaats van herkomst herleid kan worden uit bijvoorbeeld botmateriaal en genoten voedsel uit tanden en kiezen.

De projectleider van de meest recente expeditie de ‘Stonehenge riverside project’,  prof. dr. Mike Parker Pearson tekende voor het onderzoeksverslag en de samenstelling van deze tentoonstelling. Hij startte dit werk in 2003 en kwam samen met zijn collega Ramilisonina uit Madagascar tot een beter begrip van het gehele complex en de omgeving.  Feilloos wist deze laatstgenoemde archeoloog te wijzen naar de verbinding van de stad der levenden en de wereld der doden, zoals deze bestond rondom de grote megalieten in zijn geboorteland. De wereld van de doden werd gemaakt van stenen, onvergankelijk materiaal en de stad van de levenden van hout en leem, vergankelijk. Daartussen lag een ceremoniële laan van houten palen van twee verschillende afmeting, de kleine en de grote cursus, de zogenaamde ‘wood henge’.

Land en hemel in harmonie

Om een lang verhaal kort te maken: het méér dan 10 jaar durende onderzoek bevestigde de opvatting van Ramilisonina, toonde tevens aan dat de as van zons- op en ondergang op midwinter en midzomer gelijk viel met de plaats van het monument en dat er nog een ander monument moet hebben bestaan, namelijk dat van een ‘Bluestone henge’, een tweede cirkel in steen op een verder weg gelegen locatie. Daarbij kwam nog de verdere opgraving van het dorp van de bouwers, Durrington Walls.

Het is duidelijk dat niet alleen de tastbare resultaten van dit onderzoek belangrijk zijn, maar ook de intrinsieke betekenis van het project, namelijk de samenwerking tussen westerse en niet-westerse wetenschappers. Een samenwerking die zelfs uitgewerkt wordt als boodschap van de tentoonstelling. Een boodschap die toch méér vragen eigenlijk, want hoe ga je om met interpretaties van gegevens op een integere manier.

Het magnetisme van Salisbury is al vele millennia oud

Teruggaand naar de ontstaansgeschiedenis van het monument zelf, dan kan al vóór de bouw van de eerste grote trilithons, de karakteristieke ‘poorten’,  in de midden-steentijd, het mesolithicum, restanten van houten palen gevonden worden, die wijzen op een gewijde locatie. Het volk dat daar leeft is dat van de jager-verzamelaars. Zij richtten grote feestmalen aan waarvan de restanten terug gevonden werden in de ‘Coneybury anomaly’. De datering ligt rond 3750 v.C .

Kort daarop zouden de jager-verzamelaars verdwijnen en hun plaats ingenomen worden door de eerste landbouwers die uit de Lage Landen en Noord-Frankrijk  aankwamen, na een reis vanuit het Midden-Oosten gemaakt te hebben. Het dna van de jager (de nomade) verdwijnt helemaal om plaats te maken voor dat van de landbouwer (sedidentair), zoals het recente onderzoek heeft aangetoond. Maar wat is kort als je het voortdurend over tijdspannes van duizend jaar hebt, waarbij dan wel opgemerkt moet worden dat het gebruik van Stonehenge als zodanig niet meer dan 1500 jaar geduurd heeft.

Nog korter is de lacune die onderzoekers gezien hebben tussen het vertrek van de jagers en de aankomst van de boeren, zo’n 250 jaar. Dit bracht de onderzoekers tot de hypothese dat de vlakte van Salisbury gelegen was tussen twee ‘beschavingen’ en dat beiden groepen gebruik maakten van het neutrale terrein om hun doden te begraven en te herdenken. In feite lag hier de ‘axis mundi’, de wereld-as. De bouw van Stonehenge zou het project van twee volkeren zijn van wie één, woonachtig in Wales al op drift geraakt was om nog onbekende redenen. De beide stammen hebben door samenwerking elkaar versterkt en het hoofd kunnen bieden aan de inval van de nieuwe volkeren die al op gang gekomen was en die een bedreiging vormden voor hun bestaansgrond.

De axis mundi

Één van de resultaten van het recente project was dat de herinrichting van de vlakte van Salisbury al begint rond 3500 v.C. en de bouw van Stonehenge zelf rond 3000 v.C. in de late steentijd. Bouw en inrichting worden tot in de daaropvolgende metaaltijdperken voortgezet tot in de bronstijd. Het begin vond dus plaats voor de bouw van de piramiden van Egypte en dit is een belangrijk feit in de West-Europese geschiedenis, want anders dan in Egypte werd hier door samenwerking iets groots neergezet. De start van onze beschavingsgeschiedenis is dus gebaseerd op samenwerking en niet op slavernij, zoals in Egypte het geval was, zo wordt gesuggereerd en is zelfs nog wat ouder. Deze mythe wordt ook in Frankrijk aangehangen, zoals  uitgelegd wordt bij de indrukwekkende menhirs in Bretagne, waar het werk van een architect bewezen wordt geacht en waarbij verwezen wordt naar de gelijkaardige monumenten in Engeland. Dat de organisatoren helaas geen verwijzingen hebben opgenomen naar gelijkaardige sites in Frankrijk, Duitsland en Denemarken is toch echt een omissie.

Het tijdelijke dorp van de bouwers, de levenden

Op drie kilometer van Stonehenge hebben de archeologen Durrington Walls gelokaliseerd, de grootste henge van Groot-Brittannië: een rond stuk land omgeven door een gracht en een wal. Gebouwd op de resten van een ouder dorp. Dit was de verblijfplaats van de levenden, de bouwers en gaf onderdak aan misschien wel vierduizend mensen, die naar verwachting vooral van de herfst tot aan het eind van de winter verbleven, feesten vierden en rituelen uitvoerden. De mensen kwamen zelfs vanuit Schotland, zo blijkt uit het onderzoek van gevonden botten, tanden en kiezen. Een opvallende vondst was een erg grote hoeveelheid speerpunten in allerlei vormen en maten. De grootste in zijn soort in de wereld. Het is de vraag of de betekenis hiervan alleen verklaard kan worden vanuit de jacht en de competitie zoals de organisatoren van de tentoonstelling ons willen doen geloven. Al zal de vlakte een vruchtbare plaats voor groot- en klein wild geweest zijn en uitgenodigd hebben tot grote jachtpartijen. In de relatief rustige wintermaanden, voor wie niet aan de bouw van het monument hoefde te werken, was er voldoende gelegenheid om elkaar uit te dagen tot wedstrijden. Een méér voor de hand liggende verklaring echter is toch wel dat het ene volk het andere als slaven gebruikt heeft en geleidelijk aan uitgemoord heeft: in dit geval de stam die uit Wales kwam. Om nou te stellen dat wij hier de eerste genocide hebben gevonden in onze Westerse beschaving is misschien weer wat te boud gesteld, maar de norm van menselijkheid die wij graag aan onze voorouders willen meegeven is misschien toch overschat door van de samenwerking een nieuwe mythe te maken.

De komst van de mensen van de klokbekercultuur: een revolutie

Maar ook dit met pijl en boog schietende overwinnaarsvolk werd langzaamaan verdreven door nieuwe inwijkelingen, namelijk de krijgszuchtige mensen van de klokbekerculturen. Deze migratie vond rond 2400 v.C. plaats en de steentijdboer verdween van het wereldtoneel in het algemeen en van de vlakte van Salisbury in het bijzonder. Ook deze klokbeker-mensen hadden de oversteek over het kanaal gewaagd na een trektocht uit Eurazië. Een cultuurverandering ging hiermee gepaard, zo groot dat je je dit bijna niet kunt voorstellen en waarmee ook m.m. het einde van Stonehenge ingezet werd, namelijk de plaats van het individu ten opzichte van de groep veranderde. De nadruk kwam te liggen op de persoon en niet op de groep. Het is namelijk juist een groep geweest die de realisatie van Stonehenge en omgeving volbracht heeft: wat dat aangaat is de samenwerking wel een feit. Een voorbeeld van deze individualiteit is het graf van de ‘Boogschutter van Amesbury’, een grote en forse man, neergelegd in foetushouding en voorzien van een ruime en kostbare grafgift, waarvan het mooiste exemplaar een dolk in kopie te zien is. Een ongelofelijk gedetailleerd versierd heft dat door kinderoogjes en kinderhandjes gemaakt zou kunnen zijn. En voor het eerst werden ook vrouwen begraven in rijke graven, getuigen de sieraden en spelden die gevonden werden.

‘Bluestone’ en sarsen: de steensoorten bestemd voor de doden

Het bouwmateriaal van de megalieten en trilithons bestond uit twee verschillende steensoorten. De oudste en meest ver weg gelegen steen was de ‘bluestone’, afkomstig uit het Preseli- gebergte in Wales. De gelijknamige henge is hiermee opgericht. De blokken doloriet-steen werden over een afstand van ruim 240 kilometer vervoerd door minstens veertig dragers per blok. Dat moet geen sinecure geweest zijn en helaas vermeldt het verhaal niet hoe dit precies in zijn werk gegaan is. Kende deze mensen het gebruik van sterk touw, misschien van hennep? Er is geen enkel bewijs gevonden voor het gebruik van textiel, waardoor de poppen in de tentoonstelling en de mensen in de video met ruwe dierenhuiden zijn omgord. Als het wiel wel bekend was, dan zou hier gebruik van gemaakt kunnen zijn, maar de vroegste ‘bluestone’ zou in 3750 v.C. in de vlakte van Salisbury neergelegd zijn en het wiel kennen wij vanaf 3500 v.C. Het gebruik van sleden is misschien wel een mogelijkheid geweest, maar hierover wordt niet gerept en het vervoer over het water is een mogelijkheid gezien de rivier in de directe nabijheid, maar dan nog valt er een behoorlijk eind zonder water afgelegd te worden. Het is nauwelijks voorstelbaar dat de Welshmen vrijwillig dergelijke stenen gingen vervoeren, met of zonder wielen overigens of met of zonder touw, al dan niet op een s slee of over water. Zeker niet omdat zij met deze tocht hun oorspronkelijke woongebied definitief verlaten lijken te hebben.

Eind van Stonehenge als kruispunt van identiteiten

De mensen van de klokbekercultuur brachten een omwenteling te weeg met het begin van de coaxiale akkersystemen: uitgebreide akkers met intensieve gemengde landbouwbedrijven. De akkers werden omgeven door lange grachten. Deze verandering, tezamen met een andere kijk op identiteit zorgde voor het definitieve einde van Stonehenge als plaats om te overwinteren, de voorouders te vereren en te feesten, kinderen te verwekken en misschien rituele slachtpartijen aan te richten met mogelijk kannibalisme. Hoewel er nog niet veel tastbare bewijzen zijn voor kannibalisme onder de steentijdmensen is het bekend dat tijdens de Ertebølle-cultuur in het veel vroegere sub-neolithicum in Denemarken kinderen opgepeuzeld werden door mens en hond. Patronen worden nou eenmaal overgedragen, eetpatronen helemaal.

Ook de klokbekercultuur verdween

De nieuwe beschaving verplaatste zich uiteindelijk ook naar een ander deel van Groot-Brittannië, namelijk naar het gebied rond de Theems. Stonehenge werd een plek voor schatgravers en obscure personen die vermoedelijk veel geroofd hebben van de site. De Romeinen hebben gemakshalve helemaal geen acht geslagen op het monument en pas in de loop van de 12e eeuw beginnen geletterden zich te interesseren voor het bouwwerk, maar dan nog niet eens zo intensief. Dit begint pas aan het eind van de 18e eeuw te komen en dan is er eigenlijk geen houden meer aan, zeker als de Romantiek kort daarop doorzet.

Evaluatie van de tentoonstelling

De expositie is een indrukwekkende proeve van kennisoverdracht, waarvoor veel musea terugschrikken alleen al vanwege de grote hoeveelheid informatie en de context van het toch voor leken ingewikkelde verhaal. De uitvergrote illustraties en de ‘tableaux vivants’ zijn geslaagd en geven een goed beeld van vooral de verhoudingen tussen mens en materiaal, zeker als het om kinderen gaat, die al heel jong aan het werk gezet werden. Voor de jongste bezoekers is er een speciale audiotour en het begeleidende videomateriaal zal hen zeker boeien. Al ben ik nieuwsgierig welke diepere boodschap zich daarin verstopt houdt.

De tentoongestelde objecten zijn niet allemaal spectaculair, maar worden op een speelse manier gepresenteerd in fraaie acrylaatbakjes of ruime vitrines. Maar het gaat dan ook om de hoeveelheid, de functie of de vorm van bewerking. Vooral de samenhang met het landschap en haar bewoners is boeiend en het besef dat er helemaal geen techniek aan te pas komt zoals wij ons daar iets bij voor zouden kunnen stellen.

De tentoonstelling zelf heeft het grondplan van Salisbury in het klein, maar dat moet je wel weten anders loop je na de video aan het eind van de presentatie even de verkeerde kant op. Trouwens er komt wel erg veel geluid in de vorm van pseudo-steentijd muziek over de tentoonstelling gewaaid. Wat betreft het videomateriaal is het jammer dat de documentaire al eens integraal uitgezonden werd door de BBC. De film aan het eind van de rit is vermakelijk om naar te kijken omdat daarin de boodschap van samenwerking door de samenstellers en subsidiegevers van de tentoonstelling nog eens geëtaleerd wordt. Een knappe jonge vrouw lijkt de spil achter de oprichting van de trilithons te zijn en wanneer een steen kapot valt is zij daar heel ongelukkig over. Er waren te weinig mensen om de steen op te richten. Elk jaar hoopt zij op genoeg groepen die komen overwinteren om het werk te klaren.

Mogelijk dat hier de expositie ethisch uit de bocht vliegt, maar over de gehele linie lijkt er sprake te zijn van ‘hineininterpretieren’. Je mag niet op deze manier met historische feiten omgaan. Je misbruikt deze kennis niet om een hogere boodschap over te brengen en om toch stiekem te laten zien hoe superieur de West-Europese beschaving wel niet was in vergelijking met andere delen van de wereld, zoals de Egyptische. Het lijkt wel of de archeologen bij alle disciplines leentje buur zijn gaan spelen, behalve bij de geschiedwetenschap zelf. En dit doen zij niet als enigen: de geschiedenis lijkt niet meer objectief te kunnen worden vertaald naar de huidige tijd door tijdgenoten,  gezien het gesteggel rond canons, het verbeelden van romantische waarden als Friese Vrijheid, VOC-mentaliteit en het vaderland. De crisis in de cultuurwetenschappen is misschien een financiële, maar is ook een bewijs van een soort niemandsland waarin onze beschaving zich op dit moment bevindt. Laat dan wetenschappelijkheid het antwoord zijn op dit probleem en benoemen wat je niet weet en dat wat je vermoedt. Eerlijkheidshalve moet gezegd worden dat de organisatoren dat redelijk doen in de presentatie van het materiaal zelf, maar helaas niet in de geromantiseerde video.

Géén paleo-menu jammer genoeg

Wel jammer was het om te constateren dat de stad Tongeren in het algemeen niet goed uit de crisis gekomen lijkt te zijn. Dit heeft ongetwijfeld gevolgen voor het mooie museum dat terecht in 2011 de prijs won van Europees museum van het jaar. Zelfs het bijbehorende restaurant heeft het niet gered en staat nu leeg. Hoe jammer, tijdens de expositie over de Vikingen in 2014 was de brasserie volzet en moest er van te voren gereserveerd worden als je van het speciale Viking-menu wilde genieten. En dat was de moeite waard. Misschien dat wat méér aandacht voor de tentoonstelling en het onderwerp weer wat vrolijkheid in het stadje kan brengen dat behalve het museum met haar indrukwekkende collectie nog zoveel meer te bieden heeft. En dat op een steenworp afstand van Maastricht waar het zo druk is door de NS dagtochten en andere speciale acties. Kan er niet een lijntje getrokken worden naar Tongeren? Ambiorix zou hiervan genieten.

Stonehenge. Voorbij het mysterie

Tot 21 april in het Gallo Romeins museum in Tongeren

januari 2019

Den Haag ‘Let op uw saeck’ en het herdenken van de Russische Revolutie

Officiel luidt de titel ‘O Nederland let op uw saeck!’. Het beroemde Geuzenlied van Adrianus Valerius (c. 1570-1625) uit 1576, waarin hij de staat waarschuwt tegen het Spaanse bedrog in de woelige jaren van de Tachtigjarige Oorlog, later De Opstand genaamd of misschien eerder een ordinaire burgeroorlog. Daarover zijn onze historici het nog steeds niet eens; zelf neig ik naar de laatste kwalificatie, al is dat natuurlijk niet de meest vaderlandslievende en nationalistische, maar ik heb mij voorgenomen nooit aan geschiedsvervalsing te doen en nooit gevangen te raken in een afhankelijkheidsrelatie met wetenschapsinstituten, werkgevers, overheden of kerk.

Wij hebben vorig jaar eindelijk de herdenking van de Eerste Wereldoorlog kunnen afsluiten. Al méér dan twintig jaar geleden begonnen historici en archivarissen verlekkerd hun bestanden door te vlooien naar informatie over de Grote Oorlog, want zoals elk cultuurtoeristisch instituut dat elk archief geworden is in het begin van de jaren negentig,  hebben wij allemaal (ik ook) op een achternamiddag lijstjes met jaartallen zitten maken met daarop de grote gebeurtenissen en de locale of regionale varianten daarop, zodat wij zo goed als mogelijk is op tijd de subsidiestromen konden kapen. Je moet soms vroeg beginnen met dit soort werk, want veel wat Leeuwarden vorig jaar liet zien werd al begin jaren negentig voorgekookt. Maar goed, zoveel valt er soms op regionaal en locaal niet veel meer te verzinnen natuurlijk dat een groot publiek zal aanspreken.

De herdenking was natuurlijk vooraal een zaak van de naties die in de Eerste Wereldoorlog daadwerkelijk geleden hebben en het zalige licht in de ogen van haar vertegenwoordigers tijdens de plechtigheden duidt erop dat wij nooit meer zulke nare dingen hoeven te vrezen. Nu heb ik zelf wel de indruk dat overwinningen wat teveel overschat worden. De oorlogen zijn uiteindelijk niet meer dan rimpelingen in het getij der historie. Wij gebruiken deze jaartallen om breuken en doorbraken mee aan te geven, maar de meeste echte doorbraken en omwentelingen begonnen al decennia voor zo’n geweldadige uitbarsting en eindigden veel later na de officiële afloop van een strijd. Het geeft ons houvast om de geschiedenis te beheersen en ons verleden hanteerbaar en overdraagbaar te maken. Wat zeg nou zelf, zoveel hebben de Eerste en de Tweede Wereldoorlog niet veranderd als je kijkt naar wie de leiding in handen bleef houden in staat, onderwijs en kerk. Het zijn dezelfde mensen (families) die dit na de Franse Revolutie ook al voor elkaar gekregen hebben en wie weet hoe ver het al niet terug gaat, deze oligarchie.

Ik wil hier juist betogen dat de echte grote omwentelingen de Revoluties zijn geweest. De Franse en de Russische dus, maar terwijl ik dit schrijf is het nog maar de vraag of ook deze breuken zoveel andere mensen op het toneel van de beslissers gebracht heeft. Eigenlijk zou dat ook betwijfeld kunnen worden. Het is ingewikkeld, dit herdenken van Revoluties. Het viel mij op dat de Russische Revolutie nu ook al wéér honderd-en-een of twee jaar oud hier ten lande helemaal niet herdacht is. Er is geen enkele archivaris of historicus op het idee gekomen om eens te onderzoeken hoe onze voorouders naar dit gebeuren keken dat zoveel invloed gehad heeft op het Europa van na de Eerste Wereldoorlog. Werkelijk een omwenteling van wereldformaat en niemand heeft hier naar gekeken. Misschien heb ik veel gemist, doordat ik onder een steen zat.

De Oktoberrevolutie, slechts een heel kort moment in het geheel maar wel een heel belangrijke, werd wel een beetje herdacht in een enkele krant, maar verder kwamen wij hier in Nederland toch niet dan een verslag van de moord op de tsaar en zijn familie. Een onderzoeker heeft wel overtuigend bewijs kunnen leveren dat Lenin gefinancierd werd door de Duitsers, waardoor zijn actie in een wat minder overtuigend daglicht komt te staan. In Rusland zal misschien wat meer aandacht aan deze gebeurtenissen besteed zijn, maar daarover werden wij niet ingelicht. Het is vooral Stalin dit op dit moment een geliefd onderzoeksobject is. De moord op de tsaar is trouwens het dieptepunt van de gehele onderneming, maar werden wij ingelicht over het feit dat bij de troonsbestijging van Nicolaas II zoveel mensen het leven lieten doordat het gerucht ontstond dat behalve wijn, brood ook huis en land vergeven zou worden? Precies in de jaren van de allergrootste landbouwcrisis? Meer dan duizend doden en de festiviteiten gingen gewoon door, al bezochten het koningspaar wel de gewonden en kregen de overlevenden 1000 roebel voor het geleden verlies van een familielid. Dit mocht echter niet baten: de slechte naam en faam was gevestigd. Ach ja, wat is het gezegde, een goede naam komt te voet en gaat te paard.

Toch is er een prachtige serie op Netflix te zien, die ik iedereen wil aanraden met als omineuze titel ‘Road to Calvary’. Het is een verfilming van een deel uit de trilogie van Aleksey Nikolayevich Tolstoy (1883-1945) een zeer, zeer verre verwant van de grote Tolstoy. Deze trilogie bestaat uit ‘Zusters (1921-1922)’, ‘het Achttiende Jaar (1927-1928’) en ‘een Dreigende Ochtend (1940-1941)’ ()vertalingen uit het Engels van mijzelf, ik beheers nu eenmaal geen Syrillisch). De schrijver kreeg in de jaren dertig een prijs voor dit werk van Stalin. De serie gaat over de zusters Dasha en Katya Bulaviny afkomstig uit Samara die tot de intelligentsia van Rusland gerekend kunnen worden en na de omwenteling in 1917 een drastische andere invulling moeten gaan geven. Ik denk wel eens, hoe zou ik dat doen na zo’n gebeurtenis? De titel van de serie is volgens mij compleet verzonnen en de boodschap van de met de Duitsers heulende Lenin komt hier ook in terug. Voor mij nieuw, eerlijk is eerlijk. Wat vooral opvalt is dat het oproerige volk in alle lelijkheid en afstotelijkheid wordt afgeschilderd, wat het natuurlijk ook had, want anders kom je niet op deze manier in opstand en dat de gegoede stand echt geen idee had wat er met hun landgenoten eigenlijk aan de hand was. De aftiteling geeft trots aan dat de nakomelingen van de hoofdpersonen nog steeds onder ons wonen. De ene man is gesneuveld in 1941, de andere door Stalin terecht gesteld, de oudste zuster Katya is tijdens de Zuiveringen verdwenen en de jongste Dasha kreeg de dankbare taak om de jongere generatie op te vangen en groot te brengen. Zij is als enige van ouderdom gestorven. Snel doornemen van de historische feiten maakte dat deze serie toch zeker wel klopt, zeker de situering van Samara als belangrijke locatie in de strijd en de manier waarop de derde parij, de ‘Groenen’ of de ‘Zwarten’ werden afgeschilderd. Deze verzamelgroep bestond vooral uit de boeren die tegen de Roden (het proletariaat) en de Witten (adel en burgerij) streed. Grof gezegd natuurlijk, want zoals het verhaal vertelt is het nooit een zaak van wit of zwart geweest, in dit geval rood en wit.

Nieuwsgierig naar méér geromantiseerde Revolutieverfilmingen uit Rusland kwam ik op een verfilming van het leven van Trotsky. Dat is in ieder geval een voortbrengsel van te grote geschiedsvervalsing in in ieder geval de moord op hem. Dit maakt huiverig voor de kwaliteit van de rest van de serie. Of ik mijn tijd hier mee ga verdoen? Denk het wel, bij gebrek aan betere tijdsbesteding, overigens blijft het Russisch makkelijker in mijn geheugen hangen dan ik dacht.

Het herdenken van hoogte- en of dieptepunten in een land dat één land wil zijn, is een zaak van aandacht en vooral van overwicht van een onafhankelijk instituut, organisatie of commissie van wijze mensen o.i.d. En vooral de manier waarop wij herdenken. De lieux de mémoires die zonder enkel voorbehoud worden opgericht, de geschiedsvervalsing die uit geschriften, documentaires, tentoonstellingen en geschriften spreekt is een zaak van nationaal belang, ook al voelen m.n. locale overheden zich hierin vrij. Geschiedenis wordt in een kleinere context zo anders beleefd dan in een groter verband. Religie is emotie, maar geschiedenis ook, zeker op locaal niveau.

De nationale overheid, Den Haag, is dus belangrijker dan zij wil zijn sinds zij ervoor gekozen heeft zich te willen terugtrekken. De terugtrekkende overheid is misschien een logische stap in de toekomstige stadsprovincie in de Randstad, maar niet voor de randgewesten en is heel verkeerd geweest. Zeker in combinatie met de vrije marktwerking die de overheid omarmde. Hier, in de periferie is juist een sterke nationale overheid nodig om het gekinnesin op locaal niveau te voorkomen en vooral om eenheid te bewaren en te zorgen dat het geld bij degenen komt die het echt nodig hebben, niet die het hardst schreeuwen. Méér geld naar de provincies zeker, maar als het gaat om onderwijs, wetenschap en cultuur niet zonder voorbehoud. En voor religie al helemaal niet. Streven naar een volkomen seculiere maatschappij is, denk ik verstandig, niet omdat ik tegen kerken of geloofsgenootschappen heb, maar om zij haaks op de democratie staan. Terug naar de huiskamer en de deur dicht voorlopig. Het is niet voor niets dat wij geen staatsgodsdienst hebben, het past in onze traditie een volkomen seculiere staat. In feite zijn de politieke partijen op confessionele grondslag toch ook een belediging voor onze democratie? Thorbecke had dit toch echt niet gewild.

Eisen vooraf stellen is natuurlijk maatschappelijk onaanvaardbaar, maar arbitrage achteraf zou toch mogelijk moeten zijn. Gewoon, wat heb je herdacht en waarom? En vooral, waarom heb je dit zo gedaan? Misschien hebben wij door voor de Eerste Wereldoorlog te kiezen en niet voor de Russische Revolutie ook op nationaal niveau een verkeerde beslissing genomen.

 

januari 2019

Mijn Friesland, mijn beelden, deel II

Na een wat roerige week voor wat betreft mijn ervaring met je reinste geschiedvervalsing tot een ernstige vorm van geschiedsvervorming, graduerend van Redbad, via de tentoonstelling in Tongeren over Stonehenge naar de recente wetenschappelijke literatuur over ultramontanisme, ga ik weer over tot het opvoeren van mijn sequentie van Friese beeld-ontwerpen. Sommige dateren al weer van na mijn tijd in Leeuwarden, maar ademen toch wel dezelfde sfeer uit. In de volgende volgorde: Barende vrouw (op de plaats waar nu de idioot grote pederastische portretten van kinderhoofden staat), Odysseus komt aan land (te plaatsen ergens aan een mooie kust met niet al te veel getijdewerking), Een kind heeft vele moeders (geen voorstel, Bolsward misschien?), Zwangere vrouw van wie de vliezen breken (ook in Franeker), Moeder met kind (lekkende borsten in Sneek), Voldragen kind in baarmoeder ergens waar water stroomt door de baarmoeder heen en Adam en Eva in Dokkum.

Ach, zo richt je vanachter je pc hele steden opnieuw in. Nu maar niet hopen dat psychiaters mij van grootheidswaanzin gaan verdenken of van manische episoden zoals twee jaar geleden gebeurde in een post-kanker schrijfgroep. Ik ben nu eenmaal iemand die snel werkt,schrijft, leest en denkt. Kan het ook niet helpen.

Overigens zou ik het geweldig vinden als deze beelden ook gebruikt kunnen worden als speeltoestellen, klimrekken of gewoon picknickplaatsen waar drinkwater in ruime water stroomt en mensen lekker kunnen zitten in de Friese zon met de Friese wind in hun haren.

De toepassing van kleur blijft nog wel een punt: die is onontbeerlijk.

beeldontwerpen 2 (3)

 

 

 

 

 

 

 

 

odysseus

 

 

 

 

 

 

 

 

beeldontwerpen 2 (8)

 

 

 

 

 

 

 

 

DSC_0311

 

 

 

 

 

 

 

 

beeldontwerpen 2 (5)

 

 

 

 

 

 

 

 

beeldontwerpen 2 (4)

 

 

 

 

 

 

 

 

beeldontwerpen 2 (13)

 

 

 

 

 

 

 

 

Of bijzondere constructies met een ijzeren stellage. De figuren mogen wel plastischer zijn Boven op een dijk misschien?

DSC_0312

 

januari 2019

Mijn Friesland, mijn beelden 1995

DSC_0305

Voordat ik een blog ga wijden aan ‘Redbad’, de geflopte speelfilm over Radboud, koning der Friezen heb ik mijn eerste ontwerpen voor monumentale beelden uit een map geplukt en gefotografeerd. Het is werk dat mij zeer dierbaar is en waar ik nog steeds tevreden over ben al zijn ze, behalve de zwangere vrouw, nooit verder gekomen dan de ontwerpfase. Het moesten dynamische beelden worden die in een groots en wijds landschap tot hun recht zouden kunnen komen, geïnspireerd als ik was door Friesland. Want ja wat is dat landschap beeldend inspirerend.

DSC_0296

Ik had behoefte om dit werk te recyclen na de eerste drie afleveringen van ‘Redbad’. De film is niet slecht hoor, historisch zitten er interessante elementen in die aansluiten bij mijn, na zoveel jaar katholieke hersenspoeling gewijzigde inzichten in onze christianisering. Een wijziging van inzicht die echt begon met de tentoonstelling ‘Credo’ in Paderborn.

Maar de idiote manier echter waarop in deze film vrouwen worden neergezet…… er zullen zeker walküren geweest zijn onder de friezinnen of schikgodinnen, maar het is wel erg grotesk allemaal. Zo realistisch als de mannen neergezet worden, zo karikaturaal de vrouwen. Jammer, het had een hommage aan de Friese vrouw kunnen worden.

Maar goed in 1995 was ik wel in een hele gevoelige fase, één jaar na de geboorte van de oudste. Dit had overal zijn weerslag in, maar vooral in het werk dat ik maakte vol overgave op een zolderkamertje. En ambitieus: niet dat kleine, gedetailleerde, maar groot, groter, groots. In beton gegoten beelden op een dijk, aan het eind van een polderweg, op de kruising van polderwegen of aan de rand van het water, de kust, of nog liever in het water moesten het worden. Het begrip dat het land inderdaad binnen niet al te lange tijd onder water zou komen te staan, was er nog niet. Dat zou nog een paar jaar duren.

Voor sommige beelden had ik concrete locaties op het oog, waaronder ook het Bos van Ypey waar je op prachtige doorzichten beelden zou kunnen neerzetten. Niet te voorzichtig. Je kunt ze altijd weer weghalen als het niet bevalt.

De documentaire of de monumentale fonteinen in de provincie deden mijn wenkbrauwen ook optrekken. Wat moet ik hier nu van denken? Net als over Redbad wil ik het daar nu niet over hebben. Zulke mooie kansen voor prachtige monumentale beelden, die beeld zijn in de ware betekenis van het woord. Geen constructies of concepten, maar gewoon beeld, zoals de Friezen gebeeldhouwd zijn (denken ze zelf) en dan ook gewoon nog fontein.

DSC_0309

Toen ik  de locaties voorbij zag komen, dacht ik direct aan de windhoek bij de kerk in Franeker als ‘mijn’ plek. Ik zag daar wel mijn zittende moeder met kind staan met pronte tieten die melk (water dan) in grote stralen uit zouden spuiten wel staan. In de harde wind af en toe alle kanten opzwiepend en zo iets van de Friese mem verbeelden. Of de barende vrouw die een inmense hoeveelheid vruchtwater over de Franeker straatstenen uitstort. Maar goed mijn onwerpen kwamen letterlijk voort uit het bloed en de bodem van Friesland en zijn heel erg van mijzelf.

De monumentaliteit van de ontwerpen deden de toelatingsexaminatoren denken dat ik op mijn plaats zou zijn in het beeldhouwatelier. Maar hoewel ik grootse ontwerpen maakte, dacht ik in die tijd nog helemaal niet groots, hoewel mijn beste werk daar dat predicaat uiteindelijk wel zou krijgen in de zin van afmetingen dan. Ik dacht uiteindelijk heel klein en zielig, voelde mij ook zo. Zoveel kunstenaars, zoveel ego. Dat valt niet mee.

Jammer dat deze ambitie zo gefnuikt werd, denk ik wel eens, maar ik heb het zelf laten gebeuren. Het was gewoon nog te vroeg voor dit soort beelden, althans in het netwerk waarin ik deze presenteerde. Daarbij zag men mij het niet doen of zo. Ik kreeg té vaak te horen bij wie of waar ik mijn inspiratie vandaan haalde. Ik was toch kunsthistoricus, geen kunstenaar. Bij iedere presentatie stond er wel een docent hard na te denken of hij een visueel voorbeeld kon opduikelen in zijn geheugen. De opvatting dat die twee disciplines juist gecombineerd zouden kunnen worden kon er bij de rechtgeaarde Groningers niet in. Misschien ook wel omdat het niveau niet goed genoeg was hoor. Kan natuurlijk ook. ‘Wij kunnen niet allemaal een tien halen’, placht mijn moeder wel eens te zeggen. Maar heel eerlijk: zijn de fonteinen die er nu staan, nu zo goed als kunstwerk bedoel ik? Laat staan als fontein?

DSC_0300

 

De titels in willekeurige volgorde zijn ‘Moeder met kind op schoot’, ‘Moeder met kind’, ‘Mannen met vondeling’, ‘Romeo en Juliette’, ‘Odysseus en zijn gezellen komen aan op het eiland van de lotofagen’, ‘Drie gratieën’, ‘Een kind heeft vele moeders’, ‘Jonassen’, ‘Vader met kind’ en ga zo maar door. Omdat het het programma problemen geeft, krijg ik niet alle beelden geïmporteerd. Wordt ooit vervolgd, zal ik maar zeggen.

 

 

DSC_0298

 

 

 

 

 

 

DSC_0306

 

 

 

 

 

 

 

 

DSC_0299

 

 

 

 

 

 

DSC_0304

 

 

 

 

 

 

 

 

DSC_0310

januari 2019

Landscapes of You, Mother Earth. Part two: Norway

DSC02049

DSC02050

IMG_1425

IMG_1440 (2)

IMG_1472

IMG_1503

IMG_1843

IMG_1844

IMG_1845

IMG_1846

IMG_1856

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

 

 

december 2018

Landscapes of You, Mother Earth. Part one: Danmark

IMG_2049

 

 

 

 

 

 

040

 

 

 

 

 

 

IMG_1918

 

 

 

 

 

 

IMG_0959

 

 

 

 

 

 

IMG_0953

 

 

 

 

 

 

 

 

037

 

 

 

 

 

 

 

IMG_0970

 

 

 

 

 

 

All pictures were taken in my digital years from 2009 on in spring and early summer.

december 2018

Sinterklaas: een 19e eeuwse nationalistische roomse promo-heilige

Laten wij het nu eens over de hoofdpersoon in de Zwarte Pieten-discussie hebben: Sinterklaas of te wel Sint Nicolaas in het Engels Santaclaus. Voor zover bekend alleen in Nederland in deze vorm op 6 december zo geheiligd. Een verering die door alle lagen van de Nederlandse bevolking gevierd wordt en leidt tot een soort nationaal ‘feest van de hebzucht'(woorden van mijn vader).

Helemaal waar is de titel natuurlijk niet. Sceptische lezers weten dit direct: Sint Nicolaas is een van de oudste en meest gevenereerde heiligen in heel West- en Oost- Europa. Lees het betreffende lemma op wikiwand er maar op na en zijn patronaat strekt zich uit over belangrijke steden, waaronder Amsterdam en over vele beroepsgroepen. Zijn beschermheerschap over kinderen, zowel jongens als meisjes is vooral fabuleus en de aanleiding voor het feest hier.

Minder bekend is het feit dat hij behalve patroon van de kuipers ook de beschermheilige van de bankiers is. Lees hierover Pensionados of the Past (2015) Sint Nicolaas: beschermheilige van bankiers. Een blog van Jaco Zuijderduijn, dat ik maar eens ga volgen vanwege de hele interessante thema’s die hij behandelt. Je hebt nu eenmaal bloggers en bloggers en ik neig deemoedig het hoofd.

In mijn hoofdstuk voor mijn nooit te verschijnen proefschrijf wijd ik veel woorden aan de nieuwe 19e eeuwse devotie en som ik alle heiligen en predikers op die een hoofdrol spelen in deze periode spelen. Eén echter heb ik tot mijn grote verbazing helemaal vergeten, Sinterklaas. De man is zo gemeengoed geworden, ook in mijn beleving dat ik de ware aard van zijn aanbidding niet eens meer op het juiste moment naar boven wist te halen. Juist in Nederland met de hoofdstad Amsterdam, in de periode van het katholieke réveil, de tijd waarin de slavernij eindelijk officieel wordt afgeschaft (was Nederland niet het laatste land? Toch op zijn minst één van de laatsten) en de periode waarin het anti-semitisme in heel West-Europa vorm begint te krijgen komt de Goed Heilig Man uit Spanje met appeltjes van Oranje om kinderen te belonen die gehoorzaam zijn geweest en stoute kinderen te laten slaan met een roe en in een zak te ontvoeren. Zijn hulpje is roetzwart en lijkt in alles op de lieve Moriaantjes over wie onze voorouders schattige liedjes zongen.

De term anti-semitisme mag ik wetenschappelijk gezien in deze contekst nog niet gebruiken overigens. De term, gemunt door Wilhelm Parr in het midden van de jaren zeventig van de 19e eeuw is dan nog niet gangbaar. Althans, wij hebben daar geen schriftelijk bewijs van. Ik vraag het mij af.

Behalve beschermheilige van de kuipers (werden christelijke jongetjes niet in kuipen opgeborgen nadat ze gekookt waren of van hun bloed waren verlost door Joden) is Sinterklaas dus ook de beschermheilige van de bankiers. De drie gouden ballen die tot zijn attributen behoren vind je regelmatig terug op de uithangbordjes van banken van lening, zoals blijkt na lezing van het blog van Zuijderduijn. Hadden Joden ook niet iets met geld? Zaten zij ook niet in het bankwezen, maar dan misschien altijd aan de verkeerde kant. Waren zij niet de vaak frauderende en onmenselijke geldschieters en leners als het zo uitkwam?

Ik heb geenszins de pretentie om de vaderlandse heiligen allemaal te screnen op anti-semitisme en racisme en zo de canon onderuit te halen, maar ik geloof dat je met Sinterklaas best een heel eind kunt komen als je er even voor gaat zitten. Met Amsterdam met haar sterke en trotse katholieke bevolking,  met joden die hun hoge vlucht en grote aandeel in de economische welvaart na de Franse Revolutie konden bereiken en zo een serieuze concurrentiepositie in gingen nemen en de afschaffing van de slavernij, die vermoedelijk toch wel een aderlating voor de Nederlandse economie betekende. Het zou zo maar kunnen dat dit allemaal in onze lieve Sint samen komt.

Sinterklaas, niet alleen racistisch, maar ook nog een antisemitisch? Was er al een aanleiding om eens na te denken over Zwarte Piet, nu zou dan Sinterklaas zelf ook nog eens onder het vergrootglas gelegd kunnen worden door onze historici.

Ik wil het Sinterklaasfeest niet verbieden hoor, in tegendeel, maar ik pleit wel voor een kleinere schaal waarop het feest gevierd wordt. Gewoon op een school waar voldoende draagvlak is voor dit feest, met zo min mogelijk karikaturale beeldvorming. Want laten wij wel wezen: helemaal ongelijk hebben de anti-pieten niet en al veel langer hebben zij deze frustratie beleefd. Dat wij dat nu pas horen omdat er een generatie heel hard is gaan schreeuwen en dreigen, ligt ook wel een beetje aan onze vooringenomen doofheid. En hoe wij er nu op reageren is helemaal een uiting van grote arrogantie.

Willen wij de vrede bewaren dan kunnen wij, witte Nederlanders best ook wel iets meer aan integratie gaan doen en misschien wat meer toegeven op dit kinderfeest dan eigenlijk de diep in ons hart de bedoeling is. Het hoeft niet voor de eeuwigheid te zijn. Ook ik zal hem missen hoor, maar de kerstman is toch ook heel leuk! En veel minder stressvol voor onze witte kinderzieltjes die vooral in de decembermaand gebukt lijken te gaan onder de grote spanning, zo hoor je vaak bij tegenvallende kerstrapporten.

Laten wij er gewoon in goed Nederlands Santaclaus van maken en zijn boot zoveel vertraging op laten lopen dat hij net op tijd voor kerst in Nederland aankomt. Dan heeft het Sinterklaasjournaal ook weer een leuk nieuw onderwerp en kan het reisverslag misschien over de Noordpool gaan. Hebben wij ook weer wat groens in de mythe kunnen stoppen.

november 2018

Sbrenica, ‘die Juden vom heiligen Stadt Cölln’ en mijn ‘rembrandtteske tekenboek’

 

mijn rembrandteske tekenboek (32)

Een belangrijke bron voor mijn kennis over de achtergronden van onze neokoloniale wereldorde is ‘The Modern World-System III. The Second Era of Great Expansion of the Capitalist World-Economy 1730-1840s’ van Immanuel Wallerstein uit 1989 en dan vooral het eerste hoofdstuk. Hierin schets Wallerstein de achtergronden van het huidige religieuze geweld en als één van de oorzaken hiervan wijst hij op Sbrenica, de moord op zoveel moslim-mannen onder toeziend oog van de VN, of eigenlijk ‘onze jongens’. Waar een klein land groot in kan zijn, zal ik maar zeggen. Ik geloof niet dat wij hier ten lande een dergelijke heftige interpretatie aan die gebeurtenis gegeven hebben, behalve dan het benadrukken van de onontkoombaarheid van het gebeuren en het bagatelliseren van ons aandeel. Gelukkig dat blijkbaar de Jihadisten de VN als doelwit gekozen hebben voor hun acties en niet Nederland.

mijn rembrandteske tekenboek (17)

De gedachte om het thema religieuze haat bij de kop te nemen had ik al aan het begin van de afgelopen week: nog voordat de aanslag in de synagoge in Pittsburgh plaatsvond. Een uit de bocht vliegende anti- semiet en dito islamiet ging er even helemaal voor, daar in de synagoge op het eind van de sabbat. Het oplevend antisemitisme en anti-islamisme bij witte mannen is inmiddels een erkend fenomeen, al decennia terug onderkend, maar nooit verwacht weer terug te keren. Toch is dat wel gebeurd en veel sneller dan wij gedacht hadden. De schuld wordt allerwege bij onze Donald gelegd, maar deze chargering gaat te ver. De onvrede onder de grote groep blanken, zowel mannen als vrouwen was al langer heel groot en gaat veel verder terug. Ze lijkt de teleurstelling en gefrustreerdheid van hun grootouders mee te nemen en te combineren met  de onvermijdelijke terugval op de sociale ladder of het gebrek aan mogelijkheden een treetje hoger te komen.

mijn rembrandteske tekenboek (18)

Religieus geweld en dan vooral anti-semitisme lijkt in ons DNA te zitten. Ik heb hiernaar een studie gedaan op basis van het werk uit de neogotische Utrechtse school van het S. Bernulphusgilde. De teksten liggen klaar om gepubliceerd te worden, maar de drempels die ik opgeworpen krijg door zgn. peers zijn zo hoog dat mij de moed in de schoenen zinkt. Toch weet ik dat ik het bij het rechte eind heb, niet overdrijf en zeker geen vooringenomen houding inneem. Ik kwam namelijk pas na een paar jaar intensieve studie op het fenomeen religieus anti-semitisme uit en was daarvan méér dan ik verwachtte, behoorlijk ondersteboven. De beoordelaars die ik tegen kom gaan de kerk en koninkrijk verdedigen tegen deze zoveelste ondermijning van haar gezag en dreigen met sociale uitsluiting als ik op dit pad verderga. Maar soms kom je op een pad terecht waar je niet meer van af kunt wijken, ook al wordt er karaktermoord op je gepleegd. Het is ook niet makkelijk te accepteren dat een verschijnsel als de shoah helemaal geen nazistisch fenomeen is, maar een logisch vervolg op een ontwikkeling waarin kerk en koning de geesten gevormd hebben.

mijn rembrandteske tekenboek (11)

Natuurlijk had ik ook wel liever op een onderzoek uitgekomen waaruit bleek dat het werk en de mensen die ik onderzocht waard waren om behouden te blijven voor het nageslacht. Om het werk dat zij gemaakt hebben te redden en goed in de markt te zetten. Dat zou mijn verdienmodel, dat ik overigens niet heb, verbeteren, maar zo werkt het niet. Je hebt nog zoiets als je geweten en de wens om altijd aan de juiste kant van de geschiedenis te staan. Dat is vaak dat van het slachtoffer overigens.

mijn rembrandteske tekenboek offer van abraham 2(30)

Dat ik een kruistocht tegen de kerk wilde beginnen, zoals een ‘peer’ meende, is ook geenszins het geval. Het tegendeel, de aanzet tot het onderzoek is vanuit het tegenovergestelde gestart, maar dat de tussentijdse uitkomst de gevestigde orde niet bevalt is een onverwacht neveneffect. Ik wist niet dat de Nederlandse wetenschappers ongewenste uitkomsten zo makkelijk kunnen wegvegen. Ik vermoed dat zoals altijd, er meer geld achter zit en angst voor reputatieschade dan ik denk. Het is ook wel wat: door goed onderzoek kun je in al deze kerken tot op individueel niveau de exacte bijdrage van een ieder aan de katholieke opleving in de 19e eeuw in kaart brengen dankzij onze archiefzorg en als deze archivering heden ten dage net zo goed is, dan kan je het onderzoek daarnaar ook nog eens minutieus uitpluizen.  Maar nog even terug naar de kerk: nee een kruistocht tegen de roomse kerk is helemaal niet mijn doel. Geen haar op mijn hoofd die daaraan zou denken. Ik denk wel dat het belangrijk is dat ‘de kerk’ (wie zijn dat nu precies) er goed aan doet de recente geschiedenis heel goed te laten onderzoeken en te documenteren door onafhankelijke onderzoekers en niet door geromaniseerde gelukzoekers die nog een graantje van het rijke roomse leven willen meepikken in deze barre tijden. Ik las ergens dat de kerk het best helemaal opnieuw zou kunnen beginnen. Niets is mooier dan een nieuwe start na een grote schoonmaak en na een man, een man en een paard, een paard genoemd te hebben.

mijn rembrandteske tekenboek (14)

Een bevestiging van mijn opvatting en interpretatie las ik in een in 2006 heruitgegeven Duits boekje ‘Die Juden von Cöln. Ein historischer Roman’ van Wilhelm Jensen met een voorwoord van Frank Schätzing. Jensen schreef het verhaal in 1867, publiceerde het in 1869 en daarna nog een keer in 1897. Voor kenners van deze decennia geen onbekende jaartallen. Hij schrijft: ‘die Raubtiernatur des 14.Jahrhunderts…wieder im Deutschen Volk zu erwachen scheine und nach seiner alten Beute brülle. Das “helleTageslicht der Erkenntniss” werde erneut von Trug, Heuchelei un Dummheit verdunkelt.”‘ Wilhelm Jensen leefde van 1837 tot 1911 en was een generatiegenoot van Wilhelm Mengelberg. Jensen was geen scribent, maar een gerespecteerd auteur die met één van zijn novelles ‘Gravida’ Siegmund Freund inspireerde tot zijn psychoanalytische interpretaties van het geschreven (gepubliceerde) woord. Het verhaal van de jood Freud die een bezoek wilde brengen aan de Dom van Keulen maar niet wist hoe snel hij de eerstvolgende trein terug moest nemen naar huis na de antisemitische sfeer geproefd te hebben is nagenoeg bekend. Net als het feit dat de vader van de jood Einstein aan de Munster van Ulm een object schonk om de katholieken in de stad milder te stemmen, tevergeefs overigens. Helaas kan ik zo snel niet de juiste gegevens er bij pakken. Ulm, zo’n belangrijke stad in het verhaal over Mengelberg en de kerken die in het kielzog van de Dom van Keulen eveneens gerestaureerd, gerenoveerd of gecompleteerd werden. Het object was geloof ik een Heilig Hart-beeld: een jood die een Heilig Hart-beeld schenkt aan een ultramontaans Munster. Prachtig toch?

Het heeft geen zin om het verhaal van Jensen te resumeren. De opvallende details uit dit relaas van de pogroms na het uitbreken van de pest in 1349 in Keulen en omgeving voor mijn verhaal over de neogotische kunstenaars zijn, behalve de beschrijving van het getto en de hele duidelijke scheiding tussen de christelijke en de joodse stad in willekeurige volgorde, de vergiftiging van de bron waardoor de pest zou zijn uitgebroken, een aan lager wal geraakte jonker die zijn schulden aan een rijke jood niet kan aflossen en zo de schuld van de pest en de bronvergiftiging op de joden probeert te schuiven, de optocht van de flagellanten die aangevoerd wordt door een ‘wonderdokter’ met een ‘slangenstaf’ (waar heb ik die eerder gezien?), de joodse donkere vrouw en de christelijke blonde schone, het uiterlijk als indicatie voor joods zijn en de hysterie daarover, bloedzuiverheid en bloeddorst, de bewaking van de poort van het getto en vooral de grenzeloze domheid, redeloze angst en godsdienstwaanzin van de veertiende- eeuwer (en de negentiende-eeuwer).

mijn rembrandteske tekenboek (21)

Niet voor niets werd dit boekje in 2006 opnieuw uitgegeven met als doel het tot verplichte literatuur te benoemen voor middelbare scholieren. In die tijd werd er al gesproken over ‘Scheitern einer Multikulti-Gesellschaft’. Alweer 12 jaar geleden. Af en toe bekruipt mij het gevoel dat het teruggrijpen op de middeleeuwen in de 19e eeuw misschien wel helemaal niet zo veel te maken had met de utopie van een christelijke maatschappij die men najaagde, maar meer met het gewoon weer opnieuw willen inrichten van getto’s in de steden. Ook de expressionistische aandacht voor de stad met de kerk als middelpunt lijkt in die richting te duiden. Wat moet de paus het slecht gehad hebben toen pas in 1871 de twee getto’s in zijn stad gesloten moesten worden en de joden niet meer verplicht werden het rode vierkantje op hun kleding te dragen. Alleen in het oosten van Europa kwamen in die dagen op enkele plaatsen nog getto’s voor. Racisme en antisemitisme van dit slag zien wij nog steeds terug in een jaarlijks feest ergens in Spanje waarin ‘zwarte pieten’ met een rood vierkantje op hun kostuum door de stad dansen. Ook in de pauselijke staten kwam er een einde aan het antisemitisme door de opheffing van de getto’s en de joden- slavernij door de kerk. Er zijn zoveel reisbeschrijvingen die melding maken van joden, die als slaven uit Rome naar de omliggende landerijen gaan om daar het land te gaan bewerken (de moerassen). Mijn partner is hiermee aan de gang gegaan en kan zo een hele lijst overleggen, met de kunstenaars die het landschap hebben vastgelegd.

mijn rembrandteske tekenboek (2)

De uitdrukking judeo-christelijke wortels, als het gaat om onze religieuze fundamenten aan te duiden is de belachelijkste die ik ooit gehoord heb. Het jodendom werd, zelfs in economisch welvarende tijden extreem buitengesloten uit de christelijke samenleving. Er is niets aan gemeenschappelijk fundament te bekennen. En als het gaat om de beeldende kunst dat moet de inmiddels met de vut gegane Benedictus zijn huiswerk nog maar eens overdoen en zijn Jodenbrief herschrijven in termen van subsitutie en niet van prefiguratie. En behalve het doorgeven van de beeldtaal, heb ik het nog niet eens over de herhaling van emoties die almaar voorkomt, generatie na generatie. Dit, in combinatie met de apocalyptische vrees aan het eind van de 19e eeuw maakte de religieuze beleving van de wereld tot een kruitvat, waaruit alleen de allersterkste naar boven kon komen. Niet voor niets heeft Evans dit tijdsgewricht gekenmerkt als het meest naar macht strevende tijdperk ooit. Bloeddorst, graalideologie, bloedwonder, eucharistie, bloedwraak, bloed van christenkinderen, zuiverheid van bloed ga zo maar door. De 16e eeuw komt er bijna nog rooskleurig vanaf.

mijn rembrandteske tekenboek (8)

 

 

 

 

 

 

 

 

Rembrandt leefde tenmidden van joodse sjacheraars in de 17e eeuw. Een eeuw van relatieve rust in dit opzicht, net als de 18e. Maar misschien is dit nog niet goed onderzocht. Rembrandt was het idool van Wilhelm Mengelberg en van vele Nederlanders in die tijd. Wilhelm afficheerde zich niet altijd en overal als Nederlander, in tegendeel zelfs, hij kreeg juist in Duitsland mooie opdrachten omdat hij geen Nederlander was geworden en daar ook bewijs van kon overleggen. Misschien dat hij dit compenseerde met een rembrandttesk uiterlijk, dat door de natuur gegeven wel een beetje bij hem paste. Teminste bij bepaalde zelfportrtetten van Rembrandt dan. Het is een interessant detail uit mijn verhaal over de persoon Wilhelm Mengelberg, althans dat vind ik. Voor mij is Rembrandt evenzeer een interessant figuur en al heel lang. Vooral toen mijn man op de rommelmarkt in de Waterstraat in Utrecht in 1984 een ets van Rembrandt voor zes gulden op de kop kon tikken. Het was ‘veni, vidi, vici’ en wegwezen. Wij zaten in het cafeetje bij Vredenburg de aankoop te bekijken. En waren er van overtuigd een echte Rembrandt. Nou ja, na wat studie en raadpleging van het de experts in het Rijksmuseum was het een bijna echte Rembrandt. Het was een afdruk van de originele plaat op het originele papier vlak na de dood van Rembrandt en kort voor de verkoop van dit materiaal naar het buitenland. Wij waren en zijn trots op de aankoop, waar in ieder geval mijn parnter het collegegeld van net geen twee jaar studie eruit heeft gekregen. Verder zijn wij niet gekomen: ik helemaal niet en hij twee jaar. In ieder geval is Rembrandt onze icoon, wij hebben tot een zeker jaar alle boeken over hem gekocht en tentoonstellingen bekeken. Mijn man heeft met zijn compagnon nog een gedichtenbundeltje samengesteld en ik ben op enig moment met mijn tekeningen naar Rembrandt begonnen. Ik had ooit graag mijn onderzoek naar de pre-Rembrandisten willen voortzetten, maar ook toen werden er al zoveel drempels opgegooid door ‘peers’ dat ik uiteindelijk de Turkomanie koos. Daar was nog niemand mee bezig en het interesseerde mij mateloos: de multi-culturele geschiedenis van onze maatschappij.

mijn rembrandteske tekenboek (25)

 

 

 

 

 

 

De aanleiding voor het kopiëren naar Rembranct  was de opmerking van Geurt van Dijk, een heel geliefde docent tekenen in Groningen, dat ik nu maar eens alleen moest gaan tekenen wat ik echt zag. Om mij dat eigen te maken kon ik het best het werk van Rembrandt gaan kopiëren. Het heeft nog meer dan een decennium geduurd voor ik zijn raad opvolgde. Eerst was er een doodgewoon dummieboek dat de juiste afmetingen had en vervolgens de juiste de pen, een pilotpen, zwart met gummetje. Toen ging het natekenen vanzelf. Ik koos voor een eigen aanpak door vanuit het meest zwarte of donkerste plekje op het werk van Rembrandt te beginnen en vandaaruit de tekening op te bouwen zonder mijn pen van het papier te halen. Dat lukte natuurlijk niet altijd, maar de resultaten zijn eigenlijk niet eens zo slecht. Eigenlijk is geen enkele tekening mislukt en misschien niet altijd een geslaagde kopie naar de grote meester, maar toch in zichzelf een geslaagde tekening. Ik heb al zijn zelfportretten nagemaakt en kwam daarin een sombere, boze man tegen. Niet de onnozele grijsaard zoals hij werd afgeschilderd in een oudere Duitse film, nog steeds onze favoriet. Maar gewoon een boze, bange man. Natuurlijk is zijn economische status niet altijd geweldig geweest en zullen de tijden van armoede grote invloed op hem hebben gehad. Ook het liefdes- en gezinsleven was voor hem niet heel gelukkig door de vroegtijdige dood van zijn geliefden.

mijn rembrandteske tekenboek (24)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zijn belangrijkste werk, de Nachtwacht is eigenlijk in kunsthistorisch opzicht maar een raar schilderij. Ik ontmoette het werk toen ik een jaar of elf was samen met mijn vader. Wij bekeken het en mijn vader wees mij op enkele details, vooral het meisje intrigeerde hem. Wij hadden het ook over het grote verschil met de schutterstukken die in het museum in Goes hingen. Die kende ik maar al te goed, vooral die ene waar een schutter met zes vingers op staat. De oud-hopman van de verkenners vond de club van Bannink Cock maar een ‘ongeregeld zooitje’ en dacht er het zijne van. Bij de middeleeuwse stukken wees hij mij op de varkens bij de heilige Antonius en de akelige koppen van de joden bij de kruisigingsscenes. Wij oefenden ook de heiligen: ‘Wie is de heilige Ursula, S. Maarten of de H. Laurentius?’ Ik had meestal geen idee, hij gaf dan een aanwijzing en thuis Timmers. Ik heb inmiddels vier drukken in de kast staan.

mijn rembrandteske tekenboek (28)

 

 

 

 

 

 

 

 

De Nachtwacht wordt gerestaureerd met ongelooflijk veel geld, ook de kopie in één van de Limburgse grotten wordt opgeknapt. De teksten die over het werk geschreven zijn, ronken van de kunsthistorische roem die men het vaderland wil geven, maar overtuigen niet echt. Echt niet. Het blijft een te vreemd schilderij, met de vage aanduiding van een poort die men niet heeft kunnen terugvinden, het meisje, helblond en verschrikt en het hondje. Dit meisje is geen mascotte van de Kloveniers. Gelukkig heeft een archivaris veel mensen kunnen traceren op het werk. Knap. Ik heb deze wetenschapper eens ontmoet in de studiezaal van het Amsterdams archief toen ik samen met een medestudente een eerste aanzet tot archiefonderzoek aldaar ging starten. Zij hield een lijstje bij van alle aparte mensen die je in het vak dat wij studeerden wel niet tegen kwam. Hij kwam er ook op. Ach, wij waren nog geen achttien en kwamen allebei van het platteland.

mijn rembrandteske tekenboek (31)

 

 

 

 

 

 

Maar terug naar de Nachtwacht. Een jaar geleden tijden de Zwarte Piet-discussie kwam ik een groep tegen, die spontaan riep ‘daar moet een piemel in’ bij een dame die wat genuanceerder over Zwarte Piet wilde spreken. Als je goed rondkijkt in de maatschappij zie je meer van dit soort groepen, ook wel burgerinitiatieven genoemd. Ze gaan van het geven tot een aanzet om handtekeningen te krijgen een moskee te sluiten tot een heuse burgerwacht om de buurt te bewaken. Het zal toch niet zo zijn dat er toevallig in de periode van de Nachtwacht iets met joden was of zo? Een kleine hetze misschien, een bronvergiftigingetje of een onteerd christenkind? Een vermoord christenjongentje van wie het bloed in de matze terecht kwam, een beetje hostieschennis of misschien gewoon een te rijk geworden jood die weinig geduld had met een schuldenaar van méér aanzien, waardoor op de schobbedebonk een burgerwacht in elkaar gedraaid moest worden?

mijn rembrandteske tekenboek (23)

 

 

 

 

 

 

 

 

Het herschrijven van onze vaderlandse kunstgeschiedenis is een leuke klus: je hebt maar één bril nodig, namelijk die van het anti-semitisme. Je kunt discussiëren over de term, prima, maar op het moment dat deze religieuze haat naar boven komt, steekt ook het racisme de kop en dat alles tegen de achergrond van het graduele verloop van de welvaart. Je kunt ook alle drie delen van Immanuel Wallerstein doorakkeren, maar plaatjes kijken is veel leuker.

mijn rembrandteske tekenboek (20)

oktober 2018

‘The cold song’ en de laatste zomertijd

Een tijd terug was er gedoe over de zomer- en de wintertijd: wij willen er van af. Ik hoop toch zo dat wij nu voor het laatst de tijd verzetten en dan de tijd laten voor wat hij is. Gewoon de heerlijke wintertijd. Zoals in ‘King Arthur’ van Henry Purcell de genius van de Kou teruggehaald wordt De wintertijd hoort bij ons op het noordelijk halfrond, het is onze noordse mythe: het licht en de lange donkerte, de warmte en de intensere kou. Het is deel van onze levenscyclus.

‘What power art thou who from below/ hast made me rise unwillingly and slow/ from beds of everlasting snow?/ See’st thou not how stiff and wondrous/ old/ Far, far unfit to beat the bitter cold?/ I can scarcely move or draw my breath;/ let me, let me, let me freeze again to death.’

(cd Robert Sadin and Sting, 2009  ‘if on a winter’s night’)

oktober 2018

Impressies van geloof, hoop en liefde. Mijn naam is Jezus Christus

mijn naam is jezus christus 1 (1)      mijn naam is jezus christus 1 (2)

 

Over de jaren 1997 tot en met 2018 anno vandaag, heb ik een verzameling impressies van geloof, hoop en liefde bijelkaar gebracht in een geel mapje dat ik gekocht heb in de wereldwinkel in Leeuwarden. Een heerlijk winkeltje waar ik graag kwam en nog steeds kom ik graag in de wereldwinkeltjes, maar niet meer in dat Leeuwarden winkeltje. Nooit meer. Het bestaat vast niet meer en het bestaat niet dat ik nog een voet in Leeuwarden zet. Het mapje is een soort ‘stationary’ waarin zich verschillende papiertjes bevinden, handgeschept, in verschillende kleuren en formaten en vier in de vorm van een laddertje. In de band zit een klein, rond geel potloodje. Aanvankelijk werkte ik hiermee, maar was niet tevreden over het resultaat.

mijn naam is jezus christus 1 (3)

De titel die ik het van begin af aan meegaf luidde ‘Mijn naam is Jezus Christus’, maar na een paar jaar vond ik dat teveel godsdienstwaanzinnig klinken en heb ik het veranderd in ‘Zijn naam is Jezus Christus’ om nu weer de oude volgorde te hanteren, want die heb ik niet voor niets gekozen en er zijn meer kunstenaars die zich openlijk identificeren met de heiland (vooral mannen). Het lijden stond in die eerste jaren centraal: het lijden van vrouwen, maar ook van Christus als vrouw, van Maria als moeder. Ik heb een aantal crucifixen met vrouwenlichamen geschilderd. Niet uniek, bleek. Grote namen waren mij al voorgegaan, maar het voelde wel intens en godslasterlijk. En dat voelt het nog steeds als ik het mapje doorblader en uiteindelijk van de definitieve inhoudsopgave voorzie.

mijn naam is jezus christus 1 (6)

Hoever sta ik nu af van die periode, de jaren na de geboorte van onze oudste? Jaren die toch echt de zwaarste tot nu toe zijn geweest en waarvan ik maar niet wil bekomen. Het voelt allemaal nog zo vers, nog zo dichtbij, nog zo verinnerlijkt op een verkeerde manier. Therapieën hielpen dus niet, medicatie ook niet en ouder worden evenmin. Dat is jammer, dat laatste. Daar had ik wel op gehoopt. Slijten doet het misschien toch wel uiteindelijk. Ik heb natuurlijk tien jaar lang geen acht geslagen op het aanwezige trauma, het onderdrukt, een mechanisme gebruikt dat verdacht veel op dat van de struisvogel lijkt. En dan komt het in het kwadraat op je af. Duurt het dan vanaf 2007 twintig jaar? Als ik 67 word, dan heb ik nog een lange tijd voor de boeg, maar ik ben op de helft.

mijn naam is jezus christus 1 (7)

Nog een paar woorden over godsdienstwaanzin: ik verafschuw dat verschijnsel tot in elke vezel van mijn lichaam. Ik zie er wel eens voorbeelden van: een man die op de grond valt voor een kruis, een wezenloos zittende vrouw die aan het bidden is alsof haar leven er vanaf hangt in haar eigen huis of in een kerk, zelfverminking onder het mom van kastijding als extreme vormen, maar ook the Passion, de Heiligdomsvaart, het luiden van klokken waar niemand om vraagt, reliekenverering in het openbaar en processies. Ik geloof dat daar voor mij de grens ligt: openbaarheid. Devotie in de beslotenheid van een kerk of huis is nog daar aan toe, maar op de openbare weg, daar trek ik toch een grens. Niet dat ik mij schaam of plaatsvervangend schaam, maar omdat het niet democratisch is, niet gedeeld in de hele samenleving, niet gewaardeerd door iedereen en omdat het verkeerde reacties op roept. Stille devotie, devotie van de stilte.

mijn naam is jezus christus 1 (5)

En dan die occupatie met Joden en hun lijden: ook dat komt in dit projectje weer terug. Het kwam al eerder voor, tijdens mijn middelbare schooltijd. Maar ik heb niet zoveel met Jodendom eigenlijk. Ik ben volstrekt geen filosemiet en heb eigenlijk ook een afkeer van slaaplokken, hoeden, tulbanden, gebedssnoeren en dat heen en weer buigen. Ik hoef dat niet te zien in de openbare ruimte. Diaspora-geschiedenis is daarentegen razend interessant en natuurlijk het lijden, het zinloze lijden van een volk dat tot permanent zondebok gemaakt werd omdat het zich niet aanpaste, maar vooral omdat het zich niet mocht aanpassen. Dat ik nu weer met die materie bezig ben is toeval geweest, maar misschien toch ook weer niet. Bij veel onderzoekers was het tot op heden nog niet op hun pad gekomen, wel op het mijne. Vreemd.

mijn naam is jezus christus 1 (4)

De lijst met titels spreekt voor zich en behoeft geen toelichting. Wel misschien dat het lijden van Christus een intense indruk op mij gemaakt heeft en nog steeds doet, niet alleen van pijn maar vooral ook van zinloosheid. Het zinloze lijden van een huilende god. Een essay schreef ik er over. Staat nog ergens op de pc, of niet. In ieder geval is het projectje nu definitief afgerond en kan het resultaat in de tekenla ‘definitief werk’ worden gelegd. Klaar voor de containter op termijn. De genade van de container zal ik maar zeggen, maar genade is voor de zondaar.

mijn naam is jezus christus 1 (8)

 

  1. Jezus Christus is mijn naam/ Jezus Christus is zijn naam
  2. Het Lam Gods I
  3. Vrouwenaltaar van Gerrit Terpstra
  4. De Een en de Ander
  5. Brandoffer
  6. Joden en vrouwen zijn altijd schuldig
  7. Oudste dochter
  8. Eleonora
  9. Venster
  10. Puzzle
  11. Stuk steen
  12. All’Italiana
  13. Nederland-Suriname (kolonie)
  14. Mijnenveld in de Derde Wereld
  15. Want sterk als de liefde is de dood
  16. Strafregels
  17. Davidster
  18. Slachtoffers van de Shoah hebben een naam
  19. Toverwas
  20. God zeg ik
  21. Joden en vrouwen; Andreas Burnier
  22. Ballade van Mauthausen
  23. Mijn ogen zijn jouw ogen
  24. Jezus man van smarten
  25. Pasen 1998
  26. De Heer is waarlijk opgestaan!
  27. Christus triumphator
  28. Het Lam Gods II
  29. Heimwee en nostalgie
  30. Laat de kinderen tot mij komen
  31. Juden raus
  32. Tijd is niets, plaats is alles
  33. Und siehet, die Sonne Homers lächelt auch auf uns
  34. De aarde rond
  35. They have a dream!
  36. Roomskatholiek socialisme: Rooms Rood
  37. The black box
  38. Human rights and the United Nations
  39. Naar Jesaia 1: 18
  40. Veertje op het water I
  41. Veertje op het water II
  42. Liefde tot de hele mensheid
  43. How to explain religion to a dead bird
  44. Bedevaart
  45. Demiurg
  46. De onbewogen beweger
  47. De wereld van ideeën; Plato
  48. Ecce agnus Dei
  49. 11; 19, zachtmoedig lam
  50. Dignus est agnus
  51. Hij is geofferd omdat hij het zelf gewild heeft
  52. Het einde van de goddelijke kunst I
  53. Lam Gods naar Van Eyck
  54. Het einde van de goddelijke kunst II
  55. De talmoedjood Meerssen
  56. Het jodenvraagstuk 2006: Lang leve Lea Dasberg
  57. Filigrain, wat als Jezus een vrouw geweest was?
  58. Het laatste oordeel
  59. Hoe ziet goedheid eruit?
  60. Gesluierde Synagoga
  61. Geel is de kleur van de Joden
  62. Onschuldig kind I
  63. Onschuldig kind II
  64. Son of Saul 

Tekst bij ‘Het einde van de goddelijke kunst’: “Het Lam Gods. Lijdend schaap herinnert aan het Lam Gods. Het lam als jong, onschuldig dier is het symbool voor zuiverheid en onschuld. Dit lam is afkomstig van het beroemdste altaarstuk van de gebroeders Van Eyck in Gent. Maar het lijkt helemaal niet op een lam, het is een schaap. Een volwassen dier, oud en vet en vooral dominant. Net zo ‘groot’als de inscriptie op het werk zelf: ‘de schilder Hubert van Eyck, groter dan wie niemand gevonden werd, begon het zware werk dat Johannes de tweede in de kunst voltooide.'”

 

oktober 2018

Verbonden vrijheid

 

DSC_1795

 

 

 

 

 

 

 

 

Vrij en vrijer bezield,

mijn lief,

moet je je eigen weg gaan

en vrijheidsliefde is je kompas.

 

Maar in de wolkennacht,

mijn lief,

is vrijheid een reis, die wordt

beschenen door een verblinde maan.

 

Als een doodlopend pad,

mijn lief,

onder de zon van vrijheid,

die geen schuilplaats biedt voor bezitsdwang.

 

Vrijheidsdrang in mijn lijf,

mijn lief,

slaat als een golf op het strand

en spoelt mijn liefde met zout water.

 

Uitgestelde vrijheid,

mijn lief,

ligt over de duinenrij

aan de onzichtbare horizon.

 

Als verloren, maar toch,

mijn lief,

vrij en vrijere liefde

is voor altijd verbonden vrijheid.

 

september 2018

‘Traditionshaus’ en Papiermuseum in Düren: pareltjes in een volledig platgebombardeerd stadje

Ingangspartij Leopold Hoeschmuseum Düren

Constructie trapportaal Leopold Hoesch museum Düren

 

 

 

 

 

 

 

 

Het stond al zo lang op het programma: een bezoekje aan Düren. Een stadje vlakbij Aken waar iedereen altijd aan voorbij rijdt op weg naar Keulen en Bonn. Ook in de bekende gidsjes wordt aan dit plaatsje geen aandacht besteed, maar dat is echt onterecht. Maar soms duurt het lang voordat je een bepaald reisdoel kiest temidden van een waaier aan andere interessante bestemmingen die dit gebied te bieden heeft. Een verjaardagsuitje met het hele gezin dat niet te lang mag duren bleek een geschikte aanleiding. En de heropening van een volledig vernieuwd papiermuseum. Dit was de reden waarom het plaatsje al langer op de agenda stond: dat papiermuseum. Ik heb iets met papier en met musea die gewijd zijn aan papier. Ikzelf heb een klein depotje vol met papier en papiertjes van allerlei soort en die collectie groeit nog steeds. Ik kan mij niet bedwingen als ik mooi papier zie, maar ook goedkoop papier vind ik fijn. Niets is heerlijker dan op een fraai Schoeller- blad te werken met prachtige kwaliteit Schmincke aquarelverf met een penseel waarin het pigment zich volledig laat opzuigen en onder lichte druk een dunne egale lijn veroorzaakt en met meer druk een mooi egaal gekleurd vlak. Je kunt het geschilderde daarna nog talrijke malen bewerken want het papier is van zo’n goede kwaliteit dat het dit allemaal kan hebben. Echter de prijs is natuurlijk navenant en dat maakt de druk om iets goeds te maken wat hoog. Op goedkoop papier met dito materialen werk ik veel beter en spontaner. Jammer. Ik hoor mijn vader nog klagen toen ik de kunstacademie bezocht en met een ‘mala’ set van de Ikea zat te werken aan zijn bureau. Maar goed, nu met 60 als volgende te bereikenkroonjaar in mijn leven ben ik wel gedwongen om alle dure materialen die ik bezit te gaan gebruiken. Of toch niet? Ik kan ze ook doorgeven aan een volgende generatie natuurlijk.

Blik in het trapportaal Leopold Hoeschmuseum Düren

 

 

 

 

 

 

 

 

bezoekers Leopold Hoesch Museum Düren

Trapportaal Leopold Hoeschmuseum in Düren 2018 (125)

Rückriem beklommen Düren

In ieder geval: ons Greenwheels autootje bracht ons in amper drie kwartier op de plek van bestemming en het plekje op de parkeerplaats bleek vlak voor het museum te liggen, maar door de hoge bomen en de Annakerk was deze echter aan ons blikveld onttrokken, waardoor wij in rechte lijn de tegenovergestelde, foute richting inliepen. Gelukkig bracht de iphone ons weer op de goede weg, waarop wij een deel van het centrum konden meenemen op onze eerste verkenning. Het stadje bleek volledig platgebombardeerd in de Tweede Wereldoorlog te zijn geweest met monumenten die daaraan herinnerden. Het grootste evenement uit de geschiedenis echter, de aardbeving van Düren in 1754, tevens de grooste in Europa tot op heden wordt door herinnering aan de bombardementen in 1944-45 overschaduwd. De veelal geslaagde wederopbouw-architectuur overheerst de stad met als opvallende uitzondering het Leopold Hoeschmuseum dat gespaard bleef. Waarom dit stadje en omgeving zo gebombardeerd werd, is onderwerp van nader onderzoek maar het zou kunnen zijn dat het gebied vanouds bewoond werd door een bevolking met een erg uitgesproken mening, katholiek in hart en nieren en antisemitisch tot op het bot. Niet voor niets kwamen de eerste antisemitische oproeren in Weißweiler in het begin van de 19e eeuw voor, op een steenworp afstand van Aken die zich als een veenbrand tot over de grenzen verspreidde. Maar het zal vooral de latere industriële bedrijvigheid zijn geweest die reden was voor het platgooien en misschien de opslag van de gevaarlijke bommen in het eveneens nabij gelegen Valkenburg. Op het stadje vallen 5477 ‘Spreng’bomben en 148.980 brandbommen afgeworpen door 474 vliegtuigen. 13 van de bijna 10.000 gebouwen blijven overeind en het aantal slachtoffers bedraagt meer dan 3000; slechts eenderde van de kinderen kon op tijd geëvacueerd worden. Navigatie was niet het sterkste punt van de geallieerden. Maar dat geeft niet, de Duitsers zijn de oorlog begonnen.

 

düren 2018 (44)

düren 2018 (15)
Werk tentoonstelling in opbouw Leopold Hoeschmueum Düren (122)

 

 

 

 

 

De heilige Anna speelt een belangrijke rol in de devotie in dit stadje, zij hebben immers haar hoofd als reliek. En haar komt je ook overal tegen en dan niet alleen in de verschijning van 19e eeuwse monumenten. Het hoofd kwam in 1501 in het stadje aan en zal ingezet zijn in de strijd tegen het protestantisme. De kerk was helaas gesloten. Inmiddels is geen enkele kerk meer in deze regio geopend op een doordeweekse dag, nergens meer geloof ik. Jammer als je net als ik met kerkelijke kunst bezig wilt zijn.

düren 2018 (6)  düren 2018 (4)

Aan het papier-museum wil ik uiteindelijk niet te veel woorden vuil maken, al was de heropening een week geleden wel de directe aanleiding om te vertrekken. De kennis over dit evenement dank ik aan WDR 3 dat ik altijd s’ochtends beluister waar de onvolprezen ‘Kulturnachrichten’ een belangrijk onderdeel van het nieuws zijn, net als de Waalse, Vlaamse en Oostkantonese variant. Als je echt zo internationaal georiënteerd bent, Maastrichtse culturele en intellectuele elite als jezelf beweert, luister dan eens wat vaker naar deze zenders over je eigen grens heen in plaats van naar L1! Enfin, het papiermuseum viel tegen vooral omdat wij in het verleden al kennis gemaakt hadden met prachtige papiermusea zoals die in Silkeborg. Soms kun je iets ook te goed willen documenteren en te educatief willen presenteren. Daarbij was de inrichting nog niet helemaal klaar. Maar het gebouw is prachtig, zonder meer en de museale mogelijkheden zijn navenant. Helaas was ook de mooie binnentuin gesloten; wat een gemiste creatieve kansen allemaal!

tentoonstelling in opbouw Leopold Hoeschmuseum Düren

 

 

 

 

 

 

 

 

tentoonstelling in opbouw 2 Leopold Hoeschmuseum Düren

Opbouw tentoonstelling Leopold Hoesch museum in Düren 2018 (121)

Het Leopold Hoesch museum echter was een ontdekking. Niet alleen het gebouw is ongelofelijk interessant, maar ook de collectie biedt een interessant overzicht van het verzamelverleden van enkele vooraanstaande stadsbewoners. De vaste collectie wordt mooi gepresenteerd op de eerste verdieping en de tentoonstellingsruimten geven mogelijkheden tot spannende presentaties, waarvan een lichtinstallatie ons allen méér dan gemiddeld vermaakte. Het is echt knap om vroeg negentiende eeuws werk te combineren met hedendaags werk en alles wat daar tussenin gemaakt werd op een harmonieuze manier. Eén tentoonstelling was nog in opbouw, wat spannende plaatjes opleverde. Jammer dat exposities pas open gaan als ze helemaal klaar zijn: een tentoonstelling in opbouw met werken verspreid langs de wanden op de grond, een enkele al opgehangen en de ruimten bezet met allerlei gereedschappen en materialen geeft bijna nog mooiere beelden dan een affe presentatie.

düren 2018 (35)

Het museum werd in 1905 opgericht door de naamgever een industrieel en het informatieve tekstje op de site spreekt van het feit dat er van het begin af een voortdurende dialoog met de moderne kunst gezocht werd. Ik denk niet dat dat waar is. De architectuur en inrichting vertegenwoordigen het triomfalisme van de hogere burgerij uit het begin van de 20e eeuw, waarin niets moderns terug te vinden is, laat staan dat er een dialoog gezocht zou worden. Het is de hoogtij van het anti- modernisme in deze regio en de bakermat van alle ontwikkelingen die daaruit voortkomen. Maar het klinkt mooi, zeker in het Duits. En zoals Duitse schrijvers dat zo goed kunnen, met één woord weten zij de ronkende beelden weer recht te zetten met het woord ‘Traditionshaus’.

'zwei Mädchen' Leopold Hoeschmuseum Düren

'italienische Landschaft' Leopold Hoeschmuseum Düren

'betende Juden' Leopold Hoeschmuseum Düren

De architect was de bekende Akener bouwmeester Georg Frentzen die een heel aparte interpretatie van het historisme in de architectuur geeft: een combinatie van barok en jugendstil. Een mengeling die bijna pijn doet aan mijn vormgevoel en harmonieus inzicht, vooral door de ingangspartij. Dat het een gerenommeerde katholieke architect was blijkt wel uit het feit dat hij de opdracht kreeg het stationsgebouw in Keulen te bouwen. De sculptuur van Rückriem voor het gebouw is echter een fenomenale keuze en de aspiratie om de discussie met de moderne kunst aan te gaan wordt hier op een presenteerblaadje aangereikt. Het beeld kan gelukkig tegen een stootje, al zal het wel niet de bedoeling zijn geweest om er op te klimmen, zoals veel jonge mensen willen doen. Gelukkig hebben mijn ouders al heel vroeg een zeker nuance aangebracht in de aanbidding van kunst en zeker in die van moderne kunst: je moet er ook fysiek van kunnen genieten. Dat leverde hen en ons nogal eens verwijtende blikken op van kunstaanbidders.

düren 2018 (38)

 

 

 

 

 

 

 

 

september 2018

Mijn Heiligdomsvaart: van ‘Jezus is boos’ naar de ‘Sedes sapientiae’

sedes website

 

Naar de kerk gaan werd beperkt tot  een vroege mis op zaterdagochtend en alleen met feestdagen een hoogmis. De behoefte om een mis bij te wonen is nooit zo bijzonder sterk geweest eigenlijk bij ons thuis en bij mij en dat gaat het ook nooit worden. Met het op kamers gaan wonen, verdween de mis uit mijn leven. Empathie in de zin van een vereenzelviging met lijden heb ik wel: ik vind het nu eenmaal moeilijk de pijn van andere mensen langs mijn koude kleren af te laten glijden. Dat lukt mij niet zo goed, maar een dergelijk gevoel voor een religieuze, historische of romanfiguur heb ik toch nooit gehad. Slechts eenmaal was ik helemaal onder de indruk van een toneelspeler die Cyrano de Bergerac speelde en met zijn uitgeleende poëzie een beminde aan zijn erg lange neus voorbij zag gaan. Van sociale afwijzing had ik wel last, maar alleen in de schoolklas of op het speelplein. Nooit thuis, in de buurt of bij andere activiteiten. Het speelde wel in Leeuwarden in de werkomgeving en ik denk ook heel sterk in Maastricht op een breder vlak. De compensatie maakte het allemaal dragelijk en daarbij vond ik leren veel te leuk om daardoor mijn plezier in school te laten vergallen. Het heeft mij wel onzeker en onhandig gemaakt, dat wel. Maar dat past ook wel weer bij het nerd-achtige dat ik graag koester en wat ik vermoedelijk ook gewoon ben. Misschien toch die opera in die paar gevoelige jaren in de middelbare schoolperiode die ik van s’ochtends vroeg tot s’avonds laat grijs draaide? In die periode had ik ook veel belangstelling voor de geschiedenis van Israël, wist ik alles van de val van Jeruzalem tot de Jom Kippoer oorlog en vond ik een kibboets ook wel iets voor mij. Een spreekbeurt over concentratiekampen in de tweede klas wist mijn leraar Duits, vorig jaar toevallig de priester die mijn moeder de ziekenzalving gaf, zich nog te herinneren. Knap van hem, maar ik vond het dan ook een hele goede leraar. Maar ook die manie ging vrij snel voorbij: ik had nog wel een tijdje een poster met een olijfboomgaard in Israël met herder en schaapskudde op mijn kamer hangen. Het beeld van de Goede Herder heb ik altijd erg mooi gevonden.

goede herder -2

De preoccupatie met het lijden kwam toch eigenlijk pas na de geboorte van de oudste. Misschien is dat zo’n indrukwekkende gebeurtenis voor mijn type mens dat ik er niet zo makkelijk overheen kon stappen. Het was ook niet niets eigenlijk en wist ik veel waar ik aan begon? De omgeving werkte ook niet op alle fronten mee en de last van alleen verdiener was toch zwaarder dan ik dacht al waren de taken goed geregeld en liep het ook zoals verwacht. In die periode ben ik weer gaan tekenen: veel religieuze onderwerpen en natuurlijk ‘moederkunst’. ‘Moederkunst’ de grote valkuil voor serieuze kunstenaressen na de geboorte van hun kind. Wij zijn nu eenmaal niet allemaal Modersohn Becker, Kollwitz of Dumas.

botticelli maria. website

Ik heb wat moeders met kinderen getekend, geschilderd, geboetseerd, gesneden en in steen gehouwen. Van abstract tot figuratief, van goed geslaagd tot redelijk. Er zat geen enkele echt mislukte variant onder. Maar ‘moederkunst’ werkt niet, al helemaal niet op een kunstacademie. De madonna’s die er later voor in de plaats kwamen, van de Schutsmantel tot Anna ten drieën werden almaar abstracter. Maria als treurende moeder is niet zo’n thema geweest. Mijn inlevingsvermogen hield bij pièta’s toch wel op, daar werd een grens overschreden: zo’n vrouw met een volwassen man op schoot.

hl anna ten drieen website

Met het lijden van Christus identificeerde ik dus mij wel, moet ik bekennen. Ik schilderde crucifixen met vrouwenlichamen in allerlei variaties en maakte mijn eigen interpretaties van kruiswegen. Ook hield ik een soort boekje bij waarin ik allerlei religieuze onderwerpen uitbeeldde en het Isenheimer Altar was en is een grote inspiratiebron (nog voordat ik wist dat heel veel kunstenaars iets met dit werk hebben: ik zag het voor het eerst toen ik dertien was). Mijn opleiding tot kunstenaar vond plaats in de jaren dat ‘Jezus is boos’ en het werk van Gerrit Terpstra in het Noorden bekend werd vanaf 1995. Vooral de kerkjes ingericht met het altaar door Terpstra maakte wat los in mij. Ik houd nog steeds een soort boekje bij met bijbelspreuken, citaten, beeldmotieven en tekeningetjes van inspirerende persoonlijke belevenissen vanuit een religieus perspectief. Het droeg zelfs de titel ‘ik ben jezus christus’. Ik schaamde mij van het begin af aan over die titel en heb deze dan ook op een gegeven moment veranderd.

maria met kind website 2

Inmiddels ben ik over het mede-lijden heen, al weer heel lang. Hoewel ik begrijp dat Jezus het symbool van het goede is en dat het goede altijd overwint, zie ik toch in de uitbuiting van de figuur van de lijdende christus in vooral de katholieke kerk vooral een manipulatief doel. Een beeld van Maria met kind ben ik in het kader van de Mengelberg-studies nog aan het onderzoeken, dat van de Sedes Sapientiae. Dat is toch wel een heel ander beeld, dat ook als wapen in de strijd gegooid werd. Op vaandels droegen christelijke strijders het icoon van de zetelende Maria met het kind op schoot mee. Dat maakte misschien nog wel meer indruk dan het kruis. Met die kennis kijk je toch weer anders naar de talrijke madonna en kind beelden uit de Mengelberg-ateliers. De titel voor mijn dissertatie, die er natuurlijk nooit komt, was goed gekozen: ‘kunstenaars in dienst van het leger van de paus’.

engel bij het graf 2

maria, jezus en Johannes de Doper website

maria met kind website 3

 

juni 2018