Klein Leeuwarder Leed: opbouwen 6

Blogs schrijven vind ik eigenlijk moeilijk. Niet zozeer inhoudelijk, want woorden stromen (te) makkelijk uit mijn pen, maar als instrument. Het is een type communicatiemiddel dat ik nog niet goed beheers. Ik merk dat de regelmaat er snel uit dreigt te gaan, wanneer ik niet ‘overloop’ van de noodzaak iets van mij af te moeten of te willen schrijven. Dat is niet goed, zo leer je ook niet boven het medium te staan. Voor dat doel, het van je afschrijven, het therapeutisch schrijven, heb je dagboeken, logboeken en memorialen. Ik heb er inmiddels 35 over de laatste 15 jaar. Daarvoor incidenteel nog wat verdwaalde exemplaren. Alleen deze dagboeken geven meer creatieve impressies en verwerkingen dan mijn blogs. Maar niemand leest ze, niemand kan reageren en dat is ook de bedoeling. Ik ben alleen soms bang dat ze in verkeerde handen terecht komen en dat er beoordelingen aan gegeven worden, die ik helemaal niet wil hebben, waar ik helemaal niet om gevraagd heb. Op termijn maar in het houtvuur gooien, denk ik. Ik kan overigens mijn eigen handgeschreven teksten niet meer teruglezen. Typen gaat dan makkelijker en daarom schrijf ik graag blogs en mails. Mails omdat telefoneren ook niet zo eenvoudig is met gehoorapparaatjes. Al zijn mijn nieuw aangepaste dingetjes wel een stuk beter. Ik ken mensen die heel berekenend met het schrijven van blogs omgaan. Precies weten voor wie zij schrijven (heel belangrijk, ook voor je site, je doelgroep definiëren), waarover zij willen schrijven (ze hebben vaak een thema of rode draad gekozen) en hoe zij willen schrijven (je weet nooit of er een uitgever meeleest). Ik ontbeer de dwang om aan die criteria te willen voldoen. Heb er ook niet het geduld voor. Daarbij mis ik het weerwoord van eventuele lezers. Het is toch een communicatiemiddel. Al weet ik inmiddels dat blogs nauwelijks gelezen worden om er echt op te reageren, net als Linkedin niet bedoeld is om onbevangen met elkaar kennis te maken en (werk) ervaringen uit te wisselen. Waar deze sociale media dan wel voor dienen? Ik denk dat pr het beste woord daarvoor is. Maar het lijkt mij juist zo boeiend wanneer je op elkaars blogs kunt reageren op een soort forum, onbevangen. Jammer te naïef en blijkbaar ben ik niet de blog-schrijfster met wie men samen gelezen wil worden. Ik heb voor de grap de webstatistics geraadpleegd van mijn site. In de maand april is mijn blog/site meer dan 3500 maal gelezen/’gehit’. In mei 192 keer. In mei ben ik ook bijna helemaal gestopt met schrijven, deels vanwege praktische bezwaren (geen verbinding in Noorwegen) deels uit onzekerheid omdat ik soms wel bang ben voor de gevolgen van mijn eigen openhartigheid. Maar wie leest er nu in hemelsnaam mijn blogs? Ik heb wel een indruk op basis van de termen die ‘hits’ opleveren en ik geloof dat ik niet bang hoef te zijn. Het zijn algemene zoektermen. Wel heb ik inmiddels een paar contactformulieren binnen gekregen van mensen die meer informatie wilden hebben over mijn artikel over het ‘album Neerlandia Catholica’ en iemand die mijn essay ‘Van Dutch naar Strutch…’ wilde gebruiken voor een cursus. Dat is leuk, erg leuk. Verder kwam ik een heel aparte hit’ tegen: ‘ik geil op vrouwen op klompen’. Echt waar, het stond er echt. Niets in mijn site verwijst naar geil en klompen. Wel vrouw (niet vrouwen) dus die combinatie van woorden bestaat helemaal niet. Enfin, wie achter die zoekterm zit zal ik wel nooit te weten komen, maar ik vind het wel een leuke titel voor een of ander schrijfsel. Ik kan er wel wat mee. Goed en wel, nu terug naar het eigenlijke onderwerp van dit blog. Ik heb wel wat om over te schrijven, iets waar ik al lang mee rondloop. Eigenlijk al vanaf 2006 en met meer nadruk sinds het kroningslied afgelopen april. Tijdens het googlen op Bakkenist, want van die jongens en meisjes heb ik nog steeds erg veel last sinds 2006 en ik ben nieuwsgierig hoe het met dit bureau verder gaat, kwam ik de naam Weijers tegen. En deze mijnheer zat toevallig ook in het Oranjecomité samen met nog een paar andere BN’ers. In de NRC las ik dat één van die heren, ‘iets goed vond wanneer hij er een paal van in zijn broek kreeg’en in diezelfde krant las ik ook dat de schrijver van het lied een mevrouw die per mail een kritisch woord had laten klinken over het geheel en op het fotootje stond met baby, terug had gekregen: ‘Jij met je Chinese naakthond.. Vind ik wel hele goeie opmerkingen hoor, in combinatie met die vrouwen op klompen. Maar ene mijnheer Weijers blijkt nu ook commissaris te zijn van Bakkenist.Voor mij was de lol van het hele kroningsfeest er af met de herdenking erbij, want je weet natuurlijk wel wie er vooraan op de eerste rij zit. Natuurlijk niets ten nadele van de heer Weijers. In tegendeel, ik kan niet in zijn schaduw staan. Wil dat ook niet. Maar toch die combinatie, die hele structuur, dat kleine wereldje, schijndemocratie en valse integriteit, de macht van het geld en schone schijn, het populisme, de slechte smaak ook voor hen die ‘low culture’ beoefenen (helemaal niks mis mee)…… Het maakt mij nog steeds moedeloos, die hele Bakkenist-geschiedenis. Het woord ‘opbouwen’ schoot voortdurend door mijn gedachten in combinatie met Bakkenist, kroningslied, paal in de broek, Chinese naakthond, vrouwen op klompen en Leeuwarden gemeentearchief. Geen idee waarom. Ik hoopte dat de wind in Noorwegen mijn geheugen eens goed had schoongeveegd. Maar dat is zeker niet het geval geweest. Ik snap niets van de werking van het geheugen in het algemeen en van dat van mij in het bijzonder. Een paar dagen geleden stond mij in een flits het beeld voor ogen dat bij ‘opbouwen’hoort. Het was de eerste bijeenkomst met de interim directeur en Bakkenist-mensen na het Grote Onderzoek naar de Leeuwarder Archiefcrisis. Ik was daar ook voor uitgenodigd. Had vlak daarvoor de huisarts nog gesproken die het zo langzamerhand wat te veel vond worden. Hij stond op het punt om met de redactie van de Leeuwarder te bellen om dringend te vragen of zij die nieuwsterreur per direct konden stoppen. Ik moest ook de kleur rood dragen van hem, die maakte mij sterker. (Ik heb het erg benauwd gehad in die lamswollen trui in dat hete kamertje in het nieuwe stadskantoor, maar op de een of andere manier werkte het wel. Misschien het idee dat je van iemand steun krijgt of zo). Ik gaf hem weinig kans van slagen als hij zou bellen, want “men” was niet zo tevreden over de uitkomst van het onderzoek. Er was geen reden gevonden om mij te ontslaan, zelfs niet op basis van disfunctioneren. Eervol ontslag met een riante wachtgeldregeling, dat was het enige wat er uitgekomen was en daar viel natuurlijk iedereen over. Dat was niet de bedoeling. Krijgt die cheffin nog een zak geld mee ook. Men had echt bloed willen zien, precies zoals dat hoort bij (karakter)moord. Ook dat woord kwam terug in mijn herinnering toen ik aan opbouwen dacht, maar nu in combinatie met een heel triest, recent geval, dat van wethouder De Jong in Meerssen. Vreselijk, iemand die zichzelf ombrengt omdat hij bang is dat ze hem komen halen. Dat hij in de gevangenis komt, voor iets wat hij misschien wel/niet gedaan heeft. Dat weet natuurlijk uiteindelijk niemand, alleen de betrokkenen. Daar mag ook verder niemand een zinnig woord over zeggen. Ik durf er ook niet al te veel over te schrijven, bang dat ik mensen beledig, kwets. Al wil ik wel even kwijt dat wij hier in Limburg zijn en dat de ene tongzoen de andere niet is. Dat carnaval een bijzonder festijn is waar heel erg veel afgelebberd wordt naar Hollandse begrippen, maar een klein beetje meer dan in de vastentijd, en in een vaak niet al te nuchtere staat. Je zult maar net even niet goed mikken, dan is het stukje wang plotseling een mond geworden. Enfin, daar gaat het ook niet om. Het gaat er om wat mensen elkaar aan doen. Wat het doel is van dergelijke beschuldigingen die door de pers worden misbruikt om een publieke rel te veroorzaken waaraan vermoedelijk een machtsspel aan ten grondslag ligt. In Leeuwarden probeerde mevrouw de wethouder mij uit te leggen, ‘dat die jongens niets anders konden doen, dan zoals ze deden.’Dat wilde er bij mij toen niet in en nu ook niet. Het was een doodordinaire machtsstrijd tussen alle mogelijke geledingen van de samenleving die je je maar kunt voorstellen, tussen man en vrouw, tussen hoog- en laagopgeleid, tussen uitgediende middelbare archiefambtenaren en ambitieuze hogere archiefambtenaren, tussen huurhuis en koopwoning, tussen goede en slechte wijken, tussen ambtelijke diensten onderling, tussen de gemeentesecretaris en de wethouder, tussen de PVDA die zijn macht aan het verliezen was met niet-PVDA’ers, tussen Friesen en Hollanders en ga zo maar door. De rol van de (regionale) pers vind ik steeds meer een dubieuze worden: niet alleen in Leeuwarden toen, maar ook nu bij het kroningslied en in Meerssen. Het gaat niet meer om waarheidsvinding, maar om belangen uitvechten, abonnees winnen. Wie de macht heeft en wie niet, wie overleeft wie niet. De jongen en het meisje van Bakkenist zeiden letterlijk in dat gesprek: ‘Annelies, het is nu tijd om je weer op te bouwen.’ Mijn interim keek mij wat bezorgd aan, wel aanvoelend dat het misschien wel eens te laat zou kunnen zijn; ik voelde een nare beweging ergens ter hoogte van mijn maag en kon nog niet zeggen op die op- of neerwaarts zou gaan. Het enige wat ik onthouden heb van dat gesprek, was die frase: ‘Annelies, het is nu tijd om je weer op te bouwen’. Hier waren willens en wetens mensen aan de slag gegaan om iemand tot op de grond toe af te branden, mensen die hieraan een dikke belegde boterham verdienden, mensen die voor een groot deel betaald werden uit belastinggelden, ga zo maar door met hele bekende riedeltje. En dat zelfde gold voor die jongens van het archief. Ze wisten waar zij mee bezig waren, hebben de pers voortdurend ingelicht, voorgelicht en van -verkeerde- informatie voorzien. De volgende dag werd ik opgenomen in de PAAZ voor zeker zes maanden met zes maanden nabehandeling. Wat voor straf staat er op karaktermoord? Helemaal niets. Ik denk wel eens, had ik toch maar iets heel erg ‘mispeuterd’ zoals ze net over de grens zeggen. Met de kas ervan door gaan of zo en leuke dingen doen met dat geld. Dan had ik een ‘eerlijk’ strafproces gehad en was ik er misschien beter van af gekomen in een soort reclasseringstraject. Een leuk baantje in de luwte als inventarisator van familie-archieven, had mij best wel wat geleken, maar dan wel in grote archiefdienst.

mei 2013

Klein Leeuwarder Leed 5: Een persoonlijk drama

De vorige blogs zijn dan de roman in een notedop die ik ooit had willen schrijven over mijn ervaringen in Leeuwarden. Of de bundel met satirische verhalen. Ik was er nog niet uit in welke vorm ik die Leeuwarder geschiedenis zou willen gieten. Dat het blogs geworden zijn, verbaast mij nu enigszins. Ik beschouw deze blogs dan maar als vingeroefeningen om mijn schrijfstijl te verbeteren en om mij de inhoud meer eigen te maken. De Leeuwarder blogs heb ik in een vanzelfsprekend ritme geschreven, omdat alle ervaringen in een mensenleven met elkaar samenhangen. Het Leeuwarder patroon lijkt op dat van Maastricht en mijn ervaringen hier zouden herhalingen geworden kunnen zijn van die in Leeuwarden. Met de in 2006 zittende directeur was dat bijna een onontkoombare ontwikkeling geweest. In dat opzicht ben ik niet de ezel geweest die zich twee keer aan dezelfde steen gestoten heeft. Dat is een schrale troost. Een aantal zaken, details en chronologie,  wist ik eigenlijk niet zo precies meer en ik heb deze ook niet meer nagekeken in de ordners die ik nog over deze periode in de kast heb staan. De meest nare ervaringen zoals met de heer H.S. en Bakkenist heb ik lange tijd verdrongen. De personen die een rol gespeeld hebben in wat iedereen mijn persoonlijk drama noemt, stonden en staan altijd wel glashelder voor mij. Het is uiteindelijk waar dat er bijna geen dag voorbijgaat dat ik niet aan Leeuwarden denk. Dat is misschien mijn persoonlijk drama. De herinnering daar aan. Maar was het gebeuren zelf wel zo’n persoonlijk, geïsoleerd drama. Was het ook niet het drama van een gemeentelijke organisatie waar professionaliteit ondergeschikt geraakt was aan privézaken. Waar persoonlijke machtsspelletjes en oude rivaliteit over het hoofd van onervaren leidinggevenden werden uitgespeeld. Waar geen integriteit en transparantie in de besluitvorming heerste en vooral, geen respect. Tenslotte de voedingsbodem voor fraude en machtsmisbruik, zoals dat nog steeds zoveel voorkomt in ambtelijke organisaties, maar vooral bij gemeenten. En is het ook niet een drama van een nieuwe generatie geworden, die de gevolgen van een zieke omgeving waarin mensen moeten werken aan wier zorg zij toevertrouwd is,  aan den lijve ondervonden heeft. Hoe gaan die hier mee verder. Wat voor een les trekken zij hieruit. Er is door het drietal H.S, K.Z. en J.F. een grote wissel op de toekomst getrokken door met zo’n slechte intentie op kraamvisite te gaan met voorbedachte rade. Daar ook met collega’s over te spreken en er misschien zelfs lol over te hebben van te voren. Hoe haal je zoiets in je hoofd. Dat je geen respect meer op kunt brengen voor de moeder, oké, maar dat je dit op een baby af reageert. Hoe ziek ben je dan? Door zo elke vorm van fatsoen en basale omgangsvormen met voeten te treden, niet alleen in een huiskamer,  maar ook in de officiële werkomgeving van een kantoor. Hoe halen mensen het in hun hoofd om in de nacht in een directiekamer (geen persoonlijke werkruimte)  te gaan zitten zuipen en god weet nog meer uit te voeren, zonder de boel op te ruimen. Welke zichzelf respecterende man spreekt over een vrouw, ongeacht welke vrouw,  als over een mossel zonder ruggengraat en vooral wie maakt dit openbaar? En nog erger: welke burgemeester, gemeentesecretaris en wethouder gedoogt dit? Is dit drietal niet méér schuldig dan een stel doorgedraaide musketiers die het niveau van hun opvoeding niet zijn ontstegen? Tegen een enorm bedrag (en niet alleen in geld uitgedrukt maar ook in het ‘voor wat, hoort wat’ kader) een onderzoek uitvoeren naar een in opspraak gebrachte topambtenaar en zelf voor de consequenties weglopen van het niet adequaat ingrijpen.  De Drentse directeur die ik al eerder aangehaald heb in een vorig blog, legde mij als beginnend leidinggevende uit dat ik nou eenmaal niet de fouten uit de opvoeding kon goedmaken. Ik denk dat hij hierin wel gelijk heeft.

december 2012

Klein Leeuwarder Leed 4: Bureau Bakkenist

Hoewel de situatie weer enigszins genormaliseerd was in het Leeuwarder Gemeentearchief zat het ambtelijk management, de gemeentesecretaris en de wethouder,  toch wel met een groot probleem. Hoe deze crisis, die zij zelf in feite hadden laten ontstaan na jaren van verwaarlozing van dit instituut, op te lossen. Een heel team ontslaan of door middel van een reorganisatie terug te brengen tot een slagvaardiger club was niet haalbaar omdat de gelederen zich gesloten hadden, de vakbond zich er mee bemoeide en pers en politiek een front vormden. Een nieuwe manier van samenwerking tussen team en directeur (in een andere positie bijvoorbeeld) bedenken en een soort doorstart bewerkstelligen, was bij voorbaat al onhaalbaar (waarom eigenlijk en waarom is dit nooit serieus onderzocht?). De directeur de laan uit sturen leek de juiste insteek voor de managers van Leeuwarden. Alleen, er moest wel een reden voor ontslag gevonden worden anders zou het veel te duur gaan worden en deze tegenslag had men niet begroot. Dus kwam iemand met het idee om Bureau Bakkenist in te huren. Dit bureau had al in eerdere ambtelijke crises, zoals die rondom de burgemeester van Groningen, uitkomst geboden.
In de tussentijd zat ik in mijn hokje van god en alle mensen verlaten uit te kijken op de dak-spanten van het nieuwe stadskantoor en op de scheve Oldenhove. Op een van de dak-spanten lag een dode duif die elke dag wat verder in ontbinding kwam. Ik kon dat proces goed volgen en overwoog om er een kunstproject van te maken. Vond het idee echter niet origineel genoeg. Af en toe kwam mijn directeur poolshoogte nemen en mij wat moed in praten. Hij was zelf niet meer helemaal in functie op dat moment geloof ik. Ik was nog jong, dit zou zeker niet het einde van mijn loopbaan zijn. Inmiddels had de stress toch wel schade aangericht in mijn moederhart, om het maar sentimenteel uit te drukken. Ik zat af en toe naar die dode duif te kijken en kon mij met geen mogelijkheid meer herinneren hoe mijn kind er uit zag. Ik had haar die ochtend aan het ontbijt, altijd vrolijk gelukkig, nog gezien en zelfs weggebracht naar de crèche, maar het leek net of zij helemaal uit mijn geheugen gewist was.
Mij werd medegedeeld dat Bureau Bakkenist een onderzoek ging leiden naar het ontstaan van de crisis en naar mijn functioneren. Het team zou als geheel behandeld worden en de medewerkers mochten zelf aangeven of zij mee wilden werken aan het onderzoek of niet. Ik was min of meer verplicht mee te werken. Deed ik dit niet, dan was dit reden voor ontslag op staande voet. Of dat echt gekund had, betwijfel ik, maar ik had nog voldoende eergevoel en vechtlust om mij te verdedigen. Ik werd uitgenodigd voor een gesprek in een klein kamertje met twee mensen, een mevrouw en een mijnheer van mijn leeftijd. Een tijdje later werd ik voor een tweede gesprek uitgenodigd op een vreemd tijdstip op het eind van de dag. Na afloop van dat tweede interview, waarbij mijn persoon werd geanalyseerd ‘tot op het bot’ en waarna bleek, ‘off the record’,  dat er echt niets aan mij deugde en ik maar beter ‘de handdoek in de ring kon gooien’, voelde ik mij niet lekker door de grote spanning die deze ondervraging met zich mee gebracht had. Ik mocht even op de kamer van de personeelsjuf gaan zitten en bijkomen voor ik naar huis ging. De ‘bezorgde’ interviewer had wel gezien dat ik dit heel zwaar gevonden had. Ik wist waar die kamer was, net om de hoek. Ik heb daar ongeveer een uur half uur zitten bijkomen terwijl de juf stug doorwerkte. Wij wisselden geen woord. Ik had daar ook niet veel behoefte aan, maar het voelde toch wel apart. Ik ben weer met mijn fietsje aan de hand naar huis gelopen. Later hoorde ik dat de medewerkers vanuit huis met taxi’s gehaald en gebracht werden naar de interviews en een hele dag verlof van de baas kregen om bij te komen.
Op een middag werd ik om 14.00 uur gebeld door de mevrouw van Bakkenist dat ik om 17.00 uur in het stadhuis moest verschijnen voor de uitslag van het onderzoek. Het zou een bijeenkomst worden van ongeveer een uur en ik had ruim tijd om daarna N. van de crèche te halen. M. was op reis voor zijn onderzoek voor een nieuwe tentoonstelling.
Dat kon dus allemaal net. Ik zou N. op tijd van de crèche kunnen halen. Ik ging nog snel even wat inkopen doen voor het avondeten en overwoog om maar alvast wat te gaan voorbereiden. Ik was inmiddels al langer en vaker thuis omdat het toch niet veel zin had mij zelf bezig te houden in dat kantoortje. De bijeenkomst was op de bovenverdieping en op dezelfde tijd zou de raadsvergadering gehouden worden, zo werd mij meegedeeld. ‘Of ik dat een probleem vond.’ ‘Nee, niet echt.’ ‘Er zou ook pers zijn.’ Ik kon mij daar niet meer druk over maken. De zitting begon om 17.00 uur en mijn directeur kwam er bij zitten en bleef er bij zitten hoewel hij niet welkom was. ‘Je weet niet wat je over je heen krijgt’, zo stelde hij. En hij had gelijk. Het begon met de mededeling of ik medicijnen slikte, zo ja welke en op welk tijdstip ik deze weer in zou moeten nemen. Ik slikte niks, was dit ook niet van plan, maar later en nu helaas des te meer. Ik kreeg een kan water met een glas voor mij neer gezet met een pathetisch gebaar. Alles wat er gezegd werd zou vastgelegd worden voor eventuele latere juridische procedures. En toen ging men van start. Het ene flip over vel na het andere werd getoond, met daarop allerlei beschuldigingen. De meest idiote aantijgingen gingen over de tafel en elk daarvan was zonder moeite te weerleggen. De sfeer werd grimmiger en de ondervragingstechniek  ging wat meer lijken op het laatste interview dat ik gehad had, op de persoon gericht. Bij ieder vel werd er een steeds verontrustender gezicht getrokken, zo van ‘en nu komt het ergste.’ Er kwam niets. Op een gegeven moment greep de directeur in. ‘Of het ook wat minder kon. Als mij echt iets heel ernstigs te verwijten viel, zoals het er vandoor gegaan zijn met de kas, dan was ik allang ontslagen.’ Er werd een pauze ingelast, precies op het moment dat de raadsvergadering geschorst werd. Alle raadsleden kwamen koffiedrinken op de bovenverdieping en vergaapten zich aan mij. Heel vervelend. Het was inmiddels al heel laat geworden en ik raakte behoorlijk in paniek. ‘Hoe kon ik nu in hemelsnaam N. nog van de crèche halen. Waar was zij?’ De crèche was zo langzamerhand al gesloten en ik was niet bereikbaar. Ik kreeg hartkloppingen van de zenuwen omdat voor het eerst in mijn leven als moeder ik geen idee had waar mijn kind uithing en daar ook geen controle over kon uitoefenen.
Enfin de ondervraging werd voortgezet en eigenlijk weet ik niet meer hoe die eindigde. Ik weet wel dat wij op een gegeven moment afscheid namen en dat de interviewers teleurgesteld leken. De directeur daarentegen triomfantelijk. ‘Ze waren niet zo heel veel verder gekomen’ zei hij. Inmiddels wisten zij wel dat het maken en lezen van begrotingen niet mijn forte was, maar dat had ik ze zelf verteld en ook dat ik hiervoor aan het zelfde hoofd Financiën A.t.H. om ondersteuning had gevraagd. Hij vond dat te duur. Ook dat ik problemen had gehad met het tijdelijke personeel en dat de begeleiding niet altijd zo soepel liep. Maar goed, ook dat was te verklaren en mij niet volledig aan te rekenen. De conclusies van dit gesprek zouden voorgelegd worden aan de gemeentesecretaris en ik zou wel horen wat er besloten werd.
Ik vertrok om kwart voor tien op mijn fietsje naar huis. Met een lege maag, schorre keel, murw van de zenuwen om N. en een beetje beduusd over de onzin die allemaal naar voren gebracht was en het ontbreken van elke vorm van bewijs. Toen ik langs het water fietste knapte er iets in mijn hoofd. Ik voelde mij buiten mijzelf treden en het water had plotseling een grote aantrekkingskracht op mij. Ik moest mij echt forceren om heelhuids thuis te komen. Dit is nooit meer goed gekomen: dat gevoel is altijd blijven hangen. Kort daarop werd ik opgenomen in de PAAZ in Leeuwarden voor negen maanden en met mijn loopbaan was het uiteindelijk afgelopen. Hoewel iedereen dacht dat ik situationeel ziek was. ‘Gezellig, hoor negen maanden op een psychiatrische afdeling verblijven omdat je situationeel ziek bent…….’ Ik kreeg in de tussentijd eervol ontslag met een wachtgeldregeling, een mooie regeling dat wel, maar wel met de uitdrukkelijke mededeling uit Friesland te vertrekken. Er was uiteindelijk geen reden voor ontslag gevonden.
Nu zullen critici zeggen dat er vermoedelijk al wat mis was met mij voor die tijd. Dit werd en wordt van harte ondersteund door het team van het archief. Dat een psychisch gezond iemand niet zo extreem op dit soort gebeurtenissen reageert en zo. Ik weet het niet. Ik heb bij mensen om minder het licht zien uitgaan. Daar was geen Bakkenist voor nodig. Natuurlijk zal er een kwetsbaarheid geweest zijn, maar die is bewust opgespoord tijdens dat tweede interview en daar is ook willens en wetens gebruik van gemaakt in het vervolg. Ik zelf wist daar toen niets van en als ik niet mee gedaan had met het onderzoek van Bakkenist was het vermoedelijk niet boven water gekomen. Misschien later in mijn leven, op een moment dat ik er aan toe was en het minder schade zou aanrichten. Het gaat vooral om die neiging tot depressiviteit en traumatisering, waarop ik nu afgekeurd ben, die toen in een stroomversnelling mijn leven op de kop gezet heeft.
Later sprak ik toevallig de oud-burgemeester van Groningen, die toen burgemeester van Almere was. Hij vroeg wat mijn ervaringen met Bakkenist waren. Ik keek hem verschrikt aan met grote angstogen. Hij herkende mijn reactie en vroeg niet verder. Hij heeft met succes zijn zaak kunnen bevechten met Bakkenist en dat betekende een tijdelijk einde voor dit vreemde bureau. Ik ben nooit zo ver gekomen om hiermee aan de slag te gaan. Heb nog wel heel lang de visitekaartjes van de onderzoekspsychologen bewaard en nog eens gebeld. Ik had toch wel behoefte aan een soort nazorg van dit dure bureau. Ik vraag mij af of er meer mensen zijn die met Bakkenist dezelfde ervaringen hebben gehad en dat na de herstart van Bakkenist in 2009 alsnog niet iets te doen valt tegen het schandalig vooringenomen en partijdige onderzoek en de methodes die, behalve in strafrecht procedures, ontoelaatbaar zijn in Nederland. Misschien kunnen wij de rollen eens gaan omdraaien…….

december 2012

Klein Leeuwarder Leed 3: van de affaire Dutroux en mosselen zonder ruggegraat

Na de terugkeer van mijn zwangerschaps- en bevallingsverlof werden de plannen rondom een mogelijke fusie tussen het gemeentearchief en het rijksarchief steeds duidelijker op de politieke agenda gezet. De politiek ging zich er zelfs mee bemoeien onder leiding van een sneue, zelfbenoemde stadshistoricus H.t.H., een eeuwige vrijgezel die een erg emotionele band met de stad had. De algemeen rijksarchivaris bracht een bezoek aan het gemeentebestuur, de rijksarchivaris bewandelde zijn eigen rotary- en golf wegen (golfen was toen nog echt een elitaire sport) en ik probeerde middels het schrijven van visies op de langere termijn de voordelen van een mogelijke samenwerking naar voren te halen en zo nog enigszins sturing te geven aan de ontwikkelingen. Ook het geven van zoveel mogelijk rondleidingen en andere pr- activiteiten pakte ik aan om de positie van het archief te verstevigen. Iedereen werkte overigens hier heel hard aan mee. Opvallend in het hele proces was, dat er geen open overleg met alle partijen plaatsvond en dat alleen de achterkamertjes bezocht werden.
Daar kwam ik niet binnen, het old boys nework was en is nog heel sterk. Heel frustrerend allemaal. Dit was natuurlijk de ideale situatie voor een zich zwakker voelende partij, zoals het gemeentearchief, om de hakken in het zand te zetten en in paniek te raken.
Desalniettemin werden diverse projecten voortvarend uitgevoerd en tal van tijdelijke arbeidskrachten kwamen binnen. Dat dit ook bedreiging was voor het zittende personeel realiseerde ik mij niet. Ik had vooral de tijdelijkheid en het doel voor ogen. Maar goed zo bedreigend waren die mensen in mijn ogen niet, want wat de personeelsmevrouw ‘in de aanbieding’ had, was zo ongeveer van het niveau van de manisch depressieve managementondersteunster en nog erger. Die mevrouw had tenminste nog een goede wil en inborst om er iets van te maken, maar vergat haar medicijnen. Echt niets ten nadele van mensen met een arbeidshandicap, ik ben inmiddels ook zo’n iemand, maar overleg en openheid is  dan toch echt noodzakelijk. Bespreek de situatie, bekijk of er hulp geboden kan worden en of er randvoorwaarden geschapen kunnen worden om deze mensen een succesvolle ervaring te laten beleven. Maar niets van dat al: mensen dumpen en dan maar zien waar het fout gaat en of de leidinggevende dit kan opvangen. Zo niet dan heeft die een probleem. Inmiddels had ik wel geleerd door te vragen bij die personeelsboeren, maar of het antwoord dat je krijgt ook klopt is nog maar de vraag. En ze beroepen zich dan ook nog eens te pas en te onpas op de privacy. Schandalige manier van personeelsbeleid en heel kenmerkend voor vooral de gemeentelijke overheid in de buitengebieden van Nederland. Opheffen die gemeenten, waar de kiem van machtsmisbruik, vriendjespolitiek en fraude een vruchtbare bodem vindt
Enfin de nog geen 20 jarige P. kwam en P. ging nadat hij probeerde onder mijn rok te tasten, toen ik, gehurkt, hem de kunst van het terugvinden van archiefstukken van buitenformaat probeerde bij te brengen. B. kwam en bleef helaas wat langer. Deze B. was een rampzalig mens. Ik verdacht hem er van de hele dag aan sex te denken, maar hoe erg dat was merkte ik pas toen de azijnfles en het hoofd van de atlas (over wie een archivaris opmerkte dat hij niet van schaken hield, maar wel van dammen (mevrouw heette naar het gelijknamige spel)) opmerkingen begonnen te maken over mijn aanstellingsbeleid (dat er geen sprake was beleid, maar meer van noodzaak: de subsidiegelden moesten zinvol besteed worden wilden ze niet geloven. Ik was er toch zelf bij en uiteindelijk hadden en hebben zij daar ook helemaal gelijk in gehad). Het waren alle twee hele lieve, degelijke dames die vooral hun eigen werk wilden doen in alle rust en in al hun vezels een afkeer uitstraalden van mannen in een archief. Hoe dat zat met die mijnheer die van dammen hield, weet ik niet, die was inmiddels met pensioen. B. stortte zich op het project materiële verzorging en J. zou hem leren dozen in elkaar te zetten en omslagen te vouwen. Dat was al heel moeilijk voor B.  Op een gegeven moment kwam hij niet veel verder dan de onderste trede van de trap waar hij een hele dag op kon blijven zitten als niemand hem bij zijn lurven pakte. De personeelsjuf liet zich overigens niet meer zien, toen zij in de wandelgangen de verhalen hoorde over B. Zij was een goede vriendin van W.D., die al eens aangegeven had of dat misschien een probleem zou kunnen zijn. ‘Waar heeft die man het over? Kan hij niet werk en privé scheiden als zijn niveau zo hoog is, zoals hij zelf beweerde?’ Dacht ik toen.
In die zomerperiode speelde de affaire Dutroux en ieder kind bezittend mens was tot in het diepst van zijn of haar wezen geschokt over de gebeurtenissen.Toen nog wel. Tijdens de pauze bracht B. deze affaire ter sprake met de mededeling dat Dutroux eigenlijk een lintje verdiende. Sex met minderjarigen was toch doodnormaal. Hij dacht dus inderdaad de hele dag aan sex, maar dan met kinderen. Gelukkig was de moraal nog zo hoog bij de andere medewerkers dat er geen spontane bijval kwam. Voor één tijdelijke medewerker was ik wel even bang dat hij zijn adhesie zou betuigen, want hij werkte alleen om maandenlang op de Filipijnen zijn vakantie te kunnen doorbrengen omdat de mensen daar zo mooi waren. Hij zal inmiddels wel een Filipijnse bruid gevonden hebben, denk ik, en heel gelukkig geworden zijn, hoop ik. Een gesprek met B. hielp niet. Net als met H.S. viel er niet mee te praten en daarbij kende Nederland vrijheid van meningsuiting. Die gedachte kon ik volgen. Dat het misschien schokkend was voor de aanwezige moeders in het gezelschap om zijn mening over de juistheid van kindermisbruik opgedrongen te krijgen?  Hij dacht van niet. Hij had een hekel aan moeders in het algemeen en haatte zijn eigen moeder in het bijzonder. Net als K.Z. trouwens, die ik bijna therapie aangeraden had na een gesprek van een middag over zijn familiegeschiedenis. Moeizaam die moeder-zoon relaties. Enfin B. eindigde uiteindelijk zittend van de onderste traptrede in het archief naar zittend in de hal van het stadskantoor met een bord voor zich, waar hij met inzet van de politie werd weggesleept. Er stonden beledigende teksten op dat bord. Welke weet ik niet meer, maar het zal misschien iets met zijn vrouwenhaat te maken hebben gehad (of met het stopzetten van zijn uitkering).
Langzaamaan werd de sfeer toch wel vervelend. Ik was inmiddels aan het solliciteren gegaan en volgde een leergang strategisch management waarin ik de juiste contacten zou kunnen opdoen om weg te springen, zoals de enige normale directeur die ik toen had (de vijfde op rij) mij adviseerde. Verder bleek er niets te regelen te zijn, want archivarissen had men niet nodig in Friesland. Niet alleen in het archief was de sfeer explosief geworden, ook in de stad gebeurde er van alles waaruit een zekere agressiviteit sprak. Inmiddels was de vrouwelijke gemeentesecretaris op onsmakelijke wijze op non actief gezet ( volgens ingewijden in het stadskantoor zou ik snel volgen) en werd het vrouwelijke hoofd Cultuur op een zijspoor gezet. ( ‘nu sta je alleen’ volgens dezelfde ingewijden. Overigens hadden wij nooit wat aan elkaar gehad, want wij lagen elkaar niet als vrouwen, zal ik maar zeggen). Ik geloof ook dat in die periode het voorkeursbeleid voor vrouwen officieel geschrapt werd. ‘Jij bent alleen maar benoemd omdat je een vrouw bent.’ Kreeg ik nogal eens te horen.
Voor mij barstte de bom toen ik gebeld werd door Andries Veltman. Verslaggever van de Leeuwarder Courant (net zoiets als Limburger, maar dan nog erger. Hier komt mijn afkeer voor plaatselijke kranten vandaan.) Of ik wilde reageren op uitlatingen van personeelsleden over mijn functioneren. ‘Nee, niet echt.’ Antwoordde ik. ‘Als mensen problemen hebben met mijn functioneren dan kunnen zij daar met mij over komen praten en hoeven ze dat niet achter mijn rug om in de Spoekpoale te doen. ‘ Andries Veltman was een gehate journalist, van wie iedereen wist dat hij zijn informatie in de kroeg de Spoekepoale haalde, daar heel slordig mee omsprong en al veel mensen mee beschadigd had. Via, via kwam ik er achter dat het bekende drietal, K.Z., H.S. en J.F. de ontevreden medewerkers waren. Dat was niets nieuws. Mijn nieuwe directeur, die ik inlichtte, nam de situatie hoog op en dreigde met maatregelen. Ik wist niet wat ik hoorde. Ik dacht even dat ik op een andere planeet beland was. Dit kon niet waar zijn. Het was wel waar, maar het ging uiteindelijk toch niet goed. Op vrijdag, de dag waarop mijn poetshulp kwam en waarop ik in die week vrij was, sprak zij mij voorzichtig aan over berichten die op de kabelkrant waren verschenen. Of ik die al gelezen had? Ik las noch de Leeuwarder noch de kabelkrant. Toch wel gedaan, die middag. Zij heeft de zender voor mij opgezocht. Wat ik las was toen beschamend, nu lachwekkend. Ik begreep direct waarom mensen mij in winkels met medelijden of onverholen leedvermaak aankeken. Ik dacht aanvankelijk dat ik iets geks aanhad. Daar stond dus letterlijk dat ik een ‘mossel zonder ruggengraat’ was. Als kunsthistoricus herkende ik onmiddellijk de symbolische betekenis van het vrouwelijke geslachtsdeel in de mossel, zag het schilderij van Lucian Freud voor mij met de open vagina en die van Courbet en andere negentiende eeuwse scabreuze afbeeldingen. Inderdaad, een ruggengraat ontbreekt. Moet er ook niet aan denken op die plek een ruggengraat te hebben. Er stonden nog meer van dat soort uitlatingen. Die van die mossel heb ik onthouden omdat ik die zo bizar beeldend vond. Ik werd nog heel lang na het gebeuren wat lachend door collega’s in het land er op geattendeerd dat dat over mij geschreven was. Je ziet het helemaal voor je: de Spoekepoale met drie mannen van midden dertig, één zonder relatie maar wel zoekende onder de last van een grote dosis haat jegens zijn moeder, één hoogbegaafde eenling als vader op afstand zonder een rooie cent op zak en gefnuikt in de erkenning van zijn genialiteit (door zijn moeder, denk ik) en één vrijgezel die nog bij zijn moeder thuis woont en die vanuit de studiezaal een telefoontje van een mevrouw met mij doorverbindt, met de woorden ‘iemand van wie ik de naam niet verstaan heb, maar die een vrouwtjesstem heeft’ en die zijn haren kamt als er een vrouw (tje) de studiezaal binnenkomt met een zwart kammetje dat hij altijd in zijn achterzak heeft zitten van een broek waaruit de bilnaad zichtbaar is. En dan het Leeuwarder journaille, een nieuwsrat van het zuiverste water. Wat zullen ze een lol gehad hebben daar in die kroeg.
Maar goed de heren werden op non actief gezet en zij moesten de sleutel inleveren. Vooral dat laatste was heel erg, nu konden ze niet zelf meer naar binnen om op hun eigen gekozen moment uit de koelkast de Beerenburg te halen. Hoe had ik zo stom kunnen zijn om daar een koelkast neer te laten zetten voor de koffiemelk en het gebak……………….. Eigenlijk ook wel grappig. Ik had er een fles Baileys of Drambuie naast moeten zetten.Trouwens ik herinner mij nu dat de heren in mijn kamer oud- en nieuw gevierd hebben in die periode en dat op twee januari de puinhoop zo gigantisch groot was dat ik mijn kamer niet meer in kon. J. heeft de rotzooi opgeruimd. Enfin de heren werden op non-actief gezet en nodigden direct de overige medewerkers uit om ook maar te stoppen met werken. Dat deden ze graag, behalve een enkeling dan. Ik kreeg de zus van K.Z. nog op bezoek, die probeerde de persoonlijkheid van haar broer wat uit te leggen. Nog meer bezorgde familieleden en vrienden kwamen langs. Klaarblijkelijk had de maatregel veel indruk gemaakt. Samen met een paar uitzendkrachten hield ik de boel draaiende, maar het was een krankzinnige situatie. De journalisten bivakkeerden voor de deur en ik gebruikte de nooduitgang om weg te komen. Mijn directeur probeerde af en toe het journaille af te leiden, zodat ik weg kon komen, zeker toen Omrop Fryslan met een omroepwagen in de straat ging staan (hoezo parkeerverbod). Ik kreeg uiteindelijk tijdelijk onderdak in het stadskantoor, waar het hoofd Facilitaire Zaken A. Z. een hele nare rol speelde in de meningsvorming over het gebeuren en in mijn begeleiding. ‘Hij had nog een appeltje te schillen met archivarissen’, zo stelde hij.
De berichtgeving was ongenuanceerd en onjuist, maar het had geen zin hier iets tegen te doen. Vanuit het stadskantoor werd geen poging ondernomen om de nieuwsgaring te leiden of te corrigeren. Ik mocht  dus in een kamertje in het stadskantoor gaan zitten. Wat ik daar moest doen wist ik ook niet. Ik mocht met niemand spreken en niemand mocht mij aanspreken. Af en toe kwam de bedrijfsmaatschappelijk werker langs om te informeren of ik nog wel lekker in mijn vel zat. Wel kreeg ik een persoonlijk assistente, eentje die niet manisch depressief was of tenminste haar medicijnen slikte, en met haar was het best gezellig. Af en toe vond ik papiergeld op mijn verder lege bureau, dat ik netjes bij de portier afleverde met de mededeling dat de interieurverzorgsters dit misschien verloren hadden. Eén keer kwam W.D. op bezoek om mij te vertellen dat hij van de gemeentesecretaris een gratis abonnement mocht nemen op OB (Openbaar Bestuur, gratis voor ambtenaren vanaf schaal 11). Hij zat nog in schaal 9 maar daar zou snel verandering in komen, dacht hij. Ik niet, want iemand die vakanties onder werktijd regelt en alleen maar over zijn slechte huwelijk en geadopteerde kinderen kan praten, verdient niet meer. Regel eerst maar je privéleven beter, voordat je in het openbare leven iets gaat doen waar je veel geld voor krijgt. Curieus eigenlijk allemaal hoe dat werkt in de ambtenarij. De medewerkers waren inmiddels gelukkig onder begeleiding weer aan de slag gegaan. Iedereen was zo blij dat de studiezaal weer open was (hij was nooit dicht geweest, maar goed.). De bezoekersaantallen schoten omhoog. Ik geloof dat de medewerkers zelfs psychologische hulp aangeboden kregen om het gebeuren te verwerken. De positie van mijn nieuwe directeur stond zo langzamerhand ook op het spel, want  zoals K.Z. tegen hem had gezegd: ‘Hij had op het verkeerde paard gewed.’ Gelukkig hield S. het nog wel even vol. Hij had voor hetere vuren gestaan en ik was niet het enige probleem dat hij had. Ik kon mij niet voorstellen dat het nog erger kon, maar dacht daar een maanden later anders over.

december 2012

Klein Leeuwarder Leed 2: de vader op afstand

In vervolg op mijn vorige blog wil ik meer vertellen over de werkrelatie met H.S, die ongeveer in dezelfde periode waarin ik beviel van N. vader op afstand werd van zijn dochtertje. Althans zo heb ik dat altijd begrepen uit zijn eigen mond. De periode voorafgaand aan mijn bevallingsverlof was eigenlijk een heel productieve en positieve periode voor mij persoonlijk. Blijkbaar ben ik als aanstaande moeder in optima forma en loop ik over van energie. Het schijnt vaker voor te komen. Vrouwen die tijdens de zwangerschap nergens last van hebben en zich zelfs stukken beter voelen dan normaal. Niemand kon ook zien dat ik zwanger was. Ik had geen al te dikke buik, al beweerde K.Z. iedere keer van wel. Eigenlijk liep alles heel goed. Het project rondom het boekje over het Burmaniahuis was leuk en andere projecten stonden op stapel. Toch waren er in de werksituatie wel kleine dingen die mij zorgen baarden en zelfs wat ongerust maakten. Een tweetal medewerkers liep er de kantjes van af. Lieten duidelijk merken lak te hebben aan de regels en aan mij en vooral H.S. maakte het bont. Iedereen keek toe om te zien hoe ik dit ging oplossen. Het nieuws van mijn zwangerschap viel over de hele linie niet goed. Vermoedelijk had men niet verwacht dat een vrouwelijke directeur (cheffin zoals W.D. mij altijd noemde) zwanger kon worden. Gezinsplanning en uitbreiding stond erg ver af van de gemiddelde beleving van de archiefmedewerker in het algemeen en van die in Leeuwarden in het bijzonder. Althans in die tijd. Gelukkig was er nog een medewerkster zwanger en hadden wij een beetje steun aan elkaar, al liepen er onzichtbare scheidslijnen in de hiërarchie die vooral door dezelfde omstanders keihard getrokken werden en waarmee A. vooral het moeilijk had.
Uiteindelijk werden de grootste problemen veroorzaakt door slechts één medewerker, de al eerder genoemde H.S. Een moeilijke man die overduidelijk met zichzelf overhoop lag. Het zou allemaal niet zo uit de hand gelopen zijn, als hij zijn privé leven wat beter op orde had kunnen brengen. Hoewel bevriende medewerkers zoals K.Z. en J.F. hem daar wel bij ondersteunden, wilde het maar niet lukken. Vooral schrijnend geldgebrek, iets met een koophuis en hypotheek, een scheiding en een onbevredigd beroepsperspectief bemoeilijkten zijn leven. Ik heb wel geprobeerd in functioneringsgesprekken sturing te geven, maar dat lukte niet zo goed. Een dure opleiding voor hem betaald, zodat hij door kon stromen naar de functie van boekbinder die te zijner tijd vacant zou komen. Maar in die opleiding speelde zijn hoogbegaafdheid hem parten, zoals dat ook het geval was in het dagelijks reilen en zeilen van het restauratieatelier. Arme J. Niet ver van de pensioengerechtigde leeftijd, slechte gezondheid agv de schildersziekte en een zwaar zieke vrouw. Wat moet die man het slecht gehad hebben en wat een enthousiasme wist hij op te brengen voor zijn werk.
Er gebeurde rare dingen tussen H.S. en mij. Waaraan dat lag, geen idee. Maar goed, de man stond twee keer met een mes voor mij, eiste min of meer geld uit de ‘dagelijkse’ kas en wilde promotie, maar het liefst per direct opslag daar had hij meer aan.  Hij werd financieel ondersteund door een vriend voor wij hij s’avonds en s’ nachts lampenkappen maakte. Daarom kon hij ook niet naar Groningen voor zijn opleiding. Of hij het reisgeld niet contant kon krijgen. Uit de kas dus. Die dagelijkse kas was trouwens een relict van de vorige gemeentearchivaris, die er onbekende contante geldstromen op na hield en waar ik vreselijk mee in mijn maag zat. Dat heb ik toen samen met A.t.H., de financiële ambtenaar, netjes geregeld. De enige adequate hulp die ik toen ooit uit het stadskantoor gekregen heb. Dat nam niet weg dat ik een tijdlang contant geld uit dat geldkistje moest halen voor kleine en grotere aankopen waar geen budget voor gereserveerd was ten overstaan van H.S. die regelmatig kleine bedragen nodig had voor materiaal in het atelier. J. vond het prima dat H. dat ging kopen, dan was hij even de deur uit. De inhoud van de kas was in de loop der jaren behoorlijk opgelopen en zoals ik het begrepen heb werd die gevuld met de opbrengsten van koffieautomaat, kopieer gelden en nog zo wat. Hulp voor noodlijdende ambtenaren was er niet, volgens de personeels madam (je hebt echt helemaal niets aan deze dure ambtenaren), hooguit een voorschot op het vakantiegeld (maar dat was net in die maand uitgekeerd).
Een hoogtepunt in de relatie, letterlijk en figuurlijk,  met deze medewerker vormde een onzachte aanvaring op de trap. Ik kukelde naar beneden, inmiddels zes maanden zwanger, op een mooie zonnige vrijdagmiddag in september. H.S. maakte zich uit de voeten. Door zijn lompheid kan hij het misschien allemaal gemist hebben, maar wij hadden heel duidelijk oogcontact op de trap, hij week uit en het leek alsof hij stond te wachten totdat ik naar boven kwam. Ik droeg hakken en men klaagde er over dat die zo goed te horen waren in dit gebouw. Onderaan de trap merkte ik dat alles nog werkte en ben ik dus maar naar huis gegaan. Thuis op de bank werd ik toch wat ongerust. M. vond het vreemd dat ik zo vroeg thuis kwam en ik vertelde hem dat ik van de trap gevallen was. Op zijn aanraden en omdat ik mij ongerust maakte heb ik de verloskundige nog even gebeld. Het was even voor half zes en als ik mij echt grote zorgen maakte, dan kon ik wel even langskomen. Maar zo te horen was het niet ernstig. Dat is uiteindelijk gelukkig ook zo gebleken. Ik was wel de kluts kwijt. Omdat ik mij niet veel kon herinneren van het gebeuren en er geen getuigen waren van het voorval wilde ik aanvankelijk niets doen met deze gebeurtenis. Toch heb ik in de loop van de daaropvolgende week wel melding gemaakt van het voorval in het periodiek overleg met een wederom nieuwe directeur en dezelfde personeelsmevrouw. Zij vonden het vervelend, informeerden naar mijn gezondheid en of ik het nog wel aankon in mijn toestand en gaven het advies om zelf aangifte te doen bij de politie. Maar het zou de eerste keer zijn dat een leidinggevende dat deed. En als er letterlijk over mij heen gelopen werd, dan moest ik misschien maar eens wat anders gaan zoeken. Die gedachtegang kon ik eigenlijk wel volgen en ik had zelf ook wel de conclusie getrokken dat niet alles heel soepel liep en dat ik mijn toekomst toch in een andere richting moest zien om te vormen. Binnen het stadskantoor waren er inmiddels meerdere ambtenaren die mij liever zagen gaan dan komen omdat ik blijkbaar een bedreiging vormde. Ik sleepte nogal veel subsidiegelden in de wacht, had uitstel gekregen in de bezuinigingsronde en was redelijk goed in pr. Ik heb die na ijver nooit zo goed begrepen, want mijn ambities waren vakinhoudelijk niet ambtelijk. Het idee alleen al.
Met de betreffende medewerker heb ik geen confrontaties meer gehad, omdat ik hem uit de weg ging. Het gevaarlijke mes had ik al eerder verwijderd en de geldkas was inmiddels opgeheven. Eén keer kwam K.Z. verontrust binnen stormen met de mededeling dat het niet goed ging met H.S. Dat hij telefoons hoorde rinkelen in zijn hoofd. Ik gaf aan dat H.S. naar huis kon gaan en dat K.Z. daar wel bij kon helpen en misschien een dokter kon inlichten. De bedrijfsarts was ook goed en ik gaf het nummer door. Als H.S. het fijn vond, wilde ik de bedrijfsarts of eventueel bedrijfsmaatschappelijk werk bellen, maar liet wel merken dat ik er niet zo’n zin had en vond dat volwassen mannen dit toch zelf wel moesten kunnen. Helaas konden de heren uiteindelijk een doktersbezoek toch niet zelf geregeld krijgen. En ik vermoed dat die telefoons nog steeds rinkelen.
H.S. kwam, behalve tijdens de kraamvisite, nog een keer in mijn vaarwater terecht tijdens een receptie naar aanleiding van de publicatie van een inventaris. Het was de eerste officiële gebeurtenis na mijn zwangerschapsverlof en ik had er zin in. Alles was perfect georganiseerd, er kwamen veel gasten en er was belangstelling vanuit de pers. M. zou met de kleine baby langs komen. Helemaal aan het eind van de festiviteiten lag N.  in haar maxi cosi om zich heen te kijken. Het kind was nog geen half jaar oud en omdat ik het af en toe op de arm nam, had ik de riempjes los gelaten. Trotse moeder. Plotseling pakte H.S. het kind uit het stoeltje en gooide het meters de lucht in. Onder luid gelach van hemzelf. Ik stond er versteend bij. Na de derde luchtdoop greep M., medewerkster studiezaal in samen met D, hoofd van de atlas. Zij wisten N. uit de handen van H. te halen met de mededeling ‘nu is het wel genoeg’ en aan mij terug te geven. Mij ondertussen boos aankijkend dat ik dit had laten gebeuren. Waar zij ook gelijk in hadden. Ik heb het kind nooit meer mee naar het werk genomen en zou ook iedere jonge moeder aanraden daar heel voorzichtig mee te zijn. Ik was dat dus niet geweest. Je hebt er geen idee van hoeveel betaalde gekken er bij de overheid rondlopen.

december 2012

Klein Leeuwarder Leed 1: bevallingsverlof

De blonde dame van TNT die altijd heel vriendelijk de pakjes komt brengen bij ons, vertelde vol trots dat zij zwanger is. Nog een maandje en dan zou ze in Amby gaan rijden gedurende drie dagen in de week. En dan na nog een maandje met verlof gaan. Daarna zou zij definitief minder gaan werken. Zij zag het helemaal zitten en bedankte ons alvast voor het prettige contact. Met die internet bestellingen staat zij dan ook gemiddeld drie keer per week voor de deur en soms vaker als de buren niet thuis zijn. Omdat ik altijd thuis ben om de deur open te doen, als ik de bel hoor, hebben wij toch wel een band opgebouwd.
Na het dichtdoen van de deur moest ik onwillekeurig denken aan mijn eerste zwangerschap en de tijd vlak voor het bevallingsverlof. Dat was in 1993 in Leeuwarden. Het was waanzinnig druk in die periode. Bezuinigingsvoorstellen, kerntakendiscussies en plannen om eigen inkomsten te gaan verwerven. Zo’n tien procent van het budget zou uit eigen inkomsten gehaald moeten worden. Wij waren optimistisch nog in die jaren. Op de achtergrond speelde een dreigende fusie met het Rijksarchief in Friesland, nu Tresoar. Bedreigend voor het grootste deel van de Leeuwarder archief medewerkers. Voor mij alleen maar een logische stap in schaalvergroting, terugdringen van overhead en andere dubbele kosten die twee gelijkaardige diensten op nog geen driehonderd meter van elkaar maken, en synergie. De management termen van die tijd, vaak gelardeerd met uitdrukkingen uit de gezondheidszorg zoals afhechten, openleggen, scannen, onder het mes gaan, amputeren en nog zo wat van die woorden, boezemen mijn nu afkeer in.
Nog de laatste hand gelegd aan een manuscript over het Burmaniahuis dat eind december gedrukt zou worden en begin januari aan de burgemeester aangeboden zou worden. Dat ik daar niet bij zou kunnen zijn, was duidelijk. De komst van de baby was in de eerste week van januari gepland en of met een hele dikke buik daar gaan staan met de kans dat de vliezen zouden breken of net in het kraambed liggend eruit moeten klimmen voor een receptie was ondenkbaar. Daar had ik wel vrede mee. Iedereen, vooral de dames onder de medewerkers, had hard gewerkt aan het boekje en oud-medewerker PW had een geweldige bijdrage geleverd tot op het laatste moment. Zelfs een uur voor de deadline kwam hij nog met aardige gegevens, die ik snel verwerkte.
Wij hadden het prima thuis geregeld, M en ik. Na het bevallingsverlof zou ik vier dagen gaan werken door ouderschapsverlof op te nemen, hij zou één papadag nemen en de overige drie dagen zou de baby naar de crèche om de hoek gaan. Pinkeltje. Een hele nieuwe en moderne kinderopvang (zo’n goede hebben wij nooit meer gevonden). Ik dacht het helemaal voor elkaar te hebben en zag de toekomst vol vertrouwen tegemoet. Echter een aantal mannen onder de medewerkers zag dit anders. Die hadden al aangekondigd dat mijnheer Abelmann (M dus) maar moest gaan werken zodat mevrouw Roding (ik dus) thuis kon blijven om voor de baby te zorgen. M. die vooral opereerde als huisman en freelance curator werd voortdurend in mijn bijzijn voor gek gezet, vooral onder de koffiepauzes. Er werd dus veel druk uitgeoefend op mij om mijn moederlijke taken te gaan vervullen. Ene W.v.D. had al aangekondigd als mijn vervanger na de bevalling mijn plaats in te willen nemen. ‘Want ik was toch niet van plan terug te komen? ‘Hij zou de steun van de medewerkers al hebben verkregen. Tijdens mijn verlof had hij op eigen initiatief de raad ook maar geïnformeerd over dit voornemen; of zij hem wilden steunen. Immers de raad beslist over de aanstelling en het ontslag van de archivaris. Gelukkig wist ik dat niet tijdens mijn tijd in het kraambed: ik heb het later ook alleen maar via via gehoord en nooit uitgezocht, maar het past exact in het beeld van  die periode en van deze mijnheer (en zijn vrouw).
De kraamvisites waren verplichte kost en voor het merendeel leuk. De ergste was echter de laatste, waarvoor ik door A. en D. mijn poetsvrouw thuis en familie van A., de poetsvrouw in het archief, gewaarschuwd werd van tevoren. Ik moest die heren maar niet binnenlaten. Ze zouden niet gezellig zijn. De afgesproken namiddag was aangebroken en de heren J.F., H.S. en K.Z. kwamen aanzetten zonder kraam cadeau. Geeft niet, wat weten mannen nou van kraam cadeaux af. M. had voor niet al te veel drank gezorgd, want hij dacht niet dat deze heren van midden dertig, allen min of meer vrijgezel al was H.S. net wel vader op afstand geworden, veel behoefte zouden hebben aan een langdurige kraamvisite. Ik had er immers ook geen behoefte en hij ook niet.
Die avond lag N. in de bak van de kinderwagen bij de boekenkast te slapen. Ik zat er dicht tegenaan met de oude pathofoon achter mij. Veilig gevoel.Twee heren zaten, J.F. en K.Z. op de bank en de derde in een stoel er vlakbij. De sfeer was gespannen en onaangenaam. Ik hoopte dat de lytse poppe honger zou krijgen of een vuile luier zou produceren zodat ik de woonkamer kon verlaten. Niets van dat alles. Ik overwoog nog om dat dan maar te verzinnen, maar een slapende baby wakker maken is naar. Ze lag lekker te pruttelen in haar bedje met speeksel druppeltjes om haar mondje. Plotseling sprong H. op en dook in de bak. Ik schrok mij wild. ‘Wat heeft dat wicht lelijke grote oren en moet je zien. En ze geilt nu al op mij. Het kwijl druipt er vanaf.’ Ik dacht even dat ik het niet goed hoorde. De andere heren vonden het een geweldige grap. M. was op dat moment natuurlijk in geen velden of wegen te bekennen. Als je een man nodig hebt, is ‘ie er nooit. Hij was nog wat bier halen omdat de heerschappen wel erg grote dorst leken te hebben en hij een goede gastheer wilde zijn. Er werden nog wat vrouwonvriendelijke of liever moeder onvriendelijke uitlatingen gedaan over veranderingen in figuur, afgezakte tieten, lillend buikvel en voortdurend lekkende borsten. Ieder van de heren ‘moest pissen’ na elkaar, zoals ze zelf zeiden. Voor mij was de lol van dit kraambezoek er al af, als het al iets was geweest waar ik naar uit had willen zien want vooral met H.S. en K.Z. had ik al veel meegemaakt. Enfin, ik maakte mij uit de voeten toen M. thuiskwam. Hij nam het heft in handen en de heren werden het huis uitgezet. Althans zou heb ik dat begrepen, maar ik denk eerder dat zij hun missie als voltooid zagen en M. met het krat bier lieten staan. Ze gingen verder met zuipen in de Spoekepaole. Een geliefde locatie voor dit slag ambtenaren uit het ‘culturele’ veld.
Ik bezocht op een gegeven moment de wc op de begane grond en wist niet wat ik zag. De hele vloer en muren waren onder gezeken. Van boven tot onder. Een geweldige stank kwam mij tegemoet. M. ontfermde zich uiteindelijk over de schoonmaak van het hokje en ik ging met de baby maar naar boven, uitgeput. Nu toch wel tegen de terugkeer op mijn werk op ziend. Voor dat ik op bevallingsverlof vertrok had mijn wethouder mij nog een fijne vakantie gewenst. Wist die man veel. Ik wilde hem graag nog eens uit die droom helpen.
Nu kun je twisten over de vraag of het wel zo slim was geweest deze types in huis te halen. Wij waren gewaarschuwd en wij hadden er zelf ook al niet veel zin in. Maar waar trek je de lijn als leidinggevende in het je coöperatief en toegankelijk opstellen of het trekken van grenzen als kersverse moeder. Had iemand dit kunnen voorzien?
Uiteindelijk kwam het er op neer dat na mijn terugkeer mijn ouderschapsverlof niet geaccepteerd werd door de heren. Een leidinggevende moest de hele dag (en nacht?) beschikbaar zijn voor de medewerkers. Dat het juist van een goede organisatie getuigde wanneer een directeur niet elke dag aanwezig hoefde te zijn, begrepen de heren niet.Gelukkig kreeg ik wel managementondersteuning van een mevrouw die moest re-integreren, maar die bleek ernstig manisch-depressief te zijn en raakte op een gegeven moment onder werktijd in een psychose. Ze sloot zich op op de bovenverdieping en kraamde de grootst mogelijke onzin uit. Met hulp van de politie moest mevrouw ontzet worden. Of de personeels mevrouw dit niet wist? Vroeg ik later. Eigenlijk wel, maar ze moesten haar kwijt en in een archief kan zo iemand toch geen kwaad doen, dacht zij. Ik moest dus mijn ouderschapsverlof inleveren. Een extra dag kinderopvang voor de baby regelen (die gelukkig een heerlijke tijd op de crèche gehad heeft van begin tot eind) en mij zelf forceren. Dat W een goede vervanger was, werd inmiddels ook niet als argument geaccepteerd. Blijkbaar viel dat ook wat tegen. Langzaamaan begon ik mijn toekomstplannen te veranderen, maar of ik ook de tijd zou krijgen die ten uitvoer te brengen was niet helemaal zeker. Ik vermoedde van niet.
Je kunt dus als toekomstige mama de opvang van je kind en je werk nog zo goed willen regelen, maar er zijn sentimenten waar je niet tegenop kunt boksen. Zeker niet in de rand provincies van Nederland.
En zeker niet als je in een organisatie werkt met heren tussen de dertig en de veertig die    moeizame relatie met vrouwen (echtgenotes, vriendinnen en moeders) onderhouden, kinderloos of vader op afstand zijn, gefrustreerd in hun ambities of ten prooi gevallen zijn aan zelfoverschatting of van die van hun vrouw.
Ik hoop van harte dat het TNT-meisje een heerlijke periode tegemoet gaat en dat haar bevallingsverlof geweldig zal zijn. Dat zij ook gesteund wordt in haar moeite om werk en kinderen te combineren. En als er geen steun is, dat er dan overlegd wordt over een passende oplossing. Want die zijn er namelijk wel te vinden en vaak zijn de mama’s de eersten die daar naar op zoek gaan. Maar of dat echt beter geworden is, vraag ik mij af. Ik heb Limburg uiteindelijk net zo vrouwonvriendelijk in de werkomgeving ervaren als Leeuwarden en dan zijn wij toch al bijna twee decennia verder. Jammer.

december 2012

Ziekmelden

Een vriendin van mij heeft zich ziek gemeld. Daaraan is een heel proces voorafgegaan van wanhopig alle ballen de lucht in willen houden. Ze was er van onder de indruk, van de beslissing. De reden lag in de arbeidsomstandigheden. Die waren en zijn ziekmakend. Ik had met haar te doen. Het klinkt zo makkelijk als je je werk even niet meer ziet zitten. ‘Dan meld je je gewoon toch ziek.’ of  ‘Ambtenaren melden zich altijd ziek.’ Maar zo zit het toch echt niet. Mijn ziekmelding in 2007 was niet zo eenvoudig. Net werkzaam in een nieuwe functie, letterlijk met vallen en opstaan het eerste jaar doorgekomen en toch moeten capituleren. Zo intens vernederend voor je zelf en onbegrijpelijk voor je naaste omgeving.
De eerste keer dat ik met ziekteverlof ging, was ik niet ziek. Ik was situationeel ziek. Dat was in Leeuwarden in 1996. Kort daarna ben ik echt heel ziek geworden en nooit meer hersteld. Zo is het nu. Maar dat situationeel ziekmelden zoals dat bon ton is in de ambtenarenwereld is een raar fenomeen. Je wordt geacht niets meer te doen, maar wel beschikbaar te blijven voor je werk. Dat wil zeggen te moeten komen opdraven op het moment dat je leidinggevende dit nodig acht. Je komt vervolgens in een afkeuringstraject terecht als er voortijdig geen oplossing voor je gevonden kan worden vanwege onwilligheid van je werkgever en je wordt afgekeurd aan de hand van je verdiencapaciteit. Dat betekent dat wanneer je een aanzienlijk salaris krijgt, je een hoger afkeuringspercentage krijgt opgelegd. Van begin tot het eind klopt hier niets van. Of dat nog zo is, weet ik niet.
In Leeuwarden was er een heel traject aan voorafgegaan van grote politieke en bestuurlijke onenigheid die op de een of andere manier boven mijn hoofd tot ontlading is gekomen. Dit wordt het onderwerp van een dik boek: daar ben ik zeker van. Ik krijg er steeds meer zin in om mijn tanden hier in te zetten. Er is toen karaktermoord op mij gepleegd en ik ben dat niet te boven gekomen. Ik denk dat iedereen die dit overkomen is niet te boven komt.
Enfin in Maastricht heb ik mij ziekgemeld toen ik na een treinreis over Leeuwarden via Groningen op de terugweg mij bedacht dat het werk in het RHCL letterlijk gekkenwerk was. Niet alleen was de directeur een volkomen op hol geslagen idioot, maar de twee diensten die samen onder één dak terecht gekomen waren, vochten elkaar de tent uit. Letterlijk. Ik was voorbereid op het laatste, niet op het eerste. Het laatste was nog wel op te brengen geweest, omdat uiteindelijk alle mensen vanuit een intrinsieke liefde voor het vak iedere dag aan het werk gingen. Het eerste is dodelijk. Een gevecht, zoals het bestuur en de personeelsmanagers dachten, zat er voor mij niet in. ‘We hadden niet gedacht dat je zou verliezen.’ Maar op hoeveel fronten kan een mens vechten?
Ik heb mij dus ziek gemeld. Netjes volgens de regels. De gesprekken bij gewoond met de directeur en een personeelsconsulent waarbij ik letterlijk en figuurlijk het gebouw uit gebonjourd ben. De gesprekken konden niet in het gebouw van het RHCL gehouden worden, dat zou geen goed signaal naar de medewerkers zijn. Ik heb nog een brief geschreven waarin ik aangaf dat ik graag mijn nog aanwezige mogelijkheden wilde inzetten op een duidelijk vakinhoudelijk deel van het werk. Er was en is tenslotte daar genoeg te doen voor de komende honderd jaar. Het enige antwoord was dat de heer personeelsmanager namens de directeur mij beschuldigde van valsheid in geschrifte. Ik zou ten onrechte bij mijn functie in Rotterdam vermeld hebben dat het om een interim functie ging. Men had gehoord dat dit niet klopte. Gelukkig had ik mijn aanstellingsbrief nog en kon ik middels een kopie en een rood stempotlood uit Zierikzee, waarvan iedere ambtenaar er een gekregen had vanwege de invoering van de stemcomputer toentertijd, de beschuldiging weerleggen. Nooit meer iets op gehoord ook geen antwoord op mijn brief gekregen.
Mijn contract verliep(na bijna 25 jaar in overheidsdienst te zijn geweest stond ik als kostwinnaar op straat) , mijn mogelijke reïntegratie kon niet in het RHCL plaatsvinden en mijn gezondheid ging daarna ten gronde. Volledig. En dan zeggen mensen dus dat je ziek melden zo makkelijk is. Zo’n eenvoudige uitweg en de weg van de minste weerstand. Mijn vriendin beleeft het nu ook. Hoe moeilijk het is op te boksen tegen een directeur die niet deugt. Een psychopaat. Hoe alleen je staat in een organisatie die fundamenteel niet deugt. Je hebt niets aan bedrijfs- en keurings artsen of begeleidende personeelsconsulenten, die spreken uiteindelijk allemaal het woord van hun broodheer. In Leeuwarden ben ik met ziekteverlof gestuurd om daarna niet meer beter te worden.

december 2012