Können Sie mir einmal in meinem Leben helfen? Es wäre faktisch eine Lebensrettung!

Het ellendige leven van Ellen Helene Bäsch-Jernberg Schrattenholz, volle nicht van Joseph Wilhelm (Willem) Mengelberg

Brief van Hans de Jong, zwager, aan Willem Mengelberg, 8 aug. 1931 De illustratie is van diens 17 jarige zoon Henricus de Jong.

Het digitale levenspad van Ellen Bäsch-Jernberg Schrattenholz (Düsseldorf 10-9-1887) eindigt op 19-10-1943 wanneer Karl E. Andersson in Helsingborg de akte ondertekent, waarin haar aankomst in Denemarken bevestigd wordt. Ellen arriveerde 11 dagen eerder met haar adoptiefdochter Dora Agata (21-4-1929) en haar joodse man Georg Gustaf Bäsch (Breslau 2-3-1886). Het gezin verbleef in de Nybölsallee 26 in Kopenhagen. Ellen behoorde tot de evangelische kerk, aldus het formulier. In Zweden had zij nog een tante wonen: Gulli Jernberg aan de Hornsgatan 32 in Stockholm. Als opleiding noteert Karl een openbare lagere school, gevolgd door bijzonder onderwijs en een vroedvrouwenopleiding. Op de akte van Georg schrijft dezelfde Karl als diens ouders de koopman Vilhelm Bäsch en Marta Hirschfeldt. Hij kreeg een gymnasiale opleiding en volgde een universitaire studie Rechten. Het gezin was in 1938 definitief uit Duitsland gevlucht maar was, zoals blijken zal, na de “Kristallnacht” aan het zwerven. Ellen en Georg krijgen een verblijfsvergunning dat geldig is tot 2-10-1948 en verblijven vanaf 9-10 in het vluchtelingenkamp Alafore bij Alingsäs. Ook het digitale leven van Georg en van Dora eindigt bij deze registratie.

De ouders van Ellen waren Johann Josef Schrattenholz (1847-1909) en Anna Jernberg (1862-1916) en Josef zoals hij genoemd werd, was de jongste van de twee broers van Helena Schrattenholz (1845-1930), de echtgenote van Friedrich Wilhelm Mengelberg (1837-1919), roepnaam Wilhelm, en moeder van Willem, de wereldberoemde dirigent. Naar haar is Ellen vernoemd. Willem en Ellen hadden vanzelfsprekend dezelfde grootouders met Wilhelm Schrattenholz (1815-1898) en Maria Helena Schreiner (1814-1882). Grootvader Wilhelm, “Dr Schrattenholz” in de wandelgangen, was een huisonderwijzer in Schloß Allner, schrijver, dichter en componist, maar ook een medicus en ziener. Aan hem wordt één van de vele versies van het Rheinlied toegeschreven, Spielbähn. Seine merkwürdigsten Prophezeihungen auf unser Zeit (Bonn, 1846) en Das neue Schrattenholz-Heilsystem der Abduktion (Bonn, 1854). Aan het eind van zijn leven zal hij de kost gaan verdienen met het verkopen van drankjes, waaronder het “Amarant- elixer”, waarvan Ellen het recept heeft gekregen.

Haar vader Josef is een opvallende figuur geweest: journalist, componist en biograaf en bovenal een verklaard en uitgesproken tegenstander van het antisemitisme. Zijn oudere broer Max (1842-1898), naar wie een zoon van Wilhelm en Helena, de muzikale en te jong gestorven cellist Max (1875-1897) vernoemd werd, gaf hem pianolessen. Max Schrattenholz bouwde een interessante carrière als componist, muziekpedagoog, pianist en violist op in Groot-Brittannië en Duitsland en was enige tijd organist van de Dom in Straatsburg.

Als schrijver zal Josef de uitspraken van Robert Schumann verzamelen en uitgeven. Tot zijn kennissenkring mocht hij de componisten Robert Franz en Hans von Bülow rekenen, die zoals later blijkt Ellen persoonlijk kent, althans de weduwe van de laatste. Interessant is het feit dat Josef in 1891 een biografie van de vooraanstaande joodse schilder Eduard Bendemann schrijft: de professor aan de Düsseldorfse academie, die zoveel oproer veroorzaakte met zijn indrukwekkende schilderij van treurende Joden aan de Rijn, dat zich in het Wallraf-Richartz museum in Keulen bevindt. Het opkomend antisemitisme, dat na 1870 ingrijpend van karakter veranderde en raciaal wordt, probeerde Josef tevergeefs in te dammen met de publicatie van Antisemiten-Hammer in 1891. Een duidelijke verwijzing naar de heksenvervolgingen onder leiding van de Dominicaan Heinrich Kramer in de late 15e en begin van de 16e eeuw.

Hoe en waar Josef zijn vrouw ontmoet heeft, is zeker wel te herleiden. De in Düsseldorf geboren Anna was de dochter van August Jernberg (1826-1896), een bekend Zweeds schilder die in 1851 lid werd van de Kunstacademie in deze stad. Vier jaar later trad hij toe tot het genootschap schilders “Der Malkasten”, opgericht door onder meer Otto Heinrich Mengelberg, de broer van de overgrootvader van Willem. Het gezin van Josef en Anna telde veertien kinderen, zeven jongens en zeven meisjes, van wie Ellen het oudste meisje was.

Zoals al aangegeven werd, begon de treurige tocht van Ellen en Georg en hun kinderen al in 1932 zoals blijkt uit een brief die zij op 28 juni 1933 schrijft vanuit de S.Josefssiedlung aan het Kettelerpfad 33 in Berlijn-Tegel. Zij openbaart hierin haar angst om naar Amsterdam te komen omdat deze komst tot onaangenaamheden zou kunnen leiden in de relatie met haar neef. Zweden zou ook een optie kunnen zijn, maar haar man zal het daar veel zwaarder hebben omdat er nauwelijks joden in Stockholm wonen en het veel langer zal duren voordat hij er een bestaan kan opbouwen. Nederland heeft immers een grotere en sterkere joodse gemeenschap en de overlevingskansen zijn daarom veel beter. “Es liegt nun Ihren Händen, sehr vererhter Herr Vetter, das Land für unsere Ankunft zu bestimmen. Ich würde mich Ihrem gütigen Rate, den ich dringend erbitte, unbedingt fügen.“ De reisbagage kan zij pakken in een speciale tas die zij van de weduwe van Hans von Bülow gekregen heeft. Ellen schrijft in deze brief over meerdere kinderen.

In een volgende brief van 23-10-1934 vermeldt zij het bestaan van een vijfjarig meisje en dat het gezin getroffen werd door ellende en dood. Deze brief verstuurt zij vanuit Kopenhagen en zij stelt vanuit “[…]die Hoffnung auf das edle Herz eines grossen Künstlers! Können Sie mir einmal in meinem Leben helfen? Es wäre faktisch eine Lebensrettung! Ich habe das Amarant-Rezept unseres Grossvaters. Wenn mir das kleine Kapital von eintausend Kronen anvertraut würde als ein Verlehen, dann hätte unser Elend ein Ende, denn damit wäre Arbeit und Verdienst geschaffen! Bitte, bitte versuchen Sie es uns zu retten.“ De smeekbede gaat door en eindigt met de opmerking dat de eerdere brief helaas geen reactie opgeleverd heeft. Deze brief laat zij daarom via de consul generaal aan Willem persoonlijk bezorgen.

Hoe het het gezin in de volgende drie jaar vergaan is, is niet duidelijk. Een getypte brief van pastoor H.Jurgens van de S. Olavparochie in Oslo van 2 november 1937 geeft echter enige duidelijkheid. Het gezin, intussen tot volledige armoede vervallen kan door de pastoor niet meer onderhouden worden. Zij leven immers in een protestants land, waar het bestaan niet makkelijk is. Hij vraagt Willem om hulp en vertrouwt hem toe dat Georg inmiddels positief denkt over het katholieke geloof en zich misschien wil laten dopen.

De laatste – onvolledige- brief die het dossier bevat, werd geschreven door de jongste zus van Ellen. Zij schrijft op 19-10-1940 namens haar zus over de ellendige omstandigheden van de familie bestaande uit vijf mensen. Zij wijst nog eens op het feit hoe de muziek de familie verbindt en dat haar broer Paul hem in Berlijn ontmoet heeft. Over deze Paul is niets bekend. Hier eindigt de correspondentie, die vruchteloos gebleven is. In 1943 meldt het gezin zich dus weer in Denemarken en verdwijnt dan digitaal uit het huidige zicht.

Het wachten is op een onderzoeker die het de moeite waard vindt, de gevolgen van de harde houding van Willem Mengelberg naar dit gezin van zijn volle nicht uit te zoeken. De zoektocht zou kunnen starten in Stockholm, waar heen het gezin gereisd kan zijn.

Kijk voor verantwoording bronnen en literatuur onder “research” op deze site.

mei 2021