‘IJshaar’, ‘Haarijs’ of de ‘Baard van Koning Winter’

'De Baard van Koning Winter' 1
‘De Baard van Koning Winter’ 1

In het ‘Wuhan- tijdperk’ denk ik nog terug aan een mooie wandeling eind februari in de Franse Ardennen; een zaterdagochtend na een nachtje lichte vorst. Geliefde en ik wandelen rustig het ommetje dat onze huiseigenaren Bernadet en Tim hebben uitgezet traditioneel als eerste, als inkomertje. Het valt niet tegen, prachtige uitzichten over berijpte hellingen, heldere zon en blauwe lucht. 

Naast ons 'tweede huisje'

Geliefde altijd al oog voor detail en vooral een arendsoog hebbend ( hij heeft nog steeds geen bril ‘voor altijd’ nodig. Een uitdrukking van mijn moeder, die het als een vreselijke veroordeling zag wanneer een vrouw of meisje een bril ‘voor altijd’ nodig zou hebben,)  ziet als eerste een merkwaardige groei op dood hout. Het ziet er heel kwetsbaar uit en ondanks dat ik nogal tactiel ben ingesteld, blijf ik er met mijn vingers vanaf. Het is duidelijk dat dit groeiseltje enige beroering door wat dan ook niet overleven zal. Ik maak foto’s en wij wandelen weer rustig verder. De temperatuur loopt op en is nu duidelijk een graadje boven nul aan het komen. 

De directe omgeving van het IJshaar
De directe omgeving van het IJshaar

Op driekwart van onze wandeling komen wij wéér een witte ornamentatie van dood hout tegen. Wederom bestuderen wij het, raken het niet aan en ik maak foto’s. Vervolgen onze wandeling en eindigen deze met een gezellig bezoekje aan het nieuwe huis van Bernadet en Tim. Wederom met veel liefde en oog voor authentieke details opgeknapt tot een lusthofje. 

De Baard van Koning Winter 2
De Baard van Koning Winter 2

In Maastricht bekijken wij de foto’s  en verwonderen ons weer over het verschijnsel. Mijn lijfblad ‘Roots’ (de opvolger van ‘Grasduinen’,  dat ik eerlijk gezegd veel aardiger en informatiever vond) biedt uitkomst door de rubriek waarop lezers hun waarnemingen kunnen insturen. Ik heb zoiets nog nooit gedaan, verbaas mij ook altijd over mensen die het wel doen, maar doe het nu dan toch. Ik stuur een berichtje met foto en met de vraag dit verschijnsel te verklaren en bijna per kerende post krijg ik antwoord van Paul Bohre: het is ‘IJshaar’, met de wikipedia- link waarmee ik op de pagina kom waarop precies staat uitgelegd wat het is.

Het is dus een ‘zeldzaam natuurlijk verschijnsel’ van een ijsstructuur op dood hout, niet op de bast. Dat hadden wij ook al gezien, op het kernhout dus. Het Haarijs ontstaat wanneer de luchttemperatuur net beneden het vriespunt ligt en de (stofwisseling) van schimmels water vrijmaken door kleine openingen in het hout, de zgn. houtstralen. Deze bevriezen waardoor de haartjes ontstaan. Het IJshaar groeit net zolang door als de omstandigheden gunstig zijn, maar daalt de temperatuur iets dan verdwijnen de haartjes. Maar ook als de temperatuur stijgt of je hen beroert, ‘sublimeert’ het. De naam van het beestje luidt ‘Exidiopsis effusa’ en werd voor het eerst beschreven door Alfred Wegener. 

Nou heb ik met die verwijzing weer een leuke link te pakken: Alfred Wegener, nog nooit van gehoord natuurlijk. Een Duitse meteoroloog en aardwetenschapper; geboren in 1880 in Berlijn en onder bizarre omstandigheden gesneefd rond 16 november 1930. Hij leefde het leven van veel academisch geschoolde geesten in die jaren, hoogopgeleid en op meerdere terreinen actief. Zo vestigde hij samen met zijn broer een nieuw record in de ballonvaart in 1906 en namen zij deel aan pool- expedities. Bij terugkomst wordt hij privé docent en schetst hij als eerste de theorie over de continent- verschuivingen en verdiept hij zich in het klimaat van de prehistorie. De inzichten over de continenten zoemden overigens ook rond onder andere wetenschappers, maar pas in de jaren zeventig van de vorige eeuw werden deze hypotheses serieus genomen.

Zijn wetenschappelijk wordt gewaardeerd en hij krijgt een leerstoel in Graz aangeboden. Hij mag nog een keer naar Groenland afreizen om daar te werken in het onderzoeksstation dat hij jaren eerder had opgezet. Tijdens een fourage- tocht begeeft zijn hart het en wordt zijn lichaam pas in mei 1931 gevonden.

Over ‘De Baard van Koning Winter’ publiceerde Wegener in 1918, ‘Haareis auf morschen Holz’ . In dit artikel legde hij het verband met het voorkomen van zwammen in het hout, maar legde het niet verder uit. Veel later zag men in dat het de schimmels die actief zijn in het afbraakproces van het hout, die de haartjes op het hout laten groeien. 

Zijn naam werd verbonden met een onderzoeksinstituut in Bremerhaven, met de inslagkraters van meteorieten op de maan en Mars en met een planetoïde. Hij kreeg een gedenksteen en museum in Zechlinerhütte. Altijd jammer dat zulke leuke, kleine musea geen conservatoren zochten, ooit, vóór de ‘Baard van Koning Winter’. 

maart 2020

Balade 54: over een wandelpad met een kadaver door de Vallei van St Niklaas naar een dertiende eeuws kerkportaal van de S. Lambert

Gezicht om de mairie van Lalobbe
Gezicht op de mairie van Lalobbe

Ten Zuiden van Signy- l’Abbaye ligt het plaatsje Lalobbe. Vorige jaren waren wij er al eens doorgereden, maar vanochtend opperde manlief het voorstel om nu eens in het gebied van de ‘cidre’ te gaan wandelen: van de appelboomgaarden. Het was ons al opgevallen dat het een aardig, langgerekt plaatsje was, waarvan de welvaart bloeiend was door de kweek van appelen voor de cidre tot na 1880. ‘Cidre de Lalobbe’ was een begrip in deze wereld, maar ging desondanks toch ten onder. Twintig jaar geleden werd de productie weer nieuw leven ingeblazen.

Na een rustig ontbijt in een inmiddels redelijk opgewarmd huisje kwamen wij rond negen uur aan op het kerkplein van Lalobbe. Bij deze wandelroutes is het altijd even zoeken naar het echte begin, want op de aangeraden parkeerplaats staat namelijk nooit  een verwijzing welke richting je op moet. Na even wat heen en weer gelopen te hebben, vonden wij het goede weggetje tussen twee huizenrijen door. Een misselijk makende stank kwam ons echter tegemoet en in het buitenste huisje aan de rechterkant bleek een vorm van afval-anarchie te heersen, die zijn weerga niet kent. Een paar meter voorbij dit onwelriekende binnenplaatsje struikelde ik bijna over iets dat verdacht veel op een kadaver leek. Meestal doe ik dan net of ik niets zie, ik registreer het niet en loop stug door, maar dit keer keek ik toch wat langer naar de overblijfselen van vermoedelijk een schaap. Het zag er vreselijk uit: uiteengereten en alle eetbare onderdelen waren verwijderd, er afgescheurd.

De klei van de vlakte van Rogiville
De klei van de vlakte van Rogiville

Snel liepen wij door, even overwegend om rechtsomkeert te maken, maar wat wij in de verte zagen liggen was toch aantrekkelijk genoeg om met de tanden op elkaar en de neusgaten dicht door te stappen. Onderwijl de hopen hondenstront ontwijkend die hier lagen. Blijkbaar was het schapenbeest door honden opgegeten. De hondensporen leidden ons door de vallei van de St. Niklaas. Een mooi stroompje, met af en toe verval en sterke versnelling. De oevers waren drassig en het pad was, toen de honden blijkbaar ergens rechts afgeslagen waren, bezaaid met reeën-prenten en andere sporen, die ik zo gauw niet kon herkennen.

Het is een prachtig dal, maar bepaald niet geschikt voor rolstoelen en mensen met kinderwagens. Bomen lagen her en der over het pad, deels moedwillig neergelegd om gemotoriseerd vervoer te hinderen en mountainbikers, deels door de storm van twee weken geleden. Het fotograferen liet ik maar even achterwege, want dit zou te gevaarlijk worden voor mijn onverzekerde uitrusting.

Meterslange rijen boomstammen
Meterslange rijen boomstammen

Na een spannende tocht arriveerden wij in ‘La Besace’ en kwamen via het volgende gehuchtje ‘Rogiville’ op de vlakte terecht waar een ijskoude wind stond en meterslange rijen met opgestapelde boomstammen ons juist weer beschutting boden. De zon brak door en uit de wind aten wij een stokbroodje paté: voor het eerst deze dag een gevoel van voorjaar.

De afdaling ging door een stuk bos dat zo mogelijk nog minder geschikt was voor rolstoelers en scootmobiels: er was geen pad meer, maar een langgerekt, heel smal moeras. Struinend over de hoger gelegen bosranden bereikten wij het eind van dit bospad, dat prachtig was vanwege de met mos begroeide bomen, boomstronken en takken die overal her en der verspreid lagen.

Nog meer prachtig mos
Mosgroei op bomen

Wie de voorstelling van Pauline Cornelisse gezien heeft over de mosjes, weet waarover ik het heb. Dit is het Walhalla van de mosjes. Je zou zo een tentje opzetten om op het zachte mos te gaan liggen en rustig vanonder de luifel rond te kijken welke soorten je ziet. En dan te bedenken dat het product mos hier decennialang gegroeid moet zijn om de omvang te bereiken die het nu heeft. Opgemerkt moet wel worden, dat de score van het soort mos niet hoger dan één kwam.

Nog meer schimmel op dood hout
Curieuze schimmelgroei op dood hout

Gisteren zagen wij trouwens een hele aparte schimmelgroei op takken en bladeren. Een spierwitte, langgerekte en draderige begroeiing die op een kabouterbaard lijkt. Ik heb er foto’s van gemaakt. Geen idee wat het is. Tijdens diezelfde wandeling konden wij ook zien hoe de ‘elfenbankjes’ op het hout ontstaan en groeien: het begint met een oranje- achtige gelei, die zich vormt tot een draderige knoop, waarvan de structuur uiteindelijk in de paddenstoel terug te zien is. Overigens zullen het misschien geen ‘elfenbankjes’ geweest zijn, maar ik weet even geen beter alternatief.

Na het mos- bos gingen wij verder door het dalletje van de Vaux en werden door een vriendelijke Belg de juiste richting gewezen. Er was inmiddels op een aan zijn tweede huis aanpalend terrein een machinefabriek verrezen, die het emplacement vermoedelijk wat verder uitgebreid had, dan wettelijk toegestaan was. Gelukkig begon de man geen boutade over deze zeer ingrijpende inbreuk op zijn tweede leven en wandelden wij rustig verder. Gisteren hadden wij een andere ervaring, maar wel leerzame.

'Elfenbankjes' op dood hout
Elfenbankjes op dood hout

In La Coccinelle spraken wij met de zeer praatgrage slager, die een uiteenzetting gaf over de gevolgen van de Brexit voor het Franse platteland. Wie denkt dat deze twee niets met elkaar te maken hebben, die vergist zich flink, zo bleek uit zijn verhaal. Overigens was het geen uitwisseling, maar een eenrichtingsverkeer en het kan zijn dat hij het vorig jaar ook al verteld had. Dit lag niet aan de man, maar aan onze stijve hersenen die nog niet ingespeeld waren op het Frans. Wat is er nu aan de hand? De op het Franse platteland residerende Engelsen blijken over het algemeen een niet onaanzienlijke rol te spelen in het bestuur van de plattelandsdorpen. Zij mogen deze (semi) officiële functies bekleden omdat Groot- Brittannië lid is van de EU, maar nu dus niet meer. Status-loze Engelsen verdrietig en de Fransen op het platteland bedroefd. Of dit een echt probleem zal worden, weet ik niet. Gezien de vrij autarkische opstelling van de Franse plattelanders lijkt het mij dat ‘men’ zich er niet zoveel van zal aantrekken.

De route eindigde achter de kerk, waar hij ook begonnen was. Wij hadden de drie beken gezien waar in de negentiende eeuw het ijzererts gewassen werd om het te ontdoen van de klei, het zgn. ‘patouillet’. Op verschillende plaatsen waren nog resten van een soort perrons te zien. Ik moet er niet aan denken dit soort werk te doen en het zullen vooral vrouwen en kinderen geweest zijn die hiermee aan het werk gezet werden. De mannen zullen het erts gedolven hebben.

Het prachtige dertiende eeuws portaaltje van de St. Lambert, met zijn beeltenis ten voeten uit van veel jonger datum, versterkte de indruk van het zijn van een halteplaats op weg naar Compostella, net als Signy l’Abbaye. Er was zelfs een officiële pleisterplaats aangegeven, die al heel lang geleden gesloten was, zo bleek. Het kerkje was één van de vele versterkte bedehuizen in deze streek, maar zoals het er nu uitzag niet meer in gebruik.

Ingangsparijt S. Lambert in Lalobbe
Ingangsparijt S. Lambert in Lalobbe

Er wonen nog maar 204 mensen in het dorp, van wie één dus een Belg en de tweede, die wij op het eindpunt ontmoetten, een Nederlander was met twee honden. Hij zocht tevergeefs met zijn mobieltje bereik en was bang dat wij zijn honden iets zouden aandoen. Ik heb maar niet laten merken dat het eerder andersom was. De foto’s van het portaal zijn niet zó goed geworden met twee springende honden tegen mijn benen.

februari 2020

In de buurt van Margraten, Ternaard en Ryckholt

IMG_1567
IMG_1614
IMG_1592
IMG_1574
IMG_1569
IMG_1597

februari 2020

Snelheidsbeperking en vernietiging kleine natuurgebieden

Ik dacht af en toe al weleens dat wij met het polderen onze samenleving echt naar de sodemieter helpen, maar nu weet ik het zeker. Ter compensatie van het minder hard rijden op de snelwegen, mogen de kleinere natuurgebieden opgeofferd worden aan onze bouwwoede. Het verplicht minder hard rijden is met grote mate van zekerheid aan te merken als een onzekere factor, want afhankelijk van menselijke welwillendheid. In dit specifieke geval toch erg discutabel. Rijdt niemand minder hard, dan kan de gezagsdrager hier ook niet veel aan doen en lijkt de milieunorm alsnog gehaald te worden, dan mag je lekker weer harder rijden. Dat deed iedereen toch al in de avonden, op zondagochtenden en als een boete je inkomen niet belast. Met de komst van het nieuwe racecircuit in Zandvoort worden snelheidsmaniakken en geld- machtswellustelingen weer even rustig gehouden, ook weer ten koste van natuur, rust en ruimte. Intussen zijn wij wel de postzegeltjes natuur aan het kwijtraken, die nooit meer terug zullen komen. Toch wel een geruststellend idee dat er bij elk poldermodel, weer iets van waarde verloren gaat. 

 

november 2019

Zonnemagie in November en de wereld gaat aan stront tenonder

IMG_1026

Eindelijk weer eens een mooie wandeling gemaakt in de buurt van Euverem. Niet al té vroeg gestart, maar doordat wij aan de ‘verkeerde’ kant van de heuvel liepen toch nog een zonsopkomst meegemaakt die heel geleidelijk ging. Zonnemagie in november. De foto’s spreken voor zich en zijn zonder photoshop bewerkt. Het zijn foto’s zonder levende wezens. Mijn fotografievaardigheden zijn nog niet zo ver ontwikkeld dat ik heel snel sluitertijd en belichting kan aanpassen aan een vogel in de lucht, maar die techniek hoef je eigenlijk niet meer te hebben want een beest hebben wij niet gezien.

Aan het begin van deze etappe was het steggelke voorzien van een bord met de tekst dat hondenstront slecht voor de koeien is. Een hartekreet van een boer die zijn koeien gezond wil houden en de vermoedelijk loslopende huisdieren niet in de buurt van zijn stal wil hebben en niet elke avond zijn laarzen wil schoonmaken van de hondenpoep. Ik was wel blij met het bordje, want ik dacht dat ik de enige was die zich ergert aan de toename van hondenstront in het Limburgse landschap. Het is ook zo verdomd truttig om hierover te vallen eigenlijk: natuurlijk begrijp ik best wel dat die beesten ook graag los lopen en dat hun baasjes daar ook van genieten. Van het in een zakje stoppen van een drol, geniet niemand.

Of het met elkaar samenhangt weet ik niet. Het kan ook te maken hebben met het feit dat ik uit een oude ‘Groene Amsterdammer’ het aantal kilo’s ammoniak dat in Maastricht en omgeving wordt uitgestoten, bij elkaar heb opgeteld en tot de conclusie moest komen dat na Zeeland, Zuid-Limburg op de tweede plaats staat op de ranglijst van deze specifieke vervuiling. En dat is dus alleen de uitstoot via de fabrieken hier binnen de grenzen (die uitstoot in de omgeving van Luik en Aken is niet meegerekend). En ook de gestrooide kunstmest en bestrijdingsmiddelen op het land zelf komen in deze statistiek niet voor.

Aan levende wezens hebben wij gisteren welgeteld één poes gezien, een buizerd met twee kraaien en een roofvogel die te snel vloog om herkend te kunnen worden, twee pony’s, de geijkte mezen, roodborstjes en winterkoninkjes aangevuld met een aantal spechten (die doen het erg goed op dit moment) en behoorlijk wat koeien. En dat in een gebied waar tien jaar geleden toch altijd wel een of twee reeën te zien waren, eekhoorns en een enkele vos. Nu geen enkel spoor meer van enig levende vertegenwoordiger van deze soort: de hazen en konijnen zijn al heel lang geleden verdwenen.

Koeienvlaaien en kunstmest zijn héél erg slecht voor wandelschoenen, zo las ik een handleiding voor het onderhoud van wandelschoenen. Na een wandeling door een wei met koeien moet je altijd je schoenen helemaal met water schoonmaken en met het aanbevolen reinigingmiddel. Ik heb dat niet gedaan, want ik kan na een wandeling nog maar net de bank bereiken om er dan een uur of twee op te blijven en daarna de lopende zaken weer op te pakken. Mijn schoenen zijn dus al voorzien van een kunstmatige ventilatie; ik heb inmiddels regenlaarzen van Aigle.

Ik begrijp dat het vervelend is voor boeren om wandelaars over je terrein te krijgen, maar maak een keuze. Of een aardig voetpad waarop geen koeien lopen of een omweg aangeven die ook mooie natuurervaringen biedt. Het betreffende boerenland waar wij doorheen liepen heeft al zoveel prikkeldraad, er kunnen best nog twee draadjes bij.

Ik wil de boeren, ook de eigenaren van dit gebied, niet te veel aanvallen na alles wat ze over zich heen gekregen hebben de laatste tijd. Ik kom uit een gezin waarin een ware ‘boerenhaat’ heerste; dat kwam door de oorlog en de hongertochten. De grootste belediging die mijn moeder iemand kon toevoegen was, dat hij of zij een boer of een boerin was of dat iemand ‘boerig’ was. Dan had je het echt heel erg verbruid, als ze dat over je zei. Heel lang hield zij die verontwaardiging van één winter nog vol: ‘Zij hadden te eten, wij niet’.  Dat geeft kort het belang van onze boeren aan en de noodzaak niet alle ellende op hen af te wentelen; hen juist te helpen.

IMG_1025

Maar desalniettemin, 75 jaar na onze bevrijding gaan wij aan stront ten onder.

IMG_1040
IMG_1053
IMG_1074
IMG_1085
IMG_1101
IMG_1120
IMG_1119
IMG_1145

Een tip voor iedereen die iets wil leren over landschapsfotografie, volg de workshop van Maurice Hertog bij Kameraexpress. Al weet ik niet of mijn foto’s een aanbeveling zijn. Of bezoek zijn site. 

november 2019

‘Bosgezichten’ uit de voorjaars-serie 2019

1.

Dolend door het bos,

kom ik

op de weg, die

ik niet gelopen

heb.

2.

In een stil bos

draait de wind

plotseling naar het Noorden.

De dennenbomen

blazen hardvochtig

het koude licht

door het ruisende bos.

3.

Een ree alleen in mei,

in het bos

overleeft de herfst niet.

Losgeraakt van haar kudde,

van haar jong of anderszins.

Een ree alleen in mei,

in het bos

overleeft de herfst niet.

4.

Waarom ben ik niet, waar jij bent boom?

Ik kan je zien, ruiken en

voelen, maar ik

ben niet bij jou in een bos.

Ik ben niet bij mij.

5.

God is natuur, natuur, natuur;

is niet de mens, wreed, wreed, wreed.

Bos is leven, leven, leven;

wreed, wreed, wreed.

 

augustus 2019

heel vroege en vroege lente

Februari

DSC_4020 (2)

DSC_4019

DSC_4024

Maart

DSC_4144

DSC_4154 (2)

DSC_4156 (2)

DSC_4158 (2)

 

 

maart 2019

Landscapes of You, Mother Earth. Part two: Norway

DSC02049

DSC02050

IMG_1425

IMG_1440 (2)

IMG_1472

IMG_1503

IMG_1843

IMG_1844

IMG_1845

IMG_1846

IMG_1856

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

 

 

december 2018

Landscapes of You, Mother Earth. Part one: Danmark

IMG_2049

 

 

 

 

 

 

040

 

 

 

 

 

 

IMG_1918

 

 

 

 

 

 

IMG_0959

 

 

 

 

 

 

IMG_0953

 

 

 

 

 

 

 

 

037

 

 

 

 

 

 

 

IMG_0970

 

 

 

 

 

 

All pictures were taken in my digital years from 2009 on in spring and early summer.

december 2018

‘Hij die jaagt, zal gejaagd worden’

Het jagen staat wel heel erg in de belangstelling de laatste tijd. Iets teveel naar mijn smaak, want het past helemaal niet in mijn beeld van onze maatschappij. Maar blijkbaar denken jongere generaties daar weer heel anders over. Dat is ook wel het mooie aan ouder worden: je ziet je eigen tijd geschiedenis worden. De aanleiding van dit blog is behalve de zeer goede ‘Andere Tijden’ van afgelopen weekeind, het vreemde tijdstip waarop het afschieten van wilde zwijnen in een geleide drijfjacht gesanctioneerd werd. Niemand leek te snappen waarom nu juist op dat moment deze verruiming van de wet werd afgekondigd. De reden die werd gegeven was de angst voor de varkenspest. Een vreselijke ziekte die zich aan onze grenzen op korte termijn zou melden, zo werd gezegd. Bij mijn weten is er nauwelijks sprake van de Afrikaanse varkenspest in de onze directe buurlanden en daarbij is er ook in ieder geval in Zuid-Limburg sinds het voorjaar geen wild zwijn meer te vinden. Ook de sporen van deze dieren zijn er al lang niet meer. Hoe kan dat nou: een wet verruimen terwijl het dier waarop gejaagd moet worden al verdwenen is? Er werd in de Limburgse heuvels opvallend veel geschoten dit voorjaar en deze zomer. Blijkbaar was het toch moeilijk om raak te schieten op uitgedroogde en door de hitte gestresste dieren. De wet voor het jagen op zwijnen was overigens in Limburg al ruimer dan in de rest van het land en ze deden het al stiekem in de vorm van drijfjacht. Als je mijn mening vraagt, dan hebben wij het hier over een sanctionering achteraf. In de trant van, ‘Oh gut, wij hebben ze “per ongeluk” allemaal afgeschoten, wat nu? Ook gelukkig, daar is de varkenspest!’ Ben benieuwd in welk Limburgs sterren restaurant dit illegale zwijnenvlees belandt. Ik hoop toch zo dat het besmet is: ‘Oh gut, de varkenspest was er al. Ik voel mij echt niet lekker.’ En nu de wet verruimd is, hoor je niemand meer over die varkenspest…..

Een ander jaagpuntje is de jacht in de kroondomeinen. Het wordt weer tijd de hekken daar te sluiten en de jacht te openen voor geselecteerde gezelschappen. Wij krijgen daar allemaal niets van mee: niet hoeveel er gejaagd wordt (mag worden), wat de buit is en vooral wie er allemaal op bezoek komen. Het moet gezellig blijven natuurlijk. Willem Alexander was al heel jong overtuigd van het feit dat hij tot zijn dood zou blijven jagen. Ik vraag mij af als moeder van twee meiden, hoe hij dat thuis overleeft met drie tienerdochters. Zijn die niet veganistisch of op zijn minst vegetarisch en wilden zij niet toen ze heel jong waren bij de dierenambulance werken? Misschien dat er binnen de adel toch een ander soort patroonherhaling valt te ontdekken dan onder de burgerij. Misschien gaan de meiden ook wel jagen of doen ze dat al. Dat zou op zich heel stoer zijn, maar dan zouden zij als voorbeeld het gejaagde vlees zelf moeten klaarmaken en opeten en het daar bij moeten laten. Dat zou weer wel in het beeld passen.

Maar goed het kapittelen van ons professioneel koningshuis is niet aan mij. Wel aan vele dierenvrienden die zich groen en geel ergeren aan het jagen op de privégronden van de koninklijke familie. Er zijn er zelfs die een soort hysterie ontwikkelen over dit fenomeen. Ik heb daar niet zoveel last van en wat de koning in zijn vrije tijd doet moet hij vooral zelf weten en ook met wie hij het doet. Er is echter wel een maatschappelijke verandering gaande die niet onopgemerkt zou moeten blijven en dat is dat de jongere generaties blijkbaar weer willen aanschurken tegen de adel. Het koninklijk huis is inmiddels na twee generaties flink uitgedijd en de sociale stijging die in ons land niet meer of nauwelijks voorkomt, kan alleen nog maar via die lijn worden geeffectueerd. Dat is natuurlijk gecharcheerd, maar het is de enige zichtbare en succesvolle route. En via de beperkte kring rondom het koninklijk huis natuurlijk. Een nieuwe feodaliteit waarin vooral de oude adel en de captains of industry de leiding hebben en zich weer tooien met oude mythes. Ook zo vreemd opgekeken van die ‘laatste beet’ bij dat dode hert zaterdagavond. Wat een hypocriete aanstellerij.

Je ziet ze hier wel rijden in hun landrovers met schoorsteentjes en grote bumpers. Jonge gasten die vrij laat in de morgen, ruim na zondsopkomst, aan de slag gaan met hun geweren, zich niets aantrekken van de ge- of verbodsbepalingen en hun honden nauwelijks onder controle hebben. Met veel omhaal hun auto’s parkeren op dorpspleinen en in hun jachtkleding rond paraderen. Daar tussendoor lopen dan nog in de bossen althans, de kleine oude mannetjes in hun tiroler jassen en dito hoedjes die gewoon het hele jaar aan het stropen zijn. Er wordt beweerd dat de afschot van te voren geregeld wordt per revier nadat het wild in het vroege voorjaar geteld is, geregistreerd wordt en dat er gecontroleerd wordt. Maar waar gebeurt dat dan en door wie? Het autootje van onze ‘stroper’ gaat gewoon direct naar zijn huisje aan de rand van Maastricht waar nooit iemand anders komt dan hijzelf. Hij gaat echt niet even langs een ambtenaar of levert een formulier in, ook niet digitaal en als er iets niet lijkt te kloppen dan zijn het ‘de lui van het kampje’ die weer bezig geweest zijn.

Van de opening van het jachtseizoen wordt een steeds groter circus gemaakt met heuse openingfeesten, het zegenen van de jagers, honden en hun attributen en het feestelijk uitrijden, alsof wij de vossenjacht uit Downtown Abbey willen imiteren. Die ‘rotvossen’ zijn er overigens al helemaal niet meer. Ik heb dit jaar nog geen enkel exemplaar gezien, dus die jacht kunnen onze jagers overslaan. De nouveau riches wanen zich feodale heren en gedragen zich er naar. Hiervoor zou de koning en zijn kliek moeten waken. Stop een tijdje met uw jacht in Nederland, majesteit, laat de domeinen open en ga in het buitenland jagen. Geef dit als voorbeeld af. Natuurlijk zitten niemand te wachten op dramatische taferelen zoals in de Oostvaardersplassen, maar laat de jacht aan een paar professionele jagers over en maak hun werk zichtbaar en begrijpelijk. Ze kunnen niet zo goed verbaal uit hun woorden komen die jagers, maar er zijn heus wel goed gebekte pr-mensen die dat kunnen bijsturen.

Even dacht ik dat het nog een idee zou zijn om mensen van buiten, vooral activisten en professionele natuurmonumenten-mensen uit te nodigen voor de koninklijke jacht, maar de pr en communicatieadviseurs van het koninklijk huis zullen ongetwijfeld adviseren en organiseren dat er een pr- jacht gehouden wordt en de overige partijtjes gewoon doorgaan buiten het oog van de camera. Dus dit zal de toenadering tussen de partijen ook niet garanderen en het is de vraag of dat überhaupt mogelijk is, gezien de hysterie die is uitgebroken.

Eigenlijk zou ik wel graag willen weten wie het onderhoud van de domeinen betaalt. Gaat daar ook belastinggeld inzitten van mij en mijn modale medeburgers en vinden ik en mijn modale medeburgers (je mag een zin eigenlijk nooit met ik beginnen heb ik geleerd) dat nog wel goed? Als er inderdaad indirect geld vloeit naar deze gebieden en hun onderhoud in de vorm van de jacht en als dat inderdaad relatief hoog is voor een modaal inkomen, laat ik zeggen ongeveer het bedrag van het collegegeld dat ik door het niet lezen van hypotheekpapieren niet kan betalen, dan hoor ik dat toch wel graag. Behalve jagen, kunnen koninklijke kinderen alle opleidingen volgen die zij willen op het hoogste niveau met de maximale ondersteuning zonder dat hun ouders wakker hoeven te liggen van studieschuld en collegegelden. Ze eten er ook geen biefstukje minder om, want dat loopt in de achtertuin.

Het wachten is wat mij betreft op een robothert of geautomatiseerd zwijn dat zonder op te vallen rondloopt in al onze gebieden waar gejaagd wordt, bestuurd wordt vanuit een drone en dat gericht kan schieten. Er zijn vast wel jonge nerds die van beesten houden, die zoiets in elkaar kunnen knutselen en vroeg uit de veren willen om te kijken of hun machientje werkt. Misschien moeten onze jagers alvast kogelvrije vesten gaan kopen. Het dragen daarvan maakt ze direct een stuk minder parmantig en als ze dat niet doen of het vest vergeten zijn, dan krijgen zij als laatste beet hun eigen peuk in de mond of het veertje van hun tiroler hoedje voordat ze naar de eeuwige jachtvelden gaan.

oktober 2018

Tussen de wijngaarden

 

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

boomgaard

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

dezelfde boomgaard

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

een echte wijngaard

Twee verschillende wandelingen, twee verschillende wijngaarden aan de ‘Hollandse’ kant van de Maas. Aan de andere kant van deze rivier liggen nog meer wijngaarden. Het wordt langzamerhand Frans hier en dat bevalt mij heel erg goed. Partner nog meer, die al bij voorbaat geniet van een goed glas. Het kleïge land waarop de wijnstokken staan, is echter onfrans, maar geeft een mooi effect.  Dat wij toch nog op geen kilometer afstand van een wijngaard wonen…… Wie had dat ooit gedacht. Nu maar hopen dat het mooie druiven worden. Overigens zijn het niet allemaal wijngaarden hoor. Laat mij wat meeslepen in de gedachten van heerlijke Limburgse wijn. Daarvoor heb je meer dan één wijngaard nodig.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

aan de rand van de eerste wijngaard

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

de eerste bijna voorbij

februari 2018

Wandeling over bevroren paden

Min zeven vanochtend, helder weer en geen afspraken, dus er op uit getrokken. Om half negen de deur achter ons dicht gedaan. De wandelpaden zijn eindelijk begaanbaar omdat het gevroren heeft. Wij zijn het gebagger door de modder af en toe een beetje zat. Kun je zien dat je zelfs van deze natuur verwend van kunt raken. Een paar gelukte foto’s op een rijtje.

DSC_9062

DSC_9063

DSC_9100

DSC_9071

DSC_9117

 

DSC_9119

DSC_9134

 

Natuurlijk nog veel méér foto’s gemaakt, maar deze selectie zegt genoeg. Vooral het licht was erg bijzonder vanochtend. Het begon met een heldere lucht, waarin al snel een soort bewolking opkwam. Later kwam de opklaring. Achter ons kijkend, dachten wij eerst dat er een zware sneeuwbui aan kwam, maar eenmaal boven gekomen op de heuvel bleek het de smog te zijn die boven Maastricht hing (en vermoedelijk ons huis). Na afloop van de wandeling zoals gebruikelijk langs patissier Lemmens gelopen, die bij ons om de hoek woont, om daar een traktatie te halen voor onze inspanning. Dit keer de saucijzenbroodjes en een eclair voor de thuisblijvers. Maar ook als wij geen wandeling gemaakt hebben, is Lemmens een welkome doorbreking van het AH- Jumbo en Lidl assortiment.

februari 2018

De Vlaamse Gaai en de Vos

Het was de eerste werkdag na een geslaagde meivakantie. Een zonnige maandag, fris en groen: de ideale ochtend om te poetsen. Ik poets altijd op maandagochtend, ongeacht het weer, maar fris en zonnig weer inspireert wel. Iedereen de deur uit en maar zwabberen, dweilen en stofzuigen. De zondag voor deze mooie maandag, was ook aantrekkelijk voor wat betreft het weer. Een dagje uitrusten na de terugkeer van die geslaagde vakantie, doorgebracht in een onbekend gebied in Sleeswijk Holstein. Geen toeristen, vooral geen Nederlanders, en geen tegenvallende accommodatie met dito medebewoners van het aanpalende vakantiehuisje. Zelfs eindelijk Hans Fallada gelezen, ‘Jeder stirbt für sich allein’.  In één adem. Thomas Mann is helaas op mijn persoonlijke ranglijst een plaatsje gezakt. Tijdens dat uitrusten werd ik gestoord door het gekrijs van een vogel:  het leek op dat van een roofvogel, maar dan wel van heel dichtbij. Zo dichtbij komen deze beesten niet bij mij in de tuin, het maakte mij alert. Ik keek omhoog naar de kruin van de geweldige notenboom, waar ik al ruim negen jaar verliefd op ben, en zag een Vlaamse Gaai op een tak zittend onbedaarlijk hard krijsen. Had zoiets nog niet eerder gezien of gehoord en had ook geen idee wat het te betekenen had. Tot op de dag van vandaag weet ik dat niet. Het beest bleef lang door schreeuwen en vloog op een gegeven moment onder hetzelfde luide geschreeuw weg, laag over mijn hoofd. Ik hoorde hem nog lang nakrijsen over de daken van woningen, die op geruime afstand van onze tuin liggen. ‘Misschien zoekt het beest een vrouwtje of bakent hij zijn territorium af’,  dacht ik.

De volgende ochtend, op die frisgroene maandagmorgen dus, hoorde ik door de ramen van de logeerkamer op de derde verdieping een angstaanjagend gegil. Een hoog snerpend geluid waaruit een doodsangst klonk, die ik nog maar een keer eerder gehoord had, namelijk van een konijn dat door vos gegrepen werd. Ik keek uit het raam en zag op precies hetzelfde plekje op precies dezelfde tak van de onveranderlijk gebleven notenboom een Vlaamse Gaai ondersteboven hangen.  Dezelfde? Het was een gruwelijk gezicht: ik kon het niet goed zien, maar het leek erop dat het beest of met zijn poot verstrikt was geraakt in een gevorkte tak of zijn poot in een touwtje had gedraaid dat daar om onduidelijke redenen hing. Restant van een wensballon of zoiets. Het beest hing op zijn kop en klapwiekte heftig om overeind te komen. De vleugels groot en wijd uitgespreid en de kop met de snavel diep naar binnen gebogen. Af en toe stak hij heftig zijn kop naar voren en enigszins omhoog om bij zijn poot te kunnen komen. Dat mislukte iedere keer jammerlijk. Ik wist niet wat ik moest, kon in feite ook niets doen. De notenboom inklimmen leek mij geen optie, ik heb vroeger wel veel in bomen geklommen, maar kende ook toen al mijn beperkingen. Schreeuwen en wat lawaai maken heb ik ook nog geprobeerd, maar tevergeefs, er kwam geen geluid uit mijn keel. Na enkele seconden kwamen de eksters en de kraaien aanvliegen onder luid gejoel. De eersten begonnen fel op het arme beest in te hakken, waarop het gegil nog harder en angstaanjagender werd. De kraaien verzamelden zich ongeduldig rondom het schouwspel en bewogen heftig mee. Ik kon het niet aanzien en stond met de luchtbuks van Michiel ineens op het balkon, maar wist al toen ik het ding pakte, dat het geen zin had. Voortdurend speelde een gezegde mij door mijn hoofd: ‘De een zijn dood, is de ander zijn brood’. Ik werd daar bang van. De onvermijdelijkheid dit ondermaanse ooit te moeten verlaten, ook in iets minder dramatische zin en de voordelen die dit anderen misschien oplevert, had al eerder door mijn hoofd gespookt. Ook de meedogenloosheid van het hele bestaan, beest of mens, kwam hard aan.  ‘Als ik nu stop, gaat mijn baan naar een ander’ , had ik mij al zo vaak bedacht en wist meestal bij voorbaat al aan wie. De eeuwige strijd om het bestaan, de ‘survival of the fittest’: hoe vaak heb ik die nu al niet verloren en zou dat nu ook weer gaan meemaken als ik door de problemen met mijn promotor mijn Mengelberg-onderzoek voor mijn neus weggekaapt zie worden. Wederom een misrekening, net als in Maastricht met die blowende en zuipende directeur. Enfin, aan dit soort gedachten had het arme beesten niets. Niets kon het meer helpen. Langzaamaan werd het onder nog steeds luider hels gegil leeg- en kaalgeplukt. Plotseling stond ik te stofzuigen. Heel hard:  de bovenste verdieping, de eerste en de begane grond, de trappen incluis.Nadat ik het ding uitgezet had, luisterde ik scherp. Het gegil was verstomd, wel was er een enthousiast gekakel en gekras van de eksters en kraaien. Toen ik in de tuin stond, zaten duiven in de kersenboom een eindje verderop rustig toe te kijken en af te wachten op hun beurt. Wemelde het van vleugels rondom iets dat slap naar beneden hing en waarvan af heel veel veren met wat roods eraan weg dwarrelden. Mijn tuin in. Onze kat zat op de rand van de vijver met opengesperde ogen naar het tafereel te kijken en wachtte verlekkerd tot een een hapje zijn kant uit zou waaien. Ik werd er misselijk van, echt heel beroerd. Ik besloot de tweejaarlijkse ramenzeem maandag maar even uit te stellen en ging verder met de was. Het tafereel stond op mijn netvlies gegrift en nog steeds. Het wil er maar niet vanaf. Ook niet het karkas dat een tijdje bleef hangen en regelmatig bezocht werd door de vogels, ook niet hetzelfde karkas dat op de dak van de schuur van de buurman lag en de volgende ochtend niet meer.  Vooral vanwege de mythische betekenis die ik er aan ben gaan hechten. Een voorbode van naderend onheil, ongeluk en destructie.

Enfin dit beeld probeer ik nu te verdringen door een andere voorstelling, die een hele andere uitwerking op mij had. Een beetje op de EMDR manier.  Deze dateert al weer van heel lang geleden: ons tweede jaar in Maastricht, toen ik zonder mededogen werd ingehaald door een in Leeuwarden opgelopen trauma. Ik werd gedwongen alles uit mijn handen te laten vallen en zonder enig benul van wat er nu precies aan de hand was weer een nieuwe weg in te slaan. Zonder enige vorm van begeleiding of ondersteuning door mijn werkgever, de gemeente Maastricht, gewoon gedumpt. Een nieuwe weg proberen te vinden deed ik letterlijk door veel te wandelen in de nog onbekende gebieden in Zuid-Limburg. Tijdens één van die wandelingen, in de omgeving van Cadier en Keer, op een prachtige septemberochtend door de week, wanneer elk mens aan het werk hoort te zijn, sloeg ik een onbekend paadje in. Aan de ene kant een langzaam schuin aflopende zijkant en aan de andere kant de onvermijdelijk hoger gelegen bermrand met licht stuikgewas. Ik liep eigenlijk te janken vol zelfmedelijden over al het onduidelijke leed dat mij nu weer overkomen was en de gevolgen die dit had voor mijn naasten. Teleurstelling, frustratie en wanhoop. Op een gegeven moment keek ik opzij en zag een vos lopen, een oude vos. Hij liep rustig met  mij mee, op zo’n vier meter afstand. Hij liep in hetzelfde tempo, soms iets sneller, dan weer wat langzamer en had misschien al enkele minuten met mee gewandeld zonder dat ik het door had. Wij liepen samen het hele pad af en ik praatte wat tegen het dier. Aan het eind van het pad liep ik gewoon verder door het weiland, toch wel enigszins onder de indruk een beetje bang over wat het beest nu ging doen, maar merkwaardig rustig en weer in balans (in zoverre je in zo’n periode überhaupt in balans kunt zijn). Het beest bleef zitten, fier rechtop, zoals vossen kunnen zitten. Omringd door licht struikgewas en hoog, uitgedroogd gras in het zonlicht. Hij keek mij na. Een een paar honderd meter verder draaide ik mij nog eens om en het beest was weg. Als het niet echt gebeurd was, zou je denken, als je dit leest en ook eigenlijk schrijft, dat het een sentimentele scene uit een slechte roman is of een spannende scene uit een Disneyfilm betgreft. Geen van beiden dus, echt gebeurd. Ik probeer nu de Vlaamse Gaai te vervangen door de Vos, dat wil maar matig lukken.

juni 2015

Vervolg op de zwijntjesjacht in Limburg: de Partij voor de Dieren afdeling Limburg

Het laatste bericht dat is schreef, behalve de melding (ook van vandaag, ik heb blijkbaar weer de geest gekregen)  over de lezing voor de Onderzoeksschool Kunstgeschiedenis van een paar weken geleden, ging over de zwijnenjacht door faunabeheer Savelsbos in de omgeving van Cadier en Keer. Daarna heb ik niets meer geschreven, omdat het er gewoon niet meer van kwam, maar ook omdat je met schrijven zoveel van je zelf bloot geeft en in deze vorm voor een onbekend publiek dat ik er even de moed niet toe had. En het moet gezegd, de confrontatie met een jager, ook al is het een minimaal exemplaar, in een loden jas, dito hoedje met veer,  met een peukje in zijn mondhoek, maar wel met een geladen jachtgeweer is best indrukwekkend. Je zal maar van je blog af worden geschoten. In ieder geval is de jacht hier in de omgeving weer in volle gang: gelukkig er mag nog steeds gejaagd worden in Limburg op drachtige en zogende zwijnenmoeders en hun jongen en nerveuze zwijnenvaders, ze mogen nog steeds van hun plaats verdreven worden en blootgesteld worden aan onnodige stress en doodsangst. Dat ze alleen de mannetjes afschieten, zoals het mannetje ons vertelde, is grote onzin. Ze vergissen zich regelmatig, hebben niet de goede bril op of schieten in hun enthousiasme op alles wat beweegt.  De verhalen daarover zijn bekend. Zo hoorde een verre kennis van ons over een jager, zij (het was een vrouw) was weer bevriend met weer een andere vriendin van haar en die jager was haar man, zo gaat dat,  dat hij een drachtig zwijn had geschoten en of zij, die vriendin van mij die weer een vriendin was van die vrouw van de jager, het ongeboren beestje wilde zien. Hij was apetrots, twee voor de kogel voor één. Tel uit je winst. Naar de afloop van het verhaal heb ik maar niet geluisterd. Kan mij hier van alles bij voorstellen. Enfin diezelfde jager, dat mannetje met die peuk en loden jas en jagershoedje en nog vele anderen zijn weer lekker bezig. Maar hun prooidieren zijn niet dom: dat schrijft de dierenbescherming ook op haar site. Zij hebben hun gedrag aangepast aan de jagers en zijn ze vaker te slim af dan ze zelf denken. ‘Onze’ zwijnen zijn dit jaar verhuisd naar een ander gebied: wij hebben ze zien lopen, ondermeer  een moeder met zes kleintjes. Zeg lekker niet waar: dan moeten de jagers maar wat vaker door hun revier wandelen en zich echt bezig houden met de populatie waar zij verantwoordelijk voor denken te zijn, maar die echt niet op deze vorm van verantwoordelijkheid zit te wachten evenmin als overig natuurminnend Nederland overigens, doen ze niet, zijn ze te lui voor. Het kan natuurlijk ook zijn dat het om een groepje allochtonen gaat, dan zal dat clubje nog veel moeten leren.Ik zal een schietgebedje voor ze doen.

Enfin, de Partij voor de Dieren in Limburg vindt dit item niet interessant of  is ook te lui om wat te ondernemen. Ze hebben de melding niet opgepakt en ik weet dat wij niet de enigen waren. Of de interne communicatie loopt niet goed en de werkverdeling is karakteristiek voor dit gebied: dat schiet meestal ook niet op.(figuurlijk dan) Gelukkig dat de circusdieren nu beschermd gaan worden, die hebben het harder nodig dan de zwijntjes in Limburg, maar of de afdeling Limburg daar aan bijgedragen heeft. Vraag het me af.

mei 2015

Van Limburgse zwijnenjacht in het bronsgroen eikenhout

Het weerzinwekkende afschieten afgelopen zondag van acht zwijnen, met veel moeite ternauwernood gered door de brandweer van Weert,  door een Tiroler Limburger bracht bij mij weer de opstandige woede naar boven die ik voelde toen wij dit voorjaar geconfronteerd werden met de Limburgse zwijnenjacht. Precies in die paar weken dat in heel Nederland niet gejaagd mag worden op wilde zwijnen omdat zij jongen hebben, kwamen wij op de onchristelijke tijd vlak na zonsopkomst op een  zondagochtend jagers in het heuvelland tegen die dit wel mochten. Navraag achteraf bleek dat Nederlandse jagers inderdaad  een deel van het jaar op zwijnen mogen jagen (behalve op de Veluwe) en dat Limburgse jagers dit het liefste doen in die paar weken dat de rest van de Nederlandse jagers dit niet mag en precies op het moment dat dit jagen de beesten het meeste leed verschaft omdat zij jongen hebben. Faunabeheer Savelsbos staat zijn mannetje. De heer jager die wij ontmoetten, was met zijn autootje tot vlak onder de hoogzit gereden, in loden jas gestoken met een sigaretje in zijn mond, thermosfles koffie en mobieltje naar boven geklommen en had daar comfortabel postgevat. Ergens in het dal, waar inderdaad wat van die beesten rondliepen, banjerden de andere jager rond op een manier die op een  drijfjacht leek. Ook verboden in de rest van het land, maar in Limburg krijgt men over vergunningen voor. Wij hebben de man dusdanig afgeleid dat hij een uur later onverrichter zake terug moest keren, ons ondertussen vals aankijkend, foto’s makend van onze gezichten zonder onze toestemming, onze namen vragen en zich zelf voorstelde als mijnheer Jansen en wegreed met de vastbeslotenheid op zijn gezicht om de volgende dag een succesvolle jachtpartij te hebben. Enfin, danig onder de indruk van dit wangedrag (niet alleen tegen beesten, maar ook tegen mensen: het voelt echt apart als iemand met een geweer in zijn hand je sommeert te vertrekken en vervolgens foto’s van je gaat staan make en je legitimatie vraagt) hebben wij wat instanties benaderd. Wij konden het niet geloven, dat er gejaagd mag worden op beesten die jongen hebben. En dat mag: echt waar, maar  alleen in Limburg,  ‘in het bronsgroen eikenhout’.  Nadenkend over deze situatie kwamen wij tot de conclusie dat er waarschijnlijk een vrij klein maar innig netwerkje in het Heuvelland bestaat waarin jagers en vergunninggevers elkaar de hand boven het hoofd houden, profiteren van elkaars diensten en vooral op gezette tijden een mals zwijnenbiefstukje verorberen onderwijl grappen makend over die stomme Hollanders in Den Haag die dit allemaal toestaan. Een clubje van burgemeesters, hereboeren, amateurjagers en nouveaux riches. De Partij voor de Dieren mag in Limburg wel eens aan de slag gaan. De contactpersoon van die partij voor het edele Limburg heeft overigens nooit gereageerd op onze mail. Zou hij wel vegetarisch zijn? Ik heb politici nooit vertrouwd. Voor wat betreft die jagers: we zien ze wel zo s’ochtends. Er zijn twee ploegjes of individuen, de ene in een rood autootje, de andere in een legergroen terreinautootje van het verkeerde merk. (Alle gegevens zijn bekend bij ons) Ze rijden op weggetjes en paadjes waar je alleen maar mag wandelen (wij liepen volgens het jagertje op een stuk land waar je niet mocht lopen, privé terrein, dus wegwezen. Onzin overigens)  en ‘spotten’ vanuit hun wagentje de beesten. Een keer hebben wij er een gezien (en gehoord) die schoot vanuit zijn auto, die legergroene van het verkeerde merk,  op een ree. Gelukkig was dat beest op tijd weggesprongen, geschrokken van iets. Niet van ons hoor, wij zouden niet durven. En dan nu die acht halfverzopen beesten, afgemaakt door een iemand die zich beheerder van fauna noemt. De overheid kan beter zo langzamerhand haar verantwoordelijkheid nemen en een paar echte jagers in dienst nemen, hoogopgeleid en voorzien van een dosis gezond verstand en sociale vaardigeheden in de omgang met niet-jagers en in het bezit van een beetje dierenliefd, hoeft niet eens overdreven veel te zijn. Waarom mag er op zwijnen gejaagd worden? Het eerste argument  is dat deze beesten de landbouw schade berokkenen. Maar dit is uit de lucht gegrepen. In ieder geval is er rond het Savelsbos nauwelijks landbouwgebied te bekennen  waar schade toegebracht kan worden en ik twijfel of dat in de rest van Nederland anders is. Ook de reden dat zij wandelaars zouden kunnen aanvallen is de grootst mogelijke onzin: volgens de site van de dierenbescherming zijn deze dieren zo getraumatiseerd dat zij alleen nog ‘s nachts durven te bewegen en bij het minste gerucht op de vlucht staan. Ze houden zich op in bossen en struikachtige stukken natuur en begeven zich nauwelijks op het open veld (landbouwgrond?) Dat laatste hebben wij zelf gemerkt toen wij nog niet wisten waar zij zich schuil hielden. Zij waren sneller op de vlucht, dan wij. Wij hebben ze nooit meer lastig gevallen daarna en dat is iets wat elk weldenkend mens zou doen. Althans hij die niet jaagt. Het is een verkeerd slag mannen dat jaagt. Echt waar. Waarom doet niemand hier iets aan? Wij kunnen toch niet elke keer de jacht verstoren. Alles wat s’ochtends vroeg plaatsvindt, is blijkbaar nooit gebeurd.

september 2014

‘Vossen? Die moeten uitgeroeid worden……..’

Op een zaterdagavond, zo’n anderhalve week geleden, de eerste prille voorjaarsdag die een avondwandeling in de zon mogelijk maakte, liepen wij bij hotel Bergrust de Bemelerberg op. Bovengekomen zagen wij van een redelijke afstand een hybride jeep midden in een net ingezaaide akker staan. Een normaal mens mag op deze weggetjes niet met een auto komen en zelfs een abnormaal mens zou het niet in zijn hoofd halen midden op een prille akker te gaan staan waar een weg op zo’n twintig meter afstand langs loopt. Zo niet deze persoon. Wij liepen naderbij en zagen als eerste een hoed. Vervolgens een voorwerp dat met enige fantasie op een geweer in een foudraal leek. Nog even verder zagen wij dat de man rustig een sigaretje aan het roken was en niet veel uitvoerde. Wij liepen verder langs een etablissement de Bonte, de Rode haan of kip (ik haal die namen altijd door elkaar) met afwijkende openingstijden en veel loslopend kinderboerderij -vee op het erf.Het is er altijd heel gezellig, maar wij zijn te zuinig om er iets te drinken. Wij liepen naar beneden door het dal en op een gegeven moment begon Michiel te schreeuwen naar een gestalte, zonder hoed maar met baard, die boven op een helling stond. Of hij de beesten met rust wilde laten en wilde oprotten. Hij had blijkbaar eerder door wat er aan de hand was dan ik. Een paar meter verderop, op het pad door het dal, stond een derde man met een sigaretje in een groen pak en een vervaarlijke kijker om zijn nek. Ik geneerde me een beetje voor de felle reactie van Michiel, hoewel bij mij ook behoorlijk wat boosheid naar boven kwam. Ooit, in een ver verleden heb ik een inleiding voor een debat gehouden in het Duits over de plezierjacht. Waarom het in Duitsland wel zin had en in Nederland niet. Ik had het dan nog alleen over West-Duitsland. Over de verschillen in handelswijzen, de aanwezigheid van wild en de regelgeving. Er ontspon zich in de klas een levendige discussie en zowel de leraar Duits als de (groot) vaders van enkele populaire klasgenoten bleken jagertje te spelen in hun vrije tijd. Dat had ik niet verwacht. Beeldende verhalen met veel mimiek en handgebaren over jacht en buit gingen door de klas. En net zoveel over zielige dieren en uitstervende rassen. Wij zaten nog maar in de derde en ons Duits was niet geweldig. De meeste scholieren waren tegen de jacht, dus het debat had ik gewonnen en nog wel zonder reputatieschade, want ik hoefde mijn mond niet veel open te doen. Dit kwam allemaal weer in de paar seconden naar boven toen ik omgeven werd door de jagers. Ik bedacht me, ook om Michiel af te leiden van fysieke actie waartoe hij in staat leek, om de kleinste jager maar eens te vragen naar het hoe en waarom van zijn aanwezigheid hier. Waarom zij zich wel buiten de gebaande paden mochten begeven en wij niet, waarom zij wel met auto’s in akkers mochten gaan staan en wij niet en vooral waarom zij rookten in een gortdroog bos en wij niet. (Die laatste vragen heb ik niet kunnen stellen) Het kwam er op neer dat net die ochtend de briefjes waren uitgedeeld aan de geregistreerde jagers om in hun revier wild te gaan te tellen voor het ‘gereglementeerd’afschieten over een paar weken. Ze wilden weten hoeveel wild ze maximaal mochten afschieten. Hierbij begonnen de oogjes te glinsteren. Eerst de bokken daarna de hinden (van het reevolk dan). Het idee om misschien eens minimaal af te schieten kwam niet bij hem op. Michiel werd weer boos en inmiddels kwam jagertje nummer vier uit het bos bezorgd aangewandeld met een nog grotere kijker om zijn nek (was iets voor de jager op de akker geweest) en een nog duurder jagerspak aan, dat net uit de winkel kwam. Wij begonnen te discussiëren: dat wij hier al jaren wandelden in alle seizoenen op alle mogelijke en onmogelijke tijden en dat er van wild in dit stukje Limburg nauwelijks sprake was. (Wel in andere gebieden, maar wij vonden het niet verstandig dit aan hun neus te hangen.) Dat er geen konijn of haas te zien was, al jaren niet meer, geen vos en geen ree. Dat er ook geen sporen van deze beesten te ontdekken waren en dat het stukje natuur hier, behalve de zangvogels dan, erg doods was voor wat betreft de fauna. ‘Dat komt door die verrekte vossen’. Riep het jagertje met glazig groengele ogen langs ons heen starend uit. ‘De vossen. Die moeten uitgeroeid worden. En door de bewoners van het kampje (het woonwagenkamp in Cadier en Keer sic). Die schieten voor kerst alles neer en verkopen het vlees aan de restaurants in de buurt.’ Wij zeiden dat dat onzin was. Dat er in dit stukje bos maar één oude vos rondliep, die wij al in twee jaar niet meer gezien hadden. En dat wij nog nooit kampbewoners in de natuur gezien hadden. De felheid waarmee de man reageerde en de imposante verschijning van de vierde jagers-man maakte dat ik maar een eind aan het gesprek probeerde te maken met de mededeling dat wij hoopten dat ze veel mis zouden schieten.’ Dat vonden ze niet leuk. Wij vergaten nog te vragen wat zij eigenlijk met de geschoten beesten deden. Invriezen voor de kerst en zelf opeten of ook maar doorverkopen? Nederland is geen land voor de plezierjacht, nooit geweest ook. Stop met die onzin. Op het moment dat er ergens onverhoopt een probleem met de wildstand ontstaat, zijn er binnen mum van tijd professionele jagers in te huren die vakkundig hun werk doen. Bij de auto teruggekomen, hoorden wij geblaf van honden en fluitjes schril klinken. Twee jagers liepen op een aanpalend weiland achter het prikkeldraad. In totaal waren er dus zes jagers en twee loslopende honden op een stukje land ter grootte van een postzegel. Wanneer gaan wij nou eindelijk eens jagen op de jagers? Ik fluit wel.

april 2013