Mijn Heiligdomsvaart: van ‘Jezus is boos’ naar de ‘Sedes sapientiae’

sedes website

 

Naar de kerk gaan werd beperkt tot  een vroege mis op zaterdagochtend en alleen met feestdagen een hoogmis. De behoefte om een mis bij te wonen is nooit zo bijzonder sterk geweest eigenlijk bij ons thuis en bij mij en dat gaat het ook nooit worden. Met het op kamers gaan wonen, verdween de mis uit mijn leven. Empathie in de zin van een vereenzelviging met lijden heb ik wel: ik vind het nu eenmaal moeilijk de pijn van andere mensen langs mijn koude kleren af te laten glijden. Dat lukt mij niet zo goed, maar een dergelijk gevoel voor een religieuze, historische of romanfiguur heb ik toch nooit gehad. Slechts eenmaal was ik helemaal onder de indruk van een toneelspeler die Cyrano de Bergerac speelde en met zijn uitgeleende poëzie een beminde aan zijn erg lange neus voorbij zag gaan. Van sociale afwijzing had ik wel last, maar alleen in de schoolklas of op het speelplein. Nooit thuis, in de buurt of bij andere activiteiten. Het speelde wel in Leeuwarden in de werkomgeving en ik denk ook heel sterk in Maastricht op een breder vlak. De compensatie maakte het allemaal dragelijk en daarbij vond ik leren veel te leuk om daardoor mijn plezier in school te laten vergallen. Het heeft mij wel onzeker en onhandig gemaakt, dat wel. Maar dat past ook wel weer bij het nerd-achtige dat ik graag koester en wat ik vermoedelijk ook gewoon ben. Misschien toch die opera in die paar gevoelige jaren in de middelbare schoolperiode die ik van s’ochtends vroeg tot s’avonds laat grijs draaide? In die periode had ik ook veel belangstelling voor de geschiedenis van Israël, wist ik alles van de val van Jeruzalem tot de Jom Kippoer oorlog en vond ik een kibboets ook wel iets voor mij. Een spreekbeurt over concentratiekampen in de tweede klas wist mijn leraar Duits, vorig jaar toevallig de priester die mijn moeder de ziekenzalving gaf, zich nog te herinneren. Knap van hem, maar ik vond het dan ook een hele goede leraar. Maar ook die manie ging vrij snel voorbij: ik had nog wel een tijdje een poster met een olijfboomgaard in Israël met herder en schaapskudde op mijn kamer hangen. Het beeld van de Goede Herder heb ik altijd erg mooi gevonden.

goede herder -2

De preoccupatie met het lijden kwam toch eigenlijk pas na de geboorte van de oudste. Misschien is dat zo’n indrukwekkende gebeurtenis voor mijn type mens dat ik er niet zo makkelijk overheen kon stappen. Het was ook niet niets eigenlijk en wist ik veel waar ik aan begon? De omgeving werkte ook niet op alle fronten mee en de last van alleen verdiener was toch zwaarder dan ik dacht al waren de taken goed geregeld en liep het ook zoals verwacht. In die periode ben ik weer gaan tekenen: veel religieuze onderwerpen en natuurlijk ‘moederkunst’. ‘Moederkunst’ de grote valkuil voor serieuze kunstenaressen na de geboorte van hun kind. Wij zijn nu eenmaal niet allemaal Modersohn Becker, Kollwitz of Dumas.

botticelli maria. website

Ik heb wat moeders met kinderen getekend, geschilderd, geboetseerd, gesneden en in steen gehouwen. Van abstract tot figuratief, van goed geslaagd tot redelijk. Er zat geen enkele echt mislukte variant onder. Maar ‘moederkunst’ werkt niet, al helemaal niet op een kunstacademie. De madonna’s die er later voor in de plaats kwamen, van de Schutsmantel tot Anna ten drieën werden almaar abstracter. Maria als treurende moeder is niet zo’n thema geweest. Mijn inlevingsvermogen hield bij pièta’s toch wel op, daar werd een grens overschreden: zo’n vrouw met een volwassen man op schoot.

hl anna ten drieen website

Met het lijden van Christus identificeerde ik dus mij wel, moet ik bekennen. Ik schilderde crucifixen met vrouwenlichamen in allerlei variaties en maakte mijn eigen interpretaties van kruiswegen. Ook hield ik een soort boekje bij waarin ik allerlei religieuze onderwerpen uitbeeldde en het Isenheimer Altar was en is een grote inspiratiebron (nog voordat ik wist dat heel veel kunstenaars iets met dit werk hebben: ik zag het voor het eerst toen ik dertien was). Mijn opleiding tot kunstenaar vond plaats in de jaren dat ‘Jezus is boos’ en het werk van Gerrit Terpstra in het Noorden bekend werd vanaf 1995. Vooral de kerkjes ingericht met het altaar door Terpstra maakte wat los in mij. Ik houd nog steeds een soort boekje bij met bijbelspreuken, citaten, beeldmotieven en tekeningetjes van inspirerende persoonlijke belevenissen vanuit een religieus perspectief. Het droeg zelfs de titel ‘ik ben jezus christus’. Ik schaamde mij van het begin af aan over die titel en heb deze dan ook op een gegeven moment veranderd.

maria met kind website 2

Inmiddels ben ik over het mede-lijden heen, al weer heel lang. Hoewel ik begrijp dat Jezus het symbool van het goede is en dat het goede altijd overwint, zie ik toch in de uitbuiting van de figuur van de lijdende christus in vooral de katholieke kerk vooral een manipulatief doel. Een beeld van Maria met kind ben ik in het kader van de Mengelberg-studies nog aan het onderzoeken, dat van de Sedes Sapientiae. Dat is toch wel een heel ander beeld, dat ook als wapen in de strijd gegooid werd. Op vaandels droegen christelijke strijders het icoon van de zetelende Maria met het kind op schoot mee. Dat maakte misschien nog wel meer indruk dan het kruis. Met die kennis kijk je toch weer anders naar de talrijke madonna en kind beelden uit de Mengelberg-ateliers. De titel voor mijn dissertatie, die er natuurlijk nooit komt, was goed gekozen: ‘kunstenaars in dienst van het leger van de paus’.

engel bij het graf 2

maria, jezus en Johannes de Doper website

maria met kind website 3

 

juni 2018

Mijn heiligdomsvaart: Job

DSC_3571

 

Nog doordenkend over Mozes met een opgeblazen gezicht en barstende hoofd- en oorpijn als gevolg van een allergische reactie op de steek van een blinde vlieg (wel eerder steken gehad, nooit eerder een allergische reactie; waar komt dat nu weer vandaan?) kwam ik in mijn geheugen een voorval tegen waaraan ik nooit eerder aan teruggedacht had. Na het overlijden van mijn opa kwam oma wel eens bij ons logeren en dan gingen wij er op uit. Meestal werd er wel ergens een kerk bezocht. Ik geloof dit keer in Zeeuws-Vlaanderen. Voor het neogotisch altaar staand begon mijn vader een exposé over wat er te zien viel en natuurlijk kwam Mozes weer voorbij (nu na mijn onderzoek weet ik dat het ‘weer’ is want niemand lijkt zoveel te zijn afgebeeld in die jaren als Mozes). Mijn oma, die nooit heel dol op deze van haar vier schoonzoons was, fluisterde ‘uitslover’. Ik dacht werkelijk heel lang dat zij daarmee Mozes bedoelde, nu geloof ik dat niet meer zo heilig. Ik heb dus heel lang Mozes als een uitslover gezien, want ja een beetje gelijk had ze wel. Ik geloof niet dat mijn vader er erg mee zat met die opmerking als hij die gehoord zou hebben. Hij heeft zich er in ieder geval nooit wat van aan getrokken dat zijn schoonmoeder hem zo zag, want een hoge pet had hij niet op van zijn schoonfamilie. Dat had Mozes ook niet gedaan als zijn schoonmoeder dat van hem gezegd had. Maar zo gek was de opmerking van oma niet: je kunt Mozes zeker als een ‘pater familias’ zien en nog veel verder gaan en hem de plaatsvervanger van God zien, in dit geval Jahweh dan. Mijn opa stond bij mijn oma onder plak, bij ons thuis was het toch wel een beetje andersom.

En wie was dan Jezus, zijn zoon: ongetwijfeld Job zo heb ik geleerd uit het mijn onderzoek. Deze arme, lijdende man was de vooraankondiging van de Christus. Je komt Job niet tegen op de negotische altaren. Ik heb slechts één Duitse afbeelding gevonden van een Job op de mestvaalt terwijl zijn vrienden langskomen en één Job als heilige in vol ornaat. Misschien als er meer Jobjes op de altaren gestaan hadden dat mijn vader en oma niet zo’n hekel hadden gehad aan neogotiek. Mijn vader vond het oplichterij en namaak en mijn oma hield van de Tooropstijl en expressionisme. (Dat uiteindelijk in essentie niet zo heel ver verwijderd is van de neogotiek overigens: ‘oude wijn in nieuwe zakken’)

DSC_3569

Job heeft mij altijd geïnteresseerd en ik vind de teksten uit het boek Job aansprekender dan die in Mozes. Vooral de passage daar over de rijke en arme die beiden een tsekkel voor de hemel moeten betalen bij Mozes vind ik nogal stuitend en kapitalistisch. Het is én een voorbeeld van deviantie én een voorbeeld van een navrante geldeconomie. De kerk beriep en beroept zich erop dat zij zo antikapitalistisch is, maar ik weet dat zo net nog niet. Ik vond overigens al langer dat het eigenlijk fout gegaan is in de wereldgeschiedenis met Mozes. Ik zou managers en politici juist aanraden om eens bij Job te rade te gaan en wat minder ego kan geen kwaad zou ik zo denken.

Mijn Jobjes zijn erg zielig, uitgeteerd en wanhopig. Ik heb ze ook gemaakt in een minder vrolijke periode in mijn leven, waar ik doorheen moest zien te komen met kunst en vliegwerk. Ik heb hem ook gekleid: een heerlijk onderwerp om te boetseren, maar van bakken kwam het nooit. Ach ja, echt veel verloren gegaan is er daarmee niet.

DSC_3570

De afbeeldingen spreken voor zich. Maar toch nog terugkomend op Mozes en zijn veelvuldig optreden in de negentiende eeuw en zijn populariteit onder reactionaire intellectuelen van boven de 60 nu: ik geloof dat er toen een soort grootvader-cultus aan de gang was en dat er nu weer een soort opa-verering aan het opkomen is vooral ingegeven door de opa’s zelf die immers van de babyboom-generatie zijn én een goede gezondheid én geld én tijd hebben. Een soort zelfverheerlijking dus onder het mom wij moeten onze beschaving redden en onze normen en waarden herstellen. Nadat ze deze weinig fijngevoelig in de jaren zestig afgebroken hadden om zelf de baantjes in te nemen. Het meest irriterend vind ik de tachtiger die mij nu met u aanspreekt, maar van wie ik weet dat hij dat dertig jaar geleden tegen niemand ooit deed. Huichelaar. Maar hier ontbreekt even de nuance.

Toch zit er wel iets in mijn redenering: niet voor niets werd recent gepubliceerd over het feit dat na 1870 in de katholieke kerk er een mannelijkheids-cultus opleefde om het vrouwelijke in de kerk zo terug te dringen. De gilden en de broederschappen zijn daar een goed voorbeeld van. De opgeklopte Maria-verering had ook zo zijn negatieve kanten dus en een reactie van onvermijdelijk. Jozef werd op het schild gehesen en mannelijke heiligen werden voorbeelden voor jonge jongens die in verkennerij bijvoorbeeld zich konden uitleven én ontplooien ver van het schone volk. Ach ja, het is wat tussen man en vrouw in de maatschappij in het algemeen en in de kerk in het bijzonder. Ik ben bang dat in het laatste segment het heel moelijk gaat worden, zelfs de ‘wetenschap’ werkt niet mee. Als je in de databank van de Tilburg University gaat kijken naar de verklaring van de hagiografie van vrouwelijke heiligen door moderne wetenschappers dan val je van je stoel af door de psychologie van de ‘koude grond’.  Bij de mannelijke heiligen daarentegen vind je daar helemaal niets van terug, dat blijven een soort ‘jongens van De Wit’, echte helden. Zou zo’n databank onder supervisie staan van de Congregatie voor de Geloofsleer misschien? Misschien een leuk onderwerp voor volgende week om uit te spitten, na de Heiligdomsvaart. En gelukkig heb ik nooit wat gehad met heiligen in mijn beeldend werk of in hen inspiratie gevonden: al dat gedweep en die uitsloverij dus die aflevering kan ik schrappen.

juni 2018

Mijn Heiligdomsvaart 3, Mozes en de Stenen Tafelen

DSC_3565 (2)

Natuurlijk liep in de ommegang ook Mozes mee en zijn volk. Duidelijk herkenbaar en wat hadden ze het warm. Ze konden zich zonder problemen inleven in een tocht door de woestijn c.q. Maastricht.

DSC_3564 (2)

Zelf had ik van jongsaf aan een bepaald beeld van Mozes dat nogal gewelddadig was eigenlijk. Alleen dat rieten mandje was erg aardig, maar dat was maar het begin. Daarna kwamen de grote daden van deze leider der leiders, of manager der managers. Ik geloof dat Mozes recentelijk is gebombardeerd tot een voorbeeld voor Nederlandse managers door theologen en voormalige premiers, de jongens van De Wit met een VOC-mentaliteit dus. Ach ja, als het ze lukt de Noordzee nog eens te splijten en zo naar Engeland over te kunnen steken dan heroverweeg ik mijn antipathie. Maar die is groot.

DSC_3566 (3)

Je hebt de Stenen Tafelen met de Tien Geboden en het Gouden Kalf waaromheen zijn volk danste onder leiding van zijn zoon Aäron. Uit woede smeet hij de Stenen Tafelen kapot. Daaraan vooraf ging een moord op een Egyptenaar waardoor Mozes moest vluchten, gevolgd door een strijd met de farao en de Tien Plagen van Egypte. Wij moesten die op school in een klein tekenschriftje tekenen: vooral de sprinkhanen vond ik wel leuk om te doen. De moord op de oudste zonen hoefde niet. Ik geloof dat de meester deze oversloeg, helemaal zeker weet ik het niet.

Ik kwam dit negatieve beeld onverwacht weer tegen toen ik mijn map met oud werk aan het doornemen was met enigszins bijbels georiënteerde maaksels in het kader van mijn eigen ommegang, namelijk die door oude mappen. In het kader van een heel leuk project van Frits Hesseling en Geurt van Dijk, ‘Kunnen boeken drijven’ heb ik illustratries gemaakt geïnspireerd op de stenen tafelen van Mozes, heksen en een combinatie van beiden. Geurt vond dat ik mij maar eens moest verdiepen in heksen en hoe er met hen was omgegaan in het verleden onder meer met de waterproef. Waarom hij mij daar expliciet op attendeerde weet ik niet: wij waren in total met zo’n man/ vrouw of twintig.

DSC_3568 (3)

Ik ben aan de slag gegaan en kwam uiteindelijk bij een uitvoering in zeefdruk van Mozes met de Stenen Tafelen terecht. Dit keer zonder ellenlange verklarende tekst, het beeld was voor iedereen duidelijk. Geluk ging het maken van zeefdrukken mij iets beter af dan het drukken van houtsnedes, maar ik was inmiddels ook wel weer een paar jaar verder.

SONY DSC

De voorstudies en afgekeurde ontwerpen zijn ook wel apart: vooral die waarin ik Mozes in verband breng met de nazis en boekverbrandingen zonder enig voorbehoud. Geen idee waarom ik dat toen deed. Het was nog maar eind jaren negentig en mijn onderzoek naar de neogotische kunst in Rijnlandse kerken lag nog in het onbekende verschiet. Dat ik de afgelopen jaren gestruikeld ben over hele nare Mozessen is misschien een bewijs van het feit dat dingen nooit onverwacht of onbedoeld op je weg komen en dat er sprake is van een soort rotonde. Alleen nu nog de juiste uitleg gaan zoeken.

juni 2018

Mijn Heiligdomsvaart deel 2 Mijn ark en de Man van Smarten

DSC_3560 (2)

DSC_3562 (2)

‘Installatie “De Ark van Noach”, verbeelding van de ark als surfplank-achtige skateboard met een inmens groot zeil, samengesteld uit de diverse houtsnedes met de voorstelling van de “Man van Smarten” zoals deze in de loop der eeuwen gevisualiseerd werd. Hoogte 4,5 m. Winter 1999/ Annelies Abelmann’

DSC_3555 (2)

Een volgend project waar redelijk goed op gereageerd werd, al kwam het curieus tot stand is de Ark van Noach of althans mijn ark. Zoals voor vele latent religieuze mensen is de Ark van Noach een dankbaar verhaal om mee aan de slag te gaan. Het appeleert ook nog aan het milieubewustzijn van de laatste decennia en de zorg voor flora en fauna. Vooral in gezinnen met kinderen is dit misschien wel het enige Bijbelverhaal, naast het kerstverhaal dat gemakkelijk verteld en verbeeld kan worden. Een reuze dankbaar onderwerp dus. Dat Noach ook de hoofdpersoon is in het genante verhaal dat hij stomdronken door zijn zoons naakt op de grond wordt ontdekt, is een detail dat wij graag vergeten. Dat hij hierbij veelal als een ‘echte’ jood wordt uitgebeeld eveneens. In mijn gezin kwam de ark ook letterlijk binnenvaren in een prachtig houten uitvoering met dito bemanning van een bekend verantwoord merk dat op de Vrije scholen gebruikt wordt en in Rudolf Steiner-achtige families al decennialang generaties kinderen overleeft. Even de naam vergeten. De bemanning wordt tot op heden nog wel eens uitgebreid met een beestensoort, mannetje en vrouwtje, te koop bij een verantwoorde winkel in Aken. Maar goed de Ark vaarde al in Leeuwarden een eindje met mij op en ik heb dit onderwerp op verschillende manieren uitgebeeld, maar nooit figuratief. Dat was de grootste kritiek van mijn docenten: waarom beeld je deze onderwerpen niet gewoon letterlijk uit. Ik voelde gêne, heel veel zelfs, niemand deed dit behalve Gijs Frieling die heel kort docent in Groningen was en mij met deze schaamte confronteerde en mij het advies gaf binnen een kerkgenootschap te gaan werken als ik met dit type werk doorging. Ik wilde ook niet in illustraties vervallen; die richting had ik bewust niet gekozen omdat ik merkte dat weinig teksten mij eigenlijk echt inspireerden en ik vond en vind de abstraherende werkelijkheid nog steeds interessant en ‘veilig’. Je kunt in je uitleg nog wat variëren en dat is tijdens zo’n opleiding best makkelijk en een schrijfseltje erbij voegen is ook heel leuk.

DSC_3556 (2)

Maar goed een ruimtelijke ark kwam er uiteindelijk toch, toen de grote kantine van de school ingericht mocht worden met werkstukken van een docent ruimtelijk. Hij had hierover geen overleg gepleegd met zijn collega, mijn docent ruimtelijk en die vond, toen ik hem de schetsontwerpen presenteerde, het ontwerp spannend genoeg om het uit te werken. Op formaat met een hoogte van bijna 5 m. Dit formaat werd bepaald door een grote stapel drukken die ik van een houtsnede gemaakt had met het gezicht van de ‘Man van Smarten’ in verschillende stadia van figuratie. Tot mijn grote verbazing zag ik een detail van mijn afbeelding tijdens de heiligdomsvaart langs komen op het passiekruis van de Akense delegatie. Blijkbaar hadden méér mensen inspiratie gehaald uit de kunstgeschiedenis, maar ik maakte er ‘kunst’ van en geen devotie. In die tijd voelde dat nog helemaal niet goed; nu is het geaccepteerd. In ieder geval was de drukgang nogal uit de hand gelopen en had ik erg veel afdrukken gemaakt. Zo veel zelfs dat de ‘Man van Smarten’ op de drukmat stond. Mijn docent gaf mij die mat zuchtend mee met de opmerking dat ik de volgende keer even moest overleggen voordat ik aan de slag ging: hij had gedacht dat ik het al kon, dat was zijn fout. Ik had echter nog nooit achter een drukpers gestaan, maar zoals zo vaak dacht ik wel dat ik mij er mee zou kunnen redden. Maar goed ik hoefde de schade niet te betalen, want dat was ingecalculeerd en dit jaar waren er nog geen echte rampen gebeurd. Goed met die stapel druksels moest ik wat doen en die kwam dus in het ontwerp voor de Ark terecht. Mijn Ark zou een surfplank op wielen worden met een gigantisch zeil.

 

DSC_3559 (2)

Ik mocht aan de slag en op de vraag waar ik het ding neer kon zetten zei de docent doodleuk dus in de kantine want die was ontruimd. De hele commotie over de tentoonstelling van de andere docent was mij geheel ontgaan en ik had niet direct door dat ik een beetje uitgespeeld werd. Ik heb een aantal avonden hard geknipt, geplakt, gezaagd, geschroefd en getimmerd en door toeval ontdekte ik dat mijn op papier al niet uitvoerbare project toch kon blijven staan door de mast gewoon op de grond te zetten. De docent vond het wel een interessante oplossing maar technisch niet helemaal volmaakt. Leermomentje dus voor de volgende keer maar wel ruim voldoende. Ik zette dat ding in de kantine en er kwam een storm van protest van de deelnemers van de expositie en de betreffende docent/curator. De directie zou er bijgehaald worden en ik zou het ding moeten weghalen. Gelukkig was ik hen voor, want ik voelde de bui al hangen en demonteerde mijn ark vliegensvlug en zat al weer in de trein naar Ljouwert toen het feest losbarstte. Het is toch altijd weer opmerkelijk hoeveel sneller afbreken gaat dan opbouwen. Ik kreeg van opvallend veel docenten complimenten, maar ik weet niet of dit nu was vanwege mijn actie of mijn werk. Van het object rest alleen nog een klein vlaggetje, de drukmat, de houtsnede zelf, enkele afdrukken, ontwerptekeningetjes en een paar hele snelle foto’s. Toch wel aardig dat het Akense Passiekruis dit weer bovenhaalde.

DSC_3557 (2)

DSC_3563 (2)

juni 2018

Mijn Heiligdomsvaart deel 1’de nomadische biechtstoel’

DSC_3553 (2)

 

 

Eigenlijk had ik geen twaalf dagen willen wachten om  ‘mijn’ heiligdomsvaart te evalueren. Want dat hoort er natuurlijk bij zo’n bedevaart. In managerstaal: ‘wat heb je er nu van meegenomen? ‘of ‘wat heb je er van geleerd?’.  Het antwoord moet blijk geven van zelfinzicht, bezig zijn met voortdurende ontwikkeling en openstaan voor nieuwe uitdagingen. Voor mensen van boven de vijftig altijd wel een riskant moment, zo’n vraag. In mijn omgeving ken ik nu drie mensen van rond de 60 die na een indrukwekkende loopbaan gevraagd worden zich ergens anders te gaan oriënteren omdat gebleken is dat zij niet ‘open stonden voor verdere ontwikkeling’.  Wees dus gewaarschuwd.

DSC_3548 (2)

Het uitstel in tijd heeft ook te maken met een bacterie die in mijn lijf aan het ronddollen is; de borellia burgdorferi. Eén van de uiteindelijk twee teken die ik gemist heb tijdens mijn vakantie. Stof genoeg voor een volgend blog. En met mijn proefschrift natuurlijk. Ik schrijf nu eindelijk flink door, spreek af en toe inspirerende mensen die mij weer verder helpen en inderdaad, ‘ik neem er veel van mee’.  Vooral de overtuiging dat in mijn geval de weg naar het doel erg lang wordt, maar het gaat om de weg en niet het doel.

DSC_3552 (2)

Maar kort en goed: voor mij betekende het van nabij volgen van de heiligdomsvaart, behalve een reïntegratie-traject in de Maastrichtse binnenwereld, vooral een confrontatie met mijn devotie van vroeger en met die van nu, die er dus verbazingwekkend genoeg nog steeds is. Ik weet niet of het des mensen is, deze eigenschap. Ik denk het niet, om mij heen zie ik te veel mensen die ik er van verdenk dit niet als gen meegekregen te hebben. Ik zie wel in de omgeving van heiligdomsvaart mensen die het aangeleerd hebben, maar die ik er van verdenk vooral aan presentatie te doen en netwerk-achtige voordelen najagen. En ik zie ook mensen die devotie als uitlaatklep gebruiken voor hun creatieve, fysieke en sociale talenten. Geweldige mooie dingen gezien en gehoord absoluut. Maar dan is het geen devotie die voorop staat, maar meer de volle kerk als schouwtoneel. In het tweede geval de volle kerk als een soort rotary en in het eerste geval een stille kerk als bezinningsplaats. Een volle kerk kan ook ‘stil’ zijn zoals de Slevrouw dat kan zijn, heb ik gemerkt. Dat was wel indrukwekkend. Onder de tweede categorie vallen ook de mensen die vanuit hun devotie aan kunst werken: de zusters uit Simpelveld bijvoorbeeld die in de 19e eeuw door Franz Bock (even googlen) geleerd kregen hoe ze met oude technieken naar oude voorbeelden paramenten konden vervaardigen. Op het moment dat de kunstenaar zijn werk ging signeren wat het gedaan met de devote kunst, denk ik soms.

DSC_3551 (2)

Maar nu houd ik mij weer met anderen bezig en hoe ik mij tot hen verhoud en dan ben ik altijd de observator, onderzoeker, rapporteur en vooral buitenstaander. Het onderwerp is nu vandaag mijn religieus geïnspireerde kunst, helemaal van mij. Of het kunst is laat ik in het midden, maar devotie was wel de aanleiding of voorbeelden van devotie. Voor die kunst kan ik heel ver terug gaan, naar mijn kindertijd waarin het hoogtepunt het schrijven van de menukaarten voor het kerstdiner was. Het schrijven deed mijn vader op de typemachine voor alle zekerheid, maar het illustreren was de taak van de kinderen. Daarvoor werden diverse getijdenboeken met miniaturen uit de kast gehaald om daaruit voorbeelden te kiezen. In de voorkamer met een schrijfplank op schoot en potjes verf, inkt en ecoline, penselen en kroontjespennen en mooi papier. Ik geef toe dat de resultaten niet getuigden van een opmerkelijk tekentalent of creatief inzicht. ‘Blijven oefenen’ zei mijn vader altijd en ‘goede materialen gebruiken’.

DSC_3549 (2)

In het katholiek onderwijs krijg je veel mee van de roomse geloofsovertuiging maar niet van de kunst die daarbij hoort. Helemaal niet eigenlijk. Ook de geschiedenisles blonk er niet in uit. Nu is dat in ieder geval op de middelbare school wel anders, maar was het vak CKV niet wegbezuinigd inmiddels of mocht kunst geen examenvak meer zijn? Zoiets? Uit die tijd zijn het vooral foto’s, kiekjes, want ook met fotograferen kun je niet vroeg genoeg beginnen vond mijn vader. Ik tekende ze na, doe ik nog steeds wel.

Nee echt intensief religie en religieuze kunst als inspiratie voor eigen werk gebruiken begon pas toen ik een stage in Parijs liep en daar alle prachtige kunst, religieus dan wel profaan, voortdurend kon zien. De eerste schetsen dateren uit het Musée de Cluny. Die heb ik nog in de map met het reisverslag zitten. Dat verslag ga ik nog eens uitwerken als ‘egodocument’.  Daarna ging het snel met mijn artistieke carrière. Hoe zwaarder het dagelijks werk werd, hoe meer ik tekenen en schilderen als uitlaatklep zocht en daar veel voldoening in beleefde. Natuur en religie, dat waren de inspiratiebronnen. Later tijdens mijn opleiding aan Minerva heb ik dit laatste doorgezet, zeer tegen de zin van enkele docenten in. Ik was daarin wel een buitenbeentje maar voelde mij toch thuis in die omringende ruwe Friese-Groningse religieuze oerbeleving. Op aanraden van docenten zocht ik contact met Regnerus Steensma, want ja dat intellectuele in mij zocht toch ook wel een weg, vonden ze. Ik schreef hem twee brieven, hoorde niets, belde hem en kreeg te horen: ‘Mevrouw ik ken u niet. Prettige dag verder.’ ‘Ach’,  zei één van de docenten: ‘Hij houdt niet van vrouwen.’ Dit was in 1997. In 2000 hoorde ik hetzelfde zeggen over de grote historicus achter het onderzoek naar de bedevaarten, die ik als studente aangeschreven had om iets te gaan doen met de geschiedenis van bedevaarten. Hoe heette die man ook al weer? Ik had een goede scriptie daarover geschreven in mijn examenjaar. Die stuurde ik mee op. Nooit wat gehoord. Volgens een collega ‘hield die ook niet van vrouwen’.  En o ja, nu ik toch bezig ben, ook de voormalige rijksarchivaris van Drenthe Heeringa schijnt hetzelfde te hebben gehad. Maar die heb ik gelukkig niet gekend of ooit benaderd. Verder heb ik er nooit last van gehad, van ongelijke behandeling.

Maar goed een hoogtepunt in mijn zoektocht kreeg pas echt goed vorm  toen ik mee mocht doen met het programma van Tadashi Kawamata. Mijn ontwerp van een bouwkeet als ‘nomadische biechtstoel’ was geselecteerd en ik kreeg budget om aan de slag te gaan. Hoe kwam ik aan dat onderwerp? Dat nomadische was al een thema van mij met het ‘nomadisch archief’ en ‘mijn migrerend voorouderaltaar’. Er hing al een tijdje weer verandering in de lucht; ‘Ik moest Friesland verlaten’ aldus een wethouder. Dit werk werd redelijk positief ontvangen moet ik zeggen. Ze waren wel uitermate kritisch daar bij Minerva tegenover kunsthistorici: hielden ze he-le-maal niet van. De biechtstoel kwam naar boven toen ik een foto zag van een modern vormgegeven biechtstoel in een nabij gelegen kerk. Ik er naar toe en de pastoor gevraagd hoe een biecht nu eigenlijk in zijn werk ging. Hij was niet heel toeschietelijk moet ik zeggen. Ik wilde de neogotische biechtstoel even uitproberen. Hij reageerde of het heiligschennis was. Enfin heb dit alles in mijn ontwerp verwerkt en ben de biechtstoel gaan nabouwen met intensieve hulp van Michiel en oudste dochter. Dat was heel leuk. Wij stonden op een binnenpleintje van een woningbouwcomplex op het terrein van een voormalige kerk. Die plek hadden ze speciaal voor mijn keet uitgezocht.

Een onderdeel van de presentatie was een cassetterecorder waarop mijn ouders het Onze Vader (mijn vader) en het Wees gegroet (mijn moeder) hadden ingesproken. Hoe ik ze zo gek gekregen heb, weet ik nog steeds niet. Michiel heeft foto’s van de sessie gemaakt en die zijn mij heel dierbaar en nog dierbaarder is het bandje dat ik nog steeds heb. Ik had een brievenbusje geïnstalleerd en formulieren waarop mensen hun zondes konden opschrijven met een korte uitleg wat nu een zonde is met de hele rataplan erachter (vond men beeldend niet zo sterk, helemaal mee eens). Twee briefjes werden gedeponeerd: niemand verwachtte ook dat dat wat zou worden. Er was vooral angst  dat de keet als toevluchtsoord voor junkies zou gaan fungeren. Dat viel overigens mee. Enfin ik stond natuurlijk af en toe een middagje bij de keet en af en toe kwam er toch iemand binnen. Een keer kwam er een Groninger van mijn leeftijd die het bandje beluisterde en naar buiten stoof met de mededeling ‘Gatver, die stemmen afschuwelijk’.  Ik was helemaal verbouwereerd. Dat was een heel nieuwe invalshoek. Akkoord het aanhoren van de twee gebeden was voor mij ook geen waardevrij moment. Maar afschuwelijke stemmen……. Maar ik heb het bandje echter nog steeds niet herbeluisterd.

Gisteren heb ik verrijkende kritiek op mijn teksten gekregen: ik gebruik te veel woorden. Een goed moment om dit relaas nu maar te stoppen en er een vervolg aan te geven in nog te schrijven blogs, waarin ik wat meer religieus geïnspireerd werk laat zien. Maar aanhakend aan het begin van deze blog: verrijkend is iets pas echt als je er over kunt praten en dat lukte wonderwel in de nomadische biechtstoel.

begeleidende tekst:

‘De Nomadische Biechtstoel

Inspiratie:

In enkele dagbladen stonden afgelopen zomer artikelen over de biecht, vooral een artikel waarin melding gemaakt werd van het verdwijnen van deze roomskatholieke traditie trok mijn aandacht. De bij dat artikel afgedrukte foto van een uitgebreide biechtstoel in een kerk met een knielende man, inspireerde mij tot het maken van een rijdende biechtstoel. Een gegeven dat goed paste in het concept van de nomadische academie, namelijk een verplaatsbare ruimte waarin je je altijd ter contemplatie kunt terugtrekken.

Associatie:

Na deze eerste inspiratie kwamen associaties naar boven die ondermeer te maken hadden met mijn jeugd. Allebei mijn ouders zijn roomskatholiek en streng opgevoed in de traditie van de biecht. Van vroeger herinner ik mij de verhalen over het biechten, waarbij het vooral voor mijn moeder moeilijk was ‘zonden’ te vinden om op te biechten. (Denk ik). Mensen met een streng innerlijk geweten blijken nogal wat moeite gehad te hebben met het biechten. Als klein meisje vroeg ik mezelf af hoe het zou zijn achter een gordijn al knielende de stoute en ondeugende dingen die je gedaan had te vertellen aan een priester. Voor een kind toch een bijna mythische figuur. De stemmen op het bandje zijn die van mijn ouders: mijn vader als priester en mijn moeder als biechtelinge. Ik vond deze confrontatie tussen hen met iets hun jeugd een bepaalde emotie oproepen, die ik nog niet eerder zo had meegemaakt. Ik vind het dan ook indrukwekkend hun stemmen op het bandje te horen, vooral de gedachte in het achterhoofd houdend dat mijn vader, als het mogelijk was geweest om als gehuwde man priester te worden misschien wel pastoor zou zijn geworden. Hij immers al een gedeelte van het seminarie achter de rug toen hij mijn moeder leerde kennen. Een tweede associatie die ik kreeg had te maken met het feit dat heden ten dage vele psychologen, psychotherapeuten en psychiaters hun geld verdienen met een bepaalde vorm van zielzorg (therapie) die op de een of ander manier vroeger door priesters werd uitgeoefend. Natuurlijk is de huidige pastorale zorg een hele andere dan de vroegere zielzorg, maar toch ben ik gaan nadenken over de functie van de biecht voor individu en maatschappij. De biechtstoel en de biecht als plaats en mogelijkheid om je geweten te zuiveren en via een onschuldige boetedoeningen weer onbelast verder te gaan. De biecht als middel om de psychische gezondheid goed te houden. Een derde verband met het gegeven van de biecht legde ik met de sociaal-maatschappelijke ontwikkeling na het Tweede Vaticaans Concilie (1962). Het tijdstip waarom de officiële biecht werd afgeschaft. In Nederland gingen grote groepen katholieken van de ene op de andere dag niet meer biechten. Een verschijnsel dat in andere landen lang niet zo rigoureus voorkwam. Daar ging het loslaten van de biecht veel gemakkelijker. Mij intrigeerde deze omslag sterk. Hoe zijn al die roomse mensen omgegaan met het feit dat zij plotseling niet meer hoefden te biechten?

Over deze installatie:

De bouwkeet heeft min of meer dezelfde afmetingen als een grote biechtstoel in een kerk. Een dergelijke biechtstoel bestaat uit een cabine in het midden voor de priester en aan weerszijden een cabine voor de penitent. De traditionele biechtstoelen zijn allemaal verbonden aan een kerkgebouw, dit is het grootste verschil met de rijdende biechtstoel. Deze kan overal neergezet worden. De ruimte is ingericht met twee gelijke cabines aan de achterkant gescheiden door een wand met het traditionele biechtvenster. Onder het venster bevindt zich een gleuf waar briefjes, geld etc doorheen geschoven konden worden. Onder deze ‘brievenbus’ bevinden zich de plankjes om met de armen op te steunen. Aan de kant van de priester staat een gewone stoel en hangt er een gordijn voor het venster. Aan de kant van de penitent is een knielbank aangebracht. De gordijnen zijn paars. Voor de biechtcabines staan twee traditionele bidstoeltjes.

Over de biecht:

De biecht is binnen de roomskatholieke kerk een sacrament. Iedere gelovige die wil biechten kan terecht bij een priester. De huidige biechtvorm lijkt nauwelijks nog op de ouderwetse biecht, maar heeft meer de vorm van een pastoraal gesprek. Er zijn nog steeds mensen die gebruik maken van de biecht, ook jongeren. Persoonlijk lijkt het mij bijna onmogelijk om in zo’n biechtstoel vrijwillig je verhaal te vertellen, laat staan verplicht. Wanneer een priester de biecht hoort dan draagt hij een paarse stool. Hij dient te gehoorzamen aan het biechtgeheim: datgene wat een biechteling hem vertelt blijft alleen bij hem. Na afloop van de biecht wordt absolutie gegeven en de boete opgelegd. Vroeger, in de tijd van mijn ouders, waren dat enkele Onze Vaders en/of Weesgegroetjes.

De zonden:

Zoals de priester op het bandje ook vertelt zijn de zonden ingedeeld in categorieën. De zeven hoofdzonden, waaronder hovaardigheid, gierigheid, onkuisheid, nijd, gulzigheid, gramschap en traagheid vallen. De zonden tegen de Heilige Geest, waartoe: aan Gods genade wanhopen, op Gods barmhartigheid vermetel vertrouwen, een gekende waarheid van het Geloof bestrijden, de evenmens Gods liefde en genadegaven benijden, hardnekkig zijn in de boosheid en het berouw of de boetevaardigheid verachten behoren. De laatste categorie bestaat uit de wraakroepende zonden, zoals de moedwillige doodslag, onkuisheid tegen de natuur, het verdrukken van de armen, van weduwen en wezen en het onthouden van het rechtvaardige loon voor werklieden.

Uitgeleide:

Praktiserend katholiek ben ik al jaren niet meer, wel op mijn eigen manier gelovig. Religie speelt in mijn beeldend werk op dit moment een belangrijke rol. De biecht als sociaal-maatschappelijk fenomeen in al haar facetten is boeiend, maar geen gegeven om naar terug te verlangen in de oude vorm. Het zondebesef en de gevolgen van zondig gedrag zijn echter van alle tijden en zullen altijd een last blijven voor individuen en maatschappij. Of zoals de laatste zin van de traditionele boetedoening luidt: “Zoals het was in het begin, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen amen.”

 

Leeuwarden/Groningen 10 0ctober 1998. Annelies Abelmann (voor meer informatie over dit werk of bezichtiging op afspraak kunt u contact opnemen met tel. Nr. 058-2120301) ‘

juni 2018

In de marge van de heiligdomsvaart: Jan van Steffenswert, koormantels, iconen en ex voto’s

DSC_3442 (2)

Verschillende interessante presentaties waren er te zien in de marge van de heiligdomsvaart, zoals de reliekenverzameling in de schatkamer van de Servaas en de fototentoonstelling in het theater aan het Vrijthof. Deze tentoonstellingen verdienen veel meer aandacht dan ik ze nu geef, maar ik heb deze eigenlijk te vluchtig gezien en kan er niet zo veel over zeggen.

DSC_3469 (2)

Gemaniëreerde foto’s zoals in het Vrijthoftheater spreken mij altijd wat minder aan dan meer realistische fotoreportages, maar dat is natuurlijk een persoonlijke voorkeur. In de ruimte werkten ze werkelijk prachtig en de manier waarop ze gepresenteerd werden was perfect. De presentatie in de schatkamer van de Servaas was erg goed en vooral bescheiden: passend voor zowel onderwerp, locatie als maker. In dat opzicht was de tentoonstelling in de schatkamer van de Slevrouw van een heel andere orde: deze leek meer op een eindejaarsexpositie van een kunstacademie, waarvoor te veel studenten zich hadden kunnen aanmelden. Het kunstwerk dat mij het meeste aansprak was het laatste met de ex voto’s. Een thema dat zo goed paste bij de heiligdomsvaart. Eigenlijk was dat kort en goed ook het enige werk dat een passend thema had  en een spannende uitwerking liet zien, met die haken en bungelende lichaamsdelen. Vele andere werken hadden weliswaar religieuze symbolen en herkenbare beelden verwerkt in vaak perfect uitgevoerde werken en een passende titel gekozen, maar een echte link met de aanleiding, de heiligdomsvaart was er niet. Aan een kant jammer aan de andere kant wel heel indrukwekkend om te zien hoe de technische vaardigheden van kunstenaars zijn toegenomen en hoe de presentaties geperfectioneerd zijn. Ik herinner mij nog de tessacrepjes achter de houtskooltekeningen en de gerecycelde passepartouts uit mijn tijd. Als je je werk echt serieus nam, dan moest je vooral geen aandacht aan de presentatie besteden, geen titel verzinnen (een uitbeelding moet je zonder woorden kunnen begrijpen) en geen citaten uit de kunstgeschiedenis ‘stelen’. Wat is er veel veranderd. Gelukkig, het beeld is er wel een stuk vrolijker op geworden. Toch bleef het etiket ‘kwebbelkunst’ wel een beetje hangen, vooral toen ik in lelijke witte plakletters op een grafzerk dichtregels zag staan. Jammer van het mooie gedicht. De term is overigens niet van mij, maar wel erg aardig. Toen ik tijdens presentaties in Groningen soms religieus geïnspireerd werk liet zien, sprak de docent over ‘cerebraal geknutsel’.  Ook een heel leuke kwalificatie. Het is misschien niet aardig om alle werken in deze tentoonstelling zo af te serveren en ook niet terecht natuurlijk. Ik heb een paar beelden voor ogen van werken die ik best goed vond. Ik vind het alleen zo jammer dat al zeven jaar bekend is dat er een heiligdomsvaart gehouden wordt en dat je eigenlijk al zeven jaar lang je hierop kunt voorbereiden als kunstenaar, maar ook als samensteller. Samen naar zo’n expositie toewerken, overleggen, nadenken over thema’s en materialen te gebruikt kunnen worden, afmetingen en mogelijke ingrepen in de ruimte (in dit geval: niet doen). Heel anders dan door een ladenkast struinen en er iets uitpikken wat je bevalt. Maar ik weet natuurlijk niet hoe het gegaan is de samenstelling van deze tentoonstelling. Ik vind wel dat het een hele goede zaak is dat ook een kerk nadenkt hoe om te gaan met kunstenaars in hun directe omgeving en bekijkt hoe hun werk in een religieuze omgeving zou kunnen passen of ingepast zou kunnen worden. Als er iets is dat ik geleerd heb van mijn onderzoek naar kerkelijke kunst in de 19e eeuw, dan is het wel dat beeldtaal belangrijk is en dat creatieve energie inderdaad een devote kracht kan zijn. Je moet het niet gaan overdrijven natuurlijk, zoals ze soms deden: knielen voordat je een werkplaats ingaat bijvoorbeeld.

DSC_3459 (2)

De tentoonstelling over de iconen in de crypte van de Onze Lieve Vrouw was heel leuk om te zien. Prachtig mooie en inventieve iconen, die ik helaas zelf nooit op zou hangen, maar die wel heerlijk zijn om te maken volgens mij. Het is er nooit van gekomen om hieraan te beginnen hoewel ik wel door een lieve kunstenares uitgenodigd was om eens mee te doen met een dergelijke workshop bij de Zusters onder de Bogen. Dat was alweer tien jaar geleden en zij is inmiddels overleden. Eén van die mensen die je maar heel kort in je leven meemaakt, maar die toch na hun dood nog een eind met je mee blijven lopen. Zij ging wel helemaal op in het schilderen van iconen en betaalde grif voor de cursussen (daar lag voor mij overigens de hoogste drempel). Wel heel mooi te ervaren hoe iedereen genoot van deze kunst, van wie zij vermoedelijk allemaal de scheppers wel kenden of zelf waren en elkaar daar ook tegenkwamen. En wat ik ook persoonlijk van alle kunst mag vinden, het scheppingsproces blijft een daad van overgave en concentratie ongeacht het resultaat.  Deze zin lijkt wel de afsluiting van dit relaas, maar ik wil toch nog de aandacht vestigen op het Bonnefantenmuseum.

DSC_3464 (2)

 

Daar was een presentatie over restauratie van groot corpus van Jan van Steffenswert te bewonderen, een corpus waarvan de originele polychromie nog bewaard gebleven was. Dat wilde ik wel eens zien. De indruk werd gewekt dat je het restauratieproces ook kon meemaken, dus ik was dubbel nieuwsgierig. Maar goed dat laatste was niet het geval, dat had ik ook wel kunnen snappen want het was zaterdag. In ieder geval kon ik een beetje in de buurt van de indrukwekkende stellage komen met het beeld erop. Er was een streng koord gespannen om de staketsels heen, zodat je de tekst- en fotoborden aan de linkerwand niet kon bekijken en lezen, als ze dat waren natuurlijk. Nou doe ik dat nooit of zelden tekstborden lezen, maar als het je verboden wordt, dan is het plotseling een ander verhaal. Het is niet uit een soort arrogantie dat ik die teksten niet lees hoor, maar ik moet iedere keer bewust mijn ogen instellen, van beeld naar tekst en andersom en dat lukte mij nooit al goed.  Het gonst al een aantal jaren rond dat er heel wat gaat gebeuren rondom Jan van Steffenswert: het museum heeft er veel subsidie voor kunnen krijgen. Ben benieuwd naar de resultaten van dit prachtige project, had er best wat voor willen doen. Als reïntegratie of zoiets.

DSC_3425 (2)

De tentoonstelling over de koorkappen was toch eigenlijk wel het hoogtepunt: jonge mensen die zoveel creativiteit aan de dag leggen om zulke mooie dingen te maken, dat is toch wel genieten. Elk liturgisch gewaad, al weet ik niet of ze allemaal wel zo geschikt zijn voor de katholieke eredienst, was perfect gemaakt en mooi gepresenteerd. Eén bleef mij bij, die was gemaakt van gerecycelde kerstballen. Dat vind ik toch wel een vondst: de createur was al wel van gevorderde leeftijd.

DSC_3430 (2)

Snel ben ik nog even door de vaste opstelling gelopen om de hedendaagse toevoegingen in de vaste opstelling te bekijken. Een trend die eind jaren tachtig al in Italië begon op te komen en waarvan ik dacht dat het nu toch wel voorbij zou zijn. Of je hangt oud en nieuw op gelijkwaardige wijze naast elkaar of niet, maar lukraak wat moderns in de oude opstelling neerzetten is toch passé? Enfin, ik vond het een beetje tegenvallen, maar toch wel heel aardig om te zien. Wat ik dus miste was de communicatie tussen de objecten of juist de botsing. Maar dat is ook niet makkelijk: mensen blijven toch in hokjes denken en vanuit raampjes kijken, dus wat ik zie communiceren ziet een ander weer botsen en omgekeerd. Weer viel mij de gewijde sfeer op die je in sommige musea nog steeds treft en die ook in het Bonnefanten zo overheerst. Jammer, het maakt dat je toch liever snel weer door gaat naar een volgend evenement: een goeie devotie dus.

DSC_3457 (2)

 

juni 2018

‘Een goede devotie’; de kern van de heiligdomsvaart

DSC_3484Uiteindelijk heb ik het belangrijkste moment van de heiligdomsvaart gelukkig kunnen meemaken en zelfs in tweevoud. Het leek even hachelijk te worden met al die achterstallige huishoudelijke klussen en werk in de tuin, maar met het leegstorten van het laatste emmertje sop en de inzet van manlief kon ik mij toch rond 12.00 uur opmaken om de stad in te trekken. Het voelt iedere keer als een soort onderdeel van een reïntegratieprogramma, dat betreden van het stadshart. Maar goed ik maakte eerst een omtrekkende beweging langs het Bonnefantenmuseum om de twee presentaties die horen bij de heiligdomsvaart te bekijken en de ingrepen in de vaste opstelling die ook wel raakvlakken met religie hebben te bezien. Naar het Centre Ceramique trok ik vervolgens om de tentoonstelling over Barmhartigheid te zien en een fototentoonstelling. Welke tentoonstelling? Wat is daar aan de hand? Moet hier niet van hogerhand, van onze lieve heer dan,  ingegrepen gaan worden? Al meer dan anderhalve week ligt de hele uitlening plat, loop je voor niks naar het gebouw om je boeken te halen en zijn de medewerkers nog net geen gestresste kippen die van de leg af zijn geraakt. Maar het scheelt niet veel want ze blijven echt zo klantvriendelijk mogelijk en dat kost energie. Wat een professionaliteit. Maar ik wil als klant nu de stress niet hebben vanwege  boeken die niet uitgeleverd kunnen worden als gevolg van een systeem dat niet werkt. Wij zijn mensen, geen systemen en wij hebben altijd nog de mogelijkheid om de dingen zonder systeem zelf te regelen. Niet dat de wereld vergaat als ik mijn boeken niet krijg. Ze komen op de stapel, maar voor IBL- boeken geldt wel een beperkte uitleentermijn (en het kost mij extra geld bovenop het hoge sterabonnementsgeld en je wilt niet weten hoe lastig het is om ze aan te vragen als je nog steeds je pasnummer niet uit je hoofd kent).

Vervolgens naar de OLV om daar de iconen-tentoonstelling te zien en de presentatie van moderne kunst in relatie met religie. Ook daarover, net als over de andere presentaties morgen of een andere dag méér. In ieder geval was ik om 14.00 uur ruim op tijd voor de reliekentoning in de Slevrouw en besloot ter plekke die in de Servaas ook  maar mee te pakken. En dan alle ervaringen in één keer te verwerken en beschrijven. In beide kerken ging de toning op eenzelfde manier met het plechtig binnendragen van de relieken en het op afroep tonen van de overblijfselen nadat de namen van de eigenaren waren opgenoemd. De mannen en de vrouwen gescheiden: de vrouwelijke relieken allemaal door vrouwen getoond in de OLV; in de Servaas lukte dat niet, te weinig vrouwen of religieuzen. Ik vond dat wel mooi als vrouw: vrouwen die vrouwelijke heiligen dragen. De sfeer en entourage in de OLV middeleeuws in de Servaas negentiende eeuws; een beetje gechargeerd gesteld. In de OLV ingetogen en devoot en in de Servaas triomfalistisch en evangeliserend, ook wat overdreven gezegd . Beide presentaties vond ik geweldig en maakten indruk. Op geen van beiden valt iets af te dingen voor wat betreft intentie en overtuiging, als ik dat al zou mogen of willen doen natuurlijk. De parochianen en hun portemonnee bepalen de uitstraling van een kerk, devotie en negotie gaan nu eenmaal hand in hand; dat weten wij nu wel en die verschillen zie en voel je ook wel, maar integriteit kan hetzelfde zijn.

Toch zou het eens aardig zijn om een studie te doen naar de verschillen tussen deze twee parochies en de manier waarop elke kerk zich wil(de) manifesteren. De Servaas gaat natuurlijk voorop  omdat zij het graf van Servaas herbergt. Die Monulphus en Gondulphus toch, wat hebben die allemaal zitten knutselen met hagiografie en relieken? Wat mij ook opviel tijdens mijn onderzoek zaterdag was dat er  een soort historici of archivarissen-strijd of concurrentie bestaat die zich afspeelt binnen een zekere archiefdienst. Ik zag twee oud-collega’s een vooraanstaande rol spelen in de OLV. Twee hele dierbare collega’s van een professionaliteit die je maar zelden ziet in de archiefwereld. En wat deden ze dat goed en vol overgave. En in de Servaas zag ik ook een oud-collega de functie van regelneef vervullen eveneens vol overgave en in de wandelgangen na afloop ‘omarmd’ worden door een andere oud-collega met aanhang en een oud-collega van het SHCL. Die laatste kom ik toch op de gekste momenten en gekste plekken tegen in stad en land. De andere collega is nog eens met dezelfde aanhang bij mij thuis in Dordrecht op bezoek geweest: mijn man had zich uitgesloofd iets lekkers klaar te maken. Aardige mensen zonder bijbedoelingen en dertien jaar later ook ouder geworden. Maar wijzer? Na 2006 van deze mensen nooit iets anders meer gezien dan hun ruggen. Ach ja, archivarissen en sociale vaardigheden. Het blijft tobben.

DSC_3451

Maar goed, terug naar datgeen waarvoor ik op aarde gekomen ben naast heel veel andere dingen. Een onderzoek naar de historiciteit van de relieken in relatie met de hagiografie c.a. kon nog wel eens heel spannend worden. En dan die negentiende eeuw: hoe heeft het in die tijd op Maastricht ingewerkt, de concurrentie tussen Servaas en Slevrouwke. Het vervelende van archivarissen is echter dat zij op de bronnen ‘zitten’: dat betekent dat uiteindelijk zij degenen zijn die bepalen wie welke bronnen mag inzien. De groene sticker (voor materieel niet raadpleegbare bronnen), niet te verwarren met rood dat openbaarheidsbeperking betekent (bij het vml gemeentearchief werd dat ooit omgedraaid) kan je natuurlijk overal wel opplakken. Het geloof rechtvaardigt veel en het is emotie, zo leerde ik van een collega-onderzoekster. En dat klopt: zou dat doorgewerkt hebben in de pathologische richtingenstrijd in de archiefdienst al weer zo lang geleden? Maar objectief onderzoek bestaat niet, net als Sinterklaas. En of dit blog mij nou verder zal helpen?

Jammer dat ik zo in de greep was van de reliekentoning in de Servaas, anders had ik de lezing in de S. Jan kunnen volgen over de eerste kerstening in dit gebied door mgr Delville uit Luik: leuk om dat in een protestantse kerk te doen. Heel jammer. Maar een mens kan niet overal tegelijk zijn. Ik ben nog steeds Hermione Granger niet. In de Servaas ben ik tot het laatste moment gebleven totdat de relieken weer naar de schatkamer gedragen werden. Dat ging via het hoogaltaar. Jammer. Het ging wat uit als een nachtkaars, als je het als een voorstelling ziet. Wat het ook uiteindelijk is, maar wat het bij mij niet werd. Ik was zelf verbaasd over de indruk die het tonen van de overblijfselen van mensen die heilig verklaard zijn op mij maakte. In beide kerken, zelfs de gordel van Maria, die eigenlijk van Barbara is. Ik moest denken aan de definitie over religie die ik opgenomen heb in mijn inleiding op mijn ooit nog te verschijnen proefschrift. Deze is afkomstig van Davies en ik heb hem uitgekozen omdat hij als enige schrijver alle godsdiensten in zijn overzicht behandelt en omdat hij expliciet emoties als aspect van zijn onderzoek voorop stelt. Hij geeft min of meer als definitie van geloof, dat het de overtuiging is die ons verbindt met onze voorouders en onze nakomelingen. Er is al iemand heel hard gestruikeld over die definitie: maar ik laat hem erin. Zeker na deze ervaringen en zeker als je je probeert te verplaatsen in de late middeleeuwer, vroege renaissancemens of de negentiende eeuwer. De andere eeuwlingen laat ik maar even aan mij voorbij gaan. Mensen blijven mensen ongeacht hun cultuur en geschiedenis.

Van de moderne heiligen zijn geen relieken: ik heb onthouden Edith Stein en de zalige Clara Fey. De eerste is voor mij iconisch doordat mijn moeder haar als ‘idool’ heeft gekozen en een eigen boekenkastje had met publicaties van en over Teresia benedicta a cruce; de tweede omdat ik haar uitgebreid ben tegengekomen in mijn onderzoek in Aken en omgeving en haar, ondanks haar ultramontaanse instelling een warm hart toedraag. In de ommegang liep een klein groepje mee uit Simpelveld. Gelukkig hebben wij van deze voorbeeldige heiligen wel andere overblijfselen in de vorm van bronnen, die beter getoetst kunnen worden op hun validiteit. Want dat is toch wel een punt: het gesjoemel met relieken was natuurlijk fenomenaal door de eeuwen heen.

Bij mijzelf te rade gaand waarom deze reliekentoning zovel indruk maakte kom ik tot het volgende: het is niet alleen datgeen wat Davies zo kernachtig uitdrukt. Het is ook de ervaring dat ergens wonen ‘voor altijd’, wat ons streven was en is  een verdieping krijgt door mensen zo met voorouders om te zien gaan die ook jouw voorouders worden. Hen te eren, om hulp te vragen en te bedanken voor wat zij zijn geweest, of althans wat wij daarvan gemaakt hebben van die hulp. Geen blinde overgave, maar herinneren. In mijn academietijd in Groningen heb ik een voorouderaltaar gemaakt: onder mijn voorzaten zitten geen heiligen, net zomin als die er onder mijn nazaten zullen komen. Er is zelfs bedroevend weinig materiaal bekend van mijn beide families en met elke opruimactie hier in huis wordt dat van nakomelingen ook steeds minder. En het was ook nog eens een nomadisch voorouderaltaar dat inderdaad gedurende mijn migraties ergens verloren gegaan is. Zelfs foto’s zijn er niet meer: wel van het voorouderarchief, waarop ik afgestudeerd ben. Missschien dat het nomadische nu wat minder wordt in ons dagelijks leven. Of ik word oud, kan ook en morgen ga ik weer naar Goes: acht uur treinen heen en terug, Nederlandse nomade en manlief naar Utrecht, om te werken. Doen er niet veel vanuit Limburg.

Tijdens de mis werd ook iedere keer gezegd dat je kunt biechten of kunt praten over je geloof of het ontbreken daarvan neem ik aan. Een teken van verzoening, vergeving en opnieuw beginnen. Ik heb een foto van het bordje gemaakt en gehoopt dat het wat makkelijker zou zijn eens met iemand uit deze selecte groep mensen te praten als onderdeel van mijn reïntegratie. Ik heb hele heldere, mooie en integere woorden gehoord vanaf het altaar die zijn blijven hangen. Door bijna niemand werd gebruik gemaakt van deze gelegenheid. Ik geloof dat het helemaal niet populair is deze mogelijkheid onder de parochianen. Als ik er één heb zien zitten gisteren dan is dat veel, te woord gestaan door de kapelaan. Zou dat nog een verschil maken, als een gouverneur er ging zitten? Jammer dat ook de parochianen daar niet in voorgaan: het is een toetsmoment en het geeft  aan in hoeverre een kerk méér is dan alleen een religieuze rotary. Wil je tradities overdragen en van kerken geen grafkamers maken of musea dan zullen gelovige mensen jongeren, nieuwelingen en herintreders het voorbeeld moeten geven. Doe het voor, op zijn minst. Bij de hand nemen hoeft nu ook weer niet, zeker niet als je na dertien jaar oud-collega’s treft die je daarna nooit meer gesproken hebt en alleen de ruggen hebt gezien. Maar in een biechtstoel klim ik niet, zeker niet nadat ik na al mijn Mengelberg-biechtstoelen die ene in Overijssel met een geldbakje versierd heb gezien. Ik heb nog eens een nomadische biechtstoel gemaakt voor interessant kunstproject in Groningen. Ik ga daar binnenkort nog eens een verslag van maken van dat project: mijn eigen heiligdomsvaartkunst uit de oude doos. Komt er ooit nog een volgende creatieve periode, dan ga ik liever een tijdmachine maken om die Monulphus en Gondulphus nog eens aan de tand te voelen over hun Servatius en verleng ik mijn studieuze fase (waarin ik toch méér plezier en succes ervaar) dan ga ik nog eens op nader onderzoek uit.  Maar al met al blijft de reliekentoning een goede devotie.

DSC_3487

Naschrift

Toch nog even over mijn oud-collega’s die ik hier in mijn blog opvoer en van wie de ingewijden heus wel weten wie het zijn. Het is niet persoonlijk bedoeld, maar het verbaast mij allemaal nog steeds dat na mijn ongelukkige uitval uit het werkzame leven, waarvan ik zelf nooit gedacht had dat het – nog-  een keer zou gebeuren, niemand ooit nog een seconde naar mij omgekeken heeft. Zelfs niet ‘professioneel’, volgens de regels dus. Dat deden ze in Leeuwarden beter: daar herinner ik mij nog een bos bloemen. Je kunt mensen wel bij het grof vuil zetten en met pek en veren uit de stad willen jagen, maar in mijn geval zat er wel een heel gezin achter dat niet zomaar verscheept kon en wilde worden.

Trouwens dat ik mij ziek moest melden had uiteindelijk niets met het werk in Maastricht te maken. Akkoord, ik was vermoedelijk niet de juiste vrouw op de juiste plek op het juiste moment al lagen er best mogelijkheden om succesvolle trajecten in te zetten en af te maken.  Ik zat in de trein naar Groningen om een congres bij te wonen van de Nederlandse huisleverancier van archiefbeheersystemen en wilde over Leeuwarden reizen om een ‘Tiffanyschaal’ bij vrienden af te leveren die misschien geen vrienden zijn. De schaal was ook niet van Tiffany, maar weten zij veel. Het zijn geen kunsthistorici en ik laat mensen graag in hun waan en waarde. Zeker als ze ergens voor betaald hebben. Tijdens de reis naar Groningen kwamen twee oud-collega’s van het GAL zowat op mijn schoot zitten. Ik kon geen kant op. Slechts een half uur, maar een verstopt trauma van meer dan tien kwam naar boven. En niet zo’n beetje ook. Het is nooit meer weggegaan, geen enkele dag. En ik zie nog iedere keer die twee zelfgenoegzame kerels van middelbare leeftijd met een vette grijns op hun gezicht zitten. Te veel eer voor dit soort, weet ik wel, maar toch.

Een ingewijde verklaarde een tijdje terug dat mijn verhaaltje over mijn ‘(g) orgelende directeur’ de reden is geweest van de doodverklaring. Dat moest ik maar verwijderen van mijn site: ik heb het op ontoegankelijk gezet. Ben mij daar gek: het enige schrijfseltje dat ooit gepubliceerd is en een prijs gewonnen heeft. Maar lieve mensen dit verhaaltje schreef ik meer dan vier jaar nadat ik deur in het archief dicht gedaan had: dus dat is helemaal niet waar, dat het aan dat verhaaltje ligt. Jullie gebruiken het nu als de beroemde stok. Had mijn ziekmeldingsprocedure en reïnegratietraject fatsoenlijk begeleid, zoals de regels dat voorschrijven dan was er nooit een verhaaltje geschreven. Ik heb mij aan de regels gehouden en zal dat altijd blijven doen. En ik blijf het volhouden, het is fictie, zoals mijn hele Maastrichtse leven fictie lijkt te zijn en die reliekentoning dus ook. Maar oh wat is het mooi en het houdt je op been: het is een vorm van communicatie over de werkelijkheid heen. Dat lokt devotie namelijk wel uit: communicatie, maar eenzijdig, want god en heiligen praten nooit terug.

juni 2018

DeOmZieners: doe goed en zie niet om?

https://www.anneliesabelmann.com/wp-admin/post-new.php

Miquel weet hoe het heelal in elkaar zit en hoe het leven ooit begonnen is. Hij begrijpt dat de mens maar een nietig onderdeel van de hele schepping is en wil graag dat andere mensen die grootsheid van de schepping in hun hart voelen. Dat maakt hen tot betere mensen, denkt hij. Hij deinst er niet voor terug om de mensen om hem heen zijn opvattingen te verkondigen en daar hij op een begraafplaats werkt, zal hij ook af en toe de doden wel in zijn missie betrekken. Maar dat hoeft hij niet, nog niet, misschien wel nooit niet. Hij wordt omringd door collega’s, een lieve vriendin en mensen die hij voor zich weet te winnen.

Sofie is zo’n lieve vriendin, die zich vooral zorgen maakt om  Pieter. Een oudere man die verplicht vrijwilligerswerk moet doen om zijn uitkering te mogen behouden. Slavernij zo meent zij terecht. Pieter wordt als een hete aardappel van de ene werkgever in de volgende loondienst geschopt en trekt zich dat persoonlijk aan, want niemand wil hem houden. Doet hij zijn werk niet goed? Uit verdediging trekt hij zijn oranje veiligheidshesje voortdurend aan: iets wat Sofie wil beletten, want dat maakt hem juist kwetsbaar. Ze is niet blij met het geraaskal van Miquel, want dat zou de positie van Pieter in gevaar kunnen brengen: het vrijwilligersbaantje tussen zerken bevalt eigenlijk wel en strafkorting op je uitkering is een ramp.

De begraafplaats is dus de locatie van dit toneelstuk, dat geen toneelstuk is maar een aanklacht tegen onze neoliberale maatschappij die je in het hart moet treffen hoe liberaal je ook bent. Dat had u niet gedacht toch? Dat in de heiligdomsvaart anno dit jaar een toneelstuk opgevoerd zou worden waarin de aller- allerarmsten van Nederland een hoofdrol toebedeeld krijgen: het ‘sous- prolétariat’ zoals Alwine de Vos van Steenwijk het omschrijft in haar stukken in navolging van de oprichter van de Vierde Wereldbeweging, de priester Jospeh Wresinski? Het is de naar hem vernoemde stichting die dit toneelstuk produceert  in het kader van het inzetten van cultuur tegen armoede. U had ook nog nooit van hem gehoord, net als ik overigens voor ik de folder van de voorstelling toevallig in handen kreeg, toch?

De coördinatrice van de avond legde dit allemaal helder uit aan het begin van de voorstelling. Het was goed dat zij dat deed, maar ik denk dat de mensen die op dit optreden waren afgekomen wel weten waar het over gaat, waar het over zal gaan in de toekomst en waar het altijd over ging: de kanslozen in Nederland. Geen politicus, gemeenteambtenaar, wetenschapper of zelfs maar een vertegenwoordiger van de kerk te bekennen. Echt niet. Na bijna een week heiligdomsvaart ken ik deze mensen wel van gezicht en de kerkelijke vertegenwoordigers zijn natuurlijk herkenbaar aan hun witte boordje al dan niet aangevuld met andere uiterlijke kenteken van hun functie. Dat wist de coördinatrice ook en al tevergeefs speurend naar een gezicht van een vertegenwoordiger uit beide machten, de wereldlijke en politieke, benadrukte ze toch maar hoe geweldig het was dat deze groep mocht optreden tijdens de heiligdomsvaart. Ze herhaalde het een aantal malen: mij sneed het door de ziel, maar ik ben misschien een beetje bevooroordeeld.Volgens mij mag de organisatie van de vaart juist blij zijn dat deze groep überhaupt kwam opdagen. Wat was het thema ook maar weer?

Ik heb het programma er even bij gepakt. Kan het zijn dat de besloten ‘Rijnlandlezing’ in het Provinciehuis wat uitgelopen is doordat Jaime de Bourbon de Parme, tot voor kort Nederlands vertegenwoordiger bij de Heilige Stoel zo’n geïnspireerd spreker is? Of dat de borrel daarna zoveel interessante netwerkcontacten opleverde dat de eetafspraken gewijzigd werden en dat de belangrijkste vertegenwoordigers van de heiligdomsvaart de voorstelling niet helemaal konden meemaken? Het celebreren van de hoogmis na de lezing werd door andere prelaten gedaan, zag ik op de lijst. Je kunt niet overal tegelijk zijn, ik ben Hermione Granger niet en dat geldt ook voor priesters, dus te snelle conclusie mag je niet trekken. Vermoedelijk zal het Rijnlandse gezelschap wel na de borrel naar de mis zijn gegaan en daarna zoals het hoort zijn gaan souperen. Maar er moest toch echt iemand nog even omzien naar wat er in de Lambertus gebeurde, dus  verlieten twee priesters na de communie snel de Servaas om nog voor het eind van de voorstelling in de Lambertus te zijn. Bergje op in gestrekte draf. Enfin, hier maar geen woorden aan vuil maken verder, maar ik moet het wel even kwijt.

Terug naar het toneelstuk dat dus gespeeld wordt door begaafde ervaringsdeskundigen en bekeken werd door mensen die op een of andere manier weten dat er een andere parallelle wereld in Nederland is en door lotgenoten of bijna- lotgenoten van de acteurs. Ik voel mij geen lotgenote van deze mensen, maar heb wel meegemaakt, twee keer in mijn leven, dat de grenslijn tussen de armoedeval en het enigszins kunnen doorgaan op een acceptabel bereikt niveau na (te) hard studeren en werken angstwekkend dun is. Ik heb het geluk gehad terug te kunnen vallen op de welvaartsstaat die Nederland zelfs nog iets meer dan tien jaar geleden was en op naasten die nog meer de schouders eronder gingen zetten om ‘het schip drijvend te houden’. Maar hoe moet dat nu met het ‘sous-prolétariat’ na veel te lang neoliberaal beleid anno nu? Het antwoord bleef ook in deze voorstelling uit. Drie acteurs zetten echte zoons neer uit de rijke familie Van Saeftinghe en een bastaardzoon die gedrieën hengelden naar de erfenis van hun vader die zij dachten te begraven, maar die ondertussen vanuit een rolstoel het gezinsdrama gade sloeg. Elsje, zijn secretaresse en moeder van de zoons probeerde het inhalige tuig nog wat bij te sturen, maar daar trapten de jongens na veertig jaar niet meer in. Ook zij hield zich vooral bezig met het eigen leed dat zij tijdens haar huwelijk zelf verzameld had. Norbert Jan, de pater familias, die dus helemaal niet overleden was probeerde wel een oplossing te bedenken voor de kanslozen die hij ontmoet had op het eind van zijn leven. Hij had de begraafplaats gekocht en gaf  twee mannen die verder wilden komen een vast contract om te kunnen blijven werken. De verwikkelingen en de scenes zijn natuurlijk te veel om op te noemen. Sofie zette Elsje aan het eind maar eens onder de douche (achter het toneel hoor) want zij wist uit ervaring hoe troostrijk dat kan zijn, als je weer niet op tijd geld gekregen hebt van de schuldhulpverlening, totdat de waterleidingmaatschappij natuurlijk de kraan dichtdraait. Dan houdt ook dat op. Eén van de gecontracteerden vroeg zich nog af of het papier wel ‘echt’ was. Het was een jongen die aandoenlijk op het toneel stond en keihard zijn best deed om op de goede momenten zijn tekst op te zeggen. En wat deed hij dat goed, net als Sofie die maar een keer een woord vergaat in de lange teksten. Aan het eind van de voorstelling gaf Miquel zich weer over aan de schepping: hij was zonder meer de ster van de avond, maar uiteindelijk ook niet meer dan een klein onderdeeltje in het heelal.

Omzieners_0979_JochemJurgens_web-1024x681

Nabeschouwing

Na afloop had ik best langer willen blijven om de iets te schrijven in het boek, maar even wist ik niet of er zinnen uit de pen zouden vloeien. Ook had ik met de mensen willen praten over hun rol, hun spel en hun missie, maar ook dat deed ik niet. Ik heb nog wel een paar woorden kunnen wisselen met de spreekstal-meesteres: de mensen kwamen uit heel Nederland, één van hen was helaas ziek geworden onverwacht en moest vervangen worden door ik dacht dat zij zei de auteur en schrijver van het stuk. Maar ze moest nu zelf snel invallen, want alle mensen verlieten de kerk. Gelukkig wel met achterlaten van een geldelijke gift. Voor straf heb ik méér gegeven dan ik betaald heb voor de voorstelling van de Messiah, waarvan ik de prijs eigenlijk wel erg hoog vond voor de abominabel slechte zitplaats.

Waarom bleef ik niet en anderen met mij? Ik was gewoon boos: op mijn eigen bevoorrechte positie en die van de overige toeschouwers die in de gelegenheid waren dit stuk te zien (de toegang was overigens wel gratis). Wat hadden deze mensen op het toneel minder dan ik? Niets, in het verkeerde nest geboren? Hoeft niet persé. Het gaat erom wat de anderen (wij dus) wel hebben: de overvloed aan kansen die wij  krijgen en die alleen maar meer lijken te worden in verhouding met hen die minder hadden en nog minder krijgen. Maar ik wil het tenminste zien en ondergaan en nadenken over oplossingen en vooral maar voortdurend blijven hameren op belang van dat BASISINKOMEN.  En misschien mij zelfs gaan inzetten als vrijwilliger (als dat proefschrift eindelijk klaar is), maar ik schijn sociaal niet zo vaardig te zijn. Maar hoe zit het met de mensen die niet zijn komen kijken: die VVD’er uit het schrijfgroepje voor kankerpitten van twee jaar geleden. Die zo goed weet hoe hij andere mensen de maat moet nemen als schoolinspecteur omdat zijn opa in de mijnen gewerkt heeft? Voor mij is hij het portret geworden van de nepotistisch ingestelde neoliberale elite die over mensen beslist zonder enig empatische intelligentie. Ik krijg er de kriebels van.

En hoe opereert de kerk hier eigenlijk in? In gedachten probeer ik mij te verplaatsen naar honderd jaar geleden en de heiligdomsvaart uit die dagen voor ogen te krijgen: inhoudelijk zal daar niet eens zo veel verschil in zitten. De vertegenwoordigers van de S. Jan zullen dan zeker niet meegelopen hebben met verstandelijk beperkte mensen (ik snap nou wel waarom de S. Jan dit tegengas gaf). Maar dat kon wel eens het enige verschil zijn in essentie. De aandacht voor de culturele en historische aspecten zal niet veel anders zijn geweest. Ook in die jaren nadruk op de vroegste kerstening van het gebied (komt morgen aan de orde), de culturele en vooral muzikale rijkdom die de kerk heeft voortgebracht (gisteren met de Messiah van Händel in een notendop) en het benadrukken van de alliantie tussen het Vaticaan, het koningshuis,  het provinciebestuur en de elite van Maastricht in de Rijnland-lezing. Het enige verschil is dat het arbeidersproletariaat door Leo X ontdekt en gemobiliseerd niet meedeed in de verschijning van grote groepen bruidjes, verkenners en schoolklassen. Is dat er niet in Maastricht e.o., een proletariaat? Ja natuurlijk wel, méér dan in de rest van het land, maar de katholieke kerk kijkt niet meer naar hen om. Het lijkt wel of dit instituut in Nederland telkens wegkijkt als de boodschap van Christus echt in de praktijk gebracht moet worden en juist de vorming van deze onderklasse bevordert samen met de culturele en bestuurlijke elite. Wij hebben inmiddels door goed historisch onderzoek geleerd dat de kerk nooit naar deze groep omgekeken heeft. Dat ook achterin de kerken in de middeleeuwen niet de allerarmsten zaten. Die kwamen niet eens in de buurt van een kerk, die echter dit imago sinds de 19e eeuw wel hoog houdt. Wie zorgt er dan wel voor die  absoluut kanslozen. Daarvoor moet je bij het Leger des Heils in de praktijk zijn en de Vierde Wereldbeweging, waartoe deze groep toneelspelers behoort, die de cultuur wil inzetten tegen armoede in theorie (maar dat laatste weet ik nog niet zeker dat wil ik nog eens gaan onderzoek). Alle (ex) priesters en priesterstudenten zouden misschien eens een tijdje volontair moeten worden bij deze beweging: dat kan dicht bij huis al. In Zuid-Limburg of ze zouden eens bij het Leger des Heils moeten gaan kijken, soep uit delen in de winter onder de Noorderbrug. Misschien een thema voor de volgende heiligdomsvaart: armoedebestrijding in de praktijk. Na nog weer zeven jaar neoliberalisme bijna niet te missen.

Naschrift

De organisatoren en priesters hebben het tijdens deze tien dagen ongelofelijk druk en ook de periode ervóór zal niet rustig geweest zijn en daarna gaat het leven ook weer door in het normale tempo dat iedereen verwacht. Natuurlijk is een toneelstuk in het culturele nevenprogramma van de vaart niet het belangrijkste en is armenzorg in de kerk binnen een parochie geregeld of door kloosterorden daarbuiten. Als je een rijke parochie hebt, heb je nu eenmaal minder werk te doen in die sfeer. Snap ik. Maar het is zo jammer dat bij een Messiah wèl vertegenwoordigers van stad en kerk aanwezig zijn en bij dit toneelstuk niet. Juist dit onderwerp. Misschien toch voor de volgende keer een soort draaiboek maken, wie waar bij is? Kijk bij een rondleiding door een hele deskundige Maastricht-kenner als Jacques v.d. Boogaart, hele boeiende tour door de stad gemaakt, hoeft dat natuurlijk niet. Maar goed, stoom afblazen was toch echt wel even nodig.

juni 2018

Van 130 Maastrichtse missionarissen

IMG_2195 (2)Van jongsaf aan had ik iets met de missie: ik had een fotoboekje over Bram die naar het seminarie wilde en misschien wel missionaris kon worden als hij goed zijn best deed en twee grotere fotoboeken, ter grootte van een Verkadealbum waar ik al evenzeer verliefd op was, van een meisje op Tahiti en één ergens in de binnenlanden van Afrika. Ik zag hoe ze eruit zagen als ze dansten en in hun hut aan het werk waren of als ze op witte plastic sandalen naar school liepen. Hele mooie foto’s uit de jaren vijftig die in mijn herinnering minder van wit superioriteitsgevoel zinderden dan wij nu beweren. Althans ik zag het niet: ik beschouwde de hoofdpersonen als gelijken en liep met hen mee naar school, danste samen met hen en at mee uit de grote ronde houten schaal. Maar ik was nog jong hoor, een jaar of zes, zeven.

joseph archief utrecht (56)

Later had ik in de buurt protestantse vriendinnetjes die steevast op de vraag ‘Wat wil je later worden?’ antwoordden dat zij voor de zending wilden gaan werken. Dat was er niet één, nee van zeker vier meisjes kan ik mij nog herinneren dat zij dat als toekomstbeeld zagen en zeker de hele lagere schooltijd lang: ik ging in 1974 naar de middelbare school. Thuis aan tafel informeerde ik eens of ik ook in de zending zou kunnen werken. Nee, dat was iets voor protestanten. Katholieken moesten intreden in een kloosterorde en daar moest je zeker niet aan beginnen tenzij er niets anders opzat. Mijn moeder keek wat moeilijk toen ze die laatste woorden uitsprak. Mijn grootmoeder is altijd heel fier geweest op het feit dat niemand van haar kinderen hoefde in te treden. Ze konden gewoon in de burgermaatschappij hun weg afleggen. Dat was óók roeping blijkbaar, misschien wel een veel grotere.

joseph archief utrecht (79)

Tijdens een kunstenaarsretraite in het klooster Steyl in 2005 kwam ik in aanraking met de missieorde SVD van Arnold Jansen,  zowel de mannen- als de vrouwenorde. De kerk bestaande uit twee verdiepingen maakte indruk op mij. De eerste verdieping was de kapel en op de pijlers stonden de namen van de werelddelen waar de missionarissen naar toe werden gezonden. Het was een neogotisch interieur en voor het eerst liet ik deze stijl eens goed op mij inwerken. In het nabij gelegen museum waren de relicten van turbulente missionaris-levens ten toon gesteld en daar heb ik met genoegen rondgelopen. Tijdens deze retraite kreeg ik bevestiging van een echte dichter van mijn schrijfseltjes tijdens een workshop. Ze was blind maar veerde op bij mijn voordracht en verzekerde mij nog méér te gaan schrijven dan ik al deed. Dat gaf en geeft mij nog steeds moed. Gewoon doorschrijven dus: op zekere leeftijd moet je het van die kleine bemoedigingen hebben.

joseph archief utrecht (90)

De heiligdomsvaart anno nu bood de gelegenheid om een voordracht te volgen van een missionaris en zonder al te veel hinder van voorkennis ben ik maar eens in de kanunikkenkelder gaan zitten, heb ik een heerlijke abrikozenvlaaipunt gegeten, twee lekkere kopjes koffie gedronken en op mijn gemak meerdere inleidingen aangehoord. Ik had natuurlijk wel gegoogled op de naam van de spreker Nico Distèr en kwam aardige informatie tegen, die ik echter niet opgeslagen had, want ja tot op het laatste moment twijfelde ik nog of ik wel naar die bijeenkomst zou gaan. Al meer dan tien jaar houd ik bij Maastrichtse aangelegenheden de vluchtroute open, zodat ik ongezien weg kan komen. Je weet maar nooit welke gemeenteambtenaar of bestuurder je nu weer tegen het lijf loopt. Maar het zag er allemaal heel gemoedelijk uit en dat bleef het uiteindelijk ook tot het eind.

joseph archief utrecht (95)

 

De missionaris, die natuurlijk geld nodig had voor zijn project vertelde een mooi en integer verhaal en voor het eerst had ik weer het gevoel dat het allemaal wel mee valt met dat witte superioriteitsgevoel. Hier stond gewoon iemand te praten over wat hem echt drijft en probeert mensen te inspireren in zijn idealen te geloven. En die idealen zijn anno nu helemaal niet slecht: je kunt je afvragen of ze anno kolonisatieverleden wel zo integer waren, want laten wij eerlijk zijn onze voorouders werden niet uitgenodigd om het christendom te brengen en de beschaving op te leggen (welke beschaving?). Maar gezien de huidige situatie is het niets meer dan ontwikkelingshulp en ja wel binnen het stramien van de franciscaanse rite, maar in weerwil van despotische regimes. Het is maar waar je voorkeur naar uitgaat.

joseph archief utrecht (101)

Tijdens mijn intensieve studie de afgelopen jaren heb ik het proefschrift van Eric Sengers gelezen over de deviantie-theorie en godsdienst. Daaruit wordt pijnlijk duidelijk dat de missie-gedachte niet zomaar een god- of menslievende instelling was, maar eerst en vooral een middel om te overleven. Want het aantal katholieke gelovigen liep al van c. 1920 terug naar het dieptepunt van anno nu. Hierbij wel goed noteren dat dit ook voor de protestantse kerken gold en geldt, die zeker in Nederland met hun zending de kolonisator konden volgen. Er waren immers drie keer zo veel protestantse kerken in de Nederlandse kolonieën dan katholieke. Niettemin was en is er zeker veel af te dingen op de noodzaak tot evangeliseren vanuit Europa en Amerika. Maar missionering vindt in ieder geval vanuit Europa nauwelijks nog plaats, nu komen de onderzoekers en de registratoren van dat verleden aan de beurt. En daar was ik al enigszins mee begonnen door de aanleiding tot de missie in de negentiende eeuw te bestuderen en de manier waarop de kerken werden geplant en ingericht en daarover een artikel te schrijven dat echt gepubliceerd werd in een peerreviewed tijdschrift. In Polen, maar in het Engels. Eerlijk gezegd mijn enige tastbare wapenfeit van de afgelopen jaren. Dit artikel staat op deze site overigens.

joseph archief utrecht (48)

De missionering anno nu in Nederland zelf, kwam ook aan de orde bij monde van een indrukwekkend Nederlands sprekende Venezolaan. Oprecht, gedreven en weliswaar erg overtuigd van zijn geloof, maar wel openstaand voor andere meningen. Eigenlijk vind ik de kerk nu pas weer interessant worden met die missionarissen uit verre landen, met hun andere verschijning en taalgebruik en vooral hun energie. Van hen kun je echt wat leren over hoe het hier in Nederland gaat en niet alleen op geloofsterrein. Ik vind het een verrijking in alle opzichten. Lang leve de ontkerkelijking.

Rest alleen nog het missie-verleden goed te documenteren en te vertellen. Veel missionarissen uit de omgeving van Maastricht, Luik en Tongeren bijvoorbeeld zijn gestorven tijdens hun missie. Van hen weten wij helemaal niet veel, ook niet van de 130 missionarissen uit Maastricht over wie Nico vertelde (welke periode en welke orde eigenlijk?). Het zou toch mooi zijn het verhaal van het leven van deze mensen vast te leggen en te delen met onze kinderen en kleinkinderen en te laten zien dat misschien de kerk als instituut wel een veel te groot superioriteitsgevoel had en heeft, maar dat het de missionarissen en missiezusters waren die het – vuile-  werk moesten doen en nu ook maar moeten zien het te redden met wat er over gebleven is. Een missie waarvoor misschien te veel jonge mensen zonder al te veel perspectief werden geronseld.

Afbeelding1

‘in zulke ogenblikken begrijp je iets van de verlatenheid van christus op het kruishout

Illustratie uit themanummer ‘Honderd jaar Kromstaf’ KI van 1953

De overige illustraties zijn afkomstig uit het archief van de Josephkerk in Utrecht, nu in bewerking bij het Utrechts Archief (geen toestemming gevraagd)

mei 2018

Een Riddergebed en de Zwarte Christus uit Wyck

DSC_9811 (2)

 

De vrijdag, de eerste volle officiële dag van de pelgrimage kent een interessant programma dat met de Lauden begint. Om tien uur. Zoals elke dag van de komende tien dagen met de Lauden begint. Deze worden gezongen bij zonsopkomst. Ooit kende ik het hele rijtje uit mijn hoofd met de uren waarop zij gezongen moesten worden, van de metten tot de completen. Deze kennis hoorde bij de bagage die ik meekreeg bij het vak middeleeuwse kerkgeschiedenis aan de archiefschool. Een ander onderdeel waren de kloosterorden met hun stichters, kledij en belangrijkste kloosters. Hoewel ik de dag na het geslaagde examen na het vele leren in een tentje ontspannen op mijn rug kon liggen in Italïe in de buurt van een belangrijk klooster kreeg ik toch plotseling een soort zenuwinzinking omdat ik niet meer wist van welke orde deze was. Maar ik ben toch heel erg blij geweest deze kennis zomaar voorgeschoteld te hebben gekregen, met zoveel andere kennis die deze opleiding bood, die ik eigenlijk reken tot de enige echte scholing die ik ooit gehad heb. Misschien omdat ik er toch wat harder voor moest werken.

Het mooie liturgieboekje geeft de teksten weer die gezongen moeten worden en van enkele teksten sta ik toch wel te kijken. De agressieve en gewelddadige taal zouden een IS-strijder niet misstaan. Het intrigeert mij wel, die tekst en ik wil het origineel er nog wel eens bij gaan nemen, net als van het verhaal over de Samaritaanse vrouw. Ben benieuwd wat een bijbel uit c. 1850 precies vertelt in deze passage.

De lauden werden gevolgd door een eucharistieviering met de ridders en edelvrouwen van het Heilig Graf in Jeruzalem. Ik heb nu geen zin hier het historische exposé weer te geven dat ik geschreven heb over de verering van het Heilig Graf naar aanleiding van een paar werken van Mengelberg, maar illustratief is wel dat de onderscheiding die bij deze Orde hoorde de laatste was die in de 19e eeuw ingesteld werd en dat rondom de kopieën van Heilige Graven in vooral Duitsland tijdens de lijdenstijd heftige passiespelen worden georganiseerd. Ik heb inmiddels de voorbeelden van deze graven hier in het Zuiden, waar ze ook voor komen maar eens op een rijtje gezet voor een inhoudelijk blog t.z.t.

In ieder geval was de stoet van ridders en edelvrouwen bescheiden van omvang. De witte mantels waren niet van echt mooie stof gemaakt en de fluwelen mutsen volgens mij ook niet. De voorste ridder droeg het karakteristieke houten kruis met de vier kleine kruisjes als verbeelding van de vijf wonden van Christus. Het embleem was ook de op de mantel genaaid. De dames droegen zwart met een kanten doek over hun hoofd. Het gezelschap moest die dag nog een keer optreden in een processie en in een bidstonde bij de noodkist. Ik had tijdens het schrijven van mijn stukje voor mijn vermoedelijk nooit te verschijnen proefschrift al eens intensief gegoogled naar dit gezelschap. Het is een elite zonder meer, maar daar zijn er meer van Nederland. De enige die ik persoonlijk eens ontmoet heb is nu commissaris van de koningin in Friesland en geloof ook de jongste van het gezelschap. Ik vond dat wel een ontdekking. Indertijd leerde ik dat Friezen alleen voor God knielen en niet voor de paus….

Behalve het riddergebed dat uitgesproken werd, werd ook het gebed voor Servaas opgelezen en het Servaaslied gezongen. Dat laatste is een erg vrolijk deuntje dat voor een Hollander toch wel wat carnavalesk aandoet, als het niet zo van een roerende devotie was en eerlijk gezegd deed het mij best wel wat. Ik heb bijna nergens zo lang gewoond als in Maastricht. Ik had helaas geen boekje waarin de tekst van het riddergebed stond, misschien had niemand dat. Maar ik ben het na afloop gaan opvragen bij het organisatiebureau. Een mevrouw kopieerde onmiddelijk de tekst voor mij. Heel aardig, maar daardoor weet ik niet of het ook gepubliceerd mag worden natuurlijk. Dus ik houd die tekst maar even onder mij. Wat mij wel opviel dat het op geen enkele manier nog lijkt op de originele intenties van de 19e eeuwse ridders. Ook hier zou de originele tekst nog heel wat aardige inzichten kunnen opleveren. Er wordt verwezen naar de vijf wonden van Christus, maar dat is al heel oud. Verder is het een opsomming van een levenswijze die iedereen wel zou willen voeren en dan speciaal het leven zonder lafheid. Even komt de oude bedoeling terug wanneer de ridder zijn idealen moet voorleven onder de ongelovigen (niet de heidenen). En dat zijn nu eenmaal vanouds de moslims en de joden.

DSC_9823 (2)

Om 19.00 uur was er een ommegang van de vier devoties uit de stad die hun ‘topstukken’ naar de Servaas brachten samen met de kaarsen die later plechtig voor het altaar zouden worden neergezet. Dit was een veel fotogenieker en toegankelijker gebeuren en daarbij is het fotograferen tijdens missen toch niet helemaal mijn ding. Ik was vooral heel nieuwsgierig hoe de Zwarte Christus uit Wyck zou werken in een processie en ik moet zeggen dat ik niet teleurgesteld was. De samenkomst na afloop was een zgn. Taizé-viering, maar dat kwam niet helemaal uit de verf geloof ik, behalve dat er geen eucharistie gevierd werd en één Taizé-lied gezongen werd. Dat ontbreken van de H. Communie vond ik wel fijn; ik had mijn deel al gehad die ochtend en was al aan het nadenken hoe ik onder een tweede uit zou kunnen komen. Mijn laatste communie heb ik twee jaar geleden gehad toen ik eigenlijk alleen naar de kerk kwam om de opvoering van een nieuwe mis aan te horen tijdens het festival ‘Musica sacra’. Een mis die eigenlijk een beetje tegenviel.

Ik vind het communiegaan zelf niet het meest inspirerende van een mis; dit offerritueel dat volgens mij toch te veel nadruk gekregen heeft sinds de 19e eeuw en niet overeenkomt met de eigenlijke bedoeling van de eerste christenen om de verrijzenis van de zoon van God te vieren met een gezamenlijke maaltijd benadrukt te veel het lijden van Christus en de nederigheid die je zelf moet opbrengen als dank voor dit lijden. Daarbij is het als je er langer bij stilstaat een ritueel dat heidens geïnspireerd is. Ik hou zelf van een meer abstracte of literaire geloofsbeleving, zoals de joden dat bijvoorbeeld hebben moeten ontwikkeling na de definitieve vernieting van hun tempel in 70 n. C.

Wat mij betreft mogen al die corpussen en kruiswegen dus wel uit de kerk gehaald worden, zeker de triomfkruizen. Al ben ik stiekem wel een liefhebber van de via dolorosa, maar dan buiten, rondkom een kapel of misschien in een kloostergang.

DSC_9848 (2)

Ook bij deze gelegenheid viel mij de kwaliteit van de muziek en zang op als heel erg goed en mooi. Natuurlijk gaat het om het geloof en de devotie, maar wat is het fijn als daar ook een mooie uitvoering aan gegeven kan worden. De Lauden van de ochtend werden gezongen door één man met een prachtige stem. Een half uur lang. Ik had er niet aan moeten denken als daar iemand had gestaan die niet kon zingen, dan was ik de kerk wel uitgegaan voor hij uitgezongen was.

DSC_9852 (2)

Jammer was de voorganger die meende te moeten opmerken dat de kerken op zondagen zo leeg waren en met deze mis en met kerstmis juist weer bomvol. Dat weten wij nou wel en je verandert er toch niets aan. Natuurlijk snakt iedereen wel naar een mooie voorstelling met de Kerstnacht gedurende een feest dat inmiddels bijna drie dagen lang moet duren. Daarbij een beetje creatiever en minder passiever met het misschema omgaan door het jaar heen kan toch ook geen kwaad. Je kunt toch van te voren peilen wie er wil komen en of het zin heeft een mis door te laten gaan. Het ‘non possumus’ van de kerk komt ook werkelijk op alle terreinen voor die je je maar kunt bedenken, internet is er één van.

DSC_9859 (2)

En dan dat collecteren. Ik weet het niet. Natuurlijk kost alles geld en heeft ook de kerk dit slijk der aarde hard nodig. Maar het voelt toch als een soort ‘deconfiture’ om dit tijdens de mis te doen. Er wordt meestal gecollecteerd tijdens de voorbereidingen van de eucharistie, maar zelf vind ik die volkszang dan toch veel aardiger die zo’n moment zou kunnen opvullen en zou mij liever daarop willen concentreren dan op het moment waarop het rieten bakje onder mijn neus wordt geduwd. En het is ook zo genant om weer in je portemonnee te moeten zien dat die twee euro-munt verdwenen is en dat je alleen heel veel kleingeld hebt en dat de collectant altijd kan zien wat je in het bakje stopt. Gebruiken de protestanten daarom van die diepe zakken misschien met zo’n handige lange steel? Het collecteren na afloop van een bijeenkomst vind ik toch veel prettiger of gewoon een collectebus neerzetten kan toch ook?

 

DSC_9863 (2)

En dan dat gedoe met die liturgieboekjes. Als je, net zoals ik door de verkeerde deur naar binnenstapt dan mis je zomaar het uitdeelpunt van die boekjes. Tijdens de Lauden die ochtend was er nog een assistent die mensen zonder boekjes er een gaf maar in een bomvolle kerk doe je dat niet. En tsja, die participatie van vrouwen valt toch eigenlijk ook wel erg tegen als je de foto’s zo bekijkt. Alleen de misdienaartjes waren allemaal meisjes met lange haren en er liepen zelfs drie bruidjes mee. Wie de jeugd heeft…… maar die bruidjes hoeven toch echt niet, al zijn ze heel schattig. Ik besef eens te meer dat ik hier helemaal niets over te zeggen mag hebben: ik ben een buitenstaander als het om een groot deel van deze devotie gaat.

DSC_9817 (2)

DSC_9867 (2)

DSC_9868 (2)

DSC_9871 (2)

DSC_9881 (2)

DSC_9883 (2)

mei 2018

Bij het ‘putje van S. Servaas’ en over het fotograferen van mensen: 55e heiligdomsvaart

DSC_3363

DSC_3382 (2)

DSC_3387 (3)

DSC_3399 (2)

 

DSC_3393 (3)

DSC_3402 (2)

DSC_3403 (2)

 

Toelichtende woorden zijn toch niet nodig om uit te leggen dat deze foto’s geen beeld geven van de hele heiligdomsvaart? Dit was slechts de openingsceremonie die plaats vond bij het putje van S. Servaas in het Jekerdal om 16.00 uur. Ik was er ruim op tijd naar toegegaan, voorzien van een stevige regencape en een paraplu. Code oranje was afgegeven en in de verte waren al behoorlijke donkere wolken te zien. De organisatoren hadden uit voorzorg de speakers in plastic verpakt en ook de buste van Servaas had een regenkap gekregen. Deze werd na het plechtig binnendragen er af gehaald, want als er tien druppels gevallen zijn, dan is dat veel. Ik heb netjes gewacht aan het begin van het terrein, nog niet achter de heg, ‘de plaats voor de heidenen’. Dat hoeft nu ook weer niet. Er voegden zich wel geteld twee hele vage bekenden onder de afzijdige omstanders, van wie de meesten toch wel op enig moment een kruisje sloegen of binnesmonds meezongen.

De viering werd gadegeslagen door de bewoners van het nieuwe, naastgelegen pand vanaf een terras op de eerste verdieping. Onder hen bevond zich een mevrouw in een crème-kleurige palazzobroek bijgestaan door een wisselend gezelschap in- en uitlopende heren. Het is jammer dat dit pand daar gebouwd is: het doorbreekt de magie van het putje als grens van de stad, van de bebouwing. Was er geen plek aan de andere kant van het putje?

Waren de bewoners van het naastgelegen huis toeschouwerd van een toneelvoorstelling, alle andere aanwezigen hadden vermoedelijk toch wel een band of een link met het opgevoerde wijdingsspel. De stoelen waren bestemd voor door de wol geverfde gelovigen, die een aandeel hadden in de totstandkoming van het evenement of dicht bij mensen stonden die dat hadden. Het koor, dat echt mooi zong en de koperblazers van wie er één bijzonder mooi speelde. Op zo’n moment realiseer je je hoe belangrijk de kwaliteit van muziek is bij het serieus nemen van zo’n religieuze belevenis. Ik verbaas mij er steeds weer over hoe religie aan kunst in brede zin op een hoger niveau kan tillen, zowel inhoudelijk als in uitvoering. Maar dat zegt misschien weer iets over mij, die nu eenmaal graag betekenis in kunst wil zin en geen dollartekens in de ogen heeft.

Ieder had een rol in het geheel en voerde deze goed en vol overtuiging uit. Van de voorgangers tot de gastvrouw, van de koristen tot de leden van het gilde en de diakenen tot de dragers van de buste. Iemand zonder katholiek verleden zou hierin een mooi teamspel kunnen zien. Ik niet: ik zag de tweedeling, die tussen meesters en knechten, die de geschiedenis van katholieke kerk zo kenmerkt en die nog steeds bestaat. Ik zag ook het onderscheid in de rangen en standen van de aanwezigen, die verder gaat dan alleen kleding. Een standsbewustzijn die in de 19e eeuw zo nadrukkelijk in het leven geroepen werd door de kerk en die tot uiting komt in de toewijzing van de parochiekerk, de plaats in de kerk die je je kunt verloven en de egards of het ontbreken daarvan waarmee je bejegend wordt. Ik ken de verhalen maar al te goed uit overlevering en uit eigen ervaring al denk ik wel dat het heel anders is als je in een geheel katholieke gemeenschap leeft, in plaats van in een omgeving waarin katholieken de minderheid vormen.

Geheel in lijn van de verwachting sprak de voorganger over de ontmoeting van Jezus bij de bron met de Samaritaanse vrouw: een afbeelding die bijzonder vaak voorkomt op altaren uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Zet je een andere bril op dan kun je van alles gaan fantaseren bij deze scene. Maar in dit geval ging het om omgaan met elkaar op basis van gelijkheid, zonder vooringenomenheid of discriminatie. Het sprak mij wel aan, vooral toen nadrukkelijk gewezen werd op roddel en achterklap die gemeenschappen eigen is en die volgens mensen die er voor doorgeleerd hebben, psychologen, de smeerolie voor het groepsgevoel is.

‘Doe goed en zie niet om’ is het motto van deze pelgrimage die tien dagen duurt. Maar misschien nog meer ‘Doe goed en praat er niet teveel over’.

DSC_3405 (2)

 

Over het fotograferen van mensen: een aantal aanwezigen was er qq. Zij waren van de pers en waren herkenbaar aan een perskaart om de nek, een camera of imponerende fototoestellen op de borst. Zij liepen zelfbewust en zonder gène door het publiek heen maakten foto’s, doken op interessante handelingen en maakten plaatjes van de fotogenieke momenten. Ik zelf durf geen foto’s van mensen te maken: heb dat nooit gedurfd. Dat komt ook omdat ik zelf ab-so-luut niet gefotografeerd wil worden. Aan mijn spiegelbeeld kan ik nog snel voorbijgaan, maar aan een foto niet. Die blijft. Maar buiten dat, vind ik dat je eigenlijk toestemming moet vragen aan mensen om ze te fotograferen. Maar doe je dat, dan kun je geen onopgesmukte foto’s nemen. Neem nou die ‘heiden’ die met zijn pet op van het schouwspel wegkijkt. Had ik hem gevraagd te mogen fotograferen dan had hij er nooit zo bijgestaan. En dat geldt voor alle andere mensen op de foto’s. Het is de eerste keer dat ik zoveel mensen gefotografeerd heb en deze foto’s ook laat zien in mijn blog. Ik ken hen niet. Als ik hen op straat tegenkom, dan wel. Ik heb nog steeds een betrekkelijk goed visueel geheugen, al is dat na de crash in de jaren negentig heel wat minder geworden. Ik hoop dat niemand mij iets kwalijk neemt. Je hebt nu eenmaal hoofdrolspelers en figuranten.

mei 2018