Liefde in tijden van Corona 16: het gevecht van de ander met zichzelf

Telkens als ik wéér onder mijn steen vandaan kruip, confronteer ik mijzelf met de ander. In de permanente staat van depersonalisatie waarin ik sinds 1997 verkeer, blijft het een uitdaging om die confrontatie zonder kleerscheuren te overleven. Eén ding is zeker en dat wist ik van begin af aan: het ligt niet aan de ander. Een hoogstnoodzakelijke hobbel die ik nog moet nemen is mijn kinderen uitleggen hoe het is om op te voeden in een dergelijke staat van ontbinding, waarin ontspanning niet bestaat en genieten iets uit een vorig leven is. Stilletjes hoop ik dat zij zelf tot dat inzicht komen en dat wij er niet uitgebreid voor hoeven te gaan zitten.

Ik kon het overigens wel hoor: ontspannen en genieten. Heel goed zelfs, maar dat is lang, heel lang geleden. Ik verbeeld mij dat de laatste tijd dit levensgenot weer een heel klein beetje terugkeert: dat was net voor de corona- crisis. Dat is de doem die over mijn leven hangt: net wanneer ik een doorstart kan maken met een onderzoek, wordt mijn moeder opgenomen en breken er tijden van mantelzorg aan (die ik overigens niet had willen missen en naar eer en geweten heb ingevuld); net wanneer ik een beetje goed op weg ben met mijn proefschrift, krijg ik borstkanker; net wanneer ik een nieuwe professionele uitdaging aan mag gaan, stort het dagelijks leven van mijn dierbaren en dus van mijzelf in doordat wij volkomen haaks op onze sociale omgeving blijken te staan; net wanneer ik weer een beetje het bestaan op de rails heb na een verhuizing, blijken de fundamenten van mijn huis verrot te zijn en verliest geliefde zijn baan; net wanneer ik mijn tweede kind gekregen heb, vindt de voorganger van het UWV het tijd om een full- time baan te accepteren aan het andere eind van het land en net na de geboorte van mijn eerste, vanzelfsprekend al een aardbeving voor een mens als ik, stort het leven pas echt in doordat de allernoodzakelijkste broodwinning weggeroofd wordt na een karaktermoord. Blijf dan maar eens één heel persoon, ook al is het gewoon het leven dat ik meemaak natuurlijk. Hoe doen anderen dat toch?

De ander kom ik nu door de lock- down en de zelf opgelegde quarantaine alleen tegen in de kranten, tijdschriften en tv- uitzendingen en ik verbaas mij eindeloos. Hoe kan het mogelijk zijn dat in één nieuwsuitzending mensen die noodzakelijkerwijs aangewezen zijn op de voedselbank voor het eerst in hun leven en mensen die noodzakelijkerwijs op vakantie moeten samen in één land leven? Terwijl één deel van mijn medebewoners ten onder gaat in een onvermijdelijke financiële crisis, staat een ander deel te springen om zodra het kan wéér een vliegreis te boeken, lees ik in dezelfde krant. De lock- down hoeft maar even intelligent afgeschaald te worden of een deel van Nederland zit in de trein naar Zandvoort. Natuurlijk is het zeker voor gezinnen een moeilijk vooruitzicht om na acht weken thuisonderwijs ook nog eens zes weken zomervakantie cadeau te krijgen, maar om nu zo tussentijds voor het eigen vertier te gaan is toch wat overdreven. Hoe kun je het die kinderen uitleggen? Gisteren mochten wij niet met de trein naar oma, maar vandaag mogen wij allemaal met de trein naar Zandvoort en oma gaan wij vanavond gezellig beeldbellen om dat te vertellen. Zoiets?

De ander komt waarschijnlijk in de zomer massaal naar Zuid- Limburg, want de grenzen blijven gesloten. De eerste tenten, caravans en kampers staan al op de kampeerterreinen met elkaar rakende scheerlijnen en luifels. De vroege ochtenden worden al gevuld met vroege vogels die je nooit eerder in de natuur zag, uitgedost in dure uitrustingen van de Bever met een gezicht dat staat ‘wij genieten nu van ons eigen land in eigen land’. Ik begrijp niet dat mensen die in aanleg niets met natuur hebben nu plotseling massaal de natuur in trekken. Je hoort ze van ver aankomen en ze trekken een spoor van vuil achter zich aan. Even hoopte ik dat de natuur zou opleven, maar dat is ijdele hoop. Ik hou mijn hart vast: de laatste wandelingen brachten geen enkel beest meer in het vizier. Het arme Zuid- Limburg: én geteisterd door het hoogste aantal corona- doden en nu ook door een invasie van de gezond gebleven anderen. 

De ander loopt ook nog niet met mondkapjes op en nu weet ik het ook niet meer wat ik moet doen. Zo’n genot is het nou ook weer niet, zo’n lap voor je smoel. De recente geschiedenis leert dat Nederland niet in staat is mondkapjes te bemachtigen om wat voor reden dan ook. Mij wordt wijs gemaakt dat dit voor alle landen geldt, maar ik geloof dat niet. Weken geleden landde een vliegtuig vol mondkapjes al op Zaventem en bij elk vliegtuig dat nu over ons dak vliegt, zegt geliefde: ‘Daar komen onze mondkapjes.’ Was dat aan het begin van de lock- down nog één vliegtuig per dag, nu zijn het er ongeveer vijftien, Qatar voorop. Soms denk ik dat de rest van de wereld een hele erge hekel aan Hollanders heeft en ons daarom verstoken laat blijven van mondkapjes. ‘Eigen schuld, dikke bult’, hadden wij maar niet zo onaangenaam moeten opereren op Europees en wereldniveau en allerlei mensen tegen de haren in moeten strijken in onze geborneerde zelfverheerlijking. Eigenlijk denk ik dat Nederland de fase van mondkapjes gewoon overslaat: hoezo openbaar vervoer, als je zonder mondkapje in de auto kunt zitten? En 100? Rijdt er op dit moment iemand géén 130 om de virussen te snel af te zijn? Gewoon plankgas naar je werk.

De ander gaat ook zo gauw het kan weer op terrasjes zitten en drankjes bestellen ongeacht de prijs die gerekend gaat worden; in sporttenue naar de sportschool en in hetzelfde tenue weer terug en misschien ook in badpak naar het zwembad en druipend weer terug. De ander gaat ook weer naar de bioscoop, concertzaal en theater en geniet met veel beenruimte van het vertier om in de pauze te dringen voor de wc’s en zelf meegebrachte flessen wijn te ontkurken, omdat de bars gesloten zijn. De musea, bibliotheken en archieven gaan weer van het slot en de ander loopt als herboren door de gebouwen dubbel zo hard te genieten van ons erfgoed dat acht weken lang onbereikbaar was. Liepen de bezoekersaantallen in die instellingen ook al niet dramatisch terug voor de corona? Alleen de top- musea, het algemeen rijksarchief en de KB scoren toch hoog op bezoekersaantallen? 

De ander ligt gelukkig ook op de IC of is overleden aan corona. Door de loslippigheid van artsen en verplegers en het naarstig speuren van onze journalistieke speurhonden weten wij precies wie er doodgaat aan corona: de oudere, obese ander die een verkeerd immuunsysteem heeft en woonachtig is in het zuiden van het land. In een heel pril stadium deelden artsen hun observaties al, dat het vooral ‘appeltjes’ waren die op de ic terechtkwamen; uit de indringende doodsberichten bleek ook dat het geen gemiddelde villa- bewoners waren die sneefden, geen ceo’s die zich per ongeluk nog voor dit jaar een vette bonus hadden toebedeeld of captains of industry die hun bedrijven failliet laten gaan om het eigen geld te redden, maar taxichauffeurs die net voor hun pensioen een zieke naar het ziekenhuis rijden en mensen die iets met de zorg te maken hebben of verzorgd worden, sorry hadden en werden. Helaas zullen wij nooit weten hoeveel mensen aan corona overleden zijn, want de testen zijn, net als de mondkapjes,  in Nederland niet voorradig, zo krijg ik te horen. Ik krijg heel veel te horen en te zien van de ander en over de ander en het lijkt alsof zij allen met zichzelf in gevecht zijn en ik daar deelgenoot van moet worden gemaakt. Wanneer zegt de ander nou gewoon niet dat dit geschiedenislesje ons inzicht moet verschaffen over de onhoudbaarheid van onze samenleving zoals die was en staat die ander niet op om ons te vertellen hoe die samenleving er wel uit zou moeten gaan zien? De ander weet toch ook dat het niet het virus is dat ons ziek maakt, maar de typisch Nederlandse samenleving? Als de ander nou wat meer naar de ander kijkt, dan komen wij er vast wel uit.

 

 

mei 2020