Liefde in tijden van Corona 11: ‘ruzie in ‘t steegje’, tondeuse, de Corona- maaltijd en erehagen

Een klein weekje Corona achter de rug. Het wordt langzaamaan gewoon: elke dag lijkt op de vorige en het zonnige weer vormt een grote tegenstelling met het sombere, onafgebroken sterven in Limburg. Vooral de gemeente Eijsden- Margraten heeft veel doden te betreuren. Het kaartje van het CBS met de overlijdens tot één week terug kan bijna niet dieper blauw. Limburg met het allerhoogste sterftecijfer, naar boven afgerond 2 op 1000. En nog steeds niemand die ik ken zelfs niet via via. Gelukkig maar. Toch kwam er één sterfgeval iets dichterbij, namelijk dat van een pastoor in Noorbeek, René Graat. Ik kende hem niet, heb tijdens mijn onderzoek wel zijn collega’s van Valkenburg en Kohlscheid recentelijk leren kennen en afgaande op zijn portret en beschrijving leek hij mij het prototype van een geweldige dorpspastoor. Net als zijn twee nog levende collega’s, die hopelijk wel de Corona- golf doorstaan en aan wie ik met warmte terugdenk. Misschien dat de vlag halfstok in een naburige straat wel voor deze pastoor was, een Maastrichtse vlag, afgelopen week. Zijn overlijden brengt behalve veel verdriet en een herderloze kudde ook het vraagstuk van de erehagen met zich mee. Mogen er erehagen gevormd worden. Dat was ook de reden waarom ik eens ging zoeken op dit onderwerp en zo de onfortuinlijke pastoor tegenkwam.

Af en toe glijdt er een lijkauto voorbij als ik boodschappen doe en hoor ik kerkklokken luiden op die typische begrafenis- uurtjes op vrijdag en zaterdag. Het is allemaal niet meer dramatisch dan normaal en al helemaal niet zo kitscherig als het luiden van de kerkklokken door het hele land op woensdag. Jongens, hou toch op met dat gebeier: valse romantiek, al denk ik dat elk kritisch geluid in deze het tegendeel zal bewerkstelligen. Ik ben blij dat er vooralsnog geen erehagen gestaan hebben in de buurt waar ik boodschappen moet doen op het moment dat ik ze deed. Ik voel mij er bij voorbaat ongemakkelijk bij en weet inderdaad niet hoe ik die anderhalve meter afstand moet realiseren als ik net wil oversteken, netjes gewacht hebbend tot na de auto, en mij door die haag moet dringen. Maar dat is natuurlijk precies de kern: je hoort niet door een erehaag te gaan, je hoort je te scharen onder de rouwenden en hen en vooral jezelf te steunen. In een dorpsgemeenschap, zoals dat van overleden pastoor kan ik mij dat goed voorstellen. Als buitenstaander krijg je hetzelfde effect als bij een onverwachte ontmoeting met een processie: je keert en gaat ergens anders boodschappen doen, wandelen of anderszins, maar in een nederzetting groter dan een dorp, zoals een provinciehoofdstad vind ik het toch anders. Misschien dat een tussenoplossing mogelijk is: een korte erehaag bij de ingang van het kerkhof of waar de stoet ook begint. Persoonlijk vind ik het apart dat wij wel overal boodschappen kunnen doen, maar niet in de open lucht aan het trottoir zouden mogen staan. Nu zal ik dat laatste nooit doen en het eerste wel. 

Het probleem van de erehagen zal nog wel even blijven liggen, maar een andere gebeuren in het Corona- tijdperk wordt met onverwacht veel elan aangepakt. Dat van de app. Die gaat er komen, maar wat een vreemde toestand. De hoofdgang van de Corona-maaltijd in Nederland is nog niet beëindigd of regerende kornuiten beginnen al aan het toetje. Het voorgerecht, het testen, hadden zij maar gewoonweg overgeslagen omdat er geen tests zouden zijn en omdat er geen richtlijnen gegeven zijn, het hoofdgerecht met de IC- capaciteit hebben de jongens dus nu bijna weggewerkt gelukkig (nog niet verteerd, ‘dat het u wel moge bekomen, heren’), maar de noodzakelijke groenten, de mondkapjes en beschermende kleding hebben ze laten staan, zoals gewoonlijk. Een appje ontwerpen, presenteren, selecteren en financieren: dat is het toetje. Wat leuk: een positieve impuls in deze saaie weken. Wat heerlijk. Misschien moet er even een flinke moeder de vrouw bij de haren erbij gesleept worden, die zegt dat de schatjes pas aan het toetje mogen beginnen, als ze ook de groenten hebben opgegeten en het voorgerecht. Dat krijgen ze pas morgen, opgewarmd en dan overmorgen héél misschien het toetje. Wat een intelligente volgorde in deze lock- down. 

Tijdens deze mooie dagen zitten wij soms voor op de stoep: zoveel mogelijk zonuren benutten en je ziet weer eens wat anders. Zo ook woensdagmiddag met een nevendoel, het wachten op DE TONDEUSE. Geliefde heeft er één besteld en deze zou worden afgeleverd tussen 17.00 en 18.00 uur. Het schijnt noodzakelijk te zijn voor een bepaald type mannenkapsels. Zelf dacht ik dat gel wel een oplossing zou kunnen zijn, maar dat levert weer roos op. Net als het voortdurend handen wassen een ruwheid oplevert, waar je ook niet blij van wordt. Er is dus inmiddels een flinke pot handcrème voor mannen in huis: dat is een unicum. Maar nu dus ook de tondeuse. Ik wacht met angst op het moment dat ik er niet meer onderuit kan om, onder strakke leiding van manlief, met het ding aan de gang te moeten. Ik heb al voorgesteld eerst te oefenen op de poes, die heeft dat geroken en laat zich even niet meer zien. Ik heb uitstel gekregen tot dinsdag, want ik weet zeker dat de kapper nu ook een vitaal beroep geworden is en dat volgende week de kappers weer aan de slag mogen. Trouwens hoe doet onze premier dat en zijn kornuiten? Laten die bij het geheim wekelijks overleg een kapper langs komen? Ik sta met verbazing naar die kuif te kijken. Ik hoop niet dat zij daardoor de vitaliteit van dit beroep onderschatten.

Zou het aan het aangroeiende mannenhaar liggen dat ik de afgelopen week meerdere malen getuige ben geweest van felle woordenwisselingen op straat, midden op de dag? Het begon afgelopen dinsdag met een fietstochtje naar een wat verder weg gelegen supermarkt, toen ik twee handhavers heftig zag discussiëren met iemand die verdacht veel op een obstinate Hollander leek. Een lange man met krullen tegenover twee kleine, gedrongen handhavers, alle drie volledig aangepast aan de anderhalve meter samenleving. (Ik vind het bewapenen van deze mensen géén goed idee) Ook géén idee waar het probleem over ging. Na de boodschapjes, fietste ik nog een rondje door Wyck en stuitte daar op  drie mannen bij een grote bestelbus die een graadje heftiger aan het woorden wisselen waren. De gemoederen liepen hoog op en ik meen zelfs een gebalde vuist gezien te hebben. Ik ben er snel doorheen gefietst. De volgende ochtend bij de trimtoestellen, zeven uur, keek ik geamuseerd toe hoe twee bouwvakkers elkaar de huid vol scholden voor het huis dat zij prachtig opgeknapt hadden. Het is natuurlijk wat te sterk om te stellen dat de spanning in de samenleving onder bepaalde mensen inmiddels hoog oploopt, maar het is toch frappant dat ik in dit gemoedelijke zuiden eigenlijk nog nooit een woordenwisseling ben tegengekomen, behalve één die ik vermoedelijk zelf veroorzaakt heb. Ik heb er nog last van. De uitdrukking ‘ruzie in ‘t steegje’ komt uit het vooroorlogse Utrecht in de omgeving van de Lijnmarkt, waar het er vermoedelijk soms wat steviger aan toe ging. Trouwens vandaag was er bij de kassa in de uitstekende gereguleerde supermarkt een mijnheer die vond dat er te weinig kassa’s open waren en zijn mandje direct leeg kieperde achter een jongmens, dat netjes op zijn beurt had staan wachten. 

Zelf heb ik ook wel een beetje last van iets meer spanning dan normaal. Niet zo erg als twee jaar geleden toen ik wel erg uit mijn slof schoot. Dat was een incident. Maar ik merkte het toen vanochtend tijdens het sjokken een wicht rakelings langs mij heen rende. ‘Kind, afstand houden!’ riep ik uit, en: ‘Hou je corona bij je.’ Dat laatste flapte ik er ongecontroleerd uit en dat is zo helemaal niet ik. Het meisje reageerde gelukkig niet: het was een buitenlandse studente. Gelukkig maar, anders had ik het nog in het Engels moeten vertalen ook.