‘Bosgezichten’ uit de voorjaars-serie 2019

1.

Dolend door het bos,

kom ik

op de weg, die

ik niet gelopen

heb.

2.

In een stil bos

draait de wind

plotseling naar het Noorden.

De dennenbomen

blazen hardvochtig

het koude licht

door het ruisende bos.

3.

Een ree alleen in mei,

in het bos

overleeft de herfst niet.

Losgeraakt van haar kudde,

van haar jong of anderszins.

Een ree alleen in mei,

in het bos

overleeft de herfst niet.

4.

Waarom ben ik niet, waar jij bent boom?

Ik kan je zien, ruiken en

voelen, maar ik

ben niet bij jou in een bos.

Ik ben niet bij mij.

5.

God is natuur, natuur, natuur;

is niet de mens, wreed, wreed, wreed.

Bos is leven, leven, leven;

wreed, wreed, wreed.