Familie De Geer, Inleiding uit de inventaris van het archief van de familie De Geer van Jutphaas (1204) 1295-1977

Louis de Geer van Gaillarmont (1535-1602), burger van de stad Luik, koopman en grootgrondbezitter, vestigde zich in 1596 met zijn gezin in Dordrecht. Het geslacht waaruit hij stamde, woonde reeds in de 14de eeuw in het prinsdom Luik. Vermoedelijk ontleende het zijn naam aan het stamslot Geer, dat gelegen was aan een zijriviertje van de Maas, de Geire of Geere. De naam ‘Van Gaillarmont’ was afkomstig van het bezit Gaillarmont in Chênée. De reden voor de uitwijking naar Dordrecht zou, volgens een nazaat, Louis de Geer van Finspong (1705-1758) geloofsvervolging geweest zijn. Deze nakomeling voegt daaraan nog toe dat Louis de Geer, verborgen in een kist, aan zijn vervolgers zou zijn ontsnapt. (1) Dit verhaal kan echter zonder meer verwezen worden naar het land der fabelen. Breedvelt-Van Veen meent in haar dissertatie dat in Luik de geloofsvervolgingen niet van dien aard geweest zijn, dat emigratie het gevolg was. (2) De redenen waarom Louis de Geer naar de Noordelijke Nederlanden emigreerde zullen vooral gelegen hebben in de onrust in de stad Luik als gevolg van de oproerige ambachten en de militaire operaties die aan het eind van de 16e eeuw in het prinsbisdom plaatsvonden. Daarnaast zal De Geer, na zijn overgang tot het protestantisme, in zijn commerciële activiteiten hinder ondervonden hebben van de bevoorrechting van de katholieken. Het klimaat voor protestantse handelaren, industriëlen en ondernemers was zeker niet gunstig.
Over de geloofsovertuiging en de bekering van Louis de Geer tot de gereformeerde godsdienst vermelden de bronnen bitter weinig. Wel is bekend dat hij in 1593 het begijnhof ‘des fidelles servantes’ in Luik gesticht heeft en aan zijn schoonzoon Elias Trip (1570-1639) geschonken heeft. Deze was kort daarvoor in het huwelijk getreden met Marie (1574-1609), dochter uit het eerste huwelijk van Louis de Geer met Maria de Jalhéa (overleden 1578). De neiging tot het protestantisme van Louis de Geer was, concluderend uit het voorgaande, in deze periode nog niet zo groot. Anderhalf jaar later, in 1595, geeft hij zijn tweede vrouw Jeanne de Neille (1574-1652) de opdracht om gedurende zijn afwezigheid al het onroerend goed in Luik te verkopen, uitgezonderd het huis en goed Gaillarmont. Het jaar daarop vertrekt Louis de Geer met zijn gezin definitief naar Dordrecht.
Dat de keus op Dordrecht viel was zeker niet origineel. Zijn reeds eerder genoemde dochter Marie woonde met haar echtgenoot al in Dordrecht en talrijke families uit Luik trokken in dezelfde tijd eveneens naar deze stad. In zijn beschrijving meldt Matthys Balen Janszn dat sinds 1589 een geheel nieuwe wijk, hoofdzakelijk bewoond door Luikse kooplieden, was ontstaan. (3) De keuze van de kooplieden voor de stad Dordrecht als hun nieuwe woonplaats werd grotendeels ingegeven door de belangrijkheid van deze stad als handelscentrum en haar goede verbindingen met het Luikerland over de waterwegen de Merwede en de Maas.
Over de activiteiten van Louis de Geer in Dordrecht is verder niet veel bekend. Zes jaar na zijn verhuizing uit Luik kwam hij reeds te overlijden. Zijn gelijknamige zoon uit het huwelijk met Jeanne de Neille, Louis (1587-1652) gaf het geslacht De Geer grote bekendheid. Over deze telg zijn talrijke publicaties verschenen, waaronder de hierboven reeds genoemde dissertatie. (4) Louis de Geer heeft zijn faam voornamelijk verkregen door zijn activiteiten in de koper- en wapenhandel met Zweden. Na zijn verhuizing in 1615 van Dordrecht naar Amsterdam werd Louis actief in de koperhandel. In deze periode ging de belangrijkheid van Lübeck als stapelmarkt van koper achteruit ten gunste van Amsterdam. Een grote stimulans voor deze ontwikkeling werd gegeven door de Zweedse koning Gustaaf II Adolf, die in 1613 onderhandelingen met de Staten-Generaal aangeknoopt had over het verkrijgen van een lening, die uit regelmatige koperzendingen terugbetaald kon worden. De bedragen die de Staten-Generaal beschikbaar stelde waren niet groot, maar talrijke Amsterdamse kooplieden, onder wie De Geer, sprongen bij.
Het is niet vreemd dat Louis de Geer hierin een belangrijke rol ging spelen; zijn leertijd in de Franse koperindustrie, zijn afkomst uit Luik, sedert lange tijd bekend om zijn wapenindustrie, zijn eigen aandeel in de wapenhandel en niet in de laatste plaats zijn samenwerking met de, eveneens uit Luik afkomstige Willem de Besche, die ondermeer de koperindustrie bij Finspong in Zweden leidde, zijn doorslaggevende factoren. Naast Louis de Geer waren zijn eerder genoemde zwager Elias en diens broer Pieter Trip actief in de koperhandel. Ook de familie Trip was afkomstig uit Luik. In 1626 kwamen zij gedrieën tot de oprichting van een compagnie. (5) Gedurende het verblijf van De Geer in Zweden, van 1627 tot 1631, beheersten de gebroeders Trip de koperhandel in Amsterdam. Na De Geers terugkeer echter was het met deze monopolie- positie gedaan. Ook aan de compagnie kwam een einde door de talrijke conflicten waarin de aanvankelijke goede compagnons verwikkeld geraakt waren. Kort voor zijn tweede vertrek naar Zweden trachtte Louis de Geer nog een verzoening te bewerken, maar dit lukte niet. Vlak na zijn thuiskomst uit Zweden overleed Elias Trip.
Van de kant van de handelsvertegenwoordiger van Zweden, Conrad van Falkenberg, werd er geklaagd over de Nederlandse kopermagnaten De Geer en Trip, wier voorwaarden voor het verkopen van Zweeds koper als ‘by Christenen niet gebruyckelijk’ gekwalificeerd werden. (6) In 1632 brak een heftig conflict uit tussen De Geer en Van Falkenberg en enkele jaren later stuurde Axel Oxenstierna, rijkskanselier van Zweden, die vermoedelijk niet meer zoveel vertrouwen in Van Falkenberg had, Erik Larson naar Amsterdam. Deze Larson kreeg de opdracht mee om onderhandelingen aan te knopen met de koperhandelaren over een eventuele oprichting van een compagnie. In 1635 wordt er inderdaad een compagnie opgericht, maar wel zonder Louis de Geer, die inmiddels weer onenigheid gekregen had met de Zweed Larson. Na terugkeer van De Geer in Zweden richtte hij zelf een compagnie op, als pendant van de Nederlandse. Deze zou reeds in 1638 opgeheven zijn, maar in enkele akten van later datum wordt nog van een Zweedse compagnie gesproken, waarmee alleen de compagnie van De Geer bedoeld kan zijn. (7)
Voor De Geer was de concurrentie in de Nederlanden erg groot geworden en hij concentreerde zich dan ook voornamelijk op Zweden, waar hij samen met enkele andere ondernemers te Norrkoping en Ny Koping geelkoperfabrieken oprichtte. Met de stichting van deze industrie is het aandeel van Louis de Geer in de Zweedse mijnbouw en metaalindustrie van doorslaggevend belang geworden. In 1641 werd hij door koningin Christina van Zweden in de adelstand verheven en werd hij tevens toegelaten als lid van de ‘Ridder Huset’, (8) In Zeden verwierf hij de heerlijkheden Finspong, Leufsta, Osterbuy, Fossala, Stensby en Skylberg. Louis de Geer overleed echter niet in Zweden, maar in Amsterdam, in het ‘Huis met de Hoofden’ op de Keizersgracht. (9)

De tweede zoon van Louis de Geer en Adrienne Gérard, eveneens Louis genaamd (1622-1695), bekleedde in Zweden enkele belangrijke functies. Zo was hij ondermeer kolonel in het Zweedse leger, assessor en raad in het Zweedse ‘Bergcollegium’. Hij huwde te Utrecht met Johanna Parmentier I1634-1710). In 1654 kocht Louis de Geer de heerlijkheid Rijnhuizen en in 1657 werd hij door de Staten van Utrecht met dit goed beleend. De vierde zoon van deze Louis, Jan Jacob I (1666-1738) huwde in 1704 met Jacquelina Cornelia van Assendelft (1682-1752). De tweede zoon uit dit huwelijk, Jan Jacob II (1714-1781), werd in 1754 beleend met het huis Wijnestein te Jutphaas en in 1773 met de heerlijkheid Oudegein. (10) Hij was de enige De Geer die in de Nederlanden het geslacht voortzette door zijn twee huwelijken. Het eerste huwelijk werd in 1737 gesloten met Constantia Clara Tamminga (1720-1753) en het tweede huwelijk met Theodora Anna van Haeften van Wadenoyen (1721-1801) werd in 1755 voltrokken. In Zweden werd het geslacht voortgezet door de oudere broer van Jan Jacob II, de al eerder genoemde Louis de Geer van Finspong. Na de dood van Jan Jacob II splitste de Nederlandse tak zich in drieën: de van Rijnhuizen (uit het eerste huwelijk van Jan Jacob II), die van Oudegein (Carel Willem Pieter) en die van Jutphaas (Barhold), beide uit het tweede huwelijk van Jan Jacob II.
Barthold de Geer van Jutphaas I1761-1838) kocht in 1785, twee jaar na zijn huwelijk met Jacoba Gijsbertha Beatrix van Vianen (1754-1835), de hofstede De Geer onder Jutphaas. De naam van deze buitenplaats heeft evenwel niets uitstaande met de naam van het geslacht De Geer, maar werd zo genoemd omdat het een ‘gerend’ stuk land was. (11) Ruimt twintig jaar later kocht Barhold de Geer met Isaac Schalij op een openbare verkoping de heerlijkheden het Over- en het Nedereind van Jutphaas en de ridderhofstad Plettenburg met bijbehorende landerijen, visserijen en rechten, alles komend uit de nalatenschap van Pieter de Malapert (1740-1806). In het hetzelfde jaar deed Isaac Schalij ten behoeve van Barthold de Geer afstand van zijn aandeel.
In 1810 verkochten zij samen de ridderhofstad Plettenburg. (12) Bij Koninklijk Besluit werden in 1815 zowel Barthold de Geer, heer van Jutphaas, als zijn broer Willem Carel Pieter de Geer, heer van Oudegein, ingelijfd in de Nederlandse adel met de titel van jonkheer; dit vanwege de afstamming van de Zweedse edelen. Zowel Barhold als zijn vader Jan Jacob II noemden zich reeds baron. Karel de Geer schreef in 1773 aan zijn broer Jan Jacob II dat koningin Ulrica Eleonora van Zweden hem de titel van baron had verleend, wel wetend: ‘Que nous sommes barons véritablement depuis plusieurs siècles; mais il a voulu que je fusse encore baron suédois.’(13) De oudste zoon van Barthold, Jan Louis Willem de Geer (1784-1857) verkreeg bij Koninklijk Besluit in 1822 de titel van baron. (14)
Deze De Geer was op allerlei terreinen actief. In 1813 was hij lid geworden van de provisionele regering van de stad Utrecht. In 1814 werd hij benoemd tot secretaris van de ‘commissie tot regeling van het hoger onderwijs’ en vervolgens in 1815 tot commies van Staat, secretaris van de ‘commissie tot het ontwerpen van de reglementen voor militaire Willemsorde’ en tot secretaris bij het departement van onderwijs, kunsten en wetenschappen. Deze laatste functie vervulde Jan Louis Willem tot 1817, het jaar waarin hij benoemd werd tot griffier van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. Dit ambt bekleedde hij tot 1842 waarna hij griffier van de Eerste Kamer werd. In 1850 kreeg hij uit deze functie eervol ontslag. Daarnaast is Jan Louis Willem de Geer actief geweest in de ‘commissie tot onderzoek van het statuut van de academische senaat van de universiteit Luik’ en in de ‘commissie van advies over de inrichting van het hoger onderwijs’. Bij zijn ongehuwd overlijden in 1857 gingen de titel en de heerlijkheden het Over- en het Nedereind van Jutphaas over op de oudste zoon van zijn broer, Barthold Jacob Lintelo de Geer (1816-1903).
Deze Barhold Jacob Lintelo de Geer, zoon van Anthonie Gustaaf de Geer (1788-1871) en Hester van Lintelo (1791-1870), trad in 1846 in het huwelijk met Cornelia Anna Alexandrina Louisa van Asch van Wijck (1825-1900). Daarvoor, in 1843, werd hij benoemd tot kantonrechter in Maarssen en op eigen verzoek werd hij vier jaar later ontslagen. In 1847 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de universiteit van Utrecht en in 1856 tot gewoon hoogleraar. In 1886 nam hij zitting in de Tweede Kamer voor de Antirevolutionaire partij en in 1887 werd hem eervol ontslag verleend als hoogleraar. Tot aan zijn dood bleef Barthold Jacob Lintelo actief in de politiek.
Een loopbaan in de regionale politiek was weggelegd voor Herman Hubert Adriaan Jan de Geer (1848-1909), zoon van Barhold Jacob Lintelo en Cornelia Anna Alexandrina Louisa. In 1877 trouwde Herman Hubert A.J. met Elsabé Maria Theodora van den Broeke (1856-1917)/ Om 1873 had hij een aanstelling gekregen als onbezoldigd ambtenaar ter secretarie van de gemeente Amerongen; in 1877 werd hij benoemd tot secretaris van de gemeente Driebergen en in 1875 werd hij secretaris van de gemeente Rijsenburg. In 1875 kreeg hij het ambt van burgemeester van IJlst; het volgende jaar van de gemeenten Doorn en Maarn en uiteindelijk in 1880 werd zijn benoeming tot secretaris van de gemeenten Doorn en Maarn goedgekeurd.
De tweede zoon van Barhold Jacob Lintelo de Geer en Cornelia Anna Alexandrina Louisa van Asch van Wijck, Anthonie Gustaaf van Lintelo de Geer (1849-1896) koos voor een juridische loopbaan. Hij werd in 1875 bevestigd als advocaat te Utrecht en twee jaar later benoemd tot ambtenaar van het openbaar ministerie bij de kantongerechten Utrecht en Breukelen-Nijenrode; later werd Breukelen-Nijenrode vervangen door Wijk bij Duurstede. In 1880 werd hij aangesteld als lid van het hof van justitie in de kolonie Curaçao, maar deze benoeming werd ruim een maand later weer ingetrokken. In 1881 werd hij aangesteld als substituut officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te Almelo en in 1890 bereikte hij de bekroning van zijn loopbaan in de benoeming van rechter bij de arrondisssementsrechtbank te Haarlem. In 1891 laat Anthonie Gustaaf Lintelo de Geer zijn geslachtsnaam veranderen in ‘Lintelo de Geer’. (15)
Als laatste telg uit de tak De Geer van Juthpaas komt Barhold Jacob Lintelo (1884-1950), zoon van Herman Hubert Adriaan Jan en Elsabé Maria Theodora van den Broeke aan de orde. Barthold Jacob Lintelo huwde in 1911 Anna Cornelia Roëll (1885-1970)/ Gedurende zijn leven vervulde hij de functie van referendaris, hoofd van de tweede afdeling van de provinciale griffie van Utrecht. In 1922 werd hij lid van het college van curatoren van de rijksuniversiteit van Utrecht. Hij was daarnaast dijkgraaf van het hoogheemraadschap de Lekdijk Benedendams en IJsseldam.

Heerlijkheden van Jutphaas

Rijnhuizen
Het huis Rijnhuizen (huis Ten Rijn, huis te Jutphaas), leenroerig aan het Sticht, was in 1536 voor riddermatig erkend. De bezitters waren teven heer van het Overeind van Jutphaas. (16) Gedurende de 16e eeuw was de ridderhofstad samen met de omringende heerlijkheid Overeind van Jutphaas in bezit van het geslacht Van Rijn van Jutphaas, dat in 1608 uitstierf met het overlijden van Johanna van Rijn van Jutphaas. Als kinderloze weduwe van Wouter van Baexen liet zij deze bezittingen na aan haar nicht Wilhelmina van Riebeeck. Zij verkocht in 1608 de heerlijkheid van het Overeind van Jutphaas aan Nicolaas de Malapert, maar zonder de ridderhofstad Rijnhuizen, die zij in 1620 verkocht aan Hendrik Tuyll van Serooskerken. Na de dood van laatstgenoemde kwam de ridderhofstad aan zijn zoon Reinout, die in 1640 in de ridderschap van Utrecht als bezitter van Rijnhuizen beschreven werd. Na zijn overlijden verkocht zijn vrouw Agnes van Reede, Rijnhuizen aan Louis de geer, zoals hierboven al vermeld werd. Na de dood van deze De Geer kwam de ridderhofstad aan zijn toen oudste zoon Karel (1660-1730). Karel de Geer liet op zijn beurt het bezit na aan de in 1730 nog minderjarige Jan Jacob II. Het geslacht De Geer behield Rijnhuizen tot het overlijden in 1943 van de laatste De Geer van Rijnhuizen, Anna Mathilda, weduwe van Gijsbert Duco van Hardenbroek.
Buiten de tien morgen land rondom de ridderhofstad, welke het gerecht van Rijnhuizen uitmaakten, behoorden slechts weinig landerijen aan het huis. Ook de heerlijke rechten waren niet groot. Het aanstellen van schout en schepenen had in praktijk niet zoveel te betekenen, omdat doorgaans gezinsleden van de ambachtsheer en het personeel op de ridderhofstad de enige bewoners van het gerecht waren. De personen van schout en schepenen waren vaak dezelfden als die van het omringende Jutphaas. Van de overige rechten verbonden aan Rijnhuizen was het beheer van de armenfundatie van Jutphaas één van de belangrijkste. Deze fundatie werd in 1603 gesticht door Johanna van Rijn van Jutphaas. De heren en vrouwen Rijnhuizen waren beheerders van deze fundatie. (17)

Het Over- en Nedereind van Jutphaas
De heerlijkheid van het Overeind van Jutphaas werd in 1608 aan Nicolaas de Malapert verkocht. (18) Na zijn overlijden in 1615 ging de heerlijkheid van het Overeind van Jutphaas over naar zijn beide zusters Catharina en Susanna de Malapert. Zij verkochten in 1617 de heerlijkheid met het huis Plettenburg aan Louis de Malapert, maar op voorwaarde dat Catherina gedurende haar leven vrouwe over de heerlijkheid zou blijven. Toen zijn in 1620 overleed werd Louis de Malapert ook in naam heer van Jutphaas. In 1623 werd hij daarnaast in opdracht van de heer Van Vianen, Hans Wolphard van Brederode, oook nog beleend met de heerlijkheid van het Nedereind van Jutphaas. Louis de Malapert en zijn zoon Lodewijk bezaten dus zowel het Over- als het Nedereind van Jutphaas. (19) Ondanks het feit dat de heerlijkheden in één hand waren, bleven zij gescheiden omdat zij niet leenroerig waren aan dezelfde instantie. De heerlijkheid van het Overeind van Jutphaas was leenroerig aan het huis Loenersloot en de heerlijkheid van het Nedereind van Jutphaas aan het Sticht. Beide heerlijkheden hadden hun eigen schepenen; in de tijd van de De Malaperts had men de schout en de secretaris echter gemeenschappelijk. Het patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas behoorde aanvankelijk niet aan de heer van Jutphaas. Van oorsprong kwam dit recht toe aan de familie Van Lent tot het in 1245 door IJsbrand van Lent werd overgedragen aan het kapittel van Oudmunster te Utrecht. (20) In de 17e eeuw wordt het recht geclaimd door zowel het kapittel van Oudmunster als door de Staten van Utrecht. In 1635 blijkt Adriaan Ploos van Amstel, heer van Oudegein, door de Staten van Utrecht met het patronaatsrecht van de dan hervormde kerk beleend te zijn, terwijl hij het bovendien in erfpacht houdt van het kapittel van Oudmunster. Naast deze belening door de Staten echter hebben deken en kapittel van Oudmunster dit recht nog weer in erfpacht gegeven aan dezelfde Adriaan Ploos van Amstel. Het probleem schuilt nu in het feit dat de heer van Rijnhuizen ook enige zeggenschap verworven blijkt te hebben in de benoeming van de predikanten en kerkmeesters. In 1666 verkoopt de heer van Rijnhuizen zijn ‘helft’ van het patronaatsrecht aan Louis de Geer (1622-1695). (21) In 1702 kreeg de al eerder genoemde Karel de Geer het patronaatsrecht in handen, gekocht uit de nalatenschap van Gerard Ploos van Amstel.
Na de dood van Louis de Malapert in 1691, zoon van Lodewijk en Leonora d’Ablaing, gingen de heerlijkheden over op zijn broer Pieter, en na diens overlijden in 1738 op zijn zoon Louis. Deze Louis de Malapert trad in 1739 in het huwelijk met Louise de Geer (1712-1751), dochter van Jan Jacob I. Nadat hun zoon Pieter in 1806 kwam te overlijden, werden de heerlijkheden op de al eerder genoemde openbare verkoping aan Barthold de Geer en Isaac Schalij verkocht.

Genealogisch onderzoek
Veel aandacht heeft men in de loop der tijd besteed aan de genealogie van het geslacht De Geer; niet alleen leden van het geslacht zelf, maar ook buitenstaanders, evenwel meestal in opdracht van een lid van de familie De Geer, hebben onderzoek verricht naar de afstamming van het geslacht. Uit de familie zelf heeft ongetwijfeld Jan Louis Willem de Geer de meeste belangstelling getoond voor de genealogie en ook een groot genealogisch onderzoek verricht. In zijn manuscript ‘Notes’, aanvulling op de ‘Commentarii de Gente Geeriana’, geschreven door Louis de Geer van Finspong, geeft Jan Louis Willem de Geer aan, dat Laurens de Geer (1614-1666) door middel van een genealogische kaart, de afstamming van het Luikse geslacht De Geer uit dat van Van Hamal heeft willen bewijzen. (22) Na dit eerste genealogische onderzoek van Laurens, zette zijn broer Louis de Geer (1622-1695) het genealogisch speurwerk voort en na ham, Jan Jacob I de Geer en zijn gelijknamige zoon Jan Jacob II. Deze laatste heeft een nieuwe genealogische tabel laten maken, beginnend met Lambert de Geer (geboren 1399).
De schriftelijke neerslag van het hierboven genoemde genealogische speurwerk heeft Jan Louis Willem de Geer ondermeer gebruikt voor de biografie van Louis de Geer (1587-1652) en voor de publicaties ‘Notice historiques sur la famille de De Geer par deux de ses membres, à l’usage des autres’. (23) Zijn laatste werk ‘Apostille posthume’, werd na zijn dood uitgegeven door Barthold Jacob Lintelo de Geer. (24)
Het genealogisch onderzoek werd weer hervat door de zoon van Barthold Jacob Lintelo de Geer, Anthonie Gustaaf; de resultaten van zijn werk werden door de beroepsgenealoog A.A. Vorsterman van Oyen in 1893 verwerkt in ‘Het geslacht De Geer; van het begin der XIIde eeuw tot het einde der XIXde eeuw; historisch en genealogisch overzicht’. (25) Een lid van de tak De Geer van Oudegein, Jan Jacob (1820-1911) gaf een overzicht uit van de charters, die zich bevonden in de archieven van de familie De Geer onder de titel ‘Notice généalogique concernant la famille De Geer par un de ses membres’. (26) Op dit werk werd stevige kritiek uitgeoefend door een kleinzoon van Barthold Jacob Lintelo de Geer, Barthold Hubert Boissevain, in enkele artikelen. (27) Het grote onderzoek dat deze amateurgenealoog naar de herkomst van het geslacht De Geer heeft gedaan, is nooit gepubliceerd als gevolg van zijn voortijdig overlijden.

Het archief
De onderhavige inventaris bevat het archief van de families De Geer, De Geer van Rijnhuizen en De Geer van Jutphaas. De omvang van het archief bedraagt ruim 11 meter. Het eigenlijke archief begint met Louis de Geer van Finspong en Leufsta (1587-1652) en loopt door tot Barthold Jacob Lintelo de Geer van Jutphaas (1884-1950). Het archief bevat stukken van persoonlijke en zakelijke aard vanaf de hierboven genoemde Louis de Geer, maar bovendien een aanzienlijk aantal charters uit de Luikse periode vanaf 1295. Deze stukken zijn praktisch uitsluitend van zakelijke aard. Het is niet waarschijnlijk te achten dat Louis de Geer op het eind van de 16e eeuw juist deze stukken zou hebben meegebracht naar de Noordelijke Nederlanden. Aannemelijker is het, zo er al sprake was van een familiearchief De Geer, dat dat in Luik gebleven is. Naar onze mening zijn de stukken van vóór de periode van Louis de Geer aan het archief toegevoegd in het kader van genealogisch onderzoek en dat waarschijnlijk al heel vroeg in de 17e eeuw. Men ontkomt niet aan de indruk dat een enkele maal stukken bij de verzameling gevoegd zijn, alleen omdat de naam De Geer er in voorkomt. Een duidelijk argument voor deze manier van verwerving van de desbetreffende archivalia is óók de aanwezigheid van de chirografen uit 1415 en 1435. (28)
Bij de inventarisatie hebben wij de afschriften, die vervaardigd zijn als bewijsstukken voor de afstamming – al of niet vermeend- van de familie gevoegd bij de andere genealogische bewijsstukken. (29) De originele charters van vóór de periode van Louis de Geer, die alleen op het Luikse betrekking hebben, hebben wij beschreven onder de zakelijke stukken en daarmee deze afdeling geopend. (30) Onder de afdeling persoonlijke stukken vallen ook de archivalia van het aanverwante geslacht Tamminga. (31)
De archieven van het geslacht De Geer zijn lange tijd bewaard gebleven in het ‘Huis met de Hoofden’ in Amsterdam. In Zweden bevonden de archieven zich op de kastelen Leufsta en Finspong, beide bezittingen van de familie De Geer. Louis de Geer van Finspong erfde in 1757 het bekende huis op de Keizersgracht in Amsterdam en bracht, zoals men kan lezen in het manuscript ‘Notes’ van Jan Louis Willem de Geer, de archieven over naar Finspong. (32) Wat daarna met deze archieven gebeurd is, wordt niet vermeld. Waarschijnlijk bevinden zich in Zweden nog talrijke archivalia met betrekking tot het geslacht De Geer. Van belang is het om nog te wijzen op het bestaan van enkele andere archieven van de familie De Geer. Zo heeft het Rijksarchief in Utrecht eveneens in bewaring het huisarchief Oudegein, waarin zich archiefstukken bevinden van de tak De Geer van Oudegein vanaf Jan Jacob I. De inventaris van dit archief werd in 1976 gepubliceerd. (33) Het familiearchief van de tak De Geer van Rijnhuizen bevindt zich echter altijd nog in particuliere handen, namelijk in het huisarchief Rijnhuizen. Hiervan bestaat evenwel een manuscriptinventaris. (34) In dit archief bevinden zicht stukken met betrekking tot Louis (1622-1695), Jan Jacob I, Jan Jacob II en Anthonie Gustaaf (1745-1808).
In dit verband dient ook gewezen te worden op het archief van het geslacht De Malapert, zich eveneens bevindend in het rijksarchief Utrecht, waarin stukken aanwezig zijn van de familie De Geer van persoonlijke aard. Ook bevat dit archief zakelijke stukken die betrekking hebben op de heerlijkheden het Over- en Nedereind van Jutphaas, die, zoals we hiervoor gezien hebben, in bezit zijn geweest van het geslacht De Malapert. De persoonlijk stukken zijn vooral afkomstig van Jan Jacob II, en zijn kinderen Antonie (1721-1756), Hedwig Ulrica (1718-1743), Charlotte (1716-1749) en Louise de Geer (1708-1761). Van dit archief bestaat een inventaris, uitgegeven in 1963. (35)
In de jaren dertig van deze eeuw werd een groot gedeelte van de wetenschappelijke correspondentie van de Utrechtse hoogleraar Barthold Jacob Lintelo de Geer door diens kleinzoon aan de Utrechtse universiteitsbibliotheek geschonken. Deze collectie werd in 1939 geïnventariseerd en in hetzelfde jaar verscheen de inventaris. (36) Deze brievencollectie bleek, na de inbewaargeving van het archief in 1950, niet volledig te zijn. Enkele brieven van wetenschappelijke aard waren over het hoofd gezien in 1939. In 1952 heeft men deze brieven van 85 afzenders aan de universiteitsbibliotheek in ruil gegeven voor delen van de archieven van Jan Louis Willem de Geer, Catharina van Lintelo, Duco Gerald Rengers van Farmsum en Hendrik Hooft Graafland. De brieven waarvan de afzenders de naam De Geer droegen en die nog in het rijksarchief waren, bleven daar.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd het familiearchief op Rijnhuizen bewaard samen met het huisarchief van Rijnhuizen, waardoor beide archieven vermengd raakten. Het familiearchief werd vervolgens in 1950 door Anna Cornelia Roëll (1885-1970) in bewaring gegeven bij het rijksarchief in Utrecht. Met de eigenaar van Rijnhuizen werd vervolgens overeengekomen dat de stukken die behoorden tot het huisarchief Rijnhuizen, maar bij het familiearchief De Geer ingelijfd waren, in het oorspronkelijke archief zouden worden geplaatst. Het zelfde gebeurde met de persoonlijke stukken van de familie De Geer vanaf 1781. In totaal werden 81 nummers teruggegeven aan het archief van Rijnhuizen.
In 1988 werden nog enkele meters archief verworven bij Barthold Jacob Lintelo de Geer jr., zoon van de inbewaargeefster. Deze archiefstukken, voornamelijk afkomstig van de familie van Anna Cornelia Roëll, werden vlak voor de afsluiting van de inventarisatie opgenomen. Tevens werden enkele stukken, afkomstig van de tak De Geer van Oudegein, overgebracht naar het huisarchief Oudegein. (zie bijlage)

Verantwoording:
De hierboven weergegeven tekst is afkomstig uit A.M. Abelmann, ‘Inventaris van het archief van de familie De Geer van Jutphaas (1204) 1295-1977′ Rijksarchief Utrecht 1988, inventaris 68

Noten
1. Louis de Geer van Finspong, ‘Commentarii de Gente Geeriana’, 1758, Stockholm 1816, 6-9. Zie inv.nrs. 91-94.
2. F.Breedvelt-Van Veen, ‘Louis de Geer 1587-1652’ Amsterdam 1935, 2 vlg.
3. Matthys Balen Janszn. ‘Beschrijving der stad Dordrecht’, Dordrecht 1677, 64.
4. Verder publicaties over het leven en werk van Louis de Geer van Finspong (1587-1652): J.W. Bronkhorst, ‘De heer van Finspong’, Amsterdam 1948; P. Brouwer, ‘Een godvrezend kanonnen-koning of een Amsterdamsche koopman der 17e eeuw’, Nijkerk, zj.; E.W.Dahlgren, ‘Louis de Geer 1587-1652, hans lif och verk: pa uppdrag af hans ättling Friherre Louis de Geer till Leufsta’, 2 dln., Uppsala 1923; idem, “Louis de Geer brev och affärhandlingar 1614-1652”, Stockholm 1934 in ‘Historika Handlingar’ XXIX; J.G. van Dillen, “Amsterdamsche notarieele acten betreffende den koperhandel en de uitoefening van mijnbouw en metaalindustrie in Zweden” in ‘Bijdragen en Medeedelingen van het Historisch Genootschap’, LVIII (1937); J.E.Elias, “Contract tot oprichting van een Zweeds factoriecomptoir in Amsterdam in 1663”in ‘Bijdragen en Medeelingen van het Historische Genootschap’ XXLV (1903); Jan Louis Willem de Geer, ‘Lodewijk de Geer; een bijdrage tot de handelsgeschiedenis van Amsterdam in de zeventiende eeuw’ ’s-Gravenhage/Amsterdam 1834; C.W. Kernkamp, “Zweedsche archivalia” in ‘Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap, XXIX 1908; ‘Rikskanslern Axel Oxenstierna, Skrifter och Brefvexling’, II, 11, 1905; C.G. Rollin, ‘Louis de Geer och Wallonerne; opera: trre akter’, Uppsala 1855; C.G. Rootselaar, ‘Lodewijk de Geer, een katholiseerend protestant in de zeventiende eeuw”, in ‘De Katholiek’ XC (1886) 88-113, 209-233; G. Wittrock, ‘Svenska Handelscompagniet och Kopperhandeln under Gustaf II Adolf’, 1919.
5. J.G. van Dillen, ‘Amsterdamsche notarieele acten’, 211, akte nr. 5.
6. Idem, 217
7. Idem, 285-289, akten nrs. 32, 33 en 34.
8. Inv.nr. 46.
9. I.H. van Eeghen, “Het Huis met de Hoofden”, ‘Amstelodamum’, 1951, 137-141 en 155-158. Het ‘Huis met de Hoofden’ werd gebouwd in opdracht van de koopman Sohier en in februari 1634 aan Louis de Geer verkocht.
10. Jan Jacob II de Geer werd in 1754 beleend met de heerlijkheid Wijnestein in opdracht van Servaes Fransiscus Hubertus du Cruzet. Nadat Jan Jacob II in 1781 overleden was, werd zijn oudste zoon Anthonie Gustaaf in 1782 met Wijnestein beleend. In 1773 werd Jan Jacob II eveneens beleend met de heerlijkheid Oudegein, in opdracht van Willem Anne van Wassenaer. Na zijn dood kwam de heerlijkheid toe aan zijn weduwe Theodora Anna van Haeften van Wadenoyen die in 1801 overleed en het goed vermaakt had aan haar zoon Willem Carel Pieter de Geer.
11. Voor nadere informatie omtrent dit verschijnsel C. Dekker, ‘Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen; een institutioneel-geografische studie’, Zutphen 1983. De hofstede De Geer kwam in 1687 in het bezit van Francois van Bergen, raad in het Hof van Utrecht, en kwam in 1725 aan Hendrik van Nellesteyn, maarschalk van Eemland en vervolgens in 1772 aan Daniel Strick van Linschoten, wiens weduwe Christina Gesina van Hoorn, het huis De Geer verkocht aan Barhold de Geer.
12. Inv.nrs. 816 en 817
13. Inv.nr. 147
14. Inv. nr. 260
15. Inv.nr. 585
16. B.N. Leverland, ‘Inventaris van het archief der voormalige ridderhofstad Rijnhuizen’, Manuscript. Inleiding 1-3, gebruikt als bron.
17. Ibidem.
18. Ibidem.
19. B.N. Leverland, ‘Inventaris archief De Malapert van Jutphaas en archivalia Van Löben-Sels’, Utrecht 1963. Inleiding 1-5.
20. RAU, Archief Rijnhuizen, nr. 238.
21. RAU, Archief Rijnhuizen, nr. 244.
22. Louis de Geer, ‘Commentarii’ 1.
23. Jan Louis Willem de Geer, ‘Notice historique sur la famille de De Geer par deux de ses membres à l’usage des autres’, z.pl. 1843. Zie inv.nrs. 296 en 297.
24. Idem, ‘Apostille posthume de l’ouvrage: Notice historique sur la famille de De Geer’z.pl. 1857. Aanvulling op 23. Zie inv.nr. 298.
25. A.A. Vorsterman van Oyen, ‘Het geslacht De Geer; van het begin van de XIIde tot het einde er XIXde eeuw; historisch, biografisch en genealogisch overzicht’ , Oisterwijk 1839.
26. Jan Jacob de Geer, ‘Notice généalogique concernant la famille De Geer; par un de ses membres’, Utrecht 1897.
27. Barthold Hubert Boissevain, “Grafschrift van de stamvader van het geslacht De Geer” in ‘Nederlandse Leeuw’, 1936, nr. 54; “Persoonlijk en erfelijk wapenbreken van ‘Oud-Hamal’ (XIIIe – XVe eeuw), een geslachtkundig onderscheid”, in ‘Récueil du IVe congres international des sciences généalogique’, Brussel 1958.
28. Zie inv.nrs. 692 en 694.
29. Zie inv.nr. 1.
30. Zie inv.nrs. 687-695. Over de jaren 1295-1708.
31. Zie inv.nrs. 669-686.
32. Jan Louis Willem de Geer,….. 23.
33. C. Dekker, ‘Inventaris van het archief van het Huis Oudegein en de heerlijkheid ’t Gein, 1295-1963’, Utrecht 1976, 33 vgl.
34. B.N. Leverland,……..16.
35. Idem, 19.
36. P.S. Breuning, ‘Brievenverzameling van prof.mr.dr.B.J.L. baron de Geer van Jutphaas’, Utrecht 1939.