Van straberry naar stroobei of van moedertaal naar crutch

Verlies van mijn moedertaal

Ik heb mijn moedertaal verloren
toen ik een klein kindje was
In een vreemd land geboren
Maar niet van een ander ras

Moederwoorden zijn vergleden
In nieuwe, harde vadertaal
Moeder behoort tot het verleden
Mijn vaderland is koud en kaal

Moeder werd een vreemde vrouw
Met nieuwe woorden
Doortrokken van een ijzige kou
Haar melodie verdween
In harde akkoorden

Moedergeuren veranderen
Door de vreemde tong
Die mijn gevoel deed meanderen
en ik in eigen taal
oude moederliedjes zong

De moedertaal of eigentaal is de eerste taal die een kind hoort vanaf dat het in de baarmoeder ontvangen is. Deze taal bestaat uit een tweedelige gelaagdheid, waarvan de dikste laag die van het gevoel, de emotionaliteit is. De dunnere laag associeer ik met de rationaliteit. De strelende en voedende moeder tegenover de strenge corrigerende autoriteit van de vader. De moedertaal versus de vadertaal: het aloude rollenpatroon, waarvan de basis door de niet te manipuleren wetten van de voortplanting is gelegd. Dit gegeven heb ik verwoord in het tweede couplet.

De aandacht voor de moedertaal is een belangrijk aspect van de inburgering van allochtonen in het algemeen en van het onderwijs in het Nederlands in het bijzonder. Er is veel onderzoek gedaan naar de gevolgen van het leren van een tweede taal voor de moedertaal.

W.G. Sebald heeft een indrukwekkende roman geschreven, Austerlitz. In deze roman verhaalt hij van een vijfjarige jongen die in 1939 met één van de Kindertransporte uit Nazi-Duitsland naar Groot-Brittannie is geemigreerd. Hij wordt opgenomen door een kinderloos dominees echtpaar in Wales en brengt zijn verdere jeugd op engelstalige scholen en internaten door. Hij zal pas in zijn jonge volwassenheid weer terugkeren naar het vaste land van Europa.
Vanaf het eerste moment dat hij voet op Engelse bodem zet, wordt hij gescheiden van zijn moedertaal. Nergens hoort hij meer Duitse klanken en om te overleven moet hij zich razendsnel de nieuwe taal eigen maken. Hij vergeet zijn moedertaal en absorbeert de twee taal van zijn surrogaatouders. Deze zijn goedwillend, maar kunnen heb niet de geborgenheid en de warmte geven die hij in deze situatie nodig heeft. De vrouw is labiel en neurotisch en de dominee is niet opgewassen tegen een relatie met een dergelijke partner, hoewel wederzijdse liefde en afhankelijkheid wel aanwezig. Niemand in de directe omgeving van de jongen heeft oog voor de emotionele crisis die de jongen doormaakt of had daar enige compassie voor. Zeker niet op de eenvoudige dorpsschool, waar hij en als adoptief zoon van de dominee en als buitenlander een buitenbeentje is.

Austerlitz heeft niet meegemaakt, dat wat ik in het derde couplet vertel. Hij heeft de metamorfose van zijn moeder als gevolg van het aanleren en spreken van een tweede taal niet gehoord of gevoeld. Zijn moeder met haar moedertaal werd vervangen door de dominees vrouw met een eigentaal. Door zijn verdringing van zijn moedertaal is er hier geen sprake van het aanleren van een tweede taal, maar het alsnog moeten verwerven van een eigentaal. Het vierde couplet is dan ook niet op hem van toepassing. Hierin vertel ik hoe een kind zijn eigen manier vindt om het verlies van zijn moedertaal te verwerken.

De kritische leeftijd waarop de moedertaal in het wezen van het kind geïntegreerd moet zijn, is ongeveer zes jaar. Daarna is er alleen nog maar sprake van het aanleren van een tweede taal. Het kind in mijn gedicht is jonger dan Austerlitz. Het zal zo’n vier jaar oud zijn.

Voor het verwerven van de eigentaal is formeel onderwijs dus niet nodig. Kenmerkend voor sprekers in de moedertaal zijn de intuities die zij hebben over wat in hun taal wel of niet gezegd kan worden. Een tweede taal wordt niet verworven, maar aangeleerd. Twee- of meertaligheid komt in grote delen van de wereld voor. Niet echter in West-Europa, waar ééntaligheid de norm is. Vaak is deze taal ook de standaardtaal, de officiele taal van een land. De dialecten zijn de lokale varianten op deze standaardtaal. In Nederland kennen wij het Fries als officiele tweede taal. Het aanleren van twee- of meer talen op jonge leeftijd is onderwerp van disscusie, maar wordt de laaste jaren als positief voorgesteld. Het lijkt mij dat er dan wel een juist evenwicht zou moeten zijn in de toepassing van de talen: het fenomeen zoals dat in Friesland in veel voorkomt is niet nastrevenswaard. Daar spreken veel kinderen totdat zij naar de kleuterschool gaan fries, en dan plotseling nederlands. Dit is geen goed voorbeeld van tweetaligheid. Overigens geldt dat ook voor de overtuigende dialectsprekende ouders. Nog moeilijker wordt het wanneer op scholen de standaardtaal niet conequent gevoerd wordt. Niet dialect- of tweede taal sprekende kinderen komen hier in het gedrang (b.v. in Limburg, waar ook nog eens de tongval en de melodie zoveel anders is als het ABN)

Moedertaal is onderwerp van de psycholinguïstiek. Deze interdiscplinaire wetenschap van psychologie en taalwetenschap bestudeert taalgebruik en taalgedrag. Het boegbeeld van deze discipline in Noam Chomsky.

Na het zesde jaar verliest een kind dus de aangeboren mogelijkheid een moedertaal te leren. Dit zie je terug bij de zgn wolfskinderen. (Kaspar Hauser) Kinderen die in een taalloze omgeving opgegroeid zijn. Zij leren moeizaam een nieuwe taal en blijven onvolkomenheden houden in hun taalgebruik. Vroeger dacht men dat taal automatisch verworven werd, dat het een eigen ontwikkeling was volgens een vast programma. Chomsky was een vertegenwoordiger van deze theorie.

Kierkegaard heeft zich bezig gehouden met het fenomeen taal. Hij is een belangrijk denker op het gebied van de taalfilosofie. In tegenstelling tot de moeder die centraal staat, spreekt hij van het erfgoed der vaderen. De oorsprong van onze taal ligt in het spreken tijdens de eerste volkbijeenkomsten (rechtspraak) en in het doorgeven van vertellingen en sagen, het erfgoed der vaderen. Wat ik vooral vind opvallen bij Kierkegaard is zijn dynamische benadering van taal. Taal als een veranderend en groeiend iets, waarin historische kracht en menselijke traditie samenkomt. Hij staat hierin lijnrecht tegenover Hegel die uitgaat van een Ur-nichts; een niets waaruit de taal voortkomt. De mens is de schepper van deze taal. Kierkegaard, als gelovig mens, ziet de taal juist als een middel voor de mens om uit zijn isolement te komen. De mens mag gebruik maken van een medium dat in de eerste oorsprong van de mens geworteld is en waarin al het geloof , alle geschiedenis en alle kracht in samen komen. Deze dynamiek noemt hij Dialectische lyriek: taal bevat evenveel lyriek als pathos en omgekeerd. Filosofen die zich met wetenschappelijk jargon bezig houden met de taal, kunnen in feite niet communiceren omdat zij niet denken in hun moedertaal.Het wezen van de taal zoekt Kierkegaard op straat, in de kroeg, bij de haven, op de markt en op het platteland. De verandering van taal als gevolg van de invloed van anderstaligen zal hij niet afgekeurd hebben, anders dan de gemiddelde Nederlander doet. Kierkegaard vindt zijn taal niet in de kerk, de scholen of aan de universiteiten. Als het over zijn moedertaal schrijft hij Ik voel mij gelukkig d at ik gebonden ben aan mijn moedertaal, zoals Adam het was aan Eva, omdat er geen andere vrouw was, gebonden omdat het mij onmogelijk is geweest een andere taal te leren. Ik voel me ook blij gebonden te zijn aan een moedertaal, die zo rijk is aan innerlijke oorspronkelijkheid, wanneer zij de ziel verruimt, welllustig oorstrelend met haar zoete klanken; een moedertaal die niet hijgt en geforceerd klinkt, wanneer ze voor het onuitsprekelijke staat; een taal die niet ver weg zoekt wat dichtbij ligt of die in duistere diepten vindt wat gewoon voor de hand ligt; een taal die heftig en bewogen is wanneer een ware minnaar haar vrouwelijke hartstocht mannelijk weet te wekken……

Het metafysische komt terug in de visie van Kierkegaard op de relatie God-mens. De mens is een schepsel (geen schepper) en het woord is een reïncarnatie van God (de schepper). Wanneer een mens geen gebruik maakt van dit woord om contact te leggen met andere mensen, hen te stimuleren en op te wekken om ook open te zijn, dan wordt hij slachtoffer van een demonische beklemming. Taal helpt mensen zichzelf te worden en te praten met God. De mens is geen ik, maar een wij: een samengaan met de taal van God.

De taalontwikkeling bij kleine kinderen loopt in verschillende fasen:
Tot zeven maanden, de prelinguale periode, brabbelt een baby en er bestaat zelfs al een verschil tussen het Nederlandse gebrabbel en het gebrabbel in andere talen. Men meent zelfs een verschil te kunnen horen tussen Limburgs en Gronings gebrabbel.
De volgende fase, de vroeglinguale fase, duurt tot het kind 2 ½ jaar oud is. Deze fase wordt onderscheiden in de één, twee en drie woord-fase.
In de volgende periode, de verrijkings- of differentiatiefase, breidt het kind zijn woordenschat uit van 300 naar 3000 woorden. Deze periode duurt tot het kind naar de lagere school gaat.
Deze ontwikkeling wordt afgesloten met de voltooiingsfase. In de laatste twee perioden vermeerdert de woordenschat tot ongeveer 13000 woorden. In feite kennen kinderen op vierjarige leeftijd al de gehele grammaticale structuur en leren zij er eigenlijk alleen nog maar woorden bij.

Meisjes zijn over het algemeen wat vlotter in hun taalontwikkeling dan jongens. Tweelingen zijn daarentegen soms langzamer dan hun leeftijdgenoten, omdat zij vaak een eigen taaltje hebben. De taalontwikkeling kan niet los gezien worden van de groei op andere terreinen: zoals fysiek, psychologisch,sociaal, intellectueel en emotioneel. Als er sprake is van een vertraagde taalontwikkling dan is er veelal ook sprake van een stoornis in andere ontwikkelingen. Ik zou daarbij nog de vraag willen stellen hoe het polyglotisme zit. Is het automatisch en zonder problemen aanleren van talen ook een vorm van een stoornis die gepaard gaat met problemen op andere gebieden?

Dat moedertaal zo belangrijk is blijkt wel uit het feit dat de UNESCO 21 februari heeft uitgeroepen als de dag van de moedertaal. Waarom 21 februari? Wel dit is de dag waarop het Bengaals als zesde officiele taal in Pakistan werd gepresenteerd, maar werd afgewezen omdat het Urdu de standaardtaal zou moeten worden. Dit leidde tot heftige protesten. De noodzaak om aandacht te besteden aan de eigentalen is niet gering: van de huidige 6000 talen zullen er over tien jaar nog geen 600 over zijn. Niet alleen is het een groot verlies van cultureel erfgoed, maar ook de identiteit en de diversiteit binnen de wereldbevolking vervlakt. Een juist gebruik van tweetaligheid zou dit verlies kunnen beperken. Dit vergt echter een goede infrastructuur op onderwijsgebied.

Daar tegenover kun je wel zetten dat het wegvallen van taalbarrieres de oplossing van mondiale problemen wel eens sterk zou kunnen bevorderen………

De vraag staat centraal of je je vaardigheden in de eigentaal ook kunt kwijtraken, net zoals in de tweede of andere aangeleerde talen. Van de laatsten is dat duidelijk:wanneer je talenkennis niet bijhoudt, vervaagt de kennis van en de vaardigheid in een vreemde taal. Het verliezen van taalvaardigheid wordt language attrition genoemd.

Deze taalerosie of taalverlies komt vooral voor bij emmigranten die in hun tweede land de standaardtaal van dat land gaan spreken. Wanneer dit bewust gebeurt dat kan het een grote inbreuk hebben op het gevoel van eigenheid en leiden tot een besef van vervreemding. Dit is niet het geval bij mensen die op jonge leeftijd geemigreerd zijn en hun verdere schoolloopbaan vervolgen in hun tweede vaderland. Mensen zoals Austerlitz die helemaal geen verbondenheid met een eigentaal kennen, kunnen soms niet meer loskomen van het gevoel van vervreemding en ontheemding. Zij zullen zich nergens thuis voelen, of juist overal. Overigens ken ik genoeg mensen die een normale moedertaalontwikkeling hebben doorgemaakt, maar die zich ook ontheemd en vervreemd voelen. Mischien dat de moeder hierin een grotere rol speelt, dan de taal…….

Dit brengt mij op het punt van de emotie en de taal. Er is een onderzoek gedaan naar geëmigreerde Joden uit Duitsland. Er werden twee groepen onderzocht: een groep die rond de machtsovername van Hitler vertrokken is en een groep die na de Kristallnacht gevlucht is. De eerste groep hield de herinnering aan de Duitse taal levendig en voelden zich nog zo betrokken bij deze taal, dat deze nog wel gesproken werd. De tweede groep daarentegen keerde zich af van de taal en heef nooit meer een woord Duits gesproken. Bij deze groep was er zeker sprake van een trauma. Of hier sprake is van een totaal verlies van de moedertaal, is nog maar de vraag. Misschien is er, net zoals bij Austerlitz, meer sprake van een ontoegankelijkheid.

Het komt ook voor dat emmigranten, om wat voor reden zij ook vertrokken zijn, verteerd worden door heimwee. Zij zullen juist alles wat met het vaderland te maken heeft, niet alleen de taal, blijven koesteren.

Bij alle dementerende bejaarden komt de moedertaal weer naar boven. Dit pleit er voor om voor inwijkelingen al naar gelang hun afkomst eigen bejaardentehuizen in te richten, zodat het gevoel van isolement niet nog meer versterkt wordt. Zoals de taalwetenschappers nu stellen is het onmogelijk om de moedertaal te verliezen.

Het gebruik van eigentaal, in het geval er ook sprake is van een tweede taal, in dromen en in wartaal van psychiatrische patienten alsmede de noodzaak moedertaal te gebruiken bij hypnoses is nog een terrein waarop onderzoek gedaan kan worden. Bekend is dat emmigranten in dromen hun moedertaal blijven gebruiken. Sommige hypnotiseurs menen dat de taal niet van belang is bij het onder hypnose brengen, maar dit is niet wetenschappelijk onderbouwd.

Strutch. Zo wordt het taaltje genoemd dat Nederlandse Australiers nog spreken. Zij zijn merendeels in de jaren vijftig naar dit werelddeel gemigreerd en hebben zich fanatiek op de Engelse taal gestort. Deze Nederlanders deden dit omdat zij niet zo’n band hadden met hun moedertaal, zich er niet mee identificeerden. Ook vonden sommigen de taal lelijk en onhandig en onvolwaardig in de communicatie. Hierin zijn de Nederlanders uniek: geen enkele emigrant legt zo snel zijn moedertaal neer als de Hollander. Hier zou misschien de verzuiling een reden voor zijn, omdat de identificatie met de standaardtaal minder is dan elders. Deze Nederlanders geven het Nederlands ook niet door aan hun kinderen en al helemaal niet aan hun kleinkinderen. Dat dit vereenzaming tot gevolg heeft op hoge leeftijd en de vergroting van de kloof tussen de generatie is een droevig aspect. De emigranten vertellen dat zij hun moedertaal verloren hebben en daarom niet meer in het Nederlands kunnen spreken.
Maar is dat wel zo? Kan iemand zijn moedertaal kwijtraken? Woorden die een bepaalde bijzondere betekenis hebben, zoals gezellig werden makkelijker onthouden als vage en onduidelijke woorden. Ook woorden die in het Engels en Nederlands eenzelfde betekenis hebben en eenzelfde klank werden ook sneller gereproduceerd. Hierin zit de crux: in de woordvinding. De woordvinding als onderdeel van de processen om taal te reproduceren.
Het gaat eenvoudig om de werking van de hersenen. De moedertaal wordt in de hersenen anders opgenomen dan een tweede taal en alle volgende talen. Dat is een verassende conclusie van onderzoek. Maar gaat dit proces in zijn werk: Zijn het verwerven van de moedertaal en het leren van een tweede taal twee gescheiden processen? Of zijn beide ontwikkelingen juist onderdeel van een geïntegreerd proces? Of van beiden een beetje? Onderzoek met behulp van beeldschermen heeft aangetoond dat woorden in de moedertaal tot een hogere en snellere piek leidt in de linkerhersenhelft. Een woord in de tweede taal bracht veel minder activiteit teweeg. In ieder geval zal geen enkele emigrant zijn moedertaal verliezen, ook al bezigt hij deze niet meer Geen enkele Nederlander in het buitenland kan beweren zijn taal verloren te zijn.

Moedertaal

Misschien slaapt er nog iets in je hoofd
Iets van de taal van je moeder

Want taal kan slapen – je probeert te bedenken
Wat je droomde terwijl de droom alweer verdwijnt
In een steeds donkerder wordende schemer nog
Voor je de woorden ervoor terugvindt

Bij het woord moedertaal zie ik een oude foto
Een schemerdonkere slaapkamer en in het bed
Een jonge vrouw met in haar schoot
Een pasgeboren kind – mijn moeder en ik

Zij buigt zich over mij en haar gezicht is
Nadenkend alsof ze vraagt wie ik ben
Mij zoekt en zoekt naar woorden voor mij

Ik herinner mij niets van wat ze zei maar
Dat is misschien de taal, je moeder
Slapende gebieden in je hoofd.

Rutger Kopland.