Het dochtertje van Jaïrus ontmoet Doornroosje: personificaties van de katholieke kerk in Nederland aan het eind van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw.

In de periode na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1835 werkten de katholieken hard aan hun emancipatie en gelijkberechtiging. Het herstel werd eindelijk, na een moeizame en voorzichtige start na de Franse Revolutie, mogelijk gemaakt door de liberale grondwet van 1848 waarin de scheiding kerk en staat opnieuw bevestigd werd.  De protestantse Aprilbeweging was nog een felle reactie op deze nieuwe kerkelijke situatie, maar ebde echter langzaam weg.[i] In het prachtwerk ‘Neerlandia Catholica’, dat in 1887 door de Nederlandse katholieken aan paus Leo XIII geschonken werd ter gelegenheid van zijn vijftigjarig priesterjubileum en waarvan de totstandkoming en het product een hoogtepunt vormden in het katholieke emancipatieproces, staat een prent voorstellend de opwekking van het dochtertje van Jaïrus. De afbeelding lijkt terug te gaan op een herdenkingsmunt, die geslagen werd bij het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland in 1853.  Dit verhaal vormde de aanleiding om het dochtertje van Jaïrus, als personificatie van de herstelde rooms-katholieke kerk en kunst in Nederland te onderzoeken in het spoor van het onderzoek naar de totstandkoming van het ‘Album Neerlandia Catholica’. Tijdens dit onderzoek bleek ook Doornroosje een personificatie te zijn van deze kerk. Een opvallende combinatie van christelijke en Germaanse symboliek. Het hiernavolgende kan uiteindelijk gezien worden als het resultaat van een globale studie naar het voorkomen van de slapende vrouw in de beeldende kunst in de negentiende eeuw in het algemeen. Een onderwerp dat op meerdere niveaus en in meerdere richtingen verder vervolmaakt kan worden.

Van munt tot prent             

In 1853 werd de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland hersteld. Deze gebeurtenis inspireerde Leopold Wiener (1823-1891) [ii] tot het ontwerpen van een herdenkingsmunt met de voorstelling van de opwekking van het dochtertje van Jaïrus. (afbeelding ) Een exemplaar van deze munt behoort tot de collectie van het Catharijneconvent in Utrecht.[iii] De Bijbeltekst waar de uitbeelding op teruggaat is te lezen o.a. in Marcus 5: 41. ‘Hij pakte de hand van het kind vast en zei tegen haar: “Talita Koem!” In onze taal betekent dat: “Meisje, ik zeg je, sta op!”  Het meisje bleek niet dood te zijn, zoals iedereen dacht, maar slechts te slapen. Het verhaal komt ook voor in Matteüs 9: 18-26 en in Lucas 8: 41-56. De prent in ‘Neerlandia Catholica’(afbeelding ) werd ontworpen door R. van de Pavert en J. Dunselman.[iv] In de ‘Cataloog’ die bij de rondreizende tentoonstelling van het album hoort, wordt echter Pierre Cuypers als ontwerper van de prent genoemd en niet Van de Pavert. [v]  Deze werkte misschien alleen de randversieringen, de prachtige naturalistische bladerpatronen en de gekalligrafeerde tekst uit. Dunselman vervaardigde de figuren in de hoofdafbeelding.[vi]  Onder de afbeelding staat ‘Et ait illi: talitha cumi, quod est interpretatum: puella, tibi dico, surge.’ Boven de voorstelling is op een blauwe ondergrond met gouden sterren de symbolische voorstelling van de H. Drievuldigheid afgebeeld:

‘de hand des Almachtigen Vaders –het zaligmakende Kruis des Zoons – de 7 zaligmakende Genadestralen des H. Geestes ‘. [vii]

De uitbeelding van Dunselman en Cuypers lijkt voort te borduren op de voorstelling van de herdenkingsmunt. Afwijkingen van het voorbeeld zijn het rechthoekige kader met in de boog een prominent aanwezige duif als symbool voor de Heilige Geest en de toevoeging van twee staande heiligen. Deze duif is op de penning klein en enigszins naar de achtergrond weggedrukt. De heilige aan de linkerkant is Servatius en aan de rechterkant staat Willibrord, beiden onder rijke baldakijnen en ieder met een kerk in de hand. Op de achterkant van de herdenkingsmunt staat een Latijnse tekst die in de prent onder de afbeelding is weergegeven en in de Cataloog als volgt in het Nederlands geciteerd wordt:

‘In den jare Onzes Heeren 1853, onder het Pausschap van Pius IX en in het vijfde jaar der Regeering van Koning Willem III, is door de bijzondere Genade Gods de Kerkelijke Hierarchie in Nederland hersteld. De dankbare Katholieken.’ [viii]

Ook de wapens van de vijf bisdommen worden op de prent herhaald. In de gekalligrafeerde hoofdletter is de uitreiking van de bul ‘Ex qua die’ door paus Pius IX in 1853  uitgebeeld.

Anthonius Brouwer’ uitbeelding van het dochtertje van Jaïrus, alias Jessonda bij Felix Rutten

Chronologisch past tussen de munt (1853) en de prent (1887) een schilderij van Anthonius Brouwer [ix] uit 1863 (afbeelding ) dat zich in de collectie van het Catharijneconvent bevindt. Het werk dat vermoedelijk gemaakt is voor rijke Hilversumse tapijtfabrikanten en verworven is uit de nalatenschap van J.L. van der Heijden, c. 1947/48, pastoor van de H. Gertrudis in Utrecht, in 2002. [x] Deze afbeelding lijkt in grote lijnen op die van de munt en de prent. Wel is er meer nadruk op de gehele scene gelegd en komt de dramatiek sterker naar voren, vooral in Christus die de nog half slapende Jessonda opwekt. De munt en de prent laten een vrouw zien die inmiddels ontwaakt is. Christus en het dochtertje van Jaïrus op het bed worden omgeven door vijf omstanders, onder wie de ouders van Jessonda. Volgens Lucas  vroeg Jezus alleen Petrus, Johannes en Jacobus mee naar binnen te gaan. Brouwer volgt de Bijbeltekst nauwkeurig.

Het dochtertje van Jaïrus vinden wij terug In ‘Jessonda. Het dochtertje van Jairus. Mysteriespel in drie bedrijven’ van Felix Rutten[xi] ruim zestig jaar later. Dit spel is verlucht met tekeningen van G. Westermann (Amsterdam 1920). In het toneelstuk figureren de volgende personages naast Jezus, Jessonda, Jaïrus en zijn vrouw:  Maria Magdalena, Eli, vriend van Jessonda, Noemi,  dienstmaagd van Maria Magdalena , Ammon en Kaleb als joodse ouderlingen, Timon, dienaar van Jaïrus, een andere dienaar, Lucius de Romeinse legaat, klaagvrouwen, Romeinse soldaten en volk. Overigens komt in het spel ook Judas voor, die niet in de rolverdeling genoemd wordt, maar wel een cruciale rol speelt. De drie door Lucas genoemde apostelen hebben in het verhaal geen rol toebedeeld gekregen. Het spel weeft rondom het centrale thema van de opwekking drie andere verhalen aan elkaar: het aanstaande verraad van Judas, de verhouding tussen Jezus en Maria Magdalena en het hardnekkige ongeloof van Jaïrus. De beschrijving van het interieur van Jaïrus huis komt opvallend overeen met de uitbeelding op de munt, de prent en het schilderij. ‘Er is een groote deuropening in den achtergrond der zaal, gesloten door een voorhang.’[xii] In de eigenlijke scene is het gordijn deels weggeschoven.  De vrouw die prominent op het schilderij aanwezig is, is zonder twijfel Maria Magdalena, omgeven door twee van de drie genoemde apostelen. Westermann heeft als illustratie bij het mysteriespel een mooie, strakke lijntekening vervaardigd van de opwekking. (afbeelding )

Een verschil in karakter tussen de uitbeelding van Brouwer en die van Wiener en Dunselman is de persoon van het meisje zelf. Op de laatst genoemde afbeeldingen is het dochtertje een bevallige, volwassen vrouw. Brouwer beeldt haar uit als een meisje. Ook Rutten houdt vast aan het kinderlijke van Jessonda en Westermann volgt hem hierin. Zijn Jessonda is ingesnoerd in een soort habijt, dat haar kuisheid lijkt te onderstrepen. De volwassenheid van de vrouw paste natuurlijk beter in het beeld van de ontwaakte kerk, die groot, sterk en fier, zich direct manifesteerde na 1853. Een slaperig kind draagt die betekenis niet uit.

Schaepmann kiest voor Doornroosje

De heropleving van de katholieke kerk werd dus herhaaldelijk verbeeld met de opwekking van Jaïrus’ dochter, maar incidenteel ook met het ontwaken van haar sprookjesachtige zusje, Doornroosje. Zo sprak Schaepman [xiii] op 17 juli 1895 tijdens de Algemene Ledenvergadering van het Sint Bernulphusgilde in Utrecht over het sprookje van Doornroosje naar aanleiding van het overlijden van Jean Bethune in 1894. [xiv] Voor dr. Schaepman was Bethune het voorbeeld van de christelijke kunstenaar, een meester in de middeleeuwse betekenis van het woord (‘middeneeuwsch’ staat er letterlijk).[xv]  Samen met het internationale gezelschap bestaande uit Reichensperger en Schnütgen, beiden Duitsers, Stuart Knill, een Engelsman, en Van Heukelum (een Nederlander), ijverde Bethune (een Belg) voor de herleving van de christelijke kunst. Zij deden dit ondermeer door het christelijk erfgoed te verzamelen, te beschrijven en tentoon te stellen, maar ook door zich actief te bemoeien met de vervaardiging van de christelijke kunst en hierin de neogotiek  als richtlijn neer te zetten.[xvi] Om zijn eerbetoon aan Bethune kracht bij te zetten haalde Schaepman het sprookje aan dat leeft bij alle volken van Europa onder verschillende namen: ‘Dornröschen’ bij Grimm, ‘La Belle au Bois Dormant’ bij de Fransen en de ‘schoone slaapster in het bosch of de betooverde prinses’ hier ten lande. Volgens de spreker lag aan deze sprookjes een Indo-germaans thema ten grondslag. Omdat deze sprookjes op verschillende manieren te interpreteren zijn, aldus Schaepman, kan het Germaanse sprookje van Doornroosje zonder problemen in relatie gebracht worden met de christelijke kerk en kunst.

‘Tusschen het germaansche volksleven en het leven der Kerk bestaan immers verschillende zeer innige betrekkingen; het eerste is het meest gezonde, meest natuurlijke leven geweest dat bestond vóór het Christendom. We hebben de prinses, het koningskind, in ’t begin dezer eeuw vooral het ‘slapend’ koningskind; wij hebben de booze Fee, hier verschijnend in een tweevoudige gedaante: die van het oude heidendom met zijn lachende lokkende en verleidende godinnen, en die der Reformatie, den opstand tegen God en zijn gezag. Waar is de prins? Dien prins, die aan de schoon slaapster het leven komt hergeven, hebben (wij ?) te erkennen in meester Jean Béthune.’

Tot zover de rolverdeling. Schaepman probeerde Bethune als prins nader te duiden en gebruikte daarvoor een ander beeld uit de Hollandse geschiedenis van vóór de Reformatie. Namelijk het verhaal dat er in die tijden vier Hollandse geslachten waren. Als vertegenwoordiger van het oudste, edelste en rijkste geslacht heeft Bethune de schone slaapster tot leven gewekt. Het ‘stoutste’ geslacht was overigens het huis van de Van Arkels. Over de rol van Bethune als prins noemde Schaepman nog een ander –interessant- facet:

‘Deze prins is zelf ook een opgestane, een verrezene uit de omhelzingen van den valschen smaak, van de renaissance.’ [xvii]

Hij verwees hiermee naar een ontmoeting van vader Bethune met Charles de Montalambert in de jaren 1842-1845. Deze bracht Bethune een bezoek met zijn jonge vrouw, gravin De Mérode, dochter van Felix de Merode. Montalambert had samen met Victor Hugo al een jarenlange strijd gevoerd tegen de ‘moderne Wandalen, die kastelen en historische monumenten verwoestten…..’ en had daarmee naam en faam verkregen. [xviii]

Tijdens deze ontmoeting kreeg de jonge Jean de eer toebedeeld Montalembert rond te leiden door Kortrijk:

‘Van de twee kerken die er te Kortrijk zijn, wordt het eerste bezoek gebracht aan de O.L.V.. Daar voert de jonge edelman zijn metgezel achter het hoogaltaar voor een altaarstuk van Anthonie Van Dijck. Met de geestdrift der jeugd eigen, roemt hij voor Montalembert het kunstwerk van den grooten meester. Maar Montalembert blijft onder dit stortbad van warme woorden volkomen koel, ‘Wat zou die kunst?’ voegt hij zijn jonge vriend toe, de hand op diens schouders leggend, “Gij vindt haar overal! Maar die bogen, die zuilen, die lijnen, die gewelven, dit geheele bouwwerk dat is kunst, gegroeid uit het hart van een volk, kunst, die behoort tot den bodem waarop deze kerk staat, de majestueuze kunst die de spitsboog heeft uitgevonden en de zuilen aaneengereid tot een woud, dat den lof des Heeren zingt. Wilt ge schoonheid, jonge vriend, ga dan naar Brugge en zie de noodkist van S.Ursel, maar laat Anthonie van Dijck u niet verleiden.’ [xix]

Vervolgens somde de redenaar alle wapenfeiten van de overledene op. Deze heeft zich inderdaad bezig gehouden met alle aspecten van de christelijke kunst, behalve met poëzie. Zo heeft hij gebrandschilderde ramen vervaardigd en de abdij van Maredsous bij Namen ontworpen. Dit bouwwerk was zijn laatste schepping en Schaepman gaf een rijke beschrijving van het werk. Kortom: Bethune beheerste het gildevak van de christelijke kunst in al haar facetten en heeft daarmee het christelijk leven in de ware en brede zin nieuw elan gegeven. Naast dit geloof was hard werken een andere peiler van zijn leven. Niet ‘Nulla dies sine line’, maar ‘geen dag zonder kunstwerk’ was zijn adagium. Zijn ideaal was het dan ook ‘le triomphe complet du sentiment chrétien dans toutes les branches de l’art chrétien’ na te streven. [xx]

Verder memoreerde Schaepman de oprichting van het gilde van S. Thomas en S. Lucas en de oprichting van de S.Lucas-school.  Hij eindigde zijn betoog, dat zeer veel bijval oogstte, met de woorden dat

‘die herleving (van christelijke kunst) niet slecht mogelijk, maar zelfs zeker is mits de kunstenaars ware christenen zijn. De kunst heeft eene lichaam en eene ziel. Een lichaam: dat zijn de kleuren, dat zijn de spitsbogen, de zuilen; een ziel: dat is de ziel, die het roomsche Credo uitzingt.’ [xxi]

Schaepman heeft zich in deze lijkrede uitgeleefd, zoals hij dat eerder deed in de beginjaren van het gilde. Uit die tijd dateren zijn kunsthistorische essays over de ware christelijke kunst. Deze verhandelingen zijn minder kunsthistorisch in de wetenschappelijke zin van het woord. Zij laten vooral een emotionele uiting zien van de beleving van kunst, waar een degelijk ‘connoisseurschap’  en een doorleefd kunstgenot aan ten grondslag liggen. Na zijn overlijden sprak de deken van het Gilde een rede uit, waarin hij uitgebreid stil stond bij het kunsthistorische werk van Schaepman. Hij meende dat diens kennis niet gebaseerd was op kennis, maar op het kijken. Hij zegt:

‘Indien hij (Schaepman) door Gods bestel een anderen werkkring had gekozen en penseel of beitel gehanteerd, dan zou hij meesterwerken hebben geschapen in de trant van Michel Angelo en Rubens.’[xxii]

En even verder memoreert de spreker een gesprek tijdens een bezoek aan de ‘Sagrestia Vecchia’ in Florence waar zij de beelden van Michel Angelo bewonderden en Schaepman in lyrische bewoordingen het werk prijst:

‘”Eigenlijk jammer, dat je geen beeldhouwer geworden bent.’’Ja’’Ja” antwoordde de dichter, “wel is kunst van het woord de hoogste kunst; maar z’n ideeën in marmer te kunnen vereeuwigen, dat trekt mij toch ook geweldig aan.”’[xxiii]

Onwillekeurig dringt zich bij Schaepman de vraag op hoe hij de vrouw eigenlijk beschouwde. Als moeder, gelovige katholiek en medemens. En vervolgens wat was die rol van vrouwen in de emancipatie van de roomse kerk eigenlijk? Hoe inspireerden zij hun mannen en zonen vanuit hun, door de kerk zo geïdealiseerde en onnatuurlijke aard? Een aantal onderzoekers heeft al eens gewezen op de snelle en hoge mate van georganiseerdheid van katholieke vrouwen in de negentiende eeuw, maar de invloed daarvan op de feitelijke emancipatie is nog niet goed bestudeerd.

Een zijsprong: het dochtertje van Jaïrus als medische casus

Een curieus boekje verscheen in 1924 van de hand van dr. G.W. Boland [xxiv] in de reeks ‘Levensvragen. Een brochurenreeks voor allen die in den geestesstrijd onzer dagen belang stellen- Serie XI, no 8 Met Jaïrus Dochterken in ’t Krachtenveld. Studie tot Handreiking van Theoloog en Medicus’,  Baarn 1924. [xxv] De vooraanstaande medicus met een vaardige pen had al eerder een verhandeling geschreven over de opwekking van Lazarus (1921) en na zijn werkje over Jaïrus dochtertje (1924) volgde nog een deeltje over de jongeling van Nain bij dokter Lukas (1926). In zijn beschouwing over de medische aspecten van het geval Jessonda, dat hij uitgebreid vergelijkt met de casus Lazarus, merkt Boland op dat haar slaap op een cruciaal moment in het leven van ‘semitische’ vrouwen plaatsvindt, namelijk op twaalf- dertienjarige leeftijd. Het tijdstip waarop velen van hen gaan menstrueren, zoals onderzoek van dr. Blok onder ‘Amsterdamsche Jodinnen’ uitgewezen heeft. [xxvi] Hij verwijst naar een voorgaande passage in dezelfde Bijbeltekst waarin een vrouw die al twaalf jaar zonder ophouden menstrueert alleen al door aanraking van het kleed van Jezus genezen wordt. Boland trekt een parallel tussen deze twee gevallen. Een meisje van twaalf en een volwassen vrouw die twaalf jaar onafgebroken vloeit. Ook de psychologische ‘losmaking’ van de vaderfiguur zou een rol kunnen spelen in het beschreven ziektegeval. Het ongeloof van de vader in Jezus als wonderdoener en zoon van God zou dan de uiteindelijke reden zijn voor de diepe slaap van het kind, dat immers geneigd is als vanzelf de Messias te volgen. De knieval van de vader voor Jezus om redding af te smeken voor zijn dochter is de doorslaggevende handeling in het krachtenveld van relaties waarmee uiteindelijk het meisje gered wordt. Overigens vindt er een identificatie plaats van Jezus met de vaderfiguur.  Boland beschrijft dit als volgt:

‘Ontsluiting. – En zoo nu dan, alle-obstakels-vermeesterd in de volstrekte intimiteit van het Heiligdom daarbinnen: de ongeremde samen-vatting, die, den-afstand-doorloopen, het wonder der herleving tot uitslag heeft. Eén hand-slag van Jezus, thans, overste Jaïrus, bij –volkomen-verkregen-persoonsadaptie, naar den hang uwer smeekbede toegepast en ’t proces der genezing is ingeleid. De motorische doorschokking, in ’t geval Lazarus, naar we zagen – Joh.11:41- , door den stroom-van-vol-daglicht in de camera, gewekt, zo voltrekt zich ook hier onder optimum-bij-maximum, als ware Jezus’ beroerende hand-greep de doorvlijming eener pylsnelle hart-steek geweest. Deez’ hart-steek dan eenmaal geworden tot feit, herwint de bloed-stroom meteen zijn leven-wekkenden gang; en zoo goed als met de ‘groote stem’; “Lazarus, kom uit” ginds de spieren weêrom-aan-den-prikkel-gehoorzaamden, zoo goed doen ze ’t hier op het: “Thalitha kumi, gij dochterken, ik zeg u, sta op!’[xxvii]

Boland sluit af met een oproep aan theologen om zich te realiseren dat zowel Lazarus als Jessonda zich in een toestand van ‘vie latente of nekro-biosis’, de overgang tussen leven en dood,  bevonden en door een krachtbron weer opgeleefd zijn. Christus speelt in dit geheel de rol van de krachtgever. Het wonder wordt zo teruggebracht tot fysieke en medische dimensies. De bijbel is naast ‘het Boek –van-den Norm; den Bijbel nog wel: de Dokter-in-huis!’[xxviii]

Een schone slaapster en Pius IX

In ‘De Blijvende Verlokking. Kunstenaars uit de Lage Landen in Italië, 1806-1940’ is de afbeelding van een schilderij opgenomen met als titel ‘Bloemenliefhebbers/ ‘La bella addormentata’.[xxix] (afbeelding) De maker van het schilderij is Willem Johann Martens (1839-1895). Hij behoorde samen met Laurens Alma Tadema (1836-1912) en Cecil van Haanen (1844-1914) tot schilders die rond 1840 Italië als inspiratiebron ontdekt hadden. Martens was met zijn contacten in Italië en Duitsland het sterkst internationaal georiënteerd van het drietal.[xxx] De drie onderhielden nauw contact met elkaar en steunden elkaar. Het opgenomen schilderij stelt een slapend bloemenmeisje voor dat in een achttiende eeuwse neorococo entourage is afgebeeld en door twee heren, een edelman en een priester begluurd wordt. De voorstelling heeft misschien een erotische lading en de persoon van de priester maakt het geheel humoristisch. Maar hebben wij hier echt alleen te maken met twee ‘oude geiten die een jong blaadje lusten’ of is de slapende vrouw een personificatie van  een  hoger thema. Schaepman wijst niet voor niets op de bijna altijd aanwezige diepere betekenis van Doornroosje, die op vele manieren uitgelegd kan worden. Natuurlijk staat de freudiaanse duiding er al geruime tijd vlak naast. Misschien staat dit bloemenmeisje voor het jonge Italië dat opgewekt wordt uit de slaap na de succesvolle vrijheidsstrijd van Garibaldi, gesteund door kerk en adel. In 1861 werd het koninkrijk Italië uitgeroepen. De positie van de kerk in het algemeen en van de paus in het bijzonder is echter in de decennia hierna een erg moeilijke geweest, onderhevig aan een felle machtstrijd met de koning. In 1861 verloor de paus alle wereldlijke macht in Italië en vanaf 1870 werd hij de ‘gevangene van het Vaticaan’.  Het schilderij is niet gedateerd, maar werd in 1874 tentoongesteld op een tentoonstelling ‘Friends of FLowers’ in de Royal Academy in Londen.[xxxi] De tendens in de tweede helft van de negentiende eeuw waarin genre- en historieschilderingen in elkaar overvloeien, maakt een diepere interpretatie van het slapende meisje niet geheel onmogelijk. Interessant is in deze context ook de prent die Anthonius Brouwer vervaardigde en die zich bevindt in de collectie van het Catharijneconvent onder de titel ‘Symbolische prent met in het centrum Paus Pius IX’ uit dezelfde periode als het schilderij van Martens. [xxxii] Op deze prent staat Pius IX zegenend in het midden, met de ‘Syllabus’ uit 1864 in zijn linkerhand. Aartsbisschop Andreas Schaepman is met het Nederlandse katholiek bestuur vlak onder de koepel van de St. Pieter afgebeeld. Schaepman bekleedde deze functie vanaf 1868. Het Nederlandse (?) volk is in devote houding afgebeeld en enkelen dragen het vaandel van Maria Onbevlekt Ontvangen met zich mee. Een geloofsdogma van de paus. Aan de rechterkant worden de Garibaldisten teruggeslagen door de zoeaven. Christus triomfeert boven het geheel met enkele heiligen, onder wie een van de martelaren van Gorcum. Omdat een verwijzing naar het Onfeilbaarheidsdogma van de paus uit 1870 ontbreekt, zou de prent voor dit jaar vervaardigd kunnen zijn. Overigens staat er nog een interessant groepje van drie mannen links op de afbeelding. Eén van hen heeft een palet in de hand en zou Brouwer kunnen, een tweede lijkt erg op Joseph Alberdingk Thijm. De derde zou met naspeuring misschien ook nog geïdentificeerd kunnen worden. Maar zelfs een duidelijke prent als deze blijft in feite moeilijk precies te duiden, laat staan een genreachtig historiserend tafereel van Martens. (afbeelding) [xxxiii]

Nawoord

Zoals in de inleiding al aangestipt werd, is de aanleiding voor dit artikel de prent in het ‘Album Neerlandia Catholica’ met de opwekking van het dochtertje van Jaïrus geweest. Zij staat symbool voor de ontwaakte katholieke kerk in Nederland na 1853. Felix Rutten, de lange tijd in Rome woonachtige en daar gestorven schrijver, verwerkt het dochtertje van Jaïrus in een mysteriespel dat verschillende geloofsthema’s met elkaar in verband brengt. Hij staat stil bij enkele thema’s, zoals het verraad van Judas, de relatie tussen Jezus en Maria Magdalena en het zuivere geloof van een kind. Schaepman kiest voor Doornroosje als personificatie van de Nederlandse katholieke kerk en kunst, wanneer hij op de zijn bekende manier een lofrede houdt op Bethune na diens overlijden in 1894. Deze was immers de grote wegbereider van de neogotiek in België. Samen met Schnütgen, Stuart Knill, Reichensperger en Van Heukelum werkte Bethune  aan de herleving van de ware christelijke kunst in Europa. Een herleving die theoretisch en kunsthistorisch door Schaepman in woord en geschrift ondersteund wordt. Illustratief is het feit dat Schaepman expliciet verwijst naar de Germaanse oorsprong van het sprookje en daarmee de relatie legt met de wortels van de christelijke kunst in noord -europa. Een authenticiteit die de leden van het Bernulphusgilde aansprak en die ook Bethune in zijn werk nastreefde.



[i] Zie hiervoor mijn artikel over het album op mijn website.

 

Casper Staal, oud conservator van het Catharijneconvent die mij opmerkzaam maakte mij op de munt en het schilderij van Brouwer attent.

 

[ii] Leopold Wiener (1823-1891) leefde voornamelijk in Brussel. Hij was afkomstig uit Venlo. Zijn stijl is neo-classicistisch . Thieme Becker, eds. ‘Allgemeines Lexikon der bildenden Künstler’, vol. 35, 536. Geciteerd bij Looyenga, 183 (zie v)

[iii] De munt heeft als inv.nr. MH m6291a

[iv] Jan Dunselman (1863-1931) . Studeerde aan de Kunstacademie in Den Helder en in Antwerpen (van 1881 tot 1883). In 1884 won hij de Prix de Rome samen met Jacobus van Looy. Hij werkte vooral als schilder van kerkinterieurs en kruiswegstaties. Zijn belangrijkste werk is het schilderij in de kerk van de Hl. Nicolaas in Amsterdam (1891-1898). Overigens bleef Dunselman het neo-classicisme trouw en ging niet over tot de neo- gothiek. Scheen, ‘Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars’ geciteerd uit Looyenga, 195.

[v]‘ Catalogus voor de tentoonstelling van het album Neerlandia Catholica……’ Utrecht, 1888, p. 15.  UB Maastricht, MU VAC 672

[vi] Looyenga, A., “Neerlandia Catholica. A Nineteenth Century Miniature Work” in ‘Th. Coumans en Jan De Meyer, ‘The Revival of Medieval Illumination. Nineteenth Century Belgium Manuscripts and Illuminations from European Perspective’, Kadoc Series 8, Leuven  p. 173 – 195, p. 182.

[vii] Cataloog, 14

[viii] Cataloog, 15

[ix] Anthonius Brouwer, Nijkerk  18 juli 1827 – Hilversum 4 juli 1908. Werkzaam in Hilversum. In de jaren 1862-1863 heeft hij in België de kunstacademie bezocht (Antwerpen). Leerling van de Rijksacademie in Amsterdam (1849-1855) o.l.v. J.W. Pieneman en van de Tekenacademie te München (1859-1861). Was lid van ‘Arti et Amicitae’ in Amsterdam. Hij heeft Bijbelse voorstellingen geschilderd, getekend en litho’s vervaardigd. Het hier besproken schilderij werd in 1892 tentoongesteld in Amsterdam. Bron: Pieter Scheen ‘Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars, 1750-1880’, Den Haag 1981.  Scheen vermeldt verder nog de schilderijen ‘Vogelnestje met takken’, tentoongesteld in Leeuwarden 1853,  ‘Genoveva ontdekt door Siegfried’ tentoongesteld in Den Haag 1863, ‘Christus voorspelt de ondergang van Jeruzalem’ en ‘Gewijde Muziek’ in Rotterdam 1894. ‘De berouwvolle Petrus’ te zien op een tentoonstelling in Amsterdam 1899, ‘Christus op de lijdensweg’ in de dezelfde stad in 1903 en ‘Maria en Johannes’.  Christopher Wright noemt in zijn ‘Paintings in Dutch Museums. An index of oil paintings in Public Collection in the Netherlands by Artists born before 1870’, Amsterdam 1980, de schilderijen in  het Historisch Museum in Amsterdam ‘1709; the victory of Jan Willem Friso at Malplaquet’ (A4872), ‘1703:  the conquest of the fortress of Bonn by Coehoorn’(A4873), ‘1676: the saving of the Hugarian Protestant priests at Naples by the Ruyter’( A5126) en in het Goois Museum: ‘de heer Fokker’ (?) Verder bezit het Rijksmuseum het schilderij ‘De laatste ogenblikken van de martelaren van Gorcum, 1572’ RP-F-00-547, weliswaar is de maker anoniem maar de toeschrijving is aan Anthonius Brouwer. Over dit  schilderij heb ik niet veel meer informatie kunnen vinden tot op heden.

In ‘Helden van het Vaderland. Onze geschiedenis in 19de eeuwse taferelen verbeeld. De historische galerij van Jacob de Vos Jacobszoon, 1850-1863’ onder redactie van Dedalo Carasso, Amsterdam 1991, wordt als aanvullende informatie gegeven dat J. A. Alberdingk Thijm hem karakteriseerde als de ‘wakkere Hilversumse kerkschilder’ in diens bespreking van de historische galerij van De Vos. (p. 165). Vermeld wordt dat hij in Amtwerpen werkte van 1862-1863, niet studeerde, zoals Wright en Scheen beweerden. De drie schilderijen die Brouwer voor de galerij vervaardigde, waren: ‘Anno 1676. De bevrijding der Hongaarse predikanten door De Ruyter’, (cat.nr 189), ‘Anno 1703, de inneming van Bonn’(cat.nr. 207) en ‘Anno 1709, Jan Willem Friso in de slag bij Malplaquet’, (cat.nr. 211). Het RKD vermeldt onder nr. 137080 een zelfportret van Anthonius Brouwer  uit 1885 in de St. Vituskerk in Hilversum en een portrettekening uit 1850, eveneens in de St. Vituskerk in Hilversum (137081)

Eddie de Paepe schreef in “Eigen Perk” een biografisch artikel getiteld  ‘Uit het Gulden Boek: Anthonius Brouwer, hofleverancier van de Vituskerk’ , 2000/1, p. 25-32. Tijdschrift van de Historische Kring Hilversum, Albert Perk.

Gerard Brom heeft in de jaren dertig van de vorige eeuw aandacht aan Brouwer besteed.

Het hier besproken schilderij is olieverf op doek. Zonder lijst 145 x 142. ABM s479. Museum het Catharijneconvent.

[x] Informatie afkomstig uit database Catharijneconvent.

[xi] Felix Jean Joseph Hubert (Felix) Rutten, Sittard 13 juli 1882- Rome 22 december 1971, studeerde en promoveerde aan de universiteit van Leuven op Joost van den Vondel. Hij was van 1919 tot 1929 getrouwd met Marie Koenen. Na de scheiding vertrok hij naar Rome waar hij tot aan zijn dood woonachtig bleef. In 1957 ontving hij een ere penning van deze stad voor zijn promotie activiteiten. Hij schreef literaire reisverhalen, toneelstukken, gedichten en mysterie spelen zoals ‘Jessonda’ (eerste uitgave 1920).

[xii] Rutten, 81

[xiii] Schaepman, H.J.G.  (Herman), 1844-1903, Rooms-katholiek priester, ultramontaans in zijn opvatting,  redenaar, dichter, theoloog en politicus. Eerste priester die lid werd van de Tweede Kamer voor het kiesdistrict Breda en een sterk sociaal vooruitstrevend beleid wilde voeren. In de wandelgangen ‘de doctor’ genoemd. In het Bernulphusgilde speelde hij een grote  rol in de stichting en de theoretische onderbouwing van het gezelschap. Zijn bijdragen aan de vergaderingen en de verslagen zijn tot op heden onvermeld gebleven, maar talrijk en informatief van aard. Inhoudelijk  verdronken deze wel af en toe in zijn redenaars- en schrijftalent. Een stijl die overigens weer illustratief is voor deze generatie priesters en die veel respect en waardering afdwong onder toehoorder en lezers. Werkte aanvankelijk goed samen met Van Heukelum, maar een vertrouwensbreuk zou de oorzaak kunnen zijn van het stopzetten van zijn activiteiten. Voor zijn rede over Bethune maakte hij na lange tijd zijn rentrée, weliswaar met de uitdrukkelijke vermelding dat hem door drukke werkzaamheden slechts weinig tijd gegund was. De lengte van zijn rede valt in dat opzicht, maar misschien zijn zijn ‘normale’ voordrachten nog wel veel langer.

[xiv] Jean-Baptiste Charles Francois (Jean) Bethune, Kortrijk 25 april 1821 – Marke, 18 juni 1894. Over de Lucasscholen is in 1988  een interessante en uitgebreide studie verschenen bij het KADOC in Leuven. Jan de Maeyer, ed. ‘De Sint Lucasscholen en de neogotiek, 1862-1914’.  Nr. 5. Vorig jaar verscheen ‘Amis Gothiques. Der Briefwechsel von August Reichensperger und Jean Baptiste Bethune, 1858-1891’ door Wolfgang Cortjaens in de KADOC-reeks.

[xv] Verslagen van het Sint Bernulphusgilde,  1892-1895, Centre Céramique, TSQ 162 (1892-1895), verslag ALV van 17 juli 1895, p. 12-14, 12

[xvi] Zie hiervoor mijn artikel over het ‘Album Neerlandia Catholica’ op mijn site.

[xvii] Idem, 12

[xviii] Charles René Forbes de Tryon (Charles) de Montalembert, Londen 29 mei 1810-Parijs 13 maart 1870, was een Frans politicus, schrijver en redenaar. Hij was leider van de liberale katholieken en ijverde voor vrijheid van onderwijs. Naast het volkvertegenwoordiger- schap was hij vanaf 1851 lid van de Académie Francaise. Hij schreef ondermeer over Maria van Hongarije en samen met Victor Hugo in 1831 het ‘Vandalisme en France’ waarnaar Schaepman verwijst in zijn rede. Samen met Reichensperger was hij de grote promotor van de neogotiek in Europa. Zijn redevoeringen werden al tijdens zijn leven uitgeven. Zijn  schoonvader was Philippe Felix Balthazar Otto Ghislain (Felix) de Merode. Maastricht 13 april 1791 – Brussel 7 februari 1831. Fervent aanhanger van de Belgische Opstand en overtuigd katholiek. Speelde een grote rol in de vorming en het bestuur van de jonge staat.

[xix] Verslagen, 13

[xx] Idem, 13

[xxi] Idem, 14

[xxii] Verslag Sint Bernulphusgilde over de jaren 1901-1912, vergadering 1 april 1903, p. 25.

[xxiii] Idem, p. 25

[xxiv] G.W.Boland, Ammerzoden 9 juni 1874 – Den Haag 1 februari 1938. Promoveerde in 1902 op het proefschrift ‘Een nieuwe methode ter bepaling van de generatieduur van bacteriën’. Werkte bij het Rode Kruis en hielp mee met de oprichting van diverse afdelingen en nevenonderdelen. Was actief betrokken bij de stichting van het Juliana kinderziekenhuis. Hij eindigde zijn loopbaan als hoofd van wat nu de GGD heet in Den Haag en ontving in 1937 de onderscheiding officier in de Orde van Oranje Nassau voor zijn inspanningen. Hij hield zich ondermeer bezig met methoden van kunstmatige beademing van drenkelingen, de werking van blauwzuur en typhus- gevallen in Limburg.  Zijn schrijfsels ‘de theoloog en medicus’ zijn volgens zijn necroloog, P.A. de Wilde, curieuze zijsprongen. Bron: ‘Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde’, 82 I  7, 1938, p. 775

[xxv] UB Maastricht, 1208 i 26

[xxvi] Bolland, 26

[xxvii] Bolland, 43

[xxviii]  Bolland, 51

[xxix] Roding, M.J. en D. Adelaar, ‘De Blijvende Verlokking. Kunstenaars uit de Lage Landen in Italië, 1806-1940’, Rotterdam 2003, Catalogus bij de tentoonstelling in de Kusnthal te Rotterdam.  ill. 123. Olieverf op doek, 47×36,5 cm, verblijfplaats onbekend. Afgebeeld met toestemming van kunsthandel A. Bies. Artikel Michiel Roding “Drie Society-Schilders”, p.111-130

[xxx] Idem, p. 115.

[xxxi] Idem. p. 115. Interpretatie van het meisje als ‘Italia’ en de context is een mededeling van Michiel Roding.

[xxxii] Schaik, A.H.M. van, ‘Katholiek Nederland en de paus 1580-1985’, museum het Catharijneconvent 1985, P. Dirkse, “Roomser dan de paus. Katholiek Nederland en het Vaticaan, 1853-1953, p. 27-58. Bijschrift afbeelding  92, p.89.

[xxxiii] BMH g02103 De prent, een houtgravure,  is ontworpen door A. Brouwer en uitgevoerd door Pannemaker et fils. Volgens de informatie is de prent ‘oud bezit’.