Cornelis Calkoen op audiëntie bij sultan Ahmed III

Bronnen

‘Alle zaken van mijne audiëntie zijn wel afgelopen en tracteren mij tegenwoordig de ministers met bijzondere vriendschap ’t welk ik hope dat continueren zal’. (1 Met deze woorden berichtte Cornelis Calkoen, ambassadeur voor de Republiek der Verenigde Nederlanden bij de Verheven Porte te Constantinopel (1726-1744), aan de Directie van de Levantse Handel te Amsterdam over zijn audiëntie bij sultan Ahmed III op 14 september 1727. Niet alleen schreef Calkoen een uitgebreid verslag van de audiëntie; hij wilde ook een geschilderd verslag van deze belangrijke gebeurtenis. Hiertoe benutte hij de aanwezigheid in Constantinopel van een schilder uit Valenciennes, die bekend stond om zijn realistische en waarheidsgetrouw afbeelden van dit soort gebeurtenissen: Jean-Baptiste Vanmour (1671-1737). Cornelis Calkoen heeft deze schilder niet alleen enkele opdrachten gegeven, maar vermoedelijk ook diverse werken aangekocht. De collectie die Calkoen bijeenbracht, bevindt zich tegenwoordig in het Rijksmuseum. Deze verzameling bestaat uit vijfenzestig nummers, waaraan nog zeven ‘Turkse’ schilderijen van andere herkomst toegevoegd zijn. (2

Calkoen nam, zoals zovele van zijn collega’s, tastbare herinneringen mee van zijn reizen en ambassadeursschappen. Hijzelf hechtte bijzondere waarde aan de collectie, want hij vermaakte deze bij zijn kinderloos overlijden aan zijn neef Abraham en mocht deze het legaat weigeren, dan kwam een tweede neef Joachim Rendorp in aanmerking. Indien deze de collectie evenmin wilde hebben, dan konden de directeuren van de Levantse Handel met de schilderijen hun kamer in het stadhuis opsieren. (3   Uiteindelijk kwam de collectie in 1817 toch terecht bij de Directie, uit de boedel van de zoon van Abraham, Nicolaas. Met de opheffing van de Directie in 1827 nam het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in ’s-Gravenhage de schilderijen in bewaring. Tijdens de overname van de collectie van het Kabinet door het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst in 1875, kwam slechts een gedeelte van het legaat Calkoen daar terecht. In 1883 werd het totale bezit van dit museum overgebracht naar het Rijksmuseum. Het andere deel werd aanvankelijk opgenomen door het Ethnografisch Museum in Leiden. In 1902 werden alle tweeënzeventig schilderijen samengevoegd tot de Collectie Calkoen. (4  De werken in deze verzameling kunnen toegeschreven worden aan Jean-Baptiste Vanmour, behoudens een tweetal schilderijen en de serie figuurstudies die vermoedelijk uit het atelier van Vanmour stammen. (5

De schilder Vanmour kwam in 1699 in het gevolg van de Franse ambassadeur Ferriol (1698-1711) naar Istanbul. Over zijn achtergrond en opleiding is niet veel bekend. (6  Vermoedelijk heeft hij zijn opleiding genoten aan de academie van Lille. Het werk van Vanmour heeft niet zozeer een artistiek belang, maar is vooral uit cultuurhistorisch oogpunt interessant. Middels het boek van Pietro della Valle weten we dat het niet ongebruikelijk was, dat minder getalenteerde schilders, wier kunde toereikend genoeg was om waarheidsgetrouwe afbeeldingen te vervaardigen van bijvoorbeeld kostuums, mee werden genomen door de gezantschappen naar het oosten. (7

Vanmour kreeg van de Franse ambassadeur Ferriol als eerste opdracht honderd afbeeldingen te vervaardigen van klederdrachten in het Osmaanse Rijk. De schilder concentreerde zich niet alleen op de kostuums, maar beeldde ook interieurs, zeden en gewoonten en belangrijke momenten uit het leven de Turken af. Na terugkeer in Frankrijk liet Ferriol de tableaus verwerken tot gravures, die uiteindelijk gebundeld werden tot het ‘Récueil de cent estampes représentant différentes nations du Levant’, kortweg  ‘Recueil Ferriol’ genaamd. Het boek werd met veel enthousiasme ontvangen en werd talrijke malen heruitgegeven en vertaald. (8  De naam Vanmour was inmiddels bekend geworden, en de aanvankelijke illustrator wierp zich op als  schilder. Van talrijke buitenlandse functionarissen ontving hij opdrachten voor het maken van schilderijen, ondermeer van audiënties.  Zijn werk had veel succes in Constantinopel: de stroom opdrachten was dermate groot dat een atelier opgericht werd waarin meer schilders werk vonden.  Ook na de dood van Vanmour bleef er een school bestaan van schilders die exact in de stijl van hun leermeester schilderden. Het waren voornamelijk inheemse schilders van Griekse of Armeense afkomst die voor de buitenlandse markt werkten. Een inzicht in de verregaande overeenkomst tussen de audiëntieschilderijen van Vanmour zelf en die van eind achttiende eeuwse navolgers, geven vier schilderijen in het huis Singraven te Denekamp. Deze schilderijen stellen audiënties van de Nederlandse ambassadeur Frederik Gijsbert van Dedem van Gelder aan het hof van sultan Abdülhamid I voor, waarvoor trouwens de zoon van de ambassadeur vermakelijke herinneringen geschreven heeft. (10  Het concept, het coloriet en de stijl van de werken is geheel identiek aan de talrijke audiëntieschilderijen van Vanmour. (11

Het ambassadeurschap van Cornelis Calkoen

Cornelis Calkoen (1696-1764) was niet de eerste ambassadeur van de Republiek in het Osmaanse rijk (afb. 7). Sinds 1612 was een officiële vertegenwoordiger aanwezig; deze eerste ambassadeur was Cornelis Haga. (12  De belangrijkste reden voor het instellen van de officiële diplomatieke betrekkingen was evenwel niet specifiek  de handel met het Osmaanse Rijk, dan wel de overlast die de Nederlandse kooplieden ondervonden van de Barbarijse kapers. (13  Haga bekleedde het ambassadeursambt ruim achtentwintig jaar en in die periode heeft hij de Levantse Handel van de Republiek zeer zeker verbeterd. De directe voorganger van Calkoen was Jacobus Colyer, die de Republiek van 1682 tot 1725 vertegenwoordigde.

De achtergrond van Cornelis Calkoen, geboren op 21 mei 1696, was die van een patriciërsfamilie te Amsterdam, gerelateerd aan vooraanstaande Amsterdamse families zoals de Trips, de Munsters en de Slichers. (14  Het ambassadeurschap in Constantinopel dankte Calkoen ondermeer aan de inspanningen van een familielid, de burgemeester van Amsterdam Jan Six. (15  De motieven van Cornelis om te solliciteren naar juist de post van ambassadeur in het Osmaanse Rijk zijn niet bekend. Het salaris zal zeker niet het doorslaggevende argument gewest zijn; het is algemeen bekend dat de Nederlandse ambassadeurs bij de Hoge Porte minimale toelages kregen. Vermoedelijk zal de ambitieuze jongeman zich aangetrokken gevoeld hebben tot de onafhankelijke en uitdagende positie van ambassadeur in Constantinopel. De commerciële belangen van de familie Calkoen zullen ongetwijfeld een aansporing geweest zijn. (16  Cornelis vertrok eind september 1726 uit de Republiek. Hij koos voor de landroute naar het Osmaanse Rijk, zodat hij door Duitsland en Oostenrijk diende te reizen. In Wenen legde hij een audiëntie af bij keizer Karel VI; zijn verblijf in deze stad werd echter van langere duur dan was voorzien. Door ziekte,  slecht weer en vertraging in het verkrijgen van de nodige papieren om Hongarije door te mogen trekken, liep de reis van Calkoen aanzienlijk oponthoud op. Uiteindelijk bereikte Cornelis in goede gezondheid Constantinopel op 7 mei 1727.

Daar kwam hij zeer zeker niet in een gespreid bedje terecht;  de afwikkeling van de nalatenschap van zijn voorganger Colyer had de nodige problemen en conflicten teweeg gebracht die door de nieuwe ambassadeur opgelost moesten worden. De grootste moeilijkheden werden veroorzaakt door de weduwe van Jacobus Colyer en haar schoonzuster mevrouw Hochepied, de moeder van de Nederlandse consul in Izmir Daniel Alexander de Hochepied. De uiteindelijke oplossing van deze conflictueuze situatie had aanvankelijk een danige verkoeling in de contacten tussen de consul en de ambassadeur veroorzaakt. (17

Het belangrijkste doel van de ambassadeur was het verbeteren en beschermen van de Nederlandse handel in de Levant, die in de voorafgaande periode sterk achteruit gegaan was. Met recht kan gezegd worden dat dit doel aan het eind van het ambassadeurschap bereikt was. (18  In de eerste jaren maakte Calkoen geen turbulente tijden door: slechts kleine indicdenten met anderen officiële vertegenwoordigers kwamen voor. Een incident, dat wel enig stof deed opwaaien en tot een vertroebeling leidde van de contacten met de Franse ambassadeur  Villeneuve, was de amoureuze relatie tussen de weduwe van Pietro de la Fontane, secretaris van de Nederlandse ambassade en een zekere Bartonlini, een secretaris, maar dan van de Venetiaanse bailo (ambassadeur). Niet alleen  was de Nederlandse vrouw eerst katholiek geworden om met haar geliefde te kunnen trouwen, zij had ook zonder toestemming van de ambassadeur haar minderjarige zoon uit het huwelijk met de La Fontane, Abraham, meegenomen. Met veel moeite en vooral met veel inspanning van de Osmaanse autoriteiten kon Calkoen de jongen weer onder zijn hoede nemen. Ook werd Bartolini door toedoen van de ambassadeur op het matje geroepen door de Osmaanse functionarissen vanwege het misbruiken van de politieke onschendbaarheid van ambassadepersoneel tegen de rechten van de Nederlandse ambassadeur.  De Franse ambassadeur was verontwaardigd over het handelen van zijn Nederlandse collega, omdat volgens hem op deze manier een precedent geschapen was voor inmenging van de Osmanen in kwesties die alleen tot de verantwoordelijkheid behoren van de buitenlandse gezantschappen in Constantinopel. Deze, volgens Calkoen jaloerse, houding van Villeneuve, had de verhouding tussen beiden ernstig verstoord. De Staten-Generaal achtten het zelfs nodig herhaalde malen aan te dringen op een verzoening tussen beide partijen. (19

Cornelis Calkoen bekleedde zijn ambt tijdens de regering van twee sultans: Ahmed III (1703-1730) (afb.14) en Mahmud I (1730-1754). De regeringsperiode van Ahmed III was betrekkelijk vredig; er waren ‘slechts’ de oorlogen tegen Rusland (1711), tegen Venetië en Oostenrijk (1714-1718) en de botsingen met Perzië na 1727. (20 De sultan zag zich echter wel geplaatst voor grote economische problemen,die vooral veroorzaakt werden door de gevolgen van de oorlogen in de voorgaande decennia en de overdadige hofhouding van de sultan zelf! Samen met twee bekwame grootviziers wist de sultan de situatie enigszins het hoofd te bieden.

Aan de heerschappij van Ahmed III kwam in 1730 een gewelddadig einde door de opstand van de Albanees Halil Patrona. Zoals wij van de audiënties van Cornelis Calkoen textueel en visueel een gedetailleerd verslag hebben, zo bezitten wij ook van deze politieke gebeurtenis drie schilderijen, van de eerder genoemde Jean-Baptiste Vanmour, met scènes uit deze opstand. In het archief van de Staten –Generaal bevindt zich een brief van Calkoen met een uitgebreide beschrijving van de gebeurtenissen. (21  De drie schilderijen, die net als de schilderijen van de audiënties behoren tot de Collectie Calkoen in het Rijksmuseum, laten portretten ten voeten uit van de opstandeling Halil Patrona en zijn handlangers zien en het vermoorden van de ministers tijdens deze opstand. (afb.13) 22)  Het is bijzonder dat Calkoen zo welingelicht bleek te zijn over deze bloedige opstand; het was voor buitenlanders niet eenvoudig om de nodige kennis te vergaren over belangrijke gebeurtenissen aan het Osmaanse hof. In tijden van oproer werd hen aangeraden binnen te blijven, zodat zij niet in handen konden vallen van opstandelingen, die het niet begrepen hadden op alles wat ‘vreemd’ was. Dit betekende ondermeer dat buitenlanders zich niet begaven buiten hun eigen wijk, Pera, aan de andere kant van de Gouden Hoorn. In deze wijk stonden de ambassades en huizen van de buitenlandse gezanten en kooplieden, goed afgescheiden van de overige wijken van de hoofdstad. De uitvoerige kennis van Calkoen zal zonder meer voortgekomen zijn uit een goed netwerk van informanten aan het Osmaanse hof, dat hem van de nodige informatie kon voorzien. 23)  Na deze gebeurtenis zou Calkoen nog veertien jaar het ambt van ambassadeur uitoefenen. De karakteristiek van zijn ambtsvervulling onder sultan Ahmed III tot 1730, geldt eveneens voor de periode onder  sultan Mahmud I: vriendschappelijke en goede contacten met het Osmaanse Hof, minder goede relaties met andere buitenlandse gezantschappen. (24

Calkoen diende in 1740 en in de daarop volgende jaren tevergeefs enkele verzoeken voor buitengewoon verlof in bij de Staten-Generaal. Men weigerde hem dit verlof te gunnen, omdat men meende hem nodig te hebben als opvolger van de ambassadeur van Frankrijk, Casper van Hoey, en in die hoedanigheid als onderhandelaar in de vredesbesprekingen ter afwikkeling van de Osmaans-Russische oorlog in 1743. (25  Op 4 april 1744 nam Calkoen in een officiële audiëntie afscheid van grootvizier Hasan pasja. Tijdens deze gebeurtenis ontving de gezant een kaftan, met hermelijn afgezet, als afscheidsgeschenk. Het gebruikelijke cadeau voor een vertrekkende ambassadeur was een ‘kale’ kaftan. (26

Het bleek inmiddels dat het uitbreken van de Oostenrijkse Successie- oorlog  in april 1744 vijandelijkheden had veroorzaakt tussen de Republiek en Frankrijk, waardoor Calkoens benoeming tot ambassadeur in Frankrijk niet doorging. In plaats daarvan werd hij met een speciale missie naar het Saksische hof belast, waarvan hij in 1746 terug keerde. Daaropvolgend bekleedde hij tot 1761 het ambassadeurschap in Polen. (27  Tot grote teleurstelling van Calkoen werd in 1747 te Constantinopel niet zijn secretaris Jean Charles des Bordes, in wie hij veel vertrouwen koesterde, als gezant aangesteld, maar Elbert de Hochepied. Deze overleed zestien jaar na zijn benoeming in 1763. Cornelis Calkoen, in 1762 teruggekeerd in zijn vaderland, werd opnieuw benaderd voor de post van ambassadeur in Constantinopel. Hij aanvaardde dit ambt wederom, maar alvorens hij voor de tweede maal op reis kon gaan naar Constantinopel, overleed hij op 2 maart 1764. (28

De audiëntie bij de Grootvizier

‘Het Relaes van het gepasseerde in de publique audiëntien van zijne excellentie mijnheere Cornelis Calkoen, ambassadeur van weegens haer Hoog Moogende de Heeren Staaten Generael der Verenigde Neederlanden bij zijne Sultannise Majestijt Achemet Ghan de derde van die naem’(29  , waarop de reconstructie van Calkoens audiëntie gebaseerd is, geeft, alvorens het bezoek bij de sultan te behandelen, een uitgebreid verslag van het bezoek van Cornelis Calkoen aan de grootvizier Damad Ibrahim pasja, een schoonzoon van de sultan. Het bezoek aan de grootvizier ging altijd vooraf aan de audiëntie bij de sultan. Het eerbetoon en de ceremonie voor de grootvizier waren echter, zo leert het verhaal ons, niet veel minder uitgebreid dan bij de sultan. De audiëntie van buitenlandse gezanten bij de sultan werd gecombineerd met de betaaldag van de jantsaren en een bijeenkomst van de ‘divan-i- hümayun’, de keizerlijke rijksraad, van het Osmaanse Rijk. Beide evenementen gingen gepaard met indrukwekkend ceremonieel en machtsvertoon, waarmee getracht werd de gezanten te imponeren. De divan had vastgestelde dagen waarop hij bijeenkwam; zaterdag, zondag , maandag en dinsdag, dagen waarop het dagelijks bestuur minder tijd in beslag nam en waar op de janitsaren hun loon ontvingen.(30  De divan bestond uit de grootvizier en drie of vier koepelviziers (gewone ministers), bijgestaan door de ‘kadiaskers’ (hoogste legerrechters) van Roemelië en Anatolië, twee ‘defterdars’(ministers van financiën). De ‘nisanci’ (hoofd van de rijkskanselarij). Die op officiële documenten het monogram (‘tugra’) van de sultan moest plaatsen en de ‘kapudan pasja’(grootadmiraal). (31  Toezicht op een ordelijk verloop van de ceremonie werd gehouden door de ‘cavus pasja’ (de ceremoniemeester), die te herkennen was aan een staf met een zilveren knop. De divan kwam bijeen in een speciale ruimte, de ‘kubbealti’ van het paleis van de sultan, de serail, tegenwoordig beter bekend als het Topkapi Museum. Deze ruimte bevond zich in de tweede hof, ook wel de hof van Divan genoemd. De ‘kubbealti’ maakte, samen met de administratieruimte of ‘defterhane’ en het privé vertrek van de grootvizier deel uit van de hal van de divan (afb. 15). Een belangrijks element in de ‘kubbealti’ was het tralievenster., waarachter de sultan ongezien het verloop van de ceremonie kon volgen: dit tralievenster werd in de zestiende eeuw door sultan Süleyman aangebracht. Het al dan niet aanwezig zijn van de sultan maakte voor het verloop van de gebeurtenis geen enkel verschil. (32

Over het verloop van het bezoek bij de grootvizier geeft het ‘Relaes’ geen bijzonderheden; de gebeurtenis vond plaats op dinsdag 12 augustus en verliep volgens eens vast patroon. Het enige verschil met de traditie was het feit dat de grootvizier zich niet geheel gekleed had in de voorgeschreven ceremoniële kleding. Hij droeg namelijk niet de ceremoniële tulband. Dit wordt door Calkoen verklaard door de buitengewoon hoge temperatuur op dat moment, waarop zo’n eretulband ongemakkelijk mocht heten. Maar, zo stelt het ‘Relaes’ ons gerust, de ambassadeur van Venetië was ook op deze manier ontvangen. (33  In de collectie Calkoen bevindt zich het schilderij van de hand van Vanmour met de ontvangst van Cornelis Calkoen door de grootvizier in diesnt ‘yali’(villa aan het water) aan de Bosporus. Waarschijnlijk heeft Calkoen een tweede maal gedurende zijn ambtsperiode een officieel bezoek aan de grootvizier gebracht, want het verslag in het ‘Relaes’ komt niet overeen met de geschilderde gebeurtenis.

De audiëntie bij de sultan

De audiëntie bij de sultan werd vastgesteld op zondag 14 september. Twee dagen daarvoor werden de leden en geprotegeerden der natie opgeroepen door de eerste secretaris van de ambassadeur, Jean Louis Rigo, die zondag te verschijnen om de ambassadeur te begeleiden bij zijn bezoek. De dag voorafgaand aan het bezoek werd geheel besteed aan het in orde brengen van de geschenken voor de sultan. De geschenken werden vervoerd naar een onderkomen in Constantinopel, vlakbij het paleis van de sultan, dat door de Nederlandse ambassade speciaal voor dit doel aangehouden werd. Vanuit dit huis konden de volgende ochtend vroeg de geschenken bij het openen van de poorten, zoals het gebruik voorschreef, naar de divan gebracht worden zodat een eenieder ze rustig kon bekijken.  Een speciale functionaris ontving de lijst van presenten uit handen van de dragoman, de tolk, en droeg verder zorg voor de cadeaus. Voor het bezoek aan de sultan diende men veel vroeger op te staan dan voor dat bij de grootvizier; reeds om drie uur begaf de ambassadeur zich met zijn gevolg, onder begeleiding van paleisdienaren met flambouwen, naar de oevers van de Gouden Hoorn. Vóór die tijd had men eerst een uitgebreid ontbijt met likeuren en diverse wijnen genoten. Aan de oever van de Gouden Hoorn werd het gevolg opgewacht door de ‘kapici basi’, de kamerheer, die de stoet verder zou begeleiden. De functionaris nam eerst nog de tijd zijn ochtendgebed in een nabij gelegen moskee te zeggen. Daarna ging men aan boord van de boot van de grootvizier, een buitengewoon eerbetoon dat nog geen enkele ambassadeur uit de Republiek ten deel gevallen was. (34 Aangekomen aan de overkant van de Gouden Hoorn, ging de stoet in de volgende samenstelling voort: voorop de aanvoerder van de bodes, gevolgd door de kapitein van de gerechtsdienaren en de hoofdprovoost, alle drie te paard. Daarna volgden de gerechtsdienaren te voet. Voorafgaand aan zeven paarden, geleid door palfreniers, reed  de stalmeester. Drie paarden waren op Turkse wijze opgetuigd; de overige vier op Europese wijze; het ‘Relaes’ vermeldt niet waarin de tuigages van de paarden verschillen. Hierna volgde weer een grote groep dienaren in groot livrei, met in hun midden de officier van de paleiswacht, met een grote zilveren degen aan een draagband, een rode pluim op zijn hoed en een staf met een zilveren knop. Daarna volgden de twee officieren van de keuken en twee kamerdienaren, gevolgd door de voornaamste bedienden van de huishouding. Ook de chirurgijn en de apotheker bevonden zich in de stoet; zij werden gevolgd door enkele honorairs en gebaratteerden, de hofpredikant van de ambassadeur en de dragomannen. Op een schitterend paard gezeten, reed de opperstalmeester van de sultan. Na nog enkele functionarissen van een lagere rang kwamen de Nederlandse hoogwaardigheidsbekleders, zoas de eerste dragoman en de eerste secretaris van Calkoen. De eerste secretaris droeg de zijden beurs met de geloofsbrieven, een vertaling en een afschrift van de toespraak van Calkoen. Hierna volgden nog enkele belangrijke officieren van de  sultan. Uiteindelijk kwam dan de ambassadeur zelf, gezeten op het allermooiste paard van de sultan, zoals het ‘Relaes’ trots vermeldt. Na Calkoen volgden de overige Nederlanders: de edellieden, vervolgens de kooplieden van de natie en als laatsten, onderdanen en geprotegeerden van de Republiek. Alle paarden in de stoet kwamen uit de stallen van de sultan en alle Turkse participanten waren gekleed in ceremonieel kostuum.

De optocht door de serail

Aangekomen bij de serail, diende de stoet van de ambassadeur eerst rustig te wachten totdat het Turkse gevolg de eerste hof betreden had. Dit gevolg wachtte bij de toegangspoort, de Keizerlijke Poort (‘Bab-i-hümayun’) weer op de komst van de grootvizier. De grootvizier kwam in vol ornaat en met groot gevolg binnenrijden en groette Calkoen met een minzame hoofdknik. Calkoen  beantwoordde de groet met een even minzame buiging van het hoofd. Na deze optocht kon de ambassadeur zijn tocht voortzetten, alles onder zeer streng toezicht van de ceremoniemeester, tot halverwege de eerste hof. Daar ontmoette hij de terugkerende stoet, die de grootvizier had begeleid naar de divan. Calkoen was gedwongen opnieuw halt te houden en bescheiden te wachten aan der rechterkant van de weg totdat ook deze optocht voorbij was. De ambassadeur deed dit echter onder luid protest waarbij hij aangaf dat dit volgens hem niet bij de ceremonie hoorde. Daarop reageerde de ceremoniemeester gepikeerd en beweerde dat dit wachten wel degelijk bij de ceremonie hoorde en dat hij dit ook bewijzen kon. Tot Carlo Karatza, de eerste dragoman, zei hij: ‘ik ben verwondert dat gij deze ceremoniën ignoreert ofte tenminste den ambassadeur u meester daervan niet beter onderrigt.’(35

De eerste hoof had een semi-openbaar karakter en werd ook niet echt tot de serail gerekend. In principe werd daar niemand de toegang geweigerd. De bewaking van deze hof was in handen van vijftig bewakers, die ’s-Nachts versterkt werden met janitsaren. In deze hof was het werk rumoeriger dan bijvoorbeeld in de derde hof. Hoe belangrijker een hof was, des te strenger gold het verbod lawaai te maken. (36

Bij de Centrale Poort (‘Orta kapi’) , die toegang gaf tot de tweede hof, diende men af te stijgen, de wapens neer te leggen en wederom geruime tijd te wachten. Allereerst moest de ceremoniemeester de komst van de buitenlanders in de divan aankondigen. De Centrale Porte, bestemd voor de officiële ontvangst van bezoekers, heeft een dubbele ijzeren hek met daarboven de ‘tugra’van de sultan en de spreuk: ‘Er is geen god dan God, en Mohammed is zijn profeet.’(37  Na dit hek komt een vestibule, die in verbinding staat met enkele kleine vertrekken aan beide zijden. De kamers aan de rechterkant die tweemaal zo groot zijn als aan de linkerzijde, werden gebruikt als wachtkamer voor de bezoekers. De wachttijd variëerde soms van enkele uren tot enkele dagen. (38  Aan de linkerkant bevonden zich de vertrekken van de wacht en de beulskamer. Onder deze ruimten waren de kelders waarin de ongelukkigen gegooid werden, die het misnoegen van de sultan hadden opgeroepen.  Uiteindelijk kwamen deze bij de beul terecht: de hoofde van de officieren vanaf de rang van pasja werden op spiezen gestoken en aan de buitenzijde van de poort tentoongesteld. De hoofden van de lagere officieren werden in speciaal daarvoor vervaardigde nissen in de Keizerlijke Poort geplaatst. (39  De stoet vervolgde haar weg, voorafgegaan door de ceremoniemeester, langs de janitsaren die op dat moment in de tweede hof te eten kregen. Deze scène is waarheidsgetrouw door Vanmour uitgebeeld (kleurenillustratie 4). Ook de richting waarin de groep zich beweegt, komt overeen met de ligging van de binnenste muur (de zuilengalerij op het schilderij) en de ligging van de hal van de divan. (afb.15) Eveneens overeenkomstig de werkelijkheid is de boomaanplant in de tweede hof. De sfeer waarin de janitsaren te eten kregen is eveneens goed getroffen; volgens het ‘Relaes’ stortte de massa zich op de broden en de ‘pilav’(gekookte rijst) als waren zij uitgehongerd. Volgens het verhaal kwam de ‘kapici basj’ het gezelschap bij de ingang van de divan tegemoet. Vanmour laat echter de functionaris, te herkennen aan zijn zilveren staf, al meelopen in de optocht.

De ontvangst bij de grootvizier

Op het moment dat de ambassadeur en zijn directe gevolg de ‘kubbealti’ binnentraden, werden zij ‘ondersteund’ door enkele officieren. Het ontvangstcomité bestond ondermeer uit de twaalf ‘peyks’ (boden van de sultan) en de opperadmiraal. Na zijn binnenkomst werd Calkoen onmiddellijk op een tabouret geplaatst, maar hij zat nauwelijks, of hij diende alweer op te staan omdat de grootvizier binnentrad door een achterdeur. Deze begroette de ambassadeur op de bekende minzame wijze en ging zitten tussen de twee pasja’s en de twee kadi’s  van Roemelië en Anatolië. De grootvizier was gehuld in rood satijn gevoerd met sabelbont. Dit was niet de gebruikelijke kleding: de grootvizier diende een wit vest te dragen ter onderscheid van de overige viziers, die geen wit mochten dragen. Op het schilderij van Vanmour, met de maaltijd door de grootvizier aan Calkoen aangeboden (kleurenillustratie 5) zien we de grootvizier daarentegen wel in het wit gekleed. Op de afbeelding kan men het tralievenster ontwaren, waarachter de sultan zich ophield en de achterdeur waardoor de grootvizier vanuit zijn privévertrek binnenkwam. Vervolgens sprak de divan recht e na de rechtszitting werd opdracht gegeven tot uitbetaling van de gage van de janitsaren. Deze hele ceremonie werd uitgevoerd alsof de sultan aanwezig was, maar omdat de persoon van de sultan niet zichtbaar was voor de ambassadeur had men daar geen zekerheid over. Verondersteld mag worden dat de sultan niet de gehele ceremonie bijgewoond zal hebben. De grootvizier verrees van de sofa en haalde uit zijn kaftan het keizerlijk zegel, dat hij eerst kuste en vervolgens naar het voorhoofd bracht. Daarna overhandigde hij het aan de ‘reis effendi’ (hoofd van de rijkskanselarij en later minister van buitenlandse zaken), die het zegel met welhaast nog grotere eerbied in handen ontvangst nam. Vervolgens werd het verzoek tot betaling gericht aan de sultan, gezegeld en met hetzelfde ceremoniëel werd het zegel weer opgeborgen. Het request werd door de ‘reis efendi’ uit handen van de grootvizier genomen en door een andere hoge functionaris naar de sultan gebracht.

Inmiddels waren de tresorie-ambtenaren met de voorbereidingen tot de uitbetaling van de wedden begonnen: zij legden hiertoe de gele leren geldbuidels voor de divan op orde, elk vijfhonderd zilveren leeuwendaalders bevattend. Na het ordenen van het geld kwam een functionaris met het keizerlijk bevel hoog boven zijn hoofd geheven weer binnen. De grootvizier nam dit bevel met een buiging aan, haalde de witte neteldoek eraf en kuste de handtekening en het zegel. Vervolgens hief hij het bevel boven zijn hoofd, las de inhoud voor en stak het daarna weer in zijn kaftan. De controleur der financiën nam de betaalrol in handen en las de namen van de compagnieën voor en de sommen gelds die zij zouden ontvangen. Twee officieren telden de zakken geld en gooiden deze van zich af. Daarna werden ze van hand tot hand doorgegeven tot buiten divan waar de soldaten van de genoemde compagnie zich als roofvogels op de buit stortten. Na het bemachtigen van het geld renden zij weer terug naar hun plaats waar zij stokstijf stil bleven staan. In totaal werden zo’n achttienhonderd beurzen uitgedeeld.

Na afloop van de ceremonie ontvingen de tresorie-ambtenaren erekaftans en de een na de ander kuste het onderkleed van de grootvizier. Dit deden uiteindelijk ook de overige Turkse aanwezigen. Het ‘Relaes’ meldt over deze hele plechtigheid dat zij ‘heel lang en verdrietig’ is. Vervolgens ging men over tot de traditionele maaltijd, die Vanmour eveneens geschilderd heeft. (kleurenillustratie 5) Ten behoeve van deze maaltijd werden grote ronde zilveren schotels met voedsel neergezet op grote tabouretten. Het was water werd eerst aan de grootvizier, daarna aan de ‘kapici basi’, de twee kadi’s van Anatolië en Roemelië en pas daarna aan de gasten aangeboden. Calkoen zat aan de tafel van de grootvizier; de dragoman van de Porte en die v an de ambassadeur bleven bij deze tafel staan om te tolken. Deze scène is heel duidelijk op de voorstelling te zien. De eerste secretaris had de geloofsbrieven bij een Turkse officier neergelegd die hij tijdens de maaltijd gezelschap hield. De overige Nederlanders die tot de divan toegelaten waren, werden volgens rang en stand over de verschillende tafels verdeeld; aan de tafel van de kadi’s echter mochten geen christenen aanzitten. Ook dit is op het schilderij te zien. Alleen de heren van de hoogste stand dronken bij de maaltijd limonade of sorbet, de overigen moesten hun dorst met water lessen. Na afloop van de maaltijd die ongeveer een uur duurde, werd weer water uitgedeeld om de handen te wassen. Ook ontving men nog parfum en reukwater en werd er koffie geschonken. Het gedeelte van het gevolg van de ambassadeur, dat niet tot de divan was toegelaten, werd buiten aan lange tafels gespijzigd.

De audiëntie bij sultan Ahmed III

Na de officiële beëindiging van de maaltijd werd de ambassadeur door enkele officieren naar de overdekte vestibule, de oude divan genaamd, geleid, alwaar hij een erekaftan van sabelbont omgehangen kreeg. Ook werden kaftans aan de overige leden van het gezantschap uitgedeeld. De ontvangst van de ambassadeur door Ahmed III vond in een ander onderkomen plaats. Het ‘Relaes’ meldt echter niets van een tocht naar een ander gebouw. Op het schilderij van Vanmour, met de ontvangst van de ambassadeur door de sultan (afb. 16), ziet men wel degelijk een andere ruimte afgebeeld. Het gaat hier om de troonkamer of ‘arz odasi’, gelegen aan de derde hof. Deze hof, in grootte slechts de helft van de tweede hof, is omsloten door twee belangrijke onderdelen: de al eerder genoemde ‘arz odasi’ en de bibliotheek van Ahmed III (afb. 15.) De ‘arz odasi’ is een rechthoekig gebouw met een verdieping en een overhangend dak, gesteund door marmeren zuilen rondom et gehele gebouw. Het interieur is verdeeld in twee ongelijke delen. De grootste ruimte is de audiëntie- o f troonzaal en het kleinste vertrek dient als antichambre voor de bezoekers van de sultan. Vanmour heeft duidelijk de troonzaal met de troon van de sultan afgebeeld. In het vervolg van de ceremonie diende Calkoen weer te wachten totdat de grootvizier en zijn gevolg bij de sultan aangekomen was. Als eerste ging uit dit gevolg de ‘aga’ van de janitsaren naar binnen om de sultan de kwitantie van het uitgekeerde loon te geven. Nadat de grootvizier zijn plaats had ingenomen werd de Nederlandse ambassadeur opgehaald, ondersteund door twee officieren. Op het schilderij is duidelijk de erekaftan met het sabelbont te zien, die Calkoen gekregen had. Achter de ambassadeur liep de eerste secretaris met de geloofsbrieven, eveneens geflankeerd door twee officieren. Op het schilderij is duidelijk de erekafta methet sabelbont te zien, die Calkoen gekregen had.  Daarna kwam de rest van het gevolg, eenieder bewaakt door twee militairen, of zoals het ‘Relaes’ zegt: ‘dewelke hen onder de armen vasthielden en genoegzaem ondersteunden.’ De begeleiders hadden staven met knopen in de hand, waarmee zij bij elke pas op de grond stampten. De sultan zat in het midden van de sofa, met zijn voeten gesteund op een trap met twee treden. De vier jonge prinsen stonden naast de troon, de oudste enigszins op de voorgrond. Alle vier hielden zij de handen op hun gordel, als teken van respect en eerbied jegens de sultan. De grootvizier stond aan de rechterkant van de sultan en de drie overige pasja’s tegenover de sofa. Ondertussen werden de geschenken door een functionaris weggebracht. De cadeaus  van de ambassadeur werden getoond aan enkele belangrijke functionarissen, onder wie ‘kizlar agasi’ of hoofd van de zwarte eunuchen. De ambassadeur werd door de ‘mir-i-alem’, de bewaarder van de keizerlijke standaard, geïntroduceerd en na de verplichte buiging aan de linkerzijde van de sultan geplaatst. Vervolgens hield hij zijn toespraak in het Nederlands.

‘Aller doorlugtigste, grootmagtigste en onoverwinnelijksten keijzer,  In deeze voor mij geluckigen dag, in dewelke ik voor de eerste reijze geniet de Edele prerogative van mij op zulken aenzienlijken wijze te zien gepresenteert in qualitijt als ambassadeur van de Hoog Mogende Heeren Staaten Generael der Vereenigde neederlanden, voor den heerlijken en hoogen throon van U Keijzerlijke Majesteijt, heb ik de eer van dezelve op een plegtige wijze te verzeekeren van der hooge agtinge, die haer Hoog Mogende hebben, ende eeuwig zullen behouden voor de auguste persoon van U Keijzerlijke Majesteijt uijt haren naeme dezelve van harten toewenschende een bestendige en volmaekte gezondheijd, met een lange en zeer geluckige regeering tot nut en glorie van het beroemde en wijt uijtgestrekte Ottomannische Rijk en van alle de onderdaen en vassalen van U Keijzerlijke Majesteijt. Haer Hoog Mogende agten voor een bijzonder geluk, dat zij de eere hebben gehad van, van de eerste opkomst en beginsel van haere Republijcq met U Keijzerlijke Majesteijt etn met zijne Doorlugtigste Predecesseurs glorieuzer memorie zonder de minster interruptie te hebben geleeft in een vaste en volmaekte vriendschap, en hoog gemelte mijne souverainen wenschen niets meer met krgtdaedigheyt als de continuatie van dat zelve geluk. Hare opregte intentie is,standvastig te volharden en zoo veel in haer vermogen is, te contribueeren om altijt te doen duurzaem zijn en dezelve meer en meer te doen aenwassen een zeer goede intelligentie, en ware harmonie tusschen U Keijzerlijjke Majestijt en haer Hoog Mogen de ende tusschen weederzijts onderdaenen. En hooggemelte mijne souverainen houden zig ten hoogsten gepersuadeert dat U Keijzerlijke Majesteijt daertoe ook wel van zijn zijde zal willen correspondeeren en tot een authentijcq teeken van geduirzaemheijd van desselfs Keijzerlijke affectie teegens haer Hoog Mogende, de keijzerlijke capitulatien heijliglijk en religieuselijk doen houden en nakoomen. Ik zal altijt mijn grootste glorie maeken te secondeeren, uijt kragte van mijn caracter in deezer credentiebrief uijtgedrukt, de opregte en toegeneege intentie van mijn souverainen  teegens U Keijzerlijke Majestijt om haer te bezorgen de bestendigheijt van deezer gewenste correspondentie. Uwe Keijzerlijke Majestijt hoopte ik ook dat mij gunste zal doen van te accepteeren de betuijgingen en van mijn diep respect en van mijn eerbied die ik voor dezelve altijt zal hebben, en tragten meer en meer te betoonen, als meede den bijzonderen ijver die ik in mijn herte draeg voor de eer en welstant van dit wijd-beroemde Rijk.’

Na uitspreken van zijn toespraak maakte Calkoen een diepe buiging en nam de geloofsbrieven uit handen van zijn eerste secretaris en gaf deze aan de dragoman van het hof, die de brieven weer overdroeg aan een andere hoge Turkse officier. Uiteindelijk kwamen de brieven via nog twee andere hoogwaardigheidsbekleders bij de grootvizier terecht. Deze legde de brieven op een kostbaar schrijfkistje aan de rechterkant van de sultan. Opvallend ontbrekend detail in de weergave van deze gebeurtenis door Vanmour zijn de geloofsbrieven.

Na de vertaling van de toespraak in het Turks door de dragoman antwoordde de grootvizier namens de sultan: ‘Dat de Staten Generael van allen tijden zijnde geweest goede vrienden van de Hooge Porta, deeze vriendschap meer en meer zoude aenwassen, ende ddat de capitulatie onverbreekelijk zoude worden geobserveert.’ Dit, volgens het ‘Relaes’ uitgebreide antwoord werd als een ‘particuliere gracieusitijt’ aangemerkt, omdat er zelfden geantwoord  werd op een toespraak van een gezant. Cornelis  Calkoen beloonde deze gunst met een derde, diepe buiging en werd weer naar buiten geleid op dezelfde manier als waarop hij gekomen was. Bij het verlaten van de hof moest de Nederlandse stoet nog halt houden totdat de grootvizier en zijn gevolg gepasseerd waren, ‘een ceremonie die circa een half uur duurde en wat moeijelijk valt.’ Daarna kon de optocht zonder onderbreking zijn weg vervolgen. Wel vond men het vreemd dat de ceremoniemeester nu niet mee terug reed, wat toch wel gebruikelijk was. Om twee uur was Cornelis Calkoen weer in de Nederlandse ambassade teruggekeerd. Dezelfde dag nog kwamen worstelaars van de sultan om de ambassadeur te vermaken. De worstelaars kregen enig geld en mochten zoveel wijn drinken als zij wilden. Ook het muziekgezelschap van de grootvizier kwam op bezoek, net als een eerder maal na het bezoek aan deze functionaris gebeurd was.

De geschenken

Zoals in het begin al werd gezegd, gaf Cornelis Calkoen een positief getint verslag van de audiëntie in zijn brieven aan de Directie van de Levantse Handel. De directeuren reageerden als volgt: ‘Met veel  genoegen hebben wij vernomen, dat uwe excellentie publique audiëntien eerst bij den primo vizier, en naderhand bij den Grote Heer in alles tot desselfs contentement waaren afgeloopen, en de ministers uw excellentie met bijsondere vrindtschap quamen te tracteren.’(40

Dat de audiënties bij de allerhoogste hoogwaardigheidsbekleders van het Osmaanse Rijk voor de Europese gezanten geen sinecures waren, blijkt wel uit de nadruk die gelegd werd op het al dan niet gerealiseerde succes van zulke audiënties, zoals ook in het verslag van Calkoen te lezen valt. Voor de instellingen in het vaderland die vertegenwoordigd werden door een ambassadeur, in het geval van de Nederlanders waren dit de Staten-Generaal en de Directie van de Levantse Handel, was het van groot belang te vernemen dat hun gezant geen modderfiguur geslagen had aan het hof van de sultan waardoor de politieke en commerciële contacten in gevaar gebracht konden worden. Voor de vertegenwoordigers was het noodzaak zich zo goed mogelijk voor te bereiden en zoveel mogelijk luxe geschenken mee te nemen. (41  Het geven van geschenken was de manier om de grootvizier en de sultan gunstig te stemmen, zoals we kunnen lezen in een ‘memorie bevattende eenige algemeente gegevens, welke een vreemden ambassadeur, bij de Porte geplaatst, van nut kunnen zijn.’(42 Achter het verslag van de audiëntie van Calkoen is dan ook een uitgebreide geschenkenlijst gevoegd.

De noodzaak om de Osmanen gunstig te stemmen door middel van luxe geschenken wordt in de memorie verklaard uit de verwerpelijke inborst van de Turken, waarin hebzucht en eigenbelang de boventoon voeren. Wat de buitenlanders echter niet konden weten, was dat het systeem van schenkingen de gewoonste zaak van de wereld was om kwesties te regelen in het Osmaanse Rijk. Cornelis Calkoen had met zijn geschenken in de roos geschoten, zoals uit de eerder aangehaalde briefwisseling met de Directie blijkt: ‘de presenten zijn ook zeer aangenaam geweest en zeer bijsonder het cabinet van crystal, en de fluwelen, als welcke beide alhier nog nooit zoo gezien waaren. Ten reguarde van het eerste is door mij door een heer die zee r van mijn goede vrienden is, en een man van de intiemste bedienden van den groten heer verhaalt, dat zijn mayesteit gedurende de eerste dagen, het tenminste dertigmaal daarop open en toe sloot, om het wel te bekijken. En ten reguarde van de fluwelen heeft de groot-vizier mij zeer instantelijk doen vragen, nog seshondert ellen daar van te willen doen toekomen, zoo voor ’t serail van den Keiser als voor het zijne zelf.’(43

Het verzoek van Cornelis Calkoen om de wens van de grootvizier te vervullen werd door de zuinige directeuren van de Levantse Handel met opgetrokken wenkbrauwen ontvangen:…… ‘want behalven dat de Turken geen schande daarin stellen om presenten te versoeken, en hoe meer sij krijgen, hoe meer nog daar en booven begeeren, en al men daar soude inlaaten, nooyt een eijnde daer af soude krijgen ( soo al uw excellentie reets bij ervarentheijd al sult ondervonden hebben) soo zijn wij ook buijten staat een onvermogende, om ons in sulke extra ordinaire saaken in te laaten, gelijk als uw excellentie (soo wij niet twijffelen) wel sult weeten te consideeren. ‘(44  Dat de Directie niet helemaal overtuigd was van de juistheid van de afwijzing, blijkt uit de brief van ruim een week later waarin medegedeeld wordt dat….. ‘haar Hoog Mogenden volgens des selver resolutie van 23 maart jongstleeden, hebben goed gevonden om aan te beveelen de besorging van zeshonderd ellen fluweelen volgens de beschrijving die Uw Edele Excellentie daarvan hebt gelieve te geeven, en betaalt sullen werd uijt de post de defroyementen en sulx met de uijterste spoed bewerkstellig te maaken. (45

Voor de Hollanders waren de goede contacten met de Verheven Porte zo belangrijk, dat zij daarvoor nog wel zeshonder ellen fluweel over hadden!

Bijlage

Goede raadgeving uit 1785 aan het adres van de nieuwe aangestelde ambassadeur Frederik Gijsbert van Dedem (zie noot 42)

‘Pro memorie,

Constantinople leevert in overvloet alles wat tot spijse noodig is, en in veele aangenaame en verschijde soorten. Maar egter ontbreeken de volgende, in ’t geheel of minder smaakelijk na onzer gewoonte toebereijdt, ontbiedt men dezelve gemeenlijk door de scheepsoccassie jaarlijks uijt het vaderlands , als:

Stokvis.

Laberdaan.

Gezoute en  gerookte zalm.

Hammen en gerookte tongen en worst.

Bier in oxhoofden met ijzeren banden.

Nb. De wijnen in flessen en kisten gepakt. D’ordinaire drank voor de christenen is water en wijn van het landt, wit of rood.

Rhum en Arak.

Gepaarlde garst.

Gort.

Brood en poeijersuijker.

Thee.

Aardappelen, groen en graauw erten.

Haringh.

Snuigtabak, idem rooktabak, ten minste zoolange men aan deze laatste van het landt gewoon is. Alles wat tot de mans en vrouwe kleeding en huisraat nodig is, dient meede ontboden te werden. Om duurder prijsen, welke het kosten zoude, indien al gevonden wierden t’ontwijcken. De hitte des zomers verrijscht ligter deksel. Insgelijks neemt men daartoe ligter meubelen voor de buiten wooningen; veele gedrukte chitse of cattoenen, meede in gebruijk voor de Sofas, welker gemakkelijke zitting spoedig daaraan doet gewennen en haast bij alle gebruik werdt. Aangezien de wijnige of geen gemeenzaamen ommegang, welke de christenen in ’t gemeen en vooral geen menisters met die Turken hebben, leeren zij die natie nog hunne waare denktrant wijnig ofwel abuisif kennen en verzuijmen daardoor het waarneemen van zulke geleegenheden door welke met geringe beleefde voorkominge en attentien hunne vriendtschap te winnen is. En waar zijlieden wel bijzonder acht geeven van de grootste tot de klijnste, zijn wij wraakzugtig, maar tevens met de goede hoedanighijt bezielt van zelden genotene weldaaden terzijde te stellen of te vergeeten. Zelfs met gepaste vriendelijkhijt en burgerlijke beleefdhijt zijn zijlieden in te neemen en waarderen die te meer, wanneer hun die door lieden van rang beweesen werden. Wanneer men deeze of geene dingen, na lang wijlen, en met verdubbelde pooginge ijndelijke obtineert, zouden men zig dezelve dikwijls door het vooraf laten gaan van een zeer gering present, spoedig  verschaft hebben, zijnde dit laatste. Nb. Onder de Turken voor eenijder een stantvastig gebruijk.

Zijn deftig van houding en gedrag en verragten zelfs al te vroolijke of veel spreekende lieden; houden in tegendeel de stille of bezaadigde voor wijs en geleert. Hunne zaamenkomsten of gezelschappen zijn zelde ijdel, maar meest leerzaam over het een of andere voorwerp, veel staat of sterrekunde. Zelde of nooijt kwaatspreekende, zeggenden dat eenijder zooals hij bijzondere reedene hebben kan tot deeze of geen daaden, hij ook alleen dezelve moet uijtleggen. Zijn zeer oplettent en  beleeft onder elkanderen, dog als ongemerkte, geevende eenijder wat hun toekomt. Verachten zelde den ongelukkigen, troosten die in teegendeel door aan hem voor deeze gewoone eerbewijzen te doen en te continueeren en te herinneren dat zij alle  van den zelfde bestierder van hun lot en deel afhangen. Van liefdadigheeden in alle maniere, maaken zij veel werk en zijn schrander van geest en begrip.

Het altoos bespeurt dat de Turken veel, en misschen het meeste achtingh voor de Hollanders hebben, om Reede dat aan hun de meeste waarhijtsliefde en eenvoudige oprechthijt nog toeschrijven.’

Instructies bestemd voor de ambassadeur Van Dedem om zijn reis en ontvangst in het Osmaanse Rijk goed mogelijk te laten verlopen:

‘Pro memorie opzigtelijk tot de reijs van de heer amb(assadeur) Van Dedem gaande naar Constantinoplen, over Parijs, Marseille en vandaar ter zee etc.’

De ambassadeur werd aangeraden het volgende mee te nemen:

‘Het postboekje van gantsch Frankrijk.

Idem de postkaart op de gemakkelijkste wijze gevouwen op linnen geplakt.

Een goede kaart van de Nederlanden in ’t algemeen.

Idem een goede kaart van onze provincien in ’t bijzonder.

En dito van Europa.

Een goede zeekaart van d’archipel of Griekse eylanden in het bijzonder.

Een goede kaart over ’t Turkse Rijk en Middellandse Zee.

Voorts de dictionnaire geographique portatif van Vosgien, 2 deelen in oct(av)o

Ook doet men wel met zig mee te neemen:

Een kleyn geslooten flessenkeldertien met eenige wijnen liqueuren.

Idem een kistje met medecijnen waaronder bijzonder middelen die voor zeeleiktes bij geval kunnen dienen, voorts: bijl, hamer, touw van differente soort, spijkers, nijptang etc. Men moet voornamentlijk zorg dragen dat al ’t geen wat in kisten of koffers meede op Reijs gaat, met zeer veel attentie word ingepakt ten einde door stotingen er geen schade aan de goederen geschied.’

In tegenstelling tot Calkoen, die over land naar het Osmaanse Rijk reisde, nam Van Dedem de route over Antwerpen, Brussel en Parijs, naar Marseille, waar hij zich inscheepte voor de lange reis over zee naar Constantinopel.  De ambassadeur werd gewezen op de mogelijkheid om op zijn reis in diverse steden bekende produkten te kopen: zo kan hij in Lyon specifieke kleding voor zijn verblijf in Constantinopel verkrijgen:

‘…. Te Lyon verblijft den h(eer) amb(assadeur) ter verrigting der naarvolgende bijzonderheeden. 1. Besteldt  den  h(eer)  amb(assadeur) aldaar voor zigzelfs 2 rijke galakleederen, waarvan een de rijkste is voor de audiëntie van den grooten heer dient en d’andre voor die bij de grootvizier. 2. Hoeden en witte en zwarte zijden koussen, haarzakken etc. voor zigzelfs. 3. Twee a drie andere propre kleederen voor zigzelfs en voorts wat van laken, stof, voering, knoopen etc. goed vind met zich als provisia voor zijn eigen gebruik vandaar naar Constantin(opel)  meede te neemen. Nb. Dewijl de twee galakleederen voor d’audientiën  van rijk stof moeten zijn, zo zoude men voor den gr(oote) heer goud kunnen neemen, om voor d’andre zilver, beyde op alle naaden zeer rijk geborduurt.’

Eenmaal in Marseille aangekomen, kan de ambassadeur het ruime sop kiezen:’

‘… en hiertoe zal hem moeten dienen, of een koopvaardijschip dat hij voor de reys of per maand afhuiert of een oorlogschip dat den staat voor het doen der reyze aan hem accordeert. In d’eerste plaats kan de h(eer) amb(assadeur), wanneer  hij zulks verkiest, zijn reys als een particulier doen en d’etiquetten die bij de aankomst der Turksche grenzen aan hem toekomen zelf menageeren. Hij kan ook, hoe zeer op een ordinair koopvaardijschip zijn reys doende, gem(elde) etiquetten vorderen, dog dan dient hem gem(elde) schip wel voorzien te zijn van eenen bijzondere commissiebrief van den staat, waaruit blijkt dat zulk een schiop alleen tot het transport van den amb(assadeur) aangenomen en gedestineert is. In ’t algemeen doen de Turken geen eerbewijzingen teer zee aan ’t caracter van een minister, dn voor zo verre zij hunne reyze op gedistingueerde scheepen doen. Zowel voor ’t gemak, als voor de zeekerheyd en voor ’t aangenaame van de reys op zigzelfs, is het dierhalven best dat den h(eer) amb(assadeur) ter zijner dispositie voor zijn rys zoekt te verkrijgen een  wel geconditioneert fraay stuk fregat-schip van den staat. Met de capiteyn van het zelve treed den h(eer)  amb(assadeur) in onderhandeling over d’onderhoud van hem en desselfs gantsche famille, en met een inschilijk en welleeevend man raakt men al heel ras daarover accoord. In dit fregat, zowel als of ’t een particulier koopvaardijschip was, kan dan den h(eer) amb(assadeur) met zig voeren al ’t geen door hem te Lyon en Marseille ingekogt is. Van Marseille op Constantinoplen reekent men gemeenlijk de reys op 5 à 6 weeken; men doet ze in minder en meerder tijd namate het saison is. Het voorjaar en het vroege najaar zijn ondertusschen de twee voordeeligste tijden welke men daartoe employeren kan.

Bij de aankomst van de ambassadeur in Pera wacht hem een ontvangst:

‘Een gedeelte van de Natie recipieert reeds den h(eer) amb(assadeur) bij zijn komst aan de schaal van Tophana en een ander gedeelte wagt hem op in desselfs paleys, alwaar hij vervolgens dien avond en drie agtereenvolgende dagen op kosten van de Natie of, om beeter te zeggen, op die der cassa van Heeren Directeuren onthaald en onderhouden word. Een voornaam articul die bij den aankomst van den amb(assadeur) te Const (antinopel) dadelijk in consideratie komt, is  ’t maaken van chogadars-kleederen. Het getal derzelven kan men bepaalen van 1`2 tot 18. Het zijn kleedingen na de fatsoen van ’t land gemaakt en is ingsgelijks een soort van livrey, alle uniform van couleur. Bijzonder dienen deeze kleederen bij d’audientien van den amb(assadeur) en voorts worden ze ook gebruikt wanneer hij of iemand van desselfs familie verkiest met de draagstoel uit te gaan. De chogadars dragen de draagstoel en men employeert ertoe 4 à 6 perzoonen namate de weg ver is.  Eenigen der dienstbooden van ’t huys van den amb(assadeur) dienen voor dat moment als chogadar, bijvoorbeeld de derde kok, de stalknegt, een knegt van d’officier etc.  De overigen die men benodigt heeft, vind men gemakkelijk buiten ’s huys dewijl het Grieken of Armeniërs zijn die tot dien dienst worden geemployeert. Hunne overrokken zijn van laaken;  de vesten en bvroeken kan men neemen van andere stof, dog ’t raadzaamst is , dat men voor die kleedingen alles te Constantinoperl koopt. De bonte mutzen voor deeze lieden koopt men meede aldaar, gelijk ook de laarzen die gemeenlijk van geel leer zijn. Blauw met roode broeken zou volgens ’t livrey van de h(eer) Van Dedem dien heden wel ’t beste schikken.

Verder komt voor den h(eer) amb(assadeur) te Const(antinopel) nog in aanmerking een ander articul, en dit bestaat in een kaïk of gedistingueerde roeyschuyt. De ministers van den eersten rang gebruiken ze gemeelijk van seven paar riemen; ze dienen principaallijk om langs ’t canaal af en aan naar de buytenhuyzen te vaaren, die de ministers aldaar hebben. De kosten van eenen dusdanigen kaïk, wanneer men dezelve enigzints proper hebben wil en nieuw inkoopt, is een zaak die ruym 500 piasters beloopt en dus doet den amb(assadeur) wel, indien er gelegenheyd is om van een ander minister welke misschien vertrekt, dit meubel uit hand te koopen, dan men alsdan voor een prijsje hebben kan. De zitbanken van agteren die voor den amb(assadeur) en de voornaamsten van zijn suite dienen, zijn gemeenlijk voorzien van lange kussens welke vervolgens overdekt zijn met een soort van best trijp of fluweel kleed, rijk gegalonneert met een breed galon van goud of zilver. De Turken gemeenlijk maaken deeze kaïken aan wien men dezelve aanbesteed. De kussens egter worden door d’een of ander kleerm(aker) apart gemaakt. En nadat dezelve in order gebragt is, benoemd men een kundige reys of schipper, die doorgaans een Turk is, en deeze als dan heeft de directie over dit vaartuig en zit aan ’t hoofd der andere roeyers die tot ’t transport van den amb(assadeur) op dat moment dienen. De reys kan men alleenig considereeren in dienst van den amb(assadeur) te zijn dewijl hij weezentlijk op loon gesteld word. In de zomermaanden, hetzij hij vaart of niet, is desselfs loon gemeenlijk een piaster daags daar de andere roeyers geen betaling krijgen dan wanneer ze weezentlijk dienst doen. In de winter trekt de reys ook iets s’maandelijks, dog dat is gering. Dog jaarlijks reekent hij nog op ettelijke ellen laaken voor een kleed dat men hem als dan als een doneur geeft. Het zuiver en schoon houden van de kaïk behoord derhalven onder den zorg en opzigt van zo’ een reys, naar welkers baantje de Turksche schuitenvaarders gemeenlijk zeer gretig zijn.

Notenapparaat

Nb dit artikel is gepubliceerd in ‘Topkapi en Turkomanie. Turks-Nederlandse ontmoetingen sinds 1600’, Amsterdam 1989 redactie: Hans Theunissen, Annelies Abelmann, Wim Meulenkamp

p.p  26-36

1.           ARA, Legatiearchief Turkije tot 1811, 29. Uitgaande brieven aan de Directie van de Levantse Handel, 1727-1747. Brief van Cornelis Calkoen van 25 oktober 1727.

2.            R. van Luttervelt, ‘De Turkse schilderijen van J.B. Vanmour en zijn school. De verzameling van Cornelis Calkoen, ambassadeur bij de Hoge Porte, 1725-1743’, Istanbul 1958, 5-7. P.J.J. van Thiel e.a. ‘Alle schilderijen van het Rijksmuseum te Amsterdam. Volledige geïllustreerde catalogus’ Amsterdam/Haarlem 1976, 741-750.

3.            ARA, Familiearchief Cakoen, 181. Clausule op het testament van Cornelis Calkoen, 7 mei 1962.

4.            R. van Luttervelt, op.cit. 6-7 en P.J.J. van Thiel, op.cit. 741.

5.            P.J.J. van Thiel, op.cit. 741. Schilderijen die niet tot de Collectie Calkoen behoren. ‘Het gezicht op Constantinopel vanaf de Nederlandse ambassade’(A4084). ‘De Nederlandse ambassade’ (A1997) en de figuurstukken met de afmetingen van ca. 33,5 x 2 cm.

6.            De schilder Jean-Baptiste Vanmour staat in dit artikel niet centraal, waardoor aan hem slechts marginaal aandacht besteed wordt. Overzicht van literatuur over Vanmour: A.Dinaux, in ‘Archives historiques et littéraires du Nord de la France et du Midi de la Belge’, N.s.V. Valenciennes, 1844 , 453-456, E. van Ahrenbergh in ‘Biographie nationale Belge’, XV, Brussel 1898, 226-227, P.J. Mariette in “Abécédario”, gepubliceerd in ‘Archives de l’art francois’, red. Ph. De Chennevières en A. de Montaignon, X. Parijs 1858-1859, 388-389. Belangrijk onderzoek naar Vanmour in het bijzonder en naar de West-Europese schilders aan de Bosphorus iin het algemeen werd aan het begin van deze eeuw verricht door A. Boppe, ‘Les Peintres du Bosphore au dix-huitième siècle’, Parijs 1911, waarvan 1-55 gewijd zijn aan Vanmoiur. In Nederland werd door R. van Luttervelt, op cit, aandacht besteed aan deze schilder. Recentelijk heeft  M.E. Pape in haar dissertatie, ‘Die Turquerie in der bildenden Kunst des 18. Jahrhunderts’, Keulen 1987, een compilatie gegeven van alle, tot nu toe verschenen publikaties over ondermeer Vanmour. In de tentoonstellingscatalogus ‘Europa und der Orient 800-1900’, Berlijn 1989, staat een beknopte biografie van Vanmour, 832-833, en worden enkele, tot nu toe onbekende werken van Vanmour behandeld.

7.            Pietro della Valle, ‘Les fameux voyages de Pietro de le Vallé’, 4 delen, Parijs, 1664 I, 147 en 175. Geciteerd in A. Boppe, op.cit., 5.

8.            ‘Récueil de cent estampes représentant différentes nations du Levant; tirées sur les tableaux peints d’après en 1707 et 1708’, Parijs 1714.

9.            Parijs, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Archives des Affaires Etrangères, Turquie. Correspondance politique 65, fol. 228-229. Brief van de Franse ambassadeur De Bonnac aan M. de Morville, 24 september 1723 ‘…… pour profiter du talent admirable que le sieur Vanmour a pour représenter les habillements et les manières des Turcs; c’est sur les tableaux de ce peinter que feu M. de Ferriol a fait graver les cent estampes qu’il a données au public; le sieur Vanmour s’est beaucoup fortifié depuis et, quoique il ne finesse pas volontiers ses ouvrages, il représente si naïvement et avec tant de vivacité les objets, que j’espère que les tableaux que je lui fais faire ne se trouveront pas indignes de votre cabinet.’

10.          A.B.G. van Dedem, ‘Un général hollandais sour le premier empire. Mémoires du general b(ar)on de Dedem de Gelder, 1744-1825’, Parijs 1900.

11.          Ontvangsten toegeschreven aan Vanmour en zijn school:

– ‘Ambassadeur Cornelis Calkoen doorschrijdt de tweede binnenhof van het paleis, waar een maaltijd van de janitsaren plaatsvindt, op weg naar de audiëntie bij sultan Ahmed III, 14 september 1727’, Doek, 91,5 x 125 cm, Rijksmuseum A4076

– ‘Ambassadeur Cornelis Calkoen op audiëntie bij sultan Ahmed III, 14 september 1727’, doek 90×121 cm. Rijksmuseum A4078.

– ‘De maaltijd aangeboden aan Cornelis Calkoen op audiëntie bij de grootvizier in diens yali aan de Bosporus’, ca. 1728. Doek 92,5 x 129,5 cm. Rijksmuseum A4079

– ‘Ambassadeur/Hollands gezant op audiëntie bij sultan Ahmed III’, Doek 88×121 cm. A 4080. De gegevens over de schilderijen in het Rijksmuseum zijn ontleend aan P.J.J. van Thiel, op.cit. 742.

-‘Ambassadeur d’Andrezel op audiëntie bij sultan Ahmed III, 17 oktober 1724’. Doek 90×121,5 cm. Musée des Beaux-Arts 5730, Bordaux.

-‘Maaltijd bij de grootvizier met een gezant (d’Andrezel(?)), 1724. Doek, 90×121,5 cm. Musée des Beaux-Arts, 5731. Bordeaux. De gegevens over de schilderijen in Bordeaux zijn ontleend aan de tentoonstellingscatalogus ‘Türkischer Kunst und Kultur aus osmanischer Zeit’,  Recklinghausen 1985, 2 dl. I, 192-193/nr. ¼ en 1/5.

-‘Ontvangst van een Franse ambassadeur in Constantinopel bij de grootvizier.’Doek, 0,95×131. Musée du Château de Versailles.

-‘Ontvangst van een Franse ambassadeur in Constantinopel bij de sultan’. Doek 0,95×131 cm. Musée du Château de Versailles. Gegevens over de schilderijen in Versailles zijn ontleend aan de tentoonstellingscatalogus ‘L’Orient des provencaux dans l’histoire’, Marseille 1982, nr. 71 en 113.

– ‘Afscheidsaudiëntie van de Franse ambassadeur De Bonnac bij sultan Ahmed III, 24 oktober 1724’. Doek  87,1 x 120 cm.

-‘Feest gegeven op last van de grootvizier voor de markiezin De Bonnac-Goutault  Brion’. Doek 87,1×118 cm. Gegevens van voornoemde twee schilderijen ontleend aan A. Boppe, op.cit. 41.

-‘Tocht van een gezant over het tweede hof, terwijl een maaltijd van de janitsaren plaatsvindt’.

-‘Maaltijd een gezant aangeboden door de grootvizier’. De summiere gegevens van voornoemde twee schilderijen zijn eveneens ontleend aan A. Boppe, op.cit. 44, die hier nog vermeldt dat de schilderijen in bezit zijn van de schrijver en afkomstig zijn uit een veiling van 30 mei 1903 in het ‘Hôtel Drouot’.

– ‘Ontvangst van een bailo uit Venetië door de sultan’. Verzameling L. Marchegiano, Rome. Gegevens over dit schilderij zijn ontleend aan R. van Luttervelt, op.cit. plaat 32.

– ‘De kinderen van de Franse ambassadeur D’Andrezel worden aan de grootvizier voorgesteld, 10 oktober 1724’. Doek 90×118 cm. Privé-verzameling. De gegevens van dit schilderij zijn ontleend aan ‘Europa und der Orient 800-1900’, Berlijn 1989, 834, nr. 13/12

De collectie van vijf schilderijen uit de Vanmour-school in het huis Singraven te Denekamp:

– ‘Ambassadeur Frederik Gijsbert van Dedem met zijn zoontje Anthonie voor sultan Abdülhamid I’, 1784’. Doek 53×72 cm.

– ‘Ambassadeur Fredrik Gijsbert van Dedem met zijn zoontje Anthonie voor sultan Abdülhamid I, 1784’. Doek 53×73,5 cm.

– ‘Ambassadeur Frederik Gijsbert van Dedem voor sultan Abdülhamid I, 1784’. Doek 53×72 cm.

– ‘Ambassadeur Frederik Gijsbert van Dedem voor de grootvizier zittend, 1784’. Doek 53×72 cm.

– ‘Westeuropeanen voor de divan’. Doek 78×99 cm. Dit schilderij is duidelijk ouder dan de vorige vier werken. Hoogstwaarschijnlijk van de hand van Vanmour zelf.

12.          Voor de politieke relaties tussen het Osmaanse Rijk en de Republiek verwijs ik naar de bijdrage van Ben Slot in deze bundel.

13.          G.R. Bosscha Erdbrink, ‘At the treshold of Felicity; Ottoman-Dutch relations during the embassy of Cornelis Calkoen at the Sublime Porte, 1726-1744’ diss. Ankara/Amsterdam 1975, 2

14.          Ibid., 77

15.          Ibid., 81

16.          Ibid., 82

17.          Ibid., 84-85

18.          Ibid., 87

19.          Ibid., 87-88

20,          Ibid., 89

21.          ARA, Archief Staten-Generaal, Barbarijen 6942. Brief van Cornelis Calkoen van 13 november 1730.

22.          ‘Halil Patrona’. Doek 120×90 cm. Inscr. ‘Kalil Patrona Chef de Revolte arrivée à Constantinople le 28 7bre de l’année 1730.’Sig. ‘I.B. Vanmour pinxit’. Rijksmuseum A4082. ‘De moord op de ministers tijdens de opstand van Halil Patrona’. Doek 75×101 cm. Rijksmuseum A 2012. ‘Een van Halil Patrona’s opstandelingen.’ Doek 39×31 cm. Incr. Verso: ‘Patrona off Rebell’. Rijksmuseum A2046. De gegevens over deze schilderijen zijn ontleend aan P.J.J. van Thiel, op.cit. 745.

23.          Bosscha Erdbrink, op.cit. 97.

24.          Ibid., 101

25.          Ibid., 109

26,          ARA, familiearchief Calkoen, 261. Brief van Calkoen aan Fagel, 4 april 1744.

27.          Bosscha Erdbrink, op.cit. 112

28.          Ibid., 110 en 113-114

29.                         ARA, familiearchief Calkoen, 561.

30.          N.M. Penzer, ‘The Harem, an account of the institution as it existed in the Palace of the Turkish Sultans with a history of the Grand Seraglio form its foundation to modern times’, Londen 1967 (ed.princ.1965), 103.

31.          Ibid., 104

32.          Ibid., 101-103

33.          ARA, familiearchief Calkoen, 561.

34.          Bosscha Erdbrink, op.cit., 84

35.          ARA, familiearchief Calkoen, 561.

36.          N.M. Penzer, op.cit., 82-83 en 95.

37.          Ibid., 98.

38.          Ibid., 99.

39.          Ibid., 99

40.          ARA, Legatiearchief Turkije tot 1811’, 30. Brieven aan de Directie van de Levantsche Handel. Brief aan Cornelis Calkoen van 23 maart 1728.

41.          ‘Recueil des instructions données aux ambassadeurs et ministres de France depuis les traités de Westphalie jusqu’à la Revolution Francaise’, deel 29  ‘Turquie’ red. P. Duparc. Parijs 1969, XXXII-XXXIII wordt ingegaan op de status van Franse ambassadeurs bij de Verheven Porte. De situatie van de Nederlandse ambassadeurs zal niet veel anders geweest zijn.

42.          ARA, 2e afdeling Familiearchief Van Dedem van Gelder, aanwinsten 1913-1917. 1. ‘Car ses sortes de presens sont regardées comme des choses d’usage et si par un cas extra-ordinaire un minister etrangere manquoit de les faire, les ministres de la port regarderoient cela comme une espece d’insulte et les officiers subalterns se recrieroient fort comme d’un bien qu ‘on leur retient.’ In het familiearchief Van Dedem van Gelder, aanwinsten 1931, 1e afd. ARA, bevindt zich onder 38: ‘Instructies voor F.G. van Dedem van de Gelder als ambassadeur bij het Turkse Hof, 1785’enige interessante stukken. Zie bijlage.

43.          ARA, Legatiearchief Turkije tot 1811, 29. Brief van 25 oktober 1727.

44.          Idem, 30. Brief van 23 maart 1728.

45.          Idem, 30. Brief van 2 april 1728.

 

 

– ‘