Het archief van de toekomst is een virtueel instituut dat als kosmisch museum en utopisch netwerk fungeert.

‘Refigure the archives’ is de titel van een rapport uit 2002 dat in Zuid-Afrika verscheen en waarin de rol van de archieven als dragers van geregisseerde identiteiten werd bekritiseerd. De archieven waren die van de blanken en de identiteit van Zuid-Afrika was daarmee een witte identiteit geworden. Dit post-koloniale denken dat in de geschiedschrijving sinds eind jaren negentig duidelijk ingang heeft gevonden, liet zich ook gelden in de moderne kunst die na 2000 gemaakt werd door niet-europeese of amerikaanse kunstenaars (muv de afrikaanse kunstenaars). Zo werden er op de Documenta in Kassel in 2002 werken van afrikaanse en aziatische kunstenaars getoond die een museaal, bijna topografisch-historisch karakter hadden en waarvan de seriematige totstandkoming bijna archivistisch van aard was. Een van deze kunstenaars, Santu Mokofeng die direct in verband staat met het eerder genoemde rapport ‘ Refigure the archives’, liet foto’s zien die qua beeldtaal een direct verband leggen tussen de Holocaust en de Apartheid. Een andere kunstenaar Quattara Watts gebruikt etnografische elementen in schilderijen die een westerse beeldtaal uitdragen. Muyiwa Osiuye gebruikt zijn camera om documentaire fotografie te bedrijven waarmee hij zijn geboorteland Lagos vastlegt. Yinka Shonibare geeft in zijn werk zelfs tableaux vivants van de koloniale tijd, die zonder de herkenbare gezichten een onwezenlijk en tijdloos karakter krijgen. Een zelfde museale en archivistische werkwijze hadden enkele decennia daarvoor ook de zgn. Konzeptkunstler ontdekt, die van archivistisch of vanuit een ander ordeningsschema conceptuele kunstwerken maakten. Een bekend voorbeeld zijn de ‘ time capsules’ van Andy Warhol, meer dan 150 kartonnen dozen waarin allerlei documenten en relicten van het dagelijks leven van de kunstenaars per jaar geordend bewaard blijven. Deze chronologische ordening was tot het Bestemmingsbeginsel of het Provenienzbeginsel eind negentiende eeuw zijn intrede deed in het werk van de archivaris het meest gehanteerde ordeningsprincipe. In deze kontekst werd een archief beschouwd als de neerslag van het handelen van de archiefvormer en was het een geheel. Maar een archief is namelijk ook een soort kunstwerk. Er zijn niet veel archivarissen die dat zien en die dit zullen ondersteunen, maar zelf denk ik daar wel zo over. Niet alleen omdat ik naast mijn werk als archivaris ook als beeldend kunstenaar en kunsthistoricus werk en deze disciplines in elkaar laat overvloeien: crossing borders in optima forma zal ik maar zeggen. Nu kun je over esthetisch genot en picturaal genoegen van het zien van een aangenaam kunstwerk lange gesprekken voeren, maar zoals de hierboven aangegeven voorbeelden al laten zien, is de beeldtaal waarmee de kunstenaar communiceert niet langer meer beperkt tot een aangenaam plaatje of een ontroerend beeld dat aan gulden snede of andere regels der kunst moet voldoen. De boodschap achter het beeld kan geladen en soms zelfs gevaarlijk zijn en leiden tot forse religieuze of etnische conflicten. Archieven zijn niet veel anders: de inhoud geeft een onderdeel van de identiteit van een archiefvormer weer die niet zonder nadenken tot stand gekomen is. Het grote verschil met beeldende kunst is dat het raadplegen van archieven op een omslachtige manier plaatsvindt< nl. In een studiezaal dmv een inventaris, die merendeels door een terugblikkende en reconstruerende houding is samengesteld. Met het desatreuze denken van Descartes zijn wij in onze zoektocht naar het juiste beeld van de geschiedenis gefixeerd op schriftelijke bronnen en nemen wij de neerslag van het geschrevene als waarheid aan. ‘Het staat geschreven in de bronnen, dus het klopt”. Het positivisme, het post-modernisme en het deconstructivisme hebben echter het archief als bouwsteen van een objectieve geschiedenis ondergraven. Een archief speelt een overheersende rol in de constitutie van de identiteit van de archiefvormer en van de archivaris, hoe ‘ onafhankelijk’ en ‘boven de partijen staand’ zich deze ook voelt. Ketelaar, een vooraanstaand hoogleraar op ons vakgebied, heeft hierover in een artikel ‘ Archival Turn’ gesproken van een poststructuralistisch denken a la Michel Foucault. Ook verwijst hij naar Derrida die in zijn latere werken zelfs al in de titel archief en archeologie citeert: ‘ Mal d’ archives’ en ‘ L’ archeologie du savoir’. Om het rijtje kunstenaars na Warhol nog af te maken: Fischli/Weis (Boymans 2003/2004), Kosuth, Marcel Broothaers, Gerhard Richter en de eerder Cage en Klein gebruikten ordeniningsprincipes. Recent kunnen wij daar de Atlasgroup en Walid Raad, Annemie Maes en Wesley Meruis aan toe voegen en natuurlijk Hirschhorn, Dreyblatt en Boltanski. Een hoogtepunt is het oeuvre van het echtpaar Becher, dat ook gedeeltelijk te zien was op de Documenta. Kortom het archiefgebouw zelf is een kunstwerk, het archief is kunst en het is dan ook een uitdaging voor kunstenaars om in ons archief hun werk ten toon te stellen. Op de kunstacademies krijgen wij introverte lessen over proces en uitwerking, concept en beeldtaal, maar wij leren niet dat de kunst op straat ligt, in archieven en bibliotheken ligt en in feite bestaat uit alleen al het verzamelen vanuit een bepaalde optiek van beelden en deze beelden te ordenen. Een uitdaging om volgend weer een dergelijke presentatie in ons gebouw te houden. Tekst van een voordracht gehouden op de afsluitende bijeenkomst van de kunsttour 2006 in het RHCL door Annelies Abelmann (copyright A.M.Abelmann/september 2006)