Al dat van haer vereijscht wordt. .. :
westerlingen over Turkse vrouwen

Noodgedwongen is de historische beeldvorming van de Turkse vrouw in Nederland bepaald door mannen: zij waren degenen die erover schreven, prenten van maakten en erover praatten. Maar zelden mochten andere vrouwen oordelen. Op zich is dat natuurlijk helemaal niet bezwaarlijk – wanneer vrouwen verslag doen over mannen, is dat ook niet per definitie negatief. Toch is het jammer dat we vrouwen niet aan het woord kunnen laten over hun Turkse seksegenoten.1
Net zoals er weinig interesse was (en is) voor de gewone man of vrouw in de historie, zo munten ook de hier aangehaalde verslagen en prenten niet uit door aandacht voor aspecten van een alledaags vrouwenleven. Integendeel, de westerse aandacht voor de vrouw in de Osmaanse samenleving richtte zich bijna uitsluitend op het serail, of beter, op de harem. Hieromheen werden mythologieën gesponnen die tot op de dag van vandaag onuitroeibaar blijken te zijn.

ROXELANA: ARCHETYPE EN ICONOGRAFIE

In het begin van de zestiende eeuw maakten Osmaanse soldaten in Galicië een vrouw buit, die voorbestemd was om de haremdroom van West-Europa voor lange tijd te bepalen. Naar men aannam een Russin, ‘Russolana’, die in Europa de mythische naam Roxelana of La Rossa (de Roodharige) zou dragen, maar die in het Turks Hürrem, de Vrolijke, heette. Ze werd verkocht aan het Osmaanse hof en haar uitbundige persoonlijkheid maakte dat zij al snel de favoriete vrouw van de sultan werd Süleyman had voordat hij Hürrem ontmoette al een favoriete vrouw (in het Turks ‘baseki’) gehad: Gülbahar. Süleyman I huwde echter niet lang na zijn troonsbestijging met Hürrem. Dit was zeer uitzonderlijk want de Osmaanse sultans trouwden meestal niet officieel. De bittere rivaliteit tussen Hürrem en Gülbahar bleef enkel onder controle dankzij het voortdurend ingrijpen van de sultan-moeder Hafsa Sultan. Na haar dood in 1534 lag de weg voor Hürrem open. Gülbahar werd naar de provincie verbannen en Hürrem begon aan fase twee van haar plannen: de verplaatsing van de woonvertrekken van de vrouwen van het Oude Paleis naar het Topkapi-paleis, het bestuurlijk centrum van het Osmaanse Rijk. Rond 1550 slaagde zij hierin: de harem was ontstaan. De vrouwen in het paleis konden grote invloed uitoefenen op staatszaken; de tijd van de zogenaamde haremintriges begon.2
De harem ( lettterlijk ‘het verbodene’) was het deel in het Topkapi-paleis waar de vertrekken van de sultan, zijn vrouwen en kinderen en de bedienden, de eunuchen en slavinnen lagen. Verboden was de harem wel voor buitenstaanders.
Berichten over de uitzonderlijke carrière van Hürrem / Roxelana en haar intriges bereikten via Italië al snel Europa. Het ontketende een kleine Roxelana-rage: haar beeltenis is tot in de achttiende eeuw terug te vinden als prototype van de Turkse sultane. De vrouwekop met kap met daaraan een sluier, zou het model worden voor tal van navolgingen: ‘La piu bella e piu favorita donna del gran Turcho dita La Rosa’ (‘De mooiste en meest favoriete vrouw van de Grote Turk, genaamd ‘de Roodharige’).
Natuurlijk vonden naast de afbeeldingen ook de verhalen over de harem intriges van Roxelana hun weg in de Europese literatuur; een genre was geboren.

Turkse vrouw op badklompen in het boek van Sandys VROUWEN IN HET BADHUIS (afbeelding)

Een ander westers beeld, nauw verwant aan de haremtraditie, was de vrouw in het badhuis. Net als bij de beschrijving van de harem, kon men bij de weergave van de Osmaanse vrouw in het badhuis inspelen op seksuele connotaties, die in de zestiende eeuw al even populair waren als in onze tijd. Een vroege, ongetwijfeld deels gefantaseerde beschrijving hiervan gaf Nicolas de Nicolays Les quatres premiers livres des navigations et peregrinations orientales de Nicolai uit 1568 (de Nederlandse editie verscheen in 1576 te Antwerpen: ‘De schipvaen en de reysen in ‘t land van Turkyen… ‘).
Badbezoek was volgens Nicolay uiterst frequent bij vrouwen uit de hogere klassen, drie tot vier maal per week. De reden hiervoor was niet een uitzonderlijk gevoel voor hygiëne maar, nog steeds volgens Nicolay: ‘ten eijnde zij een eerlijcke occasie ende excusatie souden hebben om uut den huijse te comen, alwaer zij altijts inne gesloten sijn doer de groote jaloursheit van haer mans. Het grootste gevaar van het badbezoek was wel waer uut dat spruijt die groote vrientschap ende liefde die daer is onder de orientaelsche vrouwen. Jae zij werden somtijts so amoureus op malcanderen al warent mans’. Waarin de schrijver aanleiding vond om wat verder uit te wijden over het sapphisme. Nicolays teksten werden bijna ongewijzigd in meerdere zeventiendeeeuwse Nederlandse werken opgenomen.
In de prentkunst leidde deze voorkeur voor badscènes tot tal van afbeeldingen waarop Osmaanse vrouwen te zien waren die op hoge badklompen op weg waren naar de ‘hamam’ (het Turkse bad), en later beenden oriëntalisten als Ingres het onderwerp ‘Turks bad’ tot op het bot uit.

REISVERSLAGEN EN PRENTEN

De stroom reisbeschrijvingen nam in de zeventiende eeuw verder toe. Men had meer contacten met het Osmaanse Rijk, en de berichten wekken de schijn wat accurater te zijn, maar er veranderde in werkelijkheid weinig aan het beeld van de Turk, evenmin als dat van de Turkse. Het ook in het Nederlands vertaalde reisverhaal van de Engelsman Sandys ging even in op de omgang tussen man en vrouw: ‘sij worden gecastijdt en dat nemen sij aen voor een teecken sijnder affectie. Sij eten apart ende bemoei jen haer niet met de huishoudinghe. Al dat van haer vereijscht wordt , is dat sij haere man behaeghen, haer eijgen kinderen op voeden en vreedsaem onder malkanderen leven’. Sandys is zeer tevreden over het uiterlijk van de Turkse vrouw: ”t Syn seer schoone vrouwen , door de banck rootachtigh , klaer en glat als geschraepten y voor, zynde nooit pympelpeers ofblaeuw van koleur …’
Volgens Cornelis de Bruyn, wiens ‘Reizen. . . door de Vermaerdste Deelen van Klein Asia. . . ‘(1698) over het algemeen een minder vooringenomen indruk achterlaat dan zijnmeeste tijdgenoten, was de Osmaanse vrouw veel vrijer dan de verhalen van andereauteurs doen vermoeden. Zijn relaas over de zeden van de vrouwen lijken toch echtereerder sensationalistisch te zijn dan waarheid. Zo is volgens De Bruyn de kuisheid hunner grootste deugd niet en zouden zij bij ontmoetingen met Franken (christelijke Europeanen) zulke dartele bewegingen maken dat men er door getroffen moet worden. Ze zouden zelfs lonken en geile gebaarden maken.
Het is op z’n minst twijfelachtig of De Bruyn werkelijk zulke Turkse vrouwen istegengekomen. Net als zoveel van zijn voorgangers en degenen die na hem kwamenhad De Bruyn waarschijnlijk meer kans in het openbaar Griekse of Armeense vrouwente ontmoeten. Gezien zijn beschrijving zijn het zelfs mogelijk prostituées geweest opzoek naar klandizie.
Op prenten zien we dan ook behalve Turkse vrouwen vooral Griekse, Armeense en joodse vrouwen afgebeeld. Istanbul was als alle wereldsteden een smeltkroes van volkeren waaraan de kunstenaars zich vaak vergaapten. Een onbekend (Nederlands?) kunstenaar heeft vier van deze types weergegeven als voorgrond van een panorama van Constantinopel. De afbeelding laat twee Griekse, één joodse en één Turkse zien. Bijschriften op deze prent zijn in het Frans en het Nederlands.3
In de achttiende eeuw lijken de voorstellingen van de Turkse vrouw op prenten en schilderijen de vorm te krijgen van voorbeeldplaten voor de verkleedpartijen waar de rococo zo dol op was. De Turkse mode (turquerie, turquoiserie) begon en menige vrouw in Europa kleedde zich als sultane of odalisk. Natuurlijk was dit meestal op feesten en bals aan de Europese hoven. In Daniel Defoe’s ‘Roxana, or , the Fonunate Mistress’ (1724), verkleedt de vrouwelijke heldin, wier naam blijkbaar niet voor niets
aan Roxelana herinnert, zich op een feest als verleidelijke sultane.In deze tijd werden ook de verhalen van Duizend-en-één-nacht vertaald. ‘De wrede Turk’ maakte min of meer plaats voor het beeld van ‘Ie turc amoureux’.
Een van de laatste kunstenaars die nog van een rapportagevorm uitging was Jean Baptiste Vanmour die aan het begin van de achttiende eeuw gedurende langere tijd in Istanbul verbleef. Hij vervaardigde onder andere een omvangrijke serie schilderijen voor de toenmalige Nederlandse ambassadeur Cornelis Calkoen. Naast een aantal ‘audiënties bij de sultan’ bevinden zich in het Rijksmuseum ook schilderijen van Vanmour die het leven van de Turkse vrouw in kaart brengen: een portret, een Turkse bruiloft, de kraamkamer van een voorname Turkse.
In het ‘Recueil de cent estampes representant differentes Nations du Levant’ (1714) waarvan de gra~s gebaseerd zijn op studies van Vanmour, is onder meer een grootaantal Osmaanse vrouwen afgebeeld. Opvallend is dat alle Turkse vrouwen (integenstelling tot de Griekse, joodse en Armeense vrouwen) binnenshuis zijn afgebeeld,vaak met op de achtergrond een getralied venster. De omgeving waarin de Turksevrouwen zich bevinden zijn het bad en de harem. Het Recueil heeft een grote uitstralinggekend, zowel bij beroepskunstenaars als amateurs. De Nederlandse oriënt-reizigerJohan Raye tekende in zijn reisverslag veel Turkse scènes. De meeste ervan zijn thuisnagetekend uit het Recueil.4 Een professionelere verwerking van de Turkse figuren uithet ‘Recueil’ kwam uit de werkplaatsen van de Meissen porseleinfabrieken.
De belangrijkste vertegenwoordiger van de ‘Turkse mode’ in de schilderkunst is Jean Etienne Liotard, 1e peintre turc’. Ook Liotard verbleef enige tijd in Constantinopel. Na zijn terugkeer specialiseerde hij zich in het portretteren van Europese vrouwen en mannen in Turks kostuum.
In de literatuur drapeert men soms het schaamlap der Verlichting om de verhalen van harem en badhuis. Pieter van Woensel maakte tussen 1784 en 1789 een reis door Turkije en Rusland. In zijn ‘Aanteekeningen’ (1791-1795) probeert hij vele vooroordelen tegen het Turkse volk te ontkrachten, zo ook die over de Turkse vrouwen: ‘De veelwijverij is op verre na niet zo algemeen in Turkyen als er wel ophef van gemaakt wordt. De Turksche vrouwen … zijn niet van een zo lammerachtigen, kouden of jaloersen aan, om als sloofjes te dulden dat haar echtgenoot van ‘t voorrecht, dat de wet hem toekent, om vier vrouwen en een geheele zooi bijwijven te hebben, ter haarer contemplatie gebruik maake. Beproeft men ‘t zeer schielijk wordt zijne woning die van gekibbel, krakeel, oorlog en dadelijkheden’. Volgens de wet, zo Van Woensel, is de haremhouder verplicht hem ieder van haar tenminste eens in de week te herinneren dat zij nog geen weduwe is. En in navolging van eerdere auteurs memoreert Van Woensel dat hij, toen hij twee Turken met hun vijf vrouwen ontmoette, zo handtastelijk door de vrouwen werd bejegend dat de grenzen van het betamelijke werden overschreden.
Tussen fantasieën over opgesloten vrouwen en vrijgevochten vrouwen in de oriënt kon
en wilde men in deze tijd blijkbaar nog niet kiezen.

Zeventiende-eeuws (Nederlands?) panorama van Constantinopel met op de voorgrond vier Osmaanse vrouwen (afbeelding)

DE HAREM WORDT DEFINITIEF GESLOTEN

Met de internationale belangstelling voor de Griekse opstand van 1821-1829 kwam het beeld van de wrede, tirannieke Turk weer in West-Europa naar boven. Dit werd al snel ingekapseld in een verhevigde belangstelling voor alle onoirbaarheden in het Turkse bad en de harem. Wrede sultans die hun zinnen zetten op onschuldige, vaak ontvoerde, meisjes waren het erotische hoofdthema. Een van de aardigste voorbeelden hiervan is wel ‘The Lustful Turk or Lascivious Scenes in a Harem Faithfully and Vividly Depicted in a Series of Letters from a Young and Beautiful English Lady to her Cousin in England’ (1828).
Odalisken, sultanes en houri’s begonnen de rooksalons in geschilderde vorm te vullen. De latere dominee J.J.L. ten Kate, een van de dichtende coryfeeën uit de Beets-kring, voorzag een zwelgend plaatje van een odalisk van dichtregels:

‘Aan NadinaWaanoe in ‘t avonduur, den Harem uitgetreden,
ô Jeugdige Odaliske, in maagdelijke beden
En teedre mijmery uw minnen han verdiept?

Of-is ‘t de blijde hoop, dat Gy uit al die Schoonen,
Die talloos als ‘t gestamt, het trotsch Serail bewonen,
Alleen en onverdeeld des Sultans han bewoont?
Dat zoo gy hem ontvielt, geen Dochter van het Oosten,
Geen danle Hourhri zelfs zijn sman zoû kunnen troosten?

Wat is u ‘t flonkeren van albasten feesttijlampen?
Wat Ormusz parelschat ? Wat duizend wierookdampen,
Schoon zoet als ‘t aâmen van een Paradijszefier?
Geen marmren Divan, of gy vindt de Smart er weder!
Zy volgt u overal en legt zich met u neder
Op ‘t rusttapeet van Cachemir!’5

De sentimenten worden weerspiegeld in tal van soortgelijke dichterlijke uitwasemingen.
In ‘Het liedje van den Albanees’ kunnen we lezen dat de auteur begrijpt dat ….
‘in Stamboel, de Groote Heer
De Groote Heer
Die vlijt er zijn liefsten op kussens neer
Wit en zacht,
Als de borstpluis der zwanen.’

Maar de aanbedene is ook bij de auteur welkom:
‘Sotanina, mijn kleine sultane,
Zet vrij op mijn eigene borst uw voet,
En voel hoe zij klopt met warmeren gloed,
Dan de donzige pluis er zwanen!’ (6)

Het zou meer terecht zijn wanneer de titel van het gedicht werd veranderd in ‘Het liedje van den Nederlander': we hebben duidelijk te maken met de oriëntalistische wensdroom van een vaderlandse burgerman, die zich al op slippers in een sultanskaik ziet worden verplaatst over de Bosporus.
Naarmate de eeuw vorderde werd de harem erotiek vileiner, en eindigde in fotografische ‘tableaux vivants’ die pretendeerden te zijn gemaakt in het serail, maar in werkelijkheid waren genomen in Parijse achterkamers. Deze pornografica vond veel aftrek. Op ‘literair’ gebied is ‘A Night in a Moorish Harem'(1904) befaamd. De porno-uitgeverij C.J.Koster AZN. uit Amsterdam adverteerde rond de eeuwwisseling in zijn boekjes onder andere met ‘De Oostersche Vrouw en hare Hartstochten, met naakte fotostudies van Oostersche vrouwen. f 6,90′. Duitse ‘Sittengeschichten’ formuleerden ook voor deze markt. Willem van Hoogstratens ‘De oosterse vrouw (hare zeden en gewoonten)’ uit het begin van deze eeuw is een dergelijk werk. (7) Onder het mom van geschiedschrijving der harem, werden tal van pikanterieën gedebiteerd.
De oude voorstellingen van harem en badhuis zijn nog altijd bruikbaar. In Terry Gilliams film ‘The Adventures of Baron von Münchhausen’zien we wulpse odalisken op duizelingwekkend hoge badklompen door het serail van de sultan struinen: de absurde enscenering laat zien dat het haremsprookje nog steeds leeft.

Noten
1. Een van de weinige vrouwen die verslag heeft gedaan van haar verblijf in het Osmaanse Rijk is Lady Mary Wortley Montague. Haar ‘Letters’ werden omstreeks het midden van de achttiende eeuw gepubliceerd
2. Zie hiervoor O.a. E. Alil, ‘Süleymanname: The illustrated History of Süleyman the Magnificent’, Washington en New Vork 1986,21-23.
3. Tot voor kort was van het hier afgebeelde panorama enkel een exemplaar in de Collectie BodelNijenhuis, Universiteits bibliotheek Leiden, bekend. Het Leidse panorama bestaat echter uit slechts drie vrouwen en is dus niet volledig. Museum Het Princessehof te Leeuwarden bezit een exemplaar dat volledig lijkt te zijn. Het bestaat uit vier vrouwenfiguren en het panorama is compleet. Voor de tot dan toe unieke Leidse prent zie B. van ‘t Hoff, ‘Een panorama van Konstantinopel uit het begin van de Gouden Eeuw’, Jaarverslag over 1954, Maritiem Museum Prins Hendrik, Rotterdam, 3-10.
4. Voor Raye’s reisbeschrijving zie A. Doedens en L. Mulder (red.), ‘Een levenslustig heer op reis naar de Oriënt: brieven van Johan Raye, heer van BreukeIerwaart 1764-1769′, Baarn 1987. Doedens en Mulder zijn blijkbaar niet op de hoogte van het bestaan van het ‘Recueil’ of enig ander werk over het Osmaanse Rijk.
5. J. J. L. ten Kate, ‘Nieuwe Rozen’, Utrecht 1839, 19-25.
6. Dit gedicht werd gepubliceerd in ‘Constantinopel – Scheveningen (Uitgegeeven ter voordeele der slachtoffers van de aardbeving te Constantinopel en den storm te Scheveningen)’, Amsterdam 1895.
7. Van het werk van Hoogstraten (pseudoniem?) verschenen minstens twaalf drukken.