Zondag: laatste dag van de week

Margriet
Het was op een prachtige voorjaarsochtend, moederdag. Margriet zat in haar tuin bij de vijver. Zij genoot van een lekker kopje koffie en luisterde naar het gefluit van de vogels en het gesuizel van de wind in het voorjaarsgroen. Heerlijk, dacht ze. Sofie, had een aardig moederdagversje opgezegd en een leuk, zelfgemaakt ganzenbordspelletje gegeven. Schattig hoor. Margriet had haar best gedaan haar dochter de hemel in te prijzen, maar ze had een gruwelijke hekel aan spelletjes, vooral aan ganzenbord. Sofietje had al voorzien dat dit moederdagcadeautje niet helemaal naar de smaak van haar mama was. De hele klas had een ganzenbordspelletje moeten maken, want welke mama houdt er nu niet van spelletjes, vooral niet van ganzenbord? De mama van Sofie dus.

De eerste aarzelende klepelslagen van de kerklok hoorde ze al. Langzaam zwol het geluid tot een zwaar gebeier aan. De pastoor van de kleine dorpskerk riep de gelovigen op om naar de hoogmis van elf uur te gaan. Margriet werd altijd wat melancholiek van kerkklokken. Ook voelde zij zich een beetje schuldig. Ze was zo lang niet meer naar de kerk geweest. Op zondag al helemaal niet meer. Sofietje wist zelfs niet meer of zondag de eerste dag van de week was of de laatste! En dat de week met een rustdag begon in plaats van met een werkdag. ‘De juf zegt dat maandag de eerste dag van de week is!’ Had ze verontwaardigd uitgeroepen. Ze waren bijna nooit met z’n allen op zondag naar de kerk geweest. Alleen de heilige communie van Sofietje vorig jaar hadden ze gevierd. Dat was wel een aardig feestje geweest hoor. Al had Sofie er toch weer erg schriel en sjofel uitgezien ondanks de dure, designer kleding die Margriet speciaal voor het feest had gekocht. Ook het kapseltje was helemaal door de war. Zij had speciaal een kapster laten komen om Sofie’s haar in te vlechten, maar na een uur staken de eerste piekerige plukjes alweer uit de vlechtjes. Het lag aan het lelijke haar, niet aan de kapster. Sofie stond zoals gebruikelijk weer helemaal achteraan; je kon haar nauwelijks zien. Ze was ook de kleinste van de klas. Waarom lette zo’n juf daar nou niet op? Margriet had ook haar hart vastgehouden voor het moment waarop Sofie de hostie zou aannemen. Ze wist zeker dat ze die op de grond zou laten vallen. Maar tot haar grote verbazing was dat wel goed gegaan. En Sofie was nog wel zo zenuwachtig geweest. Natuurlijk was er weer een andere ramp gebeurd. Ze had een duur ringetje op het altaar verloren. Dat was zomaar van haar vinger gegleden. Margriet had het ringetje een maatje groter gekocht, omdat het een duur ringetje was en de vingertjes van Sofie nog in de groei waren. Ze had Sofie gezegd het aan de middelvinger te dragen, die was dikker dan de ringvinger. Maar dan nog was het te groot. Na de mis had Margriet nog wat over het altaar gekropen om het sieraadje te zoeken. ‘Heilige Anthonius goede vrind, maak dat ik het ringetje vind.’ Hoorde ze in haar hoofd haar moeder zeggen. Maar helaas, de Hl. Anthonius was haar niet goed gezind of haar moeder niet en het ringetje was verdwenen!

Margriet herinnerde zich dat Thomas vond dat ze niet zo moest zeuren over dat ringetje. ‘Je moet zo’n kind ook geen duur sieraad geven. Het is je eigen schuld.’ Hij had genoten van de plechtigheid. Hij kon toen nog in een rolstoel zitten voor langere tijd en voelde zich die zondag een echte papa. Margriet voelde zich niet zo’n mama, ze dacht aan het tennistoernooi dat ze nu moest missen. De koffietafel na afloop was gezellig, al had Sofietje bij het ronddelen van de taart onhandige stunts uitgehaald en zichzelf helemaal onder de slagroom en chocoladecreme gesmeerd. Iedereen moest lachen, behalve Margriet. Vanwege de ziekte van Thomas duurde het feest niet zo lang en Margriet had met Valerie, haar beste vriendin, de boel opgeruimd. De foto’s van het communiefeest vielen tegen. Sofietje stond altijd al lelijk op foto’s, maar nu was het helemaal erg. Zo’n armetierig communicantje had je nog nooit gezien. Er zou nog hard aan Sofie gewerkt moeten worden, voor zij enigszins een acceptabele meid zou zijn.

De Nachtmis na het communiefeest hadden ze al niet meer bezocht. Thomas was te slecht en ze wilde hem niet op Kerstavond alleen laten. Althans Sofietje niet. Margriet bleef maar doen of er niets aan de hand was, of het maar een griepje was dat zo weer over was. De ernst van de ziekte was weliswaar heel vroeg zichtbaar geworden, maar ze wilde er haar leven niet door laten beinvloeden. Het was ook allemaal zo absurd snel gegaan: Thomas ging naar de huisarts met vage klachten en de volgende dag zat hij al bij de neuroloog. Na een eerste screening volgde gelijk een week ziekenhuis. Dat kwam helemaal niet goed uit, want Margriet had net een project bij de uitgeverij dat afgerond moest worden. De uitslag was helemaal onaanvaardbaar voor haar! Vascoartisceloritis. Nooit van gehoord. Zeldzaam, ongeneeslijk en agressief. Heel agressief. De arts had er geen doekjes om gewonden. Lichamelijk verval, verlies van belangrijke functies en spraakvermogen. Ook de ogen konden worden aangetast. Dat was twee en half jaar geleden. Thomas had nog even stoer doorgewerkt, maar moest al gauw de handdoek in de ring gooien. Hij nam samen met Margriet en Sofietje afscheid van zijn collega’s, die allemaal beloofden veel van zich te zullen laten horen want zij waren immers vrienden! Thomas’ baan als CEO van een winstgevende divisie van een groot internationaal concern werd door een ‘goede vriend’ overgenomen. Nooit hadden ze meer wat van zijn collega’s gehoord, behalve dan van het muisje achter de receptie. Met haar had Thomas eigenlijk nooit een woord gewisseld en haar naam had hij nooit geweten. Ze bracht hem een bosje bloemen, ‘ namens alle collega’s’. En later kwam ze nog eens met een fruitschaal aanzetten. Lief kind eigenlijk. Ze meende het oprecht. Heel oprecht. En ze had echt met Thomas te doen. Dat kon je zo zien. De attenties had ze waarschijnlijk uit eigen zak betaald.

Arme Thomas, dacht Margriet. Hij lag nu grotendeels op bed en elke dag kwam er een verpleegster langs om hem te verzorgen. Sylvia, een prachtmeid. Gelukkig maar. Het scheelde maar net of zij had hiervoor moeten opdraaien. Daar voelde ze dus echt niet voor. De arts, haar monsterend aankijkend, vond het ook geen goed idee en liet met spoed thuiszorg regelen. Thomas voelde zich er ongemakkelijk onder. Margriet wist hoe zeer hij een hekel aan zieke of gehandicapte lichamen had, zeker als het zijn eigen lijf betrof. Ze sliepen nu al meer dan een jaar apart. Thomas in de serre die ingrijpend was aangepast en nu meer leek op een intensive care -unit dan op een tuinkamer op de begane grond. Hun slaapkamer had ze direct opgeruimd en ingericht zoals zij dat wilde. De garderobekast was zonder de kleding van Thomas groot genoeg om zowel haar winter- als de zomergarderobe te herbergen. Margriet was er erg mee in haar nopjes.

Opnieuw begonnen aarzelend de klokken te beieren, nu om de gelovigen uit te luiden. De Hoogmis zat erop. Valerie kon elk moment komen. Samen zouden ze naar het seniorentoernooi van de tennisclub gaan. Margriet had er zin in, verschrikkelijk veel zin. Het klokgelui was nog niet verstomd of daar ging de deurbel. Ze rende naar binnen, snelde door de gang en deed de voordeur open, begroette Valerie, draafde door naar de tuinkamer en stak haar hoofd om de hoek. ‘Nou, ik ga hoor. Als ik in de finale kom, dan moeten jullie maar alvast gaan eten. Er staat een ovenschotel klaar. Sofietje, jij weet wel hoe je dat moet doen he? Anders vraag je het even aan Sylvia. Dag lieverds, hou van jullie.’ Weg was ze. Thomas en Sofietje enigzins verbouwereerd achterlatend.

Thomas en Sofie
Thomas zonk diep in zijn kussen. Hij had Margriet nog wat willen vragen. Ze was zo snel weg! Hij had haar de hele ochtend niet gezien. En Sofietje had haar ook niet meer gezien na het moederdag ritueel. De hele zondagmiddag lang zouden ze samen zijn, Sofietje en hij. Hij had het klokgebeier gehoord en zich afgevraagd of de pastoor misschien niet eens langs zou kunnen komen. Vandaag? Of mochten ze niet werken op zondag. Dat deden ze toch, dat soort dingen? Zieleheil, of zoiets. Denkend aan de reactie van Margriet hierop liet hij dit idee maar snel varen. Hij probeerde zich de kerk voor te stellen waar hij met het communiefeest van Sofie voor het laatst geweest was. Aardig kerkje en heerlijk was het feest geweest. Sofietje zag er adembenemend uit. Al had Margriet wel wat overdreven met dat kapsel en dat absurd dure ringetje. Hij hield van zijn kleine meid, zoals ze op dat grote altaar stond. Je kon helemaal niet merken dat ze zo zenuwachtig was. Ze had ergens toch wel iets van zijn stalen zenuwen.

‘Pap, mag ik een hondje?’ Sofietje stoorde hem in zijn gepeins. ‘Een hondje? Vindt je moeder niet goed. Dat weet je toch?’ ‘Maar een kleintje uit het asiel. Dat al zindelijk is en gehoorzaamt.’ ‘Ach, meid. Zet dat nu maar uit je hoofd. Zo’n beest wordt hier niet gelukkig. Jij bent de hele dag naar school, je moeder is naar haar werk of naar haar clubs en ik lig ziek in bed. Moet ik dan de hele dag naar een zielig jankende hond luisteren die ik niet kan uitlaten en waarmee ik niet kan rennen? Nee hoor. Dat gaat echt niet.’ Sofietje keek uit het raam. Ook toen pappie nog wel gezond was, was een hond onbespreekbaar. Het was gewoon niet eerlijk. Plotseling schreeuwde ze. ‘Was jij maar dood. Hartstikke dood.’ En begon hard te huilen. Thomas probeerde haar te troosten. Natuurlijk was hij niet boos op haar, stelde hij haar gerust. Het hoorde er nou eenmaal bij om boos te worden als een papa zo ziek is. Dat is helemaal niet erg. Ondertussen dacht Thomas aan zijn begrafenis. Hoe zou die er uit zien? Hij had er helemaal niets over op papier staan en had het ook niet met Margriet doorgenomen. Die wilde van niets weten. In het dorpskerkje moest toch wel een dodenmis gehouden worden. Maar zouden er mensen komen? Genoeg om zo’n kerk een beetje te vullen? Hij had er een hard hoofd in. Zijn oud collega’s zouden het te druk hebben met het halen van hun targets. Zijn klanten en externe contacten wisten misschien zijn naam al niet eens meer. Dat lieve kind van achter de receptie, hoe heette ze ook al weer? Zij zou beslist komen. Dat was dan tenminste iemand. Verder wat familie. Wat vriendinnen van Margriet. Klasgenootjes van Sofietje. De juf. Daar hield het dan ook wel mee op. Treurige bedoening. Margriet kennend, zou het zeker zeer efficient en zakelijk geregeld worden. Geen kerk, geen mis, geen bloemen. Wel een begrafenis, schatte hij in. Een echt graf, waar ze dan nog eens naar toe kon gaan en de bedroefde weduwe kon spelen. Met het kleine zielige dochtertje aan de hand. Oei, wat werd hij cynisch. Hij schrok er zelf van. ‘Pappie, ik wil niet dat je dood gaat.’ Hoorde hij een dun stemmetje zeggen. ‘Alsjeblieft.’ ‘Meiske toch, je weet dat ik niet meer beter word.’ ‘Maar ze gaan toch opereren?’ ‘Ja, maar dan nog…..’ Hij keek naar het doosje antidepressiva dat op het nachtkastje lag. Hij moest zijn dosis voor vandaag nog innemen. Echt veel helpen, deden ze niet, die pillen. ‘Misschien dat Sofie wel voelt dat ik zo met mijn eigen dood bezig ben.’

Hij slikte de anti-depressie middelen heimelijk, omdat hij het er niet met Margriet over wilde hebben. Die liet hem direct in een psychiatrische inrichting opnemen, als hij niet oppaste. Met mensen die iets aan hun hoofd mankeerden kon ze niets. God, wat was het een mooie meid, toen hij haar leerde kennen. Mooi en sportief, nog steeds. Zij waren gek op elkaar. Deden veel aan sport, gingen vaak uit en hadden veel vrienden. Zij hadden het goed gehad samen. Ook de geboorte van Sofietje was een belevenis geweest. Alleen wilde Margriet na de eerste geen tweede meer. De start van Sofietje was moeizaam, ze was een couveusekindje geweest en Margriet maakte zich voortdurend zorgen. Toen Sofietje opgroeide werd het een ander meisje dan Margriet gehoopt had. Ze bleef klein en mager en was met alles laat. Hij vond haar juist lief en innemend. Hij had niet zoveel op met die dikke, ronde kleutertjes. Zij hield van muziek en ballet; als drie-jarige al. Zij was zo anders dan Margriet gedacht had. Zij wilde een stoere, sportieve meid, met wie ze kon tennissen, paardrijden en hockeyen. Niet zo’n fijngevoelig en teer meisje. Het werd steeds moeilijker voor Sofietje om aan haar moeders’ eisen te voldoen. Hij had geprobeerd haar een beetje te beschermen, maar omdat hij full-time werkte en veel in het buitenland verbleef, was dat niet altijd gelukt. Met lede ogen zag hij dat het meisje veranderde in een timide en faalangstig kind. Jammer: terugkijkend had hij de verkeerde keuzes gemaakt. Hij had al zijn tijd besteed aan het opzetten van een nieuwe vestiging in Singapore. En toen werd hij ziek en kwam hij hier te liggen. Hij keek naar de doos met tissues. Daarin, onder de dunne, witte doekjes lag het doosje met de Vesperax, de slaappillen die de Vereniging hem had gegeven. Met een zorgvuldige instructie hoe deze in te nemen. Twintig tabletten fijnstampen, door de yoghurt doen en dan oplepelen. Het liefst met een flink glas port erbij. Zij hart klopte in zijn keel en zijn hoofd voelde knalrood en heet aan. Dat had hij iedere keer wanneer hij aan deze mogelijkheid dacht. Hij had de consulente nog gevraagd. ‘Wanneer weet je nou, dat het zover is. Dat je niet anders meer kunt, dan……’ ‘O, dat merkt u vanzelf wel.’ Had ze luchtig geantwoord.

Het was stil geworden. Sofietje was in slaap gevallen op zijn bed. Een lange, stille zondagmiddag lag voor hem. Een vreemde leegte omringde hem. Nee, Margriet en hij waren niet bepaald naar elkaar toegegroeid de laatste tijd. Zij ergerde zich aan zijn ziekzijn en hij was jaloers op haar blakende gezondheid. Het was typisch iets voor Margriet om haar verdriet niet toe te laten en alles te ontkennen. Het was dat hele verrekte proces van aftakeling, verlies van zelfstandigheid, afhankelijkheid, lichamelijke vervuiling en fysieke onbeholpenheid waar ze allebei niet tegen konden. Al zijn zenuwen waren al aangetast. Het praten ging steeds moeilijker. De specialist was er van geschrokken en had dat ook laten merken. Onder het mom van: ‘Ik zal maar eerlijk tegen je zijn.’ Thomas had dat geapprecieerd. Na dat gesprek had hij ook contact opgenomen met die euthanasie vereniging. Ze waren vol begrip. Een mevrouw was de pillen komen brengen. Ze wilde nog even met hem praten. Gelukkig had Sylvia het pakje aangenomen en verder geen argwaan gekoesterd. ‘Ik ben hem net aan het wassen.’ Had ze ferm gezegd. ‘Het komt niet uit.’ ‘Nou, wens hem dan maar veel sterkte.’ Had de mevrouw gezegd, aldus Sylvia.
Thomas had het pakje aangenomen en rustig onder zijn hoofdkussen gelegd. Even later had hij zijn verstopplekje bedacht: in de doos met tissues. Hij had Sofietje gevraagd het pakje open te maken. En zij deed dat met een argeloosheid die hem bijna verbaasde. De tabletten zaten in een potje met een schroefdeksel. ‘Kun je het dekseltje een beetje losdraaien?’ Had hij Sofietje gevraagd. Dat deed ze met dezelfde onschuld. Toen iedereen naar bed was, verborg hij het potje in de doos. Dat was een maand geleden.
Hij keek naar Sofietje, die nog steeds lag te slapen. ‘Stumperd. Hoe moet dat nu met je? Een dode vader en een moeder die een ander van je wil maken. Ik kan niets meer voor je doen, begrijp je. Helemaal niets meer. Het is afgelopen.’

Margriet
Margriet tenniste geweldig. Ze voelde zich goed. Valerie speelde minder, maar die kampte dan ook met overgewicht. Overtollige kilo’s die ze van verdriet naar binnen gestouwd had: scheiding, geen werk meer, lastige kinderen, uitkering en geen alimentatie. Kortom een weinig benijdenswaardig leven. Even vergetend dat haar eigen leventje toch ook al behoorlijk overhoop lag met de doodzieke Thomas.
Met de dames dubbel waren ze dan ook niet zo ver gekomen. Maar de dames enkel werd het koninginnenummer van Margriet. Dat ging lukken. Zij ging inderdaad door naar de finale en Valerie zou blijven om haar aan te moedigen. Ineens miste Margriet Thomas. Anders had hij haar aangemoedigd. Zij kwamen altijd samen uit in de finale gemengd dubbel. Altijd. Maar dat was vroeger. Heel voorzichtig brak er iets in haar. Een stukje glas dat ergens afsprong en haar van binnen verwondde. Dat ze Thomas ging verliezen, misschien wel heel snel. Het scherfje sneed diep. ‘Even Thomas bellen.’ Schreeuwde ze naar Valerie. Ze wilde hem vertellen dat ze de finale moest spelen. Ze kreeg geen gehoor. Dan maar een smsje. Misschien slaapt hij of heeft hij zijn mobieltje uitstaan. Ze sprak ook nog een berichtje in, waaraan ze meer tijd besteedde dan gewoonlijk.

Thomas en Sofie
Sofietje werd wakker en lachte naar haar vader. ‘Heb ik lang geslapen Pappie?’ ‘Valt wel mee hoor, meiske. Wil je wat voor me doen?’ ‘Ja hoor, natuurlijk.’ ‘Kun je een schaaltje yoghurt met een lepeltje voor me halen met klein kopje er bij?’ Sofietje knikte en ging weg. Thomas voelde zich bezwaard om dat kind hiermee te belasten. Hij had het Margriet vanochtend willen vragen, maar die was zo snel het huis uitgerend. De mevrouw van de vereniging had nog aangeraden om alles samen te doen. Maar dat leek Thomas, in het geval van Margriet, geen optie. Enfin, dat glas port moest hij maar vergeten. Je kon zo’n kind toch niet op zondagmiddag om drie uur vragen een groot glas port in te schenken. Er werd gebeld. Sylvia stond voor de deur. ‘Daar is Sylvia.’ Riep Sofietje. Ze was gek op haar; ze deed vaak een spelletje met haar. Sofietje deed open. ‘Dag Sofietje. Hoe gaat het?’ ‘Goed.’ ‘Waar is je moeder?’ ‘Tennissen.’ ‘O, alweer?’ ‘Je, ze houdt van tennis. Ik niet. Ik haat tennis.’ Sylvia keek bezorgd naar het kind. ‘Wat heb je vanmiddag allemaal gedaan?’ ‘Ik heb bij papa op bed geslapen.’ ‘Nou, zullen wij straks dan een spelletje doen? Kies jij maar uit.’ ‘Jippie, leuk.’ Sofie ging tevreden naar de keuken en nam het schaaltje met yoghurt en het kopje. ‘Nou geef mij dat schaaltje maar, dan draag jij dat kopje. Heeft Thomas zo’n honger? En waar is dat kopje voor?’ ‘Geen idee. Moet je papa vragen.’

Sylvia
Thomas hoorde Sylvia naderen. Aan zijn oren mankeerde nog niets. Ze kwam altijd s’middags, maar nooit op een hetzelfde tijdstip. Ze was vroeg.’Zo Thomas, hoe gaat het vandaag?’ ‘Minder.’ ‘Ja, veel minder? Heb je pijn?’ ‘Nee, dat valt wel mee, maar het is allemaal zo moeilijk. Margriet, Sofietje. Hoe moet het nou met hen?’ ‘Wat bedoel je nu? Het gaat toch goed met ze.’ ‘Ja, maar later.’ ‘Zover is het nog lang niet.’ Kordate Sylvia pakte handdoeken en washandjes en vulde de teil met warm water. Soms wist ze niet hoe ze de woorden van Thomas moest interpreteren. Hij was bepaald vaag. Maar dat hij zo met de deur in huis viel, was nieuw voor haar. Het gaf haar een onprettig gevoel. ‘Na de operatie, voel je je vast weer veel beter. Geloof dat nu maar.’ Thomas hielp zo goed mogelijk mee, maar wat had hij een hekel aan dit gedoe. Hij had er zo tegenop gezien om elke dag een verpleegster aan zijn bed te krijgen. Hij had gehoopt dat Margriet hem zou verzorgen, maar dat had ze toch niet op zich genomen. De dokter had haar daarin gelijk gegeven. Hij voelde zich afgewezen door de botte manier waarop Margriet hem had afgeserveerd. Letterlijk. Tennissen was belangrijker voor haar. Hij bleef zich schamen over zijn zieke lijf. Gelukkig was Sylvia een type verpleegster met wie hij goed overweg kon. Vrolijk, ad rem, rondborstig en lief voor Sofietje. Vooral dat laatste was erg fijn. Hij genoot als ze spelletjes deden aan zijn bed. Na de wasbeurt en het verschonen van het bed ruimde Sylvia alles op. Vulde de wasmachine en ruimde de keuken een beetje op. De ovenschotel stond al klaar. ‘Kom, Sofietje, we gaan een spelletje doen. Wat heb je uitgekozen? Wil je een kopje koffie Thomas? Ik heb net verse gezet.’ Het werd ganzenbord met het moederdagspel. Sofietje had veel geluk in het spel, tot groot genoegen van Thomas. Samen met Sofietje ruimde ze nog wat op en nam afscheid. ‘Tot morgen, Thomas.’ ‘Mmm, ja tot morgen.’ ‘Dag Sofietje, misschien zie ik je morgenmiddag of ga je nog met een vriendinnetje spelen?’ ‘Weet nog niet.’ Sylvia aarzelde nog even, moest ze nog even blijven? Maar ging toen toch resoluut het huis uit.

Thomas
Sofietje zette de tv in de woonkamer aan. Thomas keek naar het kopje en het lepeltje dat in de yoghurt stak. Hij pakte het lepeltje en likte het af. Hij draaide het potje open , wat heel moeizaam ging. Maar het lukte toch. In porties van vijf pilletjes maalde hij ze tot poeder en deed ze in de yoghurt. Het duurde lang. Zijn handen trilden . Zonder port was het misschien wel nodig om meer pillen te nemen. Hij overwoog de antidepressiva erbij te nemen, maar dat durfde hij niet. Hij wilde niet kreperen. Toen hij alle pillen vergruisd had en door de yoghurt geroerd had, werd zijn hoofd leeg. Net zo leeg als de zondagse leegte om hem heen. Zijn hart bonkte niet meer zo hevig en het warme gevoel was uit zijn gezicht weggetrokken. Het onrustige en kriebelige gevoel in zijn buik dat omhoog steeg en zijn adem benam, was verdwenen. Hij keek op de klok: vijf uur. Margriet zal wel gebeld hebben. Natuurlijk kwam ze in de finale. Daar kwam ze elk jaar in. En een smsje zal ze ook wel gestuurd hebben. Hij had zijn mobieltje uitgezet omdat hij deze zondag niet gestoord wilde worden. Hij had genoten van het slapende meisje aan zijn zij. Van Sylvia, van de verse koffie en het spel. Toch voelde hij even de aanvechting om Margriet’s berichtje te beluisteren. Maar zag er vanaf: haar berichtjes waren altijd erg zakelijk. Ongemerkt was hij begonnen de yoghurt naar binnen te lepelen. Gedachtenloos ging hij te werk. Toen het schaaltje leeg was, zette hij het voorzichtig op het nachtkastje. Bang om het te laten vallen. Het was goed zo. Nu rustig afwachten. Hij doezelde wat in en na een uurtje voelde hij zijn benen zwaar worden en hadden zijn armen geen gevoel meer. Even over zes. Margriet was nog niet terug. Sofietje zat nog steeds voor de televisie. Ze moet wat eten. Hij voelde paniek, maar toen viel hij in slaap.

Sofietje
Sofietje zat voor de tv met een bordje eten. Het was al over zeven. Ze had een bord naar papa gebracht, maar die sliep al. Ze zag het mobieltje van haar vader liggen, aarzelde maar zette het toch aan. Direct kwam er melding van een ingesproken bericht en een smsje binnen. Van mama. Ze wist dat het niet netjes was, maar wilde toch horen wat mama had ingesproken: ‘Lieverd, ik hou van je en mis je nu zo erg. Ik wilde dat wij ooit weer samen konden gaan tennissen. Ik kan niet accepteren dat dat voorbij is. Nou, goed. Hou je haaks, tot straks.’ Ze luisterde het bericht nog een keer af, en nog een keer. Zal ik pappa wakker maken en het berichtje laten horen?’ Ze wilde hem echter niet wekken, hoe lief zij de woorden van haar mama ook vond. Hij sliep zo diep en zag er lief uit. Ze liep met het bord weer terug naar de keuken. Daar deed ze het prakje weer in de ovenschaal. Ze schonk zichzelf een groot glas cola in. Dat mocht ze anders nooit bij het avondeten. Voor de tv merkte ze dat het hapje toch niet zo lekker warm geworden was. Ze liet het verder maar staan. Haar maag kromp trouwens ineen bij het idee dat ze morgen weer naar school moest. Maandag, de eerste dag van de week. Ze wist zeker dat zondag de laatste dag van de week was. Zo voelde de dag immers altijd aan. Sofie liet zich niet van de wijs brengen. Mama zou straks de ovenschotel nog wel goed opwarmen en dan konden ze met zijn drieeën nog wat eten bij papa’s bed voor zij ging slapen.