One Drive: over digitaal pesten

Ooit hoorde ik dat de algemeen rijksarchivaris Van der Gouw weleens gesuggereerd had dat een grote archiefbrand een welkom middel was om papieren archief te selecteren. Hij had in die jaren zeventig nog geen weet van de nieuwe digitale vorm die archieven zouden gaan aannemen, maar deze metamorfose was hem misschien wel welkom geweest. Geen informatiedrager zo kwetsbaar als de digitale in welke vorm dan ook. Menig selectievraagstuk wordt vanzelf opgelost als je vergeet te converteren. Ik ben blij dat ik de rest van mijn loopbaan niet ondergedompeld ben in het beheer van digitale archieven, want dat ligt mij helemaal niet. Alleen al het feit dat de verantwoordelijken stelselmatig voor hun taak zijn weggelopen en deze hebben afgeschoven op lager opgeleiden. Ja, met als resultaat een tsunami aan mislukte digitaliseringsprojecten bij de overheid, die ons allemaal, mij ook razend veel geld kosten. Desondanks ben ik blij niet bij de DIV te werken.

Tot op heden zijn mijn privé-digitaliseringsprojecten redelijk goed afgelopen. Vorig jaar, of was het alweer twee jaar geleden hadden wij hier de vroegste aanval van het gemene hack-virus uit de Oekraïne op particulieren. Volgens de politieagent die dit alles behandelde, waren wij het eerste particuliere adres waar de klappen vielen. Partner is alles kwijtgeraakt. Hij rouwt nog steeds om het verlies, maar is ook merkwaardig gelaten geworden over de projecten die toen in volle gang waren en onvoorzien gefrustreerd werden. Gelukkig is een mens méér dan de projecten die hij uitvoert of de baan die hij heeft.

Was ik twee jaar geleden goed door deze aanval heen gekomen, dit voorjaar was het een heel ander verhaal. Ik begrijp nu goed de woede en het verdriet dat je voelt wanneer je digitaal aangevallen wordt. Zeker als er daadwerkelijk verlies van informatie is opgetreden. Door de ervaring van twee jaar geleden heb ik mijn bestanden, zowel privé als meer zakelijk op verschillende back-up systemen overgebracht. Ik ben daar gelukkig wel consequent in geweest, maar minder goed opgelet welk medium ik wanneer, waarvoor gebruikt heb. De scheiding persoonlijk en zakelijk heb ik wel aangehouden, maar in deze categorieën heb ik toch wel veel verschillende back-up mediums gebruikt in de haast om af te sluiten en lekker naar bed te kunnen gaan. Het mooiste moment van de dag, dat ik soms het liefst zo ver mogelijk naar voren schuif.

De aanval werd geopend door een phishingmail van Pia Verhoeven van het Catharijneconvent en een mail met een corrupte bijlage van Sander van Daal, eveneens medewerker van hetzelfde museum. Dit kon ik pas met behulp van een sterke virusscanner, ingebracht door een deskundige op dit terrein achterhalen. Beide bestanden waren al een aantal jaren geleden toegestuurd. De eerste was een professioneel virus, het tweede kwajongenswerk. Verder is er bij alle scans die uitgevoerd werden geen enkel ander corrupt bestand eruit gefilterd. In een veel vroeger tijdperk, nog voor mijn onderzoek, is er weel een keer een trojan horse uit mijn bestanden gevist, dat meegereisd was met een mail van de rechtsbijstandverzekering Centraal Beheer.

De huidige problemen met mijn bestanden zijn volledig te wijten aan dat ene mailtje van Pia Verhoeven en die blijken best groot te zijn, want de On Drive is leeg geplunderd. En niet zo’n beetje ook. Selectief: het is niet meer terug te vinden wanneer dat gebeurd is. Het zijn namelijk geen bestanden die verloren gegaan zijn of verkeerd weg zijn gezet, maar gewoon verdwenen uit dat leuke mapje dat nog wel behouden is gebleven. In analoge termen zou je zeggen dat de omslag met het etiket bewaard gebleven is. Het gaat hier om een serie fotobestanden, geselecteerde foto’s die voor de site gebruikt zouden gaan worden en voor een eventuele fysieke uitgave geschikt zouden zijn. Voor sommige heb ik goed betaald. Verder zijn de drie verschillende versies van mijn proefschrift in wording verdwenen, die ook heel duidelijk in het overzicht terug te vinden waren onder versie 1, versie 2 en versie 3. Andere documenten daarentegen zijn onaangeroerd gebleven.

Ik kon niet controleren of deze bestanden verdwenen waren, omdat One Drive op een gegeven moment niet meer stopte met synchroniseren. Officieel had ik 8 GB aan bestanden daarin staan, maar de Paradigit-jongen die zo zijn best gedaan heeft, heeft goed en wel 1,2 TB aan gegevens moeten downloaden op een externe schijf bij het schoonmaken van mijn desktop. Helaas was dus een deel van de mapjes leeg, maar dat wisten wij beiden nog niet. Ik moet het hem nog even gaan vertellen, want ik denk te snel dat zo’n knul zijn werk niet goed gedaan heeft. Sorry jongeman. Ik heb uiteindelijk toch de stoute schoenen aangetrokken om via internet mijn One Drive te openen, ik ben erg angstig voor die cloud-opslag geworden, en daaruit bleek dat de gegevens inderdaad weg zijn.

Helemaal plaatsen kan ik dit allemaal niet. Ik ben blij dat ik in commissie kan verklaren dat er sprake is van sabotage en dat mijn gevoel van gehackt te worden inderdaad klopt, helaas. Zelfs mijn partner zet nu vraagtekens bij de problemen die ik ondervonden heb, terwijl juist hij het meest kritische klankbord is als het gaat om mijn paranoïde gedachten. Ik moet natuurlijk oppassen dat ik niet de rem loslaat en de betrekkingswaan weer harder gaat toeslaan. Dat is niet de bedoeling.

Onwillekeurig ga je toch nadenken over wie nu achter dit soort praktijken zit. Er zijn verschillende scenario’s te bedenken waarbij het belangrijkste element dat van de afpersing in mijn geval geheel ontbreekt. Dit zou ook de enige reden zijn om aangifte te doen (waar de politie overigens niets mee doet). Eén scenario dat overblijft, is dat er een vorm van bedrijfsspionage gepleegd is en een tweede, dat het gewoon een vorm van digitale bullying is. Ik vind pesten in dit geval toch iets te zacht uitgedrukt, maar ga het wel gebruiken in het vervolg. In het eerste geval zou er zeker sprake kunnen zijn van een grote interesse voor mijn onderzoeksresultaten vanuit het genoemde museum en haar geassocieerden, maar ik heb hen in ieder geval in een vroeg stadium wel mijn gegevens aangeboden, waarom onderneem je dan zo’n actie. Akkoord, ze waren niet blij met mijn aanbod en waren vooral aan het vissen naar wat ik niet wist. Kennis die ik nu dus wel heb, dat heeft averechts gewerkt. Inmiddels zijn mijn onderzoeksverhalen en eerste concepten van teksten zo wijd verbreid dat er nauwelijks nog eer te behalen valt aan hacken, zou ik denken. Stop er nu dus maar mee, want wat ik nu nog vind aan gegevens en opschrijf, zet ik toch niet meer in de cloud. Maar het blijft raar om dit op te schrijven, want de wereld draait toch niet om mij? Hoe kom ik toch aan die gedachtekronkel? Ik had er minder last van toen ik nog gewoon werkte.

De tweede optie, die van het digitaal pesten is een ander verhaal. De daders kunnen natuurlijk denken, wat zeur je nu over je onderzoeksgegevens die stellen helemaal niets voor en wij gooien ze wel even voor je weg zodat je er niets mee gaat doen. Wij willen helemaal niet dat iemand buiten de katholieke kerk onderzoek doet naar onze kunst en daar een nieuwe interpretatie aan gaat geven. Die klopt toch niet, want je gelooft niet in de leer van onze kerk. Inderdaad van apologetisch denken kun je mij niet betichten. Zij kunnen ook denken, dat het wel goed is om te weten wat een concurrent allemaal aan informatie bij elkaar geraapt heeft en daar de krenten uit pikken om vervolgens gewoon de gegevens in hun eigen onderzoek te verwerken. Dat zou ik hen echter niet aanraden als het om wetenschappelijk werk gaat, want ik zou toch eerst zelf de bronnen gaan controleren voor ik die ga overnemen. Je weet maar nooit, toch? Het blijft mensenwerk.

Dat er vreemd met mij en mijn werk wordt omgesprongen werd gelukkig duidelijk door de aloude analoge manier van werken. Ton van Schaïk, die ik benaderd had om mijn teksten over de kunsthistorische benadering van het werk van Mengelberg eens te lezen heeft deze analoge teksten zonder toestemming van mij doorgegeven aan Annemarie van Santen. Vind ik niet erg overigens, ik heb met haar al eerder teksten gedeeld en nu ik weet dat zij deze heeft hoef ik ze ook niet meer toesturen. Ik hoopte met deze Van Schaïk wat verder te kunnen komen in het verschijnsel van het religieus anti-semitisme van de ‘Utrechtse school der neogotiek’, waarover hij zelf al eens wat gezegd had in de Nicolaaskerk in Jutphaas. Hij was niet enthousiast en heb ook nooit meer iets gehoord van hem, want hij is geen kunsthistoricus en ik ben blijkbaar een slecht onderzoeker, een kwakkelende promovendus die het ontbreekt aan methodologisch werken en de juiste theoretische invalshoek. Als ik samenwerking wilde dan moest ik mij wenden tot grootheden op het terrein van de neogotische kunst, te weten Bernadette van Hellenberg Hubar, zo adviseerde hij. Dat leek mij nu net helemaal geen goed idee, want mijn vorige promotor van wie ik maar afscheid genomen heb, Paul vd Akker, kon geen inhoudelijke mening hebben over mijn teksten zonder haar naam te noemen. Ik denk dan, geef die mevrouw dan je functie,  dan heeft ze ook het welverdiende salaris toch? Dat heeft ze toch zo hard nodig, heb ik begrepen. Geld om van te leven? Het is toch niet erg professoraal om naar jaartallen te vragen en verkeerde foto’s toe te sturen om te kijken of je promovenda daar intrapt. Buiten het feit dat ik op dat moment door de chemotherapie niet zo goed functioneerde, voelde het ook bedreigend en vooral heel erg onaardig. Ik zie mij nog zitten, daar in dat kamertje in de flat Bologna, Florence of Ibiza van de OU in Heerlen.

Maar goed, ik zie die samenwerking dus niet zitten, want nergens in geen enkele publicatie van deze hooggeleerde mevrouw komt het woord ultramontanisme voor of wordt er ook maar voorzichtig gesuggereerd dat er een andere betekenis aan het werk kleeft, dan een kunsthistorische. Ik heb wel eens gedacht dat kunstgeschiedenis geen wetenschap is en als je Bourdieu gelezen hebt weet je het zeker. Toch zijn er nog steeds kunsthistorici die zich wetenschappelijk noemen, terwijl steeds vaker geluiden gehoord worden dat dit niet kan, omdat er geen onderzoeksmodel voor deze discipline bestaat. Ik dacht dat al, maar werd bevestigd door het werk van Patrick Bircher die dit al in de jaren tachtig concludeerde.

En dan laat ik het kunsthistorische onderzoek dat uit een geloofsovertuiging wordt gedaan, maar even buiten beschouwing. Dat dit geen wetenschap kan zijn, is evident.

Dit zou er toe kunnen leiden dat ik wel gedwongen ben om mij helemaal te concentreren op dit religieus anti-semitisme en het leuke verhaal achterwege te laten. Immers Annemarie wil graag een mooi, toegankelijk boek maken over haar overgrootvader met meer mensen voor een bejaard Utrechts lezerspubliek (bejaard lezerspubliek is toch het enige lezerspubliek dat er nog is?). Ik heb gelukkig wel aan haar durven vertellen dat ik mij buitengesloten zou voelen als ik hier geen rol in zou kunnen spelen, een klein bescheiden rolletje en geloof dat dat wel goed overgekomen is. Ik heb zo gebedeld om aandacht voor mijn onderzoek! En ik wil mijn verhaal ook wel aanpassen hoor. Al dat wetenschappelijke gedoe. Maar ja met wie ga je dan samenwerken. Zij dacht dat ik mijn werk maar in Duitsland moest gaan slijten, net als Bernadette overigens. Maar waarom? Ik vind dat zo’n rare opvatting. Omdat ik toevallig mijn onderzoek in Duitsland heb gedaan om het oeuvre compleet te krijgen, betekent toch niet dat ik verbannen moet worden naar dat land? Het voelt zo vernederend en krenkend, deze houding. Ik heb toch mijn diploma’s gehaald en werkervaring opgedaan en goed onderzoek afgeleverd, waarom moet ik dan iedere keer als een schoolmeisje weg gezet worden? Ik weet wel dat ik dit op mezelf ben gaan afroepen, maar in een fatsoenlijke wereld zou dat toch niet gebeuren?

Maar goed om de draad van het verhaal weer op te pakken: er blijft niets anders over dan dat er sprake is van digitaal pesten, want inmiddels zijn er zoveel jaren verstreken dat het onderzoek dat ik gedaan heb inmiddels ook door anderen gedaan is en vast beter. Ik hou niet van pesten, dat is gewoon niet aardig. Ik ben gelukkig nooit gepest geweest; ik wist altijd net uit de hoek te blijven waar de klappen vielen, vooral door mij te concentreren op contacten buiten school en mijn eigen binnenwereld. Het is daar interessant genoeg, nog steeds. In werksituaties was het allemaal niet zo eenvoudig, maar die heb ik gelukkig achter mij liggen. Terugkijkend heb ik nog liever de keiharde confrontatie van Leeuwarden dan de achterbakse situatie in Maastricht van tien jaar geleden en het geklier binnen de OU en haar omgeving van rooms onderzoek.

Het is treurig dat mensen niet in de eerste plaats mens zijn en blijven, maar zich identificeren met hun functie, hun portemonnee of hun geloof. Vooral dat laatste is een gevaarlijk element in de omgang met elkaar. Hoe heb ik toch ooit kunnen denken dat gelovige mensen betere mensen zijn?