Mijn definitie van geloof luidt……

Er doen veel definities de ronde over spiritualiteit, religie en geloof. Ik voel me soms het vrouwtje dat van de markt komt met boodschappentassen vol, niet met marktkoopwaar, maar met boeken, zoals Marita Mathijsen omschrijft in haar slotwoord van Historiezucht. Ik heb het beeld laatst nog bij een hoogleraar gebruikt om aan te geven hoeveel titels er wel niet geschreven zijn over zoiets als historisme, ‘entangled history’, ‘invention of tradition’ en ‘cultural transfers’. Allemaal boeken uit de jaren tachtig in een betrekkelijke kleine niche van de wetenschap. Je zou bijna anders gaan denken.

Zet ik mijn definitieboompje op, dan is religie de hele boom. De definitie is die van Davies die parafraserend luidt dat religie de overtuiging is dat er een emotionele band is tussen hen die overleden zijn, de levenden en zij die nog geboren moeten worden. Ik vind dit altijd nog de omschrijving die mij het meest past, omdat én emotie én de kringloop van het leven erin voorkomt. Zo zeer, dat ik pas tijdens het lezen van deze definitie begreep, waarom mensen zich überhaupt met spiritualiteit willen bezig houden en naar het transcendente zoeken. Het is trouwens gevaarlijk terrein deze definitie en er zal over gestruikeld worden, misschien. De definitie is het resultaat van een groot onderzoek onder alle religies naar de emotie van aspecten van religie die alle geloofsovertuigingen gemeenzaam hebben. Knap werk.

Een belangrijk onderdeel van mijn boompje is de stam en daar hecht ik het geloof aan. Daar heb ik inmiddels een eigen definitie voor bedacht op basis van mijn onderzoek naar de negentiende-eeuwse katholieke emancipatie in het algemeen en het Mengelberg-onderzoek in het bijzonder. Deze definitie luidt: geloof is een irrationele legitimatie van macht en machtsmisbruik.

De kerk, de gemeenschap van gelovigen, zijn de zijtakjes en bestaan uit netwerken die, het hiërarchische en gender-bepaalde karakter van de kerk volgend, perfide te noemen zijn en manipulatief met het verleden omgaan. Ik heb voor de kerk als gemeenschap nog geen definitie bedacht. Inclusief is zij in ieder geval niet en christus navolgend al helemaal niet. Zelfs in tegendeel, in schokkende mate.

Ik denk dat ik de verder definities maar even laat rusten en nog even een woord wijd aan onze ‘inclusieve’ samenleving, vooral gebaseerd op de recente feiten over het gedrag bij de Belastingdienst en de vreemde omgang met criminaliteitscijfers in AZC’s. Het lijkt tegengesteld, maar dat is een paradox. Hoewel alleen slechte tot matige historici gebruik maken van het model van de paradox, weet ik na herlezing van de Zauberberg  van Thomas Mann.

Ik heb net het glorieuze voorwoord van de antropologe en genderdeskundige em. prof. dr. Gloria Dekker op de Nederlandse vertaling van James Baldwin gelezen Niet door water maar door vuur. Hierin schrijft zij een brief aan haar 18-jarige nichtje in Groningen in navolging van een brief die Baldwin ooit schreef. Ik was diep onder de indruk. Hiertegen kun je niets inbrengen dan alleen maar hopen dat onderwijs op zo jong mogelijke leeftijd nog iets kan bijsturen in een ontwikkeling die zo razendsnel gegaan is en waarvan nu lijkt dat deze niet bij te sturen is. Het is jammer dat onze geleerden in geesteswetenschappen over het algemeen niet de ‘brightest buttons in the box’ zijn en een ‘mijn grootvaders klok’ gehalte hebben. De theorieën uit andere disciplines uit de jaren tachtig worden nog steeds als uitgangspunt genomen voor elke dissertatie in dat vakgebied. Dat kan toch niet echt waar zijn? Omgevallen kaartenbakken dat zijn ze, dat wel. Kunnen leuk schrijven en geanimeerd vertellen en weten echt heel veel. Maar voor die kaartenbakken hebben wij nu van die leuke, vierkante apparaatjes  met een geheugenomvang waar je je geen voorstelling meer van maken en dat wat je niet weet kom je al zoekend tegen. Ik vind ze heerlijk die geheugens, zou mijzelf er wel aan willen koppelen. Het scheelt mij ook een hoop gesjouw met tassen vol boeken overigens.