Kennis is liefde: het belang van het onderkennen van onze cognitieve dissonanties

Schoolmuren heb ik nooit leuk gevonden. Voor mij is kennis vergaren vooral gerelateerd aan het lezen van letters, ongeacht de vorm en de hoeveelheid. Elke manier van het opdoen van boekenwijsheid beschouw ik als een liefdesverklaring en mijn lippen zuigen bij wijze van spreken de kennis uit de bladzijden en maken een afdruk in het papier. Ik ga verrijkt verder en het boek blijft wat beduimeld achter.
Het ‘genieten’ van onderwijs speelde hierin eigenlijk een ondergeschikte rol, behalve het leren lezen, maar dat kon ik snel en wist het te perfectioneren in de tweede klas. Ik kan mij van verdere kennisoverdracht in de klaslokalen van de lagere school maar bitter weinig herinneren en tijdens mijn middelbare schooljaren was ik in de onderbouw met mijn hoofd voorbij de eindexamens. Wat ik heb meegekregen, zelf heb uitgewerkt en vastgehouden, waren vooral de boven de lesstof uitstijgende bevlogen minuten waarin een leraar Duits vertelde over de leer van Plato, een leraar Engels over Shakespeare en zijn lievelingsgedicht ‘The Rhyme of the Ancient Mariner’ voordroeg en een godsdienstleraar aan de hand van de menselijke pyramide van Teilhard de Chardin de superioriteit van de Christen duidde. Ik zat op Rooms-Katholieke scholen vandaar.
De preoccupatie met boekenwijsheid en mijn eigen fantasie blokkeerden ook nog eens het leren van de omgang met mensen binnen de schoolmuren en ik werd dan ook of buitengesloten of heb mijzelf buitengesloten. Al naar gelang de balans overhelde naar de ene of de andere kant, maar echt heel erg heb ik dat nooit gevonden. Alleen op straat, op het sportveld of in de gymzaal kon ik mijn sociale vaardigheden nog wat verbeteren, want daar was ik meestal op mijn best door inventiviteit en initiatief, lengte en balgevoel. Vooral dat laatste werd erg geapprecieerd tot op een bepaalde leeftijd.
Slechts een klein aantal jaar heb ik binnen de muren van een onderwijsinstituut geen last gehad van buitensluiting, dat was toen ik mocht studeren. Dat ging niet zonder slag of stoot overigens, maar mijn onverstoorbare doorzettingsvermogen en de liefde, die relatief vroeg op mijn pad kwam, hebben mij door de eerste moeilijke jaren gesleept. Na mijn bul sloot de Alma Mater zich weer hermetisch en heb ik mijn boekenliefde en kennisdrang vooral in de kantlijn van mijn werkend en opvoedend leven uitgeleefd. Zeer naar tevredenheid overigens, vooral in het laatste segment.
De generatie geboren na 1960 heeft optimaal kunnen profiteren van onderwijs in allerlei vormen, maar de arbeidsmarkt hield evenwel geen gelijke tred met deze ontwikkeling. In tegendeel zelfs. Veel academische titels werden verzwegen tijdens sollicitaties en de terugkoppeling bij een afwijzing was vaak ‘Te hoog opgeleid.’. En dat net voor een generatie die als eerste in een stamboom via onderwijs voortuit kon komen. Precies in deze periode verschenen er ook publicaties van filosofen die begonnen te begrijpen dat kennisoverdracht en onderwijs een controlemechanisme van de overheid dreigde te worden. Ik denk hierbij vooral aan Gilles Deleuze (1925-1995) en zijn essay ‘Postscript on the Societies of Control’ uit 1990 waarin hij voortborduurt op Michel Foucault (1926-1984). Deleuze schrijft dan ook dat de school vervangen werd door ‘perpetua training’ en examinering de staatscontrole overgenomen heeft in de maatschappij. (Deleuze 1992, 5)
Het volgen van onderwijs is een leven lang leren geworden en dit adagium drong door tot alle lagen van de bevolking waardoor de grootste opdracht voor ouders wordt, om hun kinderen zo hoog en zo lang mogelijk door het schoolsysteem te begeleiden. Dit leidt dan weer tot maatregelen in de studiefinanciering omdat de studie onbetaalbaar wordt, waardoor de toegankelijkheid voor een minder gefortuneerde groep weer moeizamer wordt met als toekomstperspectief een flinke schuldenlast en het voortdurend bij- en omscholen van alle volwassenen. Waarbij het onderliggende mechanisme zonder enige twijfel de wens is om de eigen bloedgroep aan de macht te houden.
Dat buitensluiten overkwam mij als individu, maar ook als lid van een hele generatie en dat zal u, lezer niet zoveel interesseren, misschien zelfs doen afhaken. Maar uitgesloten worden overkomt heel veel individuen en zelfs hele groepen in de samenleving, waarin de strijd om het bestaan en het hebben van macht de meest belangrijke drijfveren zijn om aan groepsvorming te doen steeds vaker. Is het strijdtoneel niet een banale oorlog of achterbaks terrorisme en neo-liberaal kapitalisme, dan is het wel die van de cultuur of religie of een combinatie van die beiden. En dit laatste is mijn terrein.
Zygmunt Bauman (1925-2017) wijst in onder meer Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid al op de tweedelingen in de wereldbevolking, waarvan één categorie die van de ‘overbodigen’ mij na aan het hart ligt, omdat deze overeenkomt met die hooggeschoolde mensen van mijn generatie die niet in de lijn van hun opleiding aan het werk gekomen zijn. Al kun je altijd nuttig (onbetaald) werk doen, al is het maar in huis met de opvoeding van kinderen. (Bauman, 2011, 96 e.a.) Het ingrediënt van de angst onder alle groepen is voor hem het meest giftig en maakt deze in zijn woorden postmoderne, maar in mijn interpretatie conservatieve tijden tot een gevaarlijke cocktail voor individuen, want wij behoren niet meer tot sociale verbanden waarin solidariteit het bindmiddel is, hoogstens tot stamverbanden waarin de concurrentie sterk gereguleerd is. Postmodernisme is niet meer dan de eerste fase van een conservatief tijdperk, waarin het neo-historisme alweer bijna voorbij is en het tribalisme de netwerkvorming overgenomen heeft.
De thema’s racisme en antisemitisme komen recentelijk in overdaad terug in de media en het wemelt van de verklarende theorieën en nieuwe inzichten, maar één psychologisch instrument ontbreekt stelselmatig in de verklarende verhalen, namelijk dat van de cognitieve dissonantie én het daarmee samenhangende cultuurhistorische fenomeen van de Apocalyps.
De theorie van de cognitieve dissonantie stoelt op de waarneming dat mensen hun gedrag aanpassen aan dissonante inzichten. Inzichten die met elkaar in conflict komen of het gedrag niet meer rechtvaardigen. Deze conflicten in beleving worden zoveel mogelijk onderdrukt of aangepast, zodat men zo comfortabel mogelijk verder kan leven. De ‘uitvinder’ van deze theorie Leon Festinger (1919-1989) verkreeg hierin inzicht door zich te verdiepen in de berichtgeving na een zware aardbeving in 1934, waarin een geruchtenstroom op gang gekomen was over nog zwaardere bevingen en rampen die zouden gaan optreden. De op het eerste gezicht weinig effectieve doemscenario’s bleken in plaats van vrees opwekkend, juist angst reducerend te zijn. In een veel later werk komt de religieuze dimensie duidelijker naar voren, wanneer hij een groep beschrijft die na een mislukte eindtijdverwachting vrolijk verder gaat met doemdenken en geloven en haar overtuiging verbreidt.
Hoe fraai is het dat dit concept terugkomt in het werk van John Gager (1937) die het vroege christendom bestudeerde vanuit het perspectief van de onvermijdelijke eindtijd en concludeert dat een voorspelling die niet uitkomt, leidt tot een toenemend geloof, in dit geval in de wederkomst van de Messias en de Eindtijd en niet tot een verlies van overtuiging. (Gager, 1975) Een andere studie van hem gaat over de relatie tussen het antisemitisme en de opkomst van het christendom, waarin hij probeert uit te leggen dat de geschriften van de apostel Paulus, die als de grondlegger van het christelijk antisemitisme beschouwd wordt, verkeerd begrepen werden omdat het publiek voor wie hij schreef bestond uit heidenen. Dit nuanceert enigszins de martiale ‘kerk van Paulus’, maar doet natuurlijk niets af aan het misbruik van de teksten voor antisemitische doeleinden. (Gager 1985)
Ook Eugen Weber (1925-2007) brengt dit antisemitisme en de ‘eindtijdmaterie’ samen in zijn laatste boek uit 2000, waarin hij de veel bekritiseerde uitspraak doet dat de houding ten opzichte van de Joden een soort barometer voor de angst voor het Laatste Oordeel is. Het uitblijven van de eindtijd leidde bij wijze van spreken en wat kort door de bocht tot de uiteindelijke bloeddorstige holocaust, waarvoor de Europeanen het heft in eigen handen genomen hebben, omdat het wat lang duurde voordat de Messias terugkeerde.
Een wereldkerk waarin deze bloeddorst op een beschaafd niveau wordt gevierd is de Rooms-Katholieke kerk, waarin de fascinatie voor het bloed begint bij de uitbeelding en beleving van het fysieke lijden van Christus en eindigt in de eucharistie waarin de wijn verandert in het bloed van de Zoon van God. De oorspronkelijke betekenis van het gezamenlijk eten ter ere van God veranderde in een bijna heidens aandoend ritueel waarin bloed gedronken werd, onder een triomfkruis waarop een calvarie geplaatst was (de gekruisigde met Maria en Johannes aan beide zijden, soms aangevuld met een zielig kijkende Adam of vertrapte slang onder de voet van het kruis en Synagoga en Ecclesia aan de uiterste zijden). Deze uitmonstering is te zien in een aantal neogotische kerken die in zeer korte tijdsspanne met veel haast opgetrokken werden. Ze worden nu geafficheerd als ‘Gesamtkunstwerken’, gebouwen waarin alle vormen van kunst één kunstwerk vormen ondergeschikt aan de architectuur, maar zijn echt niet meer dan een soort gemeenschapshuizen, waarin ieder parochielid, van bisschop tot bouwpastoor en van architect tot kerkschilder een eigen rol speelde, gefinancierd door trotse katholieken die zich politiek gingen manifesteren.
De intensivering van dit eucharistisch ritueel vond rond 1870 plaats en de toenmalige gelovige zal zeker niet onberoerd zijn gebleven onder deze handeling, vooral niet als hij of zij ongeletterd was en afhankelijk was van de liefdadigheid. De intense beelden die hij of zij zag, moeten emotionele objecten van persoonlijke projectie zijn geweest. Je hebt een bepaalde aanleg nodig om een dergelijke devotie te kunnen begrijpen en te kunnen invoelen: ik heb die niet. De aandacht voor het lijden van Christus en het verrichten van daden van barmhartigheid lijken mij gesublimeerde vormen van dood en wederopstanding te zijn.
Na een aantal jaar van onderzoek naar deze materie ben ik wel tot de conclusie gekomen dat er een groot verschil is tussen de officiële leer van de Rooms-Katholieke kerk en de interpretatie en verwerking ervan onder leiding van dorpspastoors en ambitieuze kapelaans in de opkomende industriesteden en hun kuddes van laagopgeleide fabrieksarbeiders.
In de muziek buiten de kerk horen wij deze bloeddorst weerklinken bij Richard Wagner (1813-1883) en Gustav Mahler (1860-1911). Wagner blinkt hierin uit met zijn Parsifal, waarvoor de dirigent Willem Mengelberg (1871-1951) een grote voorliefde had en die hem inspireerde om bovenop het dak van zijn chalet in Zwitserland een klokkenstoel te plaatsen, zodat hij de laatste tonen van deze opera zo zuiver mogelijk kon laten weerklinken. De diep katholieke musicus, grootgebracht in een gezin waarin de pausverering erg sterk was en die als jongeman net op eigen benen staand brieven kreeg van zijn vader met de volledige tekst van pauselijke decreten in de vorm van uitgeknipte krantenartikelen en geschreven aanmoedigingen om het rozenhoedje te bidden, was een grote bewonderaar van de gedoopte jood Mahler.
De achtergrond van de grote verering voor deze componist in Amsterdam kon wel eens gelegen zijn in het feit dat men dweepte met een Semiet die tot inkeer gekomen was en nog mooie muziek kon componeren ook. Een voorbeeld voor de vele Joden die zich niet lieten dopen ondanks de herhaalde oproepen. Maar liet je je toch dopen, dan nog was je als gedoopte Jood niet gevrijwaard van achterdocht en uitsluiting, waaraan je alleen kon ontsnappen als je een goed gevulde geldbuidel had waarvan de kerk kon profiteren.
De angst voor gemengde huwelijken en onzuiver bloed moet echt heel groot geweest zijn in de negentiende eeuw, toen de omwentelingen die al met de Franse Revolutie begonnen waren zich gingen verankeren in de samenleving. De Joden hadden hun gelijkberechtiging verkregen in 1796 en wisten deze optimaal uit te nutten doordat zij hun gezinnen klein hielden, strenge spijswetten er op nahielden, veel aandacht aan hygiëne besteedden en onderwijs hoog in het vaandel hadden staan. Daarbij trouwden zij uitsluitend binnen eigen kring, waardoor zij ook niet geliefd waren bij andersdenkenden, maar wel hun kapitaal behielden. Dat de Joden niet als zuil zijn gezien in de Nederlandse geschiedschrijving is een merkwaardig fenomeen, want dat waren zij in de negentiende eeuw zeker geworden.
In de Rooms-Katholieke arbeidersgezinnen daarentegen lag de vrouw voortdurend in het kraambed en de man veelvuldig in de lorem, als wij de verhalen uit die tijd moeten geloven van verontruste pastoors en kapelaans. Het gezin ging economisch ten onder aan een veel te grote kinderschare, maar kon wel in getal bijdragen aan de emancipatie van de kerk.
De Katholieken waren immers in het land waar geen staatsgodsdienst was, een minderheidsreligie geworden na het uiteenvallen van het koninkrijk in 1830 en hadden met de door de paus ingevoerde bisschoppelijke hiërarchie in 1853 veel steun van buitenaf nodig om zich te emanciperen. Zij deden dit door zich enerzijds als slachtoffer van de Reformatie en de burgeroorlog in de Republiek op te stellen en anderzijds zich als een door God uitverkoren volk te presenteren ter vervanging van de Joden.
De negatieve houding ten aanzien van de Semieten als groep is géén negentiende eeuws verschijnsel zoals Gager al aangaf. Een decennium voor hem had Lea Dasberg (1930-2018) in haar briljante proefschrift Untersuchungen über die Entwertung des Judenstatus im 11. Jahrhundert al aangetoond dat het begin van deze ontwikkeling sterk verbonden is met de opkomst van de steden en de burgerij. De Joden kwamen door hun uitzonderingspositie, ze mochten geen lid van een gilde zijn, waren gedoemd tot het voeren van geldhandel, moesten onderscheidingstekenen dragen en in speciale wijken wonen achter een stadsmuur met poorten en een avondklok, voortdurend in het nauw.
Deze benauwde positie herkent Delphine Horvilleur (1974) in haar recente boek Réflexions sur la question antisémite, als de opvallende machtsdriehoek waarin ‘het oude volk’ zich altijd heeft bevonden en daar enerzijds van geprofiteerd heeft en anderzijds onder geleden heeft. Bij Dasberg bestaat deze driehoek uit de plattelandsadel, die zich werkelijk gruwelijk gedragen heeft ten opzichte van de Joden in bijvoorbeeld het Rijnland, de keizer en de steden.
Natuurlijk hoort het bij elke emanciperende groep om een vijandbeeld te hebben. De Katholieken hadden vanouds de Joden hiervoor op het oog (de Saracenen, zeg maar de huidige moslims, waren wat dat aangaat een beter lot beschoren). De negatieve bejegening van Semieten en bekeerde Semieten werd pijnlijk duidelijk in het Goede Vrijdaggebed, waarin de Joden expliciet als de moordenaars van de Zoon van God voorgesteld werden én in het feit dat tot op heden nergens in geen enkel officieel document het antisemitisme definitief wordt afgezworen. Een heel goed beeld van deze zwarte materie schetsen Theo Salemink (1946) en Marcel Poorthuis (1955) in Een donkere spiegel. Katholieke beelden over joden. Nederlandse katholieken over joden, 1870-1925 uit 2006. Een aanvulling op dit boek in kunsthistorische zin zou een nog sterkere indruk van deze mentaliteit geven.
De onderliggende intentie die in het proefschrift van Dasberg te lezen valt, is dat jodenhaat een onvermijdelijke gevolg van een vijandbeeld is dat elke groep die zich als coherent geheel wil vormen aankleeft. Als er geen Joden zijn, dan worden ze wel uitgevonden. Deze onvermijdelijkheid vind je ook terug bij Hannah Arendt (1906-1975) en bij Jean Paul Sartre (1905-1980), maar ik denk eerder dat deze generatie het leed van de oorlog moest verwerken en een manier zocht te vinden om weer met elkaar verder te gaan. De Joden zijn wel degelijk een bewust geconstrueerde en eeuwenlang gestigmatiseerde groep geweest en behoren daarmee tot een soort ‘beroepsmatig’ buitengeslotenen die helemaal niet noodzakelijk zijn om een groepsgevoel te vormen. Het heeft met zuiverheid van het bloed te maken, met de angst voor gemengde huwelijken en een overtrokken vrees voor de toekomst.
Het antisemitisme is een instrument geweest om macht uit te oefenen en de toekomst te kunnen bepalen, niet om echte saamhorigheid te kweken. De liefde immers, die bij saamhorigheid hoort in een samenleving heeft geen Joden of antisemieten of varianten daarop nodig om zich te manifesteren. De primitieve bloeddorst die in onze aard ligt is een liefdeloze trek waarmee wij ons boven mensen van ander bloed willen stellen en dat door een hogere macht gesanctioneerd willen zien.
De kennis die ik nodig had om deze dingen in te zien, haalde ik uit het lezen van boeken. In een maatschappij waarin nog nooit zoveel welvaart geheerst heeft als in de onze, er zoveel tijd voor zelfreflectie is, moet het toch mogelijk zijn om onze cognitieve dissonanties onder ogen te zien. Onderwijs zou hierin een belangrijke rol kunnen spelen, maar om weer terug te keren bij Deleuze en Bauman, die beweren dat de schoolmuren inmiddels vervangen zijn door de grenzen van ons lichaam en de overheid samen met de buitenproportioneel machtige marktpartijen in staat zijn gesteld door de digitale revolutie om via data die wij op internet achterlaten ons doen en laten te kunnen controleren en te manipuleren, is deze pijler van onze maatschappij ondermijnd. Politici weten als geen ander deze instrumenten te gebruiken, bijgestaan door een heel leger van ondersteunende kenniswerkers die een graatje mee willen pikken van mogelijke verkiezingswinsten. De eigen bloedgroep is weer belangrijk geworden, want daar kun je op selecteren. En bij elke bloedgroep hoort een eigen geloof met een eigen Apocalyps.
In een dergelijke inmiddels liefdeloze maatschappij, die haar cognitieve dissonanties niet onder ogen wil zien, is kennis macht, maar er zijn nog zoveel mogelijkheden om van kennis liefde te maken en daarmee onze bloeddorst te beteugelen en niet met geloof en idelogie goed te praten.
Bronnen:
Bauman, Z., Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid, Kalmthout; Pelckmans 2011, vertaald door J.M.M. de Valk. Eerste ed. in het Italiaans 2007.
Deleuze, G., ‘Postscript on the Societies of Control’ in JSTOR , vol. 59, winter 1992, pp.3-7 geraadpleegd op: http://links.jstor.org/sici?sici=0162-2870%28199224%2959%3C3%3APOTSOC%3E2.0.CO%3B2-T (16-07-19)
Festinger, L., H. Riecken en S. Schachter, When Prophecy Fails: a Social and Psychological Study of a Modern Group that predicted the Destruction of the World, 1956
Gager, J., Kingdom and Community. The Social World of Early Christianity, 1975 en The Origins of Anti-Semitism: Attitudes toward Judaism in Pagan and Christian Antiquity, 1985.
Weber, E. Apocalypses: Prophecies, Cults, and Millennial Beliefs through the Ages, 2000