“Heilige Maria het hoeft niet meer”: een egodocument over katholieke identiteit

Vanochtend wandelde ik over de bevroren helling onder het Missiehuis in Cadier en Keer en ontmoette daar pater ‘Valentin’, althans die naam schonk hij zichzelf na afloop van ons gesprek bij het afscheid nemen. ‘De mooiste naam die wij kennen’.  Ik geloof niet dat hij echt zo heette, maar dat was ook helemaal niet erg. Vóór de ingang van de Maria –grot gelegen tussen twee kruiswegstaties gevat in neogotische kasteeltorentjes,  spraken wij een klein half uur over zijn verleden. Hij bleek op school niet de slimste, maar wilde wel heel erg graag, net als zijn broer, die inmiddels al weer heel wat jaren geleden overleden was, priester worden. Pastoor het liefst, want dan ‘was je wel wat’. Na twee keer doubleren op het seminarie werd het de missie, want hij had nou eenmaal ‘boven de ogen niet veel zitten’. Hij had gelukkig al vlot vrede met die opgelegde toekomst gekregen. Missionarissen waren harde werkers, individualisten, die honderd kilometer van elkaar verwijderd in de bush alléén hun werk deden zonder naar enig contact met elkaar te neigen. Fysiek zwaar, dat wel, maar voor het overige welbevinden had hij het altijd prima naar zijn zin gehad in Ghana. Over een tijdje ging hij er weer eens naar toe voor drie weken; hij keek er naar uit zijn ‘familie’ weer te zien. Het Missiehuis stond te koop en de paters zouden zich terugtrekken in een goedkopere, kleinere nieuwbouw. Zij waren nog maar met een tiental, allen vele jaren ouder en zieker dan hij. Elke dag herdachten zij in de koffiekamer wel een overleden broeder. De oudste was in 1890 overleden. Behalve met het zorgen voor zijn oudere confraters, vulde hij zijn dagen met het verzorgen van de grot, de tuin en het wandelen in de omgeving. Hij wees mij de weg over het terrein en ik vervolgde mijn wandeling via de St. Antoniusbank naar een andere Maria-grot, die vrij hoog op een helling ligt. Deze grot kende ik goed: de eerst keer kwam ik hem tegen vanaf de andere kant, vanuit Bemelen en alle volgende keren ging ik er een kijkje nemen. Echter tijdens een wandeling op een heldere oktoberdag onderaan de trap nam ik het besluit niet meer naar boven te klimmen met in mijn hoofd de gedachte: “Heilige Maria het hoeft niet meer” en nog méér zinnen die ik ergens opgeschreven heb staan.  Het was mijn hoofd, mijn gedachte,  maar het gevoel kwam van heel diep. Daar, op die plek liet ik de religieuze identiteit los die ik al die jaren in verschillende hevigheid had onderhouden, gekoesterd of weggedrukt. Een katholieke identiteit, waarvan in de vorming vooral mijn moeder een belangrijke rol gespeeld had. Tijdens die wandeling, zonder de klim naar boven, haalde ik mij de gebeurtenissen voor de geest die deze val van mijn geloof, háár geloof, moesten ondersteunen, dikte ze wat aan en begreep op dat moment ook dat het sociale isolement door het wonen in het katholieke zuiden, waar aloude uitsluitings-mechanismen nog springlevend zijn, daar mede oorzaak van was.

Vandaag ben ik wel de trap opgeklommen en heb ik de grot weer eens bekeken: het geheel was inmiddels opgeknapt na een ellendige aanval van vandalisme. En er was een nieuw element aan toegevoegd: een ingemetselde steen uit de grot in Lourdes in 2011 aangebracht. Er brandde een waxinelichtje voor Maria. Misschien had broeder Valentin deze die ochtend wel aangestoken.

De ingemetselde Lourdes- steen maakte mij duidelijk dat er nog steeds een vrij levendige devotie rond deze grot plaatsvond. De sporen daarvan had ik een decennium eerder ook al gezien, maar ik had eigenlijk gedacht dat deze nu helemaal verdwenen zou zijn. De berichten over de toestand van de katholieke kerk in West-Europa in het algemeen en in Nederland in het bijzonder zijn zo slecht, dat je als relatieve buitenstaander denkt dat dit geloof niet meer beleden wordt. Iedere willekeurige Nederlander zal denken dat deze kerk geen enkele rol meer speelt in Nederland, behalve in Limburg dan. Maar klopt dit wel?

Door mijn onderzoek naar het leven en werk van Wilhelm Mengelberg (1837-1919), de eigenaar van twee bloeiende ateliers voor kerkelijke kunst in Nederland en Duitsland vanaf 1857, ben ik mij gaan verdiepen in de opkomst, bloei en verval van de katholieke kerk in Nederland. Het voert te ver om hier een verkorte versie van mijn voorgenomen proefschrift te geven, maar de ateliers en hun geassocieerden leverden de interieurs voor bijzonder veel kerken in met name het Rijnland; de aartsbisdommen Keulen en Utrecht. De kerken die nieuw gebouwd werden, waren bijna allen geheel opgetrokken in de neogotische stijl en vormden in architectuur en uitmonstering een organisch geheel. Het iconografisch programma was in hoofdlijnen hetzelfde en de aandacht voor de opschriften in het Latijn opvallend groot. Alleen al het verzamelen van deze Latijnse opschriften, wat ik voor de Mengelberg- objecten gedaan heb, zou een schat aan informatie opleveren over de ‘ideologie’ die achter deze kerken schuil gaat. Een ideologie waarvan wij de uitstraling en de invloed niet meer kunnen zien en ondergaan. Want door uitputtend bronnenonderzoek in archieven in Nederland en Duitsland kon ik het netwerk van de familie Mengelberg exact aanduiden als ideologisch ‘ultramontaans’ en het ´ultramontanisme´ als de religieuze overtuiging van deze katholieke kunstenaarsfamilie, haar opdrachtgevers en werknemers aanwijzen.

Het is moeilijk een eenduidige definitie van het begrip ultramontanisme te geven, omdat het zich onder verschillende noemers, in verschillende perioden in verschillende mate van heftigheid manifesteerde binnen de katholieke kerk. Dat laatste is een onmiskenbaar gegeven: het is een katholiek fenomeen. De uitdrukking ‘ultra montanes’ geeft ook aan dat het een Noord-Europees verschijnsel is, dat verwijst naar Rome, ‘over de bergen’ heen. De paus als kerkelijk én wereldlijk leider naar wie men zich richtte in volle overgave ongeacht de landsgrenzen. Het is dus ook een supra -nationaal verschijnsel. Het wordt in de gangbare literatuur afgezet tegen het liberale katholicisme daarvoor en het politieke katholicisme van de eeuwwisseling.

In de context van mijn onderzoek gaat het om het gedachtegoed van katholieken zoals zich dat ontwikkelde na het katholiek réveil van de eerste helft van de negentiende eeuw, naar een heftig politiek en militair optreden, ingegeven door enerzijds de drang zich maatschappelijk te manifesteren en emanciperen en anderzijds de noodzaak zich te verdedigen tegen aanvallen van buitenaf. In drie gebieden vond deze aanval op de kerk fysiek plaats: in Italië in het kader van de eenwording van dat land, waarbij de paus voor het eerst van zijn wereldlijk bezit beroofd werd, in Duitsland waar een strijd losbrandde tussen Otto von Bismarck, de kanselier van Pruisen en de katholieken in Rijnland-Westfalen. Deze strijd heeft de naam ‘Kulturkampf’ gekregen en had grote gevolgen voor de bestaanszekerheid van vooral contemplatieve orden en de Jezuïeten, van wie er velen hun heil over de grens zochten.  En een derde brandhaard was Frankrijk, waar tijdens de opstand van de Commune in Parijs, na de vernietigende nederlaag in de Frans- Duitse oorlog in 1871, de aartsbisschop en 23 priesters de dood vonden. Tel daarbij de opkomst van het rationalisme op: onder deze noemer schaarde men elke vorm van modern denken en handelen, zoals het liberalisme, socialisme en naturalisme en de bedreiging voor de kerk was groot, heel groot.

De persoon van de verliezer Pius IX (1792-1878, paus vanaf 1846) bleek erg belangrijk. Hij trok zich terug in zijn paleis en ging verder als ‘gevangene van het Vaticaan’ en bracht daarmee een massieve golf van sympathie op gang. Hij werd tijdens zijn leven reeds vereerd en zijn beeltenis stond op de hoek van altaren, waarvoor gelovigen moesten knielen. Rome en het Vaticaan  waren wel eerder in de geschiedenis ten prooi gevallen aan invallende legers, maar nog niet eerder was de betrokken paus zo’n persoonsverering ten deel gevallen.

In deze periode werd de kerk ook ingrijpend gereorganiseerd en gecentraliseerd en volgde men de organisatie van de natiestaten na, met een bureaucratisering, het opzetten van een propagandamachine en het professionaliseren van de missie. De paus was onfeilbaar verklaard in kerkelijke zaken, hij had exact omschreven wat de dwalingen waren, had de Maria- verering gekanaliseerd en opgetuigd met een nieuw dogma  en oude vormen van devotie herbevestigd. Hierbij hoorde een beeldtaal die de ongeletterde gelovigen moest aanspreken op emotioneel niveau, maar ook de hoger opgeleide katholieken naar zich toe moest trekken. Een heruitvinden van de Middeleeuwen lag ten grondslag aan de invoering van de neostijlen, waarvan de al eerder genoemde neogotiek de belangrijkste was. Behalve de beeldtaal, werd ook een specifieke vorm van middeleeuwse organisatie nieuw leven ingeblazen, de gilden. En juist via deze gilden verspreidde de beeldtaal van het ultramontanisme zich met als doel het (her) kerstenen van de hele wereld. De ideologie van het ultramontanisme was een vorm van nationalisme zonder grenzen.

Het verdient nu aanbeveling om een sprong in de tijd te maken en vanuit de jaren na het Tweede Vaticaans Concilie (1965) terug te kijken naar deze ontwikkeling en dan vooral naar de dramatische neergang die de kerk in feite al vanaf 1920 doormaakte. Dit verval werd tot ver in de jaren vijftig nog goed gecamoufleerd en gecompenseerd door de missieactiviteiten, maar na de jaren zestig was de leegloop niet meer te ontkennen. Dit fenomeen deed zich overigens ook voor bij overige kerkgenootschappen en kan dus als een breder maatschappelijk verschijnsel beschouwd worden, niet uniek voor de katholieke kerk, maar door de hevigheid waarin het zich voltrok wel indrukwekkend, alleen al door de sloop van – neogotische-  kerkgebouwen en de verkwanseling van kerkinterieurs en kerkgoederen.

Deze terugval wordt binnen de kerk door sommige prelaten beschouwd als een zuivering: alleen de ware katholieken zijn overgebleven en op hun schouders kan een nieuwe triomferende kerk worden gebouwd. En dit is precies de kern van de zaak: het terugvallen van de kerk tot de vorm en omvang van een sekte, maakt dat de kerk niet zal gaan verdwijnen uit onze maatschappij, zoals zo velen denken en misschien hopen, maar juist zal gaan herrijzen. Dit valt te verklaren op basis van een theorie die in de jaren tachtig van de vorige eeuw is ontwikkeld in de Verenigde Staten en die de naam ‘Rational choice theory on religion’ gekregen heeft. Dit model probeert de levenscyclus van een kerk te verklaren vanuit de rationele keus die de gelovige maakt om tot een kerk te willen behoren omdat daar iets tegenover staat. Als ruil voor zijn toewijding krijgt hij namelijk beloningen en deze kunnen van diverse aard zijn. Een belangrijke beloning is de sociale winst, door het gaan behoren tot een gemeenschap.  Een andere manier is de immateriële beloning, die in het hiernamaals gegeven zal worden. Vooral deze laatste vorm van belonen is belangrijk, want op de weg daarnaar toe kunnen je zonden je vergeven worden en werk je op basis van devoot gedrag naar een eeuwig leven en de heropstanding toe. Deze aantrekkingskracht is vooral heel sterk in de periode dat de gemeenschap nog een sekte is en de term die gebruikt wordt om het onderscheid met de rest van de maatschappij aan te duiden, is ‘deviantie’.  De sekte maakt gebruik van de methode van ‘othering’ om de ‘otherness’  van ongelovigen aan te geven. In deze jaren waarin de deviantie het grootst is, zijn de beloningen het meest exclusief. Het onderscheid met de anderen wordt uitgedrukt in kleding en uiterlijk, taal, handelingen, vieren van feesten en herdenkingen en in kerken uitgedragen in missen en bijzondere bijeenkomsten. De deuren van de kerken zullen altijd open staan voor andersdenkenden, maar in alle gevallen is er wel een ruimte of een moment in de mis waarop zij niet welkom zijn: zoals het koor of de eucharistie.

In de loop van de bloeiperiode vermindert de spanning met de omgeving, zullen de gelovigen zich gaan socialiseren en wordt de bijzonderheid van de beloningen minder. Ook het straffensysteem, onder meer dat van de sociale uitsluiting functioneert minder goed, want men gaat steeds meer op in rest van de maatschappij. Confessionele instanties en hun medewerkers schudden het geloof af, betreden andere paden en gaan misschien andere kerken bezoeken. Het religieus ‘shoppen’ in de jaren negentig is daar een voorbeeld van.

De maatschappij raakte ontzuild en geïndividualiseerd en moest plaats gaan bieden voor een nieuwe ‘multi-culturele’ samenleving, waarvan wij nu vinden dat zij mislukt is. Maar had zij kunnen slagen? Bestemd om voort te bouwen op het fundament van een vermolmde, verzuilde maatschappij waarvan uitsluiting de belangrijkste steunbeer is?

In Nederland, waar de neergang opvallend snel ging, speelden twee zaken een rol: allereerst bleven de katholieken een minderheid en was het al vanaf het eind van de negentiende eeuw voor hen belangrijk zich te laten kennen als goede vaderlanders en Oranjegezinden en ten tweede had als gevolg van de deviantie, het inrichten van bijzonder onderwijs (middelbare scholen en universiteit), juist voor hen veel succes, omdat zij voor wat betreft sociale status en inkomen niet eerder in staat waren in zulke grote getalen, jongens en meisjes, naar school te gaan. Het werd mogelijk om binnen het geloof een lang onderwijstraject te volgen en deze scholing veroorzaakte de bijzonder kritische houding van veel katholieken in de jaren tachtig, versterkt door de emancipatie van de vrouw. Daarnaast kwam, in overeenstemming met andere kerken, de oecumene op en pasten de voorgangers hun diensten en missen aan speciale doelgroepen aan. Kortom de rollen werden omgedraaid: de kerk paste zich aan, in plaats van dat de (aspirant) gelovige zich aanpaste aan een nog altijd ondemocratisch, hiërarchisch en monotheïstische organisatie, die officieel uitgaat van segregatie op basis van geslacht.

De kritiekpunten op deze theorie zijn te belangrijk om niet te noemen: zo wordt betwist of geloof een rationele zaak is, of er echt sprake kan zijn van een rationele keuze. Daar zit natuurlijk zeker een kern van waarheid in: religieuze identiteit is geen jas die je willekeurig aan of uit kunt trekken of kunt verwisselen voor een dunnere of dikkere variant al naar gelang de verandering van het weer. De manier waarop wij worden opgevoed in het geloof, de nestgeur die wij meekrijgen en de bestaanszekerheid, niet alleen in materiële zin, dat een geloof biedt, is aantrekkelijk. Geloof op zich staat niet ter discussie. Elke organisatie, of dat nu een kleine Amerikaanse sekte is of de wereldkerk, die oprecht uitgaat van het geloof in het goede van de mens, goedheid voorop laat staan en zich wil bekommeren om hen die een mensonwaardig bestaan hebben en daarvoor eigen aanspraken op macht en geld inleveren, is een waardevolle aanvulling op hetgeen een overheid te bieden heeft. Het gevaarlijkste moment in de identiteitsvorming, is het moment dat godsdienst politiek of economisch wordt en dat zij in een machtsstructuur gehanteerd wordt als een instrument om zich zelf te onderscheiden van de rest van de maatschappij, om aan dit onderscheid rechten te ontlenen en om wraak te nemen op eerder aangedaan echt of vermeend leed. Aan iedere vorm van identiteitsvorming, etnisch, politiek of religieus, kleeft een agressief randje. Elke identiteit is immers gebaseerd op uitsluiting, zelfs de milde variant van ‘eigenheid’ geeft al aan dat er een ‘anders zijn’ is, waarmee men zich niet wil associëren.

Behalve dat de leiding van de Rooms-katholieke kerk in Nederland bewust voor het terugvallen van de kerk naar een sekte lijkt te kiezen, identificeert zij zich ook nog eens met een periode waarin het ultramontanisme hoogtij vierde. Een identificatie die bijna gelijke tred houdt met het zo snel opgekomen nationalisme, dat zich ent op het eind van de negentiende eeuw.

Het wordt tijd om weer terug te keren naar mijn ijkpunt uit het begin van het verhaal: de figuur van de Heilige Maagd Maria. Haar relevantie voor mijn persoonlijk leven is door een kritisch beschouwen van mijn katholieke opvoeding, de recente ervaringen in het katholieke Zuiden waar het conservatisme onder traditionalistische katholieken met een neoliberale signatuur nog steeds voortleeft, zelfs herleeft en vooral door mijn onderzoek naar het ultramontanisme bijgesteld en teruggebracht tot de juiste proporties. Ik doorzie de mate van projectie die een dergelijk icoon oproept en begrijp hoe de kerk hiervan gebruik gemaakt heeft met het optuigen van een grootse Maria-devotie, de aanbidding  van de Hl. Jozef, die niet zomaar beschermheilige van de katholieke kerk werd in de negentiende eeuw en de verering van de Hl. Familie. Ook de devotie van het Heilig Hart, vanuit Frankrijk overgewaaid naar Nederland is zo’n iconisch gebeuren. Niet voor niets werd na de Franse nederlaag in 1871 de Sacré Coeur gebouwd op de top van een heuvel, om van een smadelijke nederlaag tegen Duitsland, natuurlijk een straf voor de goddeloze staat van het land, een triomf voor de katholieke kerk op termijn te maken. De lijst van koepelkerken die daarna gebouwd werd is lang en wordt misschien in de toekomst nog verder aangevuld met nieuwe kerken.

Wat er op dit moment aan hervorming plaatsvindt in een ander type koepelkerk, de moskee zou een voorbeeld kunnen zijn om de deviantie die nu aan het ontstaan is, te voorkomen. Daar wordt voorzichtig de vernieuwing door vrouwelijke voorgangers getolereerd, diensten van en voor vrouwen georganiseerd en de verering van de islamitische Mariam (zij is identiek aan Maria) benadrukt. Het doorbreken van de traditionele machtsstructuur en het daarbij behorende misbruik van vertrouwen en manipulatie wordt langzaam doorbroken. In dat opzicht is de persoon van Maria méér dan ooit belangrijk geworden en heeft een deel van de islamieten een grotere doorbraak bewerkstelligd dan de katholieke kerk vermoedelijk ooit zal kunnen of willen realiseren. Maria doet er méér toe dan ooit te voren. Broeder Valentin besteedt niet voor niets een groot deel van zijn tijd aan het verzorgen van de Maria-grot in de Limburgse heuvels, al ben ik benieuwd of hij zal terugkeren uit Ghana om een taak te hervatten die eigenlijk te zwaar is voor een bejaard mens. Ook al voer je die uit in opdracht van de kerk.