Grote en kleine ego’s in documenten: het familiearchief De Geer van Jutphaas (1204) 1295 – 1977 en de splinterarchieven van de familie Mengelberg  (c. 1885-1910)

Als het over egodocumenten gaat, moet ik terugdenken aan een ervaring van meer dan dertig jaar geleden toen ik net begon in een archiefinstelling in de provincie als verantwoordelijke voor o.a. de acquisitie van particuliere archieven. Een hele leuke taak waarbij je met veel mensen, instellingen en organisaties te maken krijgt die één ding gemeen hebben, zij zijn geen overheidsorganen. Voor overheidsinstanties en de organisatorische varianten die na ca. 1990 in deze categorie zijn ontstaan, gelden  namelijk strikte regels en voorschriften, waarbij de verplichte vernietigingslijsten niet de minsten zijn. De aanwas van overheidsarchieven geschiedt op wettelijke basis, die van particuliere archieven op vrijwillige grond. Het zal niemand verbazen dat egodocumenten vooral in de laatste archieven voorkomen, in de familie- huis en persoonsarchieven en in de bedrijfs- en verenigingsarchieven, maar ook in de archieven van parochies en classes, van kunstenaars, boeren en schrijvers.

Dat wat wij aan overheidsarchieven bewaren op basis van de lijsten  is zo gestandaardiseerd en gereguleerd, dat veel stukken, ook die ook van groot, zo niet groter belang kunnen zijn, buiten de boot vallen, zeker als het gaat om onderwerpen, waarvan de gevoeligheid nog in de toekomst ligt.

In het kader van mijn inwerktijd, werd ik er op uit gestuurd om deel te nemen aan een congres over ‘Egodocumenten’ .  Een onderwerp, dat naast b.v. ‘Oral History’ in de loop van de jaren tachtig populair aan het worden was en veel belangstelling trok.  Het congres viel precies in de tijd van het jaar waarin de overheidsbezuinigingen bekend gemaakt werden en  het was precies één van de eerste grote bezuinigingsrondes die culturele instellingen ging treffen waarvoor de zgn. kaasschaafmethode  als niet meer toereikend werd geacht. Dat maakte mij ongerust. Archiefdepots waren in die tijd vooral berekend op de aanwas van overheidsarchieven, als ze al ergens op berekend waren. Particuliere archieven kregen een plekje als er ruimte was. Acquisitieprofielen en acquisitieplannen waren nog geen officiële instrumenten.

Het congres werd bezocht door mensen die egodocumenten een zeer warm hart toedroegen (m.m. particuliere archieven). Ingegeven door schrik voor de bezuinigingen, maar ook wel getroffen door een grote verbazing over de heiligverklaring van egodocumenten vond ik het toch wel goed om in de discussie na afloop een wat nuchterder en zakelijker geluid te laten horen, namelijk wat kost dat behoud van egodocumenten nu eigenlijk? Dit werd mij niet in dank afgenomen. Rudolf Dekker waste mij de oren en ik had wat om over na te denken terug in de trein.

Nu, met mijn ervaring van de afgelopen jaren als onderzoeker, zie ik wel dat de keuzes die indertijd zijn genomen om de bezuinigingen op te vangen niet de juisten zijn geweest.  Ik laat de dienstverlening voor het gemak maar buiten beschouwing. De rol van particuliere archieven, met de egodocumenten, is zeer zeker van groot belang voor een goed beeld van de geschiedenis, misschien wel van groter belang dan de officiële reden om aan archiefbeheer te doen, namelijk het beheren van archieven in goede en geordende staat om de recht- en bewijszoekende burger ten dienste te staan. Ik ben nog nooit een recht- en bewijszoekende burger tegengekomen in de studiezaal en de goede en geordende staat van archieven beperkt zich vooral tot die informatie die de organisatie zelf (lees overheid)  nodig heeft om zich te legitimeren en haar invloed verder uit te breiden. De rechtzoekende burger wil vooral de archieven die nog bij de registratuur berusten, inzien en dat kan nog steeds niet. De indirecte WOB procedure biedt geen garantie voor onvoorwaardelijke openbaarheid van overheidsarchieven.

Tijdens mijn stage was ik al in aanraking gekomen met diverse soorten egodocumenten nl.  bij de inventarisatie van het archief van de familie De Geer van Jutphaas (1204) 1295-1977 in het toenmalige Rijksarchief in Utrecht. Het was de oudste zoon van de stamvader die dit geslacht groot gemaakt heeft en wiens roem nog tot op heden op zijn afstammelingen afstraalt: Louis de Geer (1587-1652), bijgenaamd ‘de kannonnenkoning’. Hij heeft zijn naam en faam vooral verkregen door zijn activiteiten in de koper- en wapenhandel met Zweden. Hij verhuisde in 1615 van Dordrecht naar Amsterdam, de stad die ten koste van Lübeck sterk steeg met haar aandeel  in de stapelmarkt in de koperhandel.

Zijn vader dus, Louis de Geer van Gaillarmont (1535-1602) vertrok in 1596 uit Luik om zich, na een korte stop in Aken,  in Dordrecht te vestigen. Reden voor vertrek waren de onlusten en opstanden in het oproerige prinsbisdom in de 16e eeuw. Daarnaast bekeerde De Geer zich ook tot het protestantisme, waardoor zijn commerciële activiteiten in het Luikse misschien wat moeizamer gingen verlopen. Louis was echter geen overtuigd protestant, want in 1593 stichtte hij nog een katholiek begijnhof in Luik, dat hij aan zijn katholieke schoonzoon Elias Trip (1570-1639) schonk. Twee jaar later laat De Geer al zijn bezittingen in Luik verkopen, behalve huis en goed Gaillarmont. De keus voor Dordrecht was niet origineel: vanaf 1589 was daar een wijk aan het ontstaan met allemaal Luikse inwijkelingen. De ligging van de stad met haar goede verbindingen met het Luiker land zullen de doorslag gegeven hebben in de keus voor deze woonplaats.

De in 1613 gestarte onderhandelingen van de Zweedse koning Gustaaf II Adolf met de Staten Generaal om een lening te verkrijgen, die terugbetaald zou worden met koper, vielen gunstig uit voor Louis de Geer II en zijn concurrenten. Louis ging hierin een belangrijke rol spelen op basis van zijn ervaring en expertise, onder meer zijn leertijd in de Franse koperindustrie, zijn bekendheid met Luik en omgeving,  de daar gevestigde wapenhandel en zijn eigen aandeel in die wapenhandel.  Dat hij hierin samen optrok met de eveneens uit Luik afkomstige Willem de Besche, die de koperindustrie in Finspong in Zweden leidde, is helemaal van doorslaggevend belang geweest. Daarnaast kwamen de Staten Generaal heel zuinig over de brug en sprongen kooplieden als De Geer maar wat graag bij. Er ontstond een monopolie waarbij afwisselend de familie Trip en De Geer de overmacht had. Zo zeer zelfs dat de Zweden, bij monde van Conrad van Falkenberg,  de handelsvertegenwoordiger, klaagden over de harde voorwaarden voor de verkoop van Zweeds koper als ‘by Christenen niet gebruyckelijk’. Rijkskanselier Axel Oxenstierna begon zich er persoonlijk mee te bemoeien, maar zonder veel resultaat. De verdeeldheid en concurrentie onder de Nederlanders was zo groot, dat een gezamenlijk optreden in de vorm van een compagnie niet haalbaar bleek. De Geer trok hieruit zijn conclusies en ging zijn eigen weg door zich helemaal te richten op Zweden. Daar bouwde hij een imperium op in de mijnbouw en metaalindustrie en werd zijn rol zo groot dat hij door koningin Christina van Zweden in de adelstand verheven werd. En vanuit deze De Geer groeide het  Zweedse adellijke geslacht van De Geer verder naar verheffing in de Nederlandse adelstand in 1815 en met in 1822 de toekenning van de titel van baron, vooral op basis van geld, grond en invloed.  In deze periode was het Jan Louis Willem de Geer (1784-1857) die het familiebezit uitbreidde, consolideerde en bewaarde voor het nageslacht. Niet in de laatste plaats door aandacht te besteden aan de vorming van zijn familiearchief, het genealogische onderzoek naar zijn familie uit te laten voeren en door banden met het stamland in Luik weer aan te halen.

Het genealogische onderzoek was al gestart door Louis de Geer van Finspong (1622-1695), de tweede zoon van Louis de Geer de IIe. Deze begon ook met het vergaren van groot grondbezit in Nederland en het uitzetten van een gunstige huwelijkspolitiek voor zijn kinderen. Hij was ook de schrijver van de ’Commentarii de Gente de Geeriana’ waarin hij de oorsprong van het geslacht De Geer terugschrijft naar dat van de ridders Van Hamal. Louis de Geer van Jutphaas breidde op zijn beurt deze genealogie uit  met zijn ‘Notice historique sur la famille de De Geer par deux de ses membres, à l’usage des autres’ (1843) en zijn ‘Apostille posthume’ (1857). Tevens schreef hij de eerste biografie over Louis de Geer II. Aan het eind van de 19e eeuw werkte de bekende beroepsgenealoog A.A. Vorsterman van Oyen de afstamming uit in het indrukwekkende ‘Het geslacht De Geer; van het begin der XIIde eeuw tot het einde der XIXde eeuw; historisch en genealogisch overzicht’(1893). Dit werk werd in een leren prachtband met goud op snee in een hoge oplage gedrukt. Op het eerste gezicht had de familie haar bijbel geschreven, op het tweede gezicht had een recalcitrant familielid, die zelf genealogie bedreef, veel kritiek op het werk en herschreef hij in de jaren dertig van de vorige eeuw de genealogische geschiedenis van zijn illuster voorgeslacht.

Het zal duidelijk zijn dat het archief van een dergelijke familie omvangrijk en relatief belangrijk is. Naast archief van de familie en aanverwante geslachten, komen er ook stukken van zakelijke aard in voor met betrekking tot Luik, de provincie Utrecht en de verschillende heerlijkheden en bezittingen in de provincies Zuid- Holland en Gelderland, Noord-Brabant en Groningen. Voor de egodocumenten, want daar ging deze lezing tenslotte over, zijn de stukken van persoonlijke aard, de stukken van genealogische en heraldische aard en de documentatie interessant,  met de lijst van tekeningen, prenten, kaarten en foto’s. Het archief is zo’n negen meter lang en omvat bijna 1000 archiefnummers met enkelvoudige beschrijvingen.

Om aan te geven hoeveel egodocumenten er in zo’n archief zitten, moeten wij eerst kijken naar de definitie van egodocument. De term zelf werd door Jacques Presser geïntroduceerd in het begin van de vijftiger jaren. Hij vond een persoonlijke noot in de geschiedenis van groot belang. Bij de historici is dit begrip in de loop der jaren uitgegroeid  tot een ware wetenschap die wordt beoefend in een heus onderzoeksinstituut  met een indrukwekkende reeks publicaties onder leiding van de al eerder genoemde Rudolf Dekker. In  het kamp van de archivarissen is ‘Het conglomeraat ontward’  van J. Bervoets en Y. Bos-Rops e.a. uit 1984, een  mogelijke bron waarin men kan lezen dat  een egodocument een persoonlijke getuigenis bevat, maar dat ook b.v. een liber amicorum  of een album een egodocument kan zijn. Zowel in het ‘ Lexicon voor Archieftermen’ uit begin jaren tachtig, in 2003 vervangen door de nieuwe ‘Archieftermininologie voor Nederland en Vlaanderen’ komt de term als zodanig niet voor. Wel de verschillende verschijningsvormen van dit genre zoals brief of dagboek, journaal of verslag, maar deze kunnen ook verschijnen in hun zakelijke vorm. Wat dat aangaat zijn historici en archivarissen blijkbaar nog steeds geen vriendjes geworden.

Zelf ga ik op grond van het bovenstaande nog een stapje verder: ook de archivalia die leden van de familie De Geer verzameld hebben om hun afkomst te bewijzen, de genealogieën die zij hebben  laten maken en vele heraldische stukken die zijn bij elkaar gebracht hebben, zijn egodocumenten. Deze stukken zijn door verschillende archiefvormers verzameld of samengesteld met een vooropgezet doel, namelijk om een persoonlijke getuigenis te geven van de adellijke afkomst. Dat betekent dat het hoofdstuk ‘Stukken van genealogische en heraldische aard’ al in zijn geheel als egodocument bestempeld kan worden en dat zijn er 43.  Dit geldt m.m. ook voor het vergelijkbare hoofdstuk ‘ documentatie’  dat uit 112 stukken bestaat. In het hoofdstuk ‘ Stukken van persoonlijke aard’ komen daar nog de nodige nummers bij. Als wij de nalatenschapsstukken en stukken m.b.t. huwelijken, aankoop van onroerend goed, financiële stukken en processtukken buiten beschouwing laten,  komen wij in dit archief een schat aan egodocumenten tegen. Zo’n een derde van het geheel kan in feite betiteld worden als egodocument in ruime zin van het woord. Dit loopt van het geestelijk testament van Louis de Geer uit 1634 en zijn verslag bestemd voor zijn nakomelingen over het door hem in 1674 opgerichte en aan de koning van Zweden geschonken regiment curassiers en de daaropvolgende teleurstellende beloning van benoeming tot assessor in het Bergcollegium in 1691, bewaard in een afschrift door zijn kleinzoon uit 1724, via de vermaning van zijn echtgenote Johanna Parmentier gericht tot haar kinderen, kort voor haar dood geschreven, om hen aan te sporen tot het leiden van een godsvruchtig leven uit een kopie van c. 1710, middels een gedicht op het overlijden van Johanna Margaretha Rumpf in 1708, vrouw van Anton Gustaaf de Geer (oudste zoon van Louis II), vervolgens  met uitgebreide correspondenties en briefwisselingen van diverse familieleden, uitkomend bij de schetsboeken van Theodora Anna van Haeften (1742) echtgenote van Jan Jacob de Geer (kleinzoon van) en de diverse publicaties van leden van de familie (m.u.v. wetenschappelijke en functie gebonden uitgaven).

Het zal inmiddels duidelijk zijn dat de egodocumenten in dit type archief geregisseerd  en streng geselecteerd zijn. Een spontane gedachte of emotionele uitbarsting kom je in dit archief niet tegen, ook niet in de dagboeken van de kinderen, de eerste schrijfseltjes of andere schriftelijke uitingen die nog bij een onbevangen leeftijd horen. Alles stond in het teken van het bewijzen van de adeldom van de familie, deze adellijkheid hoog houden en doorgeven aan de volgende generaties dat was de bedoeling. De al eerder genoemde kritische genealoog uit de familie schreef in 1940 een brief naar alle familieleden om geld in te zamelen voor het publiceren van zijn bevindingen. Hij kreeg én geen geld voor publicatie en bij de overdracht van de laatste archiefstukken in 1988 mocht zijn brief, die ik stiekem bewaard heb, niet in het archief worden opgenomen.  Om met de wapenspreuk van de De Geers te eindigen: ‘Non Sans Cause’.

Hoe anders zien de archiefsplinters van de familie Mengelberg er uit, waartoe de hoofdpersoon van mijn dissertatie behoort, Friedrich Wilhelm Mengelberg (1837-1919)!  Het geslacht Mengelberg was weliswaar een ontwikkelde en artistieke loot aan de Rijnlandse stam van  katholieke Bildungsbürger, maar heeft geen papieren nalatenschap van belang nagelaten. Wel een artistieke overigens en een hele grote en belangrijke. De stamvader van deze kunstzinnige familie was Prof. Egidius Mengelberg (1770-1849).  Bekend portretschilder, die naam verwierf met zijn portrettencyclus van de officieren uit het leger van Kléber.  Bekende portretten van hem zijn die van Prof. Ferdinand Wallraf, rector magnificus van de Keulse universiteit en de Keulse aartsbisschop Ferdinand August Graf Spiegel. Hij vestigde zich definitief in Keulen in 1822 samen met zijn protestantse  vrouw Anna Lisetta Risse (1796-1879). Hij stichtte de ‘Mengelbergsche Sonntagsschule für Bauleute’, waar hij bouwkundigen gratis onderwijs gaf.  Het echtpaar kreeg drie zonen en een dochter, onder wie de vader van Friedrich Wilhelm, Johann Edmund Egidius (1814-1884). Deze trouwde met Catharina Wilhelmina Leininger (1811-1874). Haar grootvader Michael Winter (1749-1829) was overigens een beeldhouwer. Edmund was kranenfabrikant en houtdraaier en gaf lessen architectuur tekenen aan de Sonntagsschule van zijn vader. Dit echtpaar kreeg negen kinderen, onder wie Friedrich Wilhelm (1839-1919). Deze bekeerde zich tot het katholicisme op negentienjarige leeftijd. Samen met zijn twee broers Otto (1841-1891) en Edmund ( 1850-1922) dreef hij twee ateliers.

Wilhelm Mengelberg trouwde op zijn beurt met Wilhelmina Anna Helena Schrattenholz (1845-1930) en zij kregen zestien kinderen van wie de oudste zoon Otto (1867-1944) was;  samen met het zesde kind en vierde  zoon  Joseph (1874-1940) en het  13e kind en zevende zoon Hans (1885-1945) in de voetsporen van hun vader traden.  Van deze mensen zijn nauwelijks archiefstukken overgeleverd. Er bestaat geen familiearchief Mengelberg, noch archieven van de ateliers. De overlevering gaat dat deze direct na sluiting van de werkplaatsen zijn weggegooid, om ze niet in handen te laten vallen van concurrenten. Wat er nog aan materiaal te vinden is, bevindt zich onder de kinderen en kleinkinderen van Wilhelm. Van archiefmateriaal bij de nakomelingen van Otto en Edmund, de broers van Wilhelm, is niets bekend. Een op genealogisch en archivistisch terrein actieve neef, heeft het archief van een aangetrouwde tak bij elkaar gebracht. Hier zitten kleine fragmentarchieven van de familie Mengelberg in. Door intensief speurwerk in  relevante archiefbewaarplaatsen zijn kleine schriftelijke relicten gevonden, zoals in het familiearchief Brom in het KDC in Nijmegen en in het RKD in Den Haag. Het gaat in totaal om slechts dertig brieven, maar wat geven deze minuscule archiefbrokjes veel informatie!

Zo zijn vijftien brieven van Wilhelm aan Jan Hendrik Brom bewaard gebleven (KDC, archief Edelsmidse Brom 218, inv nr. 3710, 1887-1896) en een klein deel van  een correspondentie tussen Wilhelm en  Jan Hendrik (KDC, 219; Archief edelsmidse Brom, 1893-1908), 13 stukken. Jan Hendrik (1860-1915) was een zoon van Jan Bartel (1831-1882), de stichter van edelsmidse Brom. Jan Hendrik heeft een deel van zijn opleiding van Wilhelm gekregen. Zijn gezin en dat van Wilhelm waren jarenlang goed bevriend, totdat zakelijke conflicten en gevoelens van concurrentie roet in het eten strooiden.

Verder zijn er nog  twee brieven aan  een tweede zoon van Gerard Bartel, kapelaan  Gisbert Brom in Groningen (KDC, collectie 0, losse archivalia, 1891-1894). Gisbert (1864-1915) was bestemd voor de geestelijke stand en onder leiding van Schaepman enthousiast geworden voor de kerkgeschiedenis. Hij studeerde lange tijd in Rome en werd in 1887 tot priester gewijd en promoveerde een jaar later in de theologie. Hij keerde in 1888 terug naar Nederland om kapelaan te worden aan de St. Maartenskerk in Groningen. Daar bleef hij zes jaar. In de jaren daarna vervulde hij diverse wetenschappelijke functies, met meer of minder succes, onder meer veroorzaakt door zijn gebrek aan politiek talent. Zijn eredoctoraat aan de universiteit van Leuven gaf hem weer zelfvertrouwen en vanuit deze functie werd hij gekozen tot directeur van het net opgerichte Nederlands Instituut in Rome in 1905 waar hij tot aan zijn dood, tien jaar lang, zou blijven.

Van de twee broers van Wilhelm, Otto en Edmund, heb ik maar heel weinig kunnen vinden tot nut toe.  Van Otto zijn een paar briefjes aan deken Neu van de Münster in Bonn over de vervaardiging van de communiebanken aldaar  bewaard gebleven. Zo schreef Otto een korte brief aan deken Neu over de polychromering van de communiebanken in 1884. De briefjes zijn geschreven in een rommelig en onduidelijk handschrift in wat minder goed Duits.

De banken werden ontworpen door Wilhelm en uitgevoerd in het atelier van Otto in Keulen. Ze werden gesticht door de vooraanstaande, puissant  rijke ‘Magenbitterfabrikant’ Philip Greve, die ook de bouw en inrichting van de St. Marien in dezelfde stad voor een groot deel gefinancierd had. Achterin het koor van de Dom zijn nog twee gedeelten van de communiebank te zien. Aan epistelzijde een bank met de voorstellingen van een adelaar met twee jongen, vliegend naar de zon en een hert  met een boom en waterval en aan evangeliezijde een pelikaan die zichzelf verwondt in een nest met haar twee jongen en het Lam Gods met kelk, staf en vaandel. Beide banken zijn rijk geornamenteerd, overvloedig verguld en sober gepolychromeerd met rood, donkerbruin en groen. De stijl neigt enigszins naar het neoromaans. De afbeeldingen zijn opengewerkt en opvallend driedimensionaal gevat in een ronde vorm, die het midden vormt van een kruis waarvan de horizontale armen langer zijn dan de verticale. De overige ruimten in het vlak zijn gedecoreerd met planten- en eikenbladeren. Elke bank steunt op drie basementen van leeuwenkopjes die aan weerszijden dubbele halve pilasters dragen en in het midden een pilaster. De dieren zijn gestileerd en uitgebeeld in een duidelijk herkenbare omgeving. De iconografie past in de uitbeelding van de eucharistie. De gebroeders Mengelberg hadden succes met deze banken, want zij zijn in verschillende varianten aan diverse kerken geleverd.

Van Edmund bestaat er een korte briefwisseling met de het kerkbestuur van de St. Katherina in Keulen-Niel over de opdracht voor een hoogaltaar, vooral zakelijk van aard. De brieven zijn helder en zakelijk van toon, geschreven in een duidelijk handschrift en in correct Duits. De opdracht tot het vervaardigen van het hoogaltaar werd in 1892 gegeven, maar na installatie van het altaar in 1893 was het kerkbestuur ontevreden over het resultaat. Het altaar was te klein in verhouding met het koor. Edmund verzocht zijn broer Wilhelm om advies te geven en deze raad deelde Edmund mee aan het bestuur. Daarmee loste hij het probleem  echter niet op. Hij moest nieuwe tekeningen indienen en een herziene begroting insturen. De raadgeving van Wilhelm was heel eenvoudig:  de verhoging waarop het altaar moest komen te staan, moest gewoon met enkele treden opgehoogd worden. Het altaar werd in WO II vernietigd: er is echter nog een foto bewaard gebleven waarop de verhoging te zien is.

Tot zover de brieven van Edmund en Otto, die eigenlijk uiteindelijk niet als egodocument geclassificeerd kunnen worden, maar wat zeggen ze veel over de persoonlijkheid van de schrijvers.

De vroegste brief van de hand van Wilhelm die overgeleverd is, dateert uit 1883 en is gericht aan Jan Hendrik. In deze periode was Wilhelm onder meer bezig met de inrichting van de St. Mariä Rosenkranzkirche in Mönchengladbach en de wedstrijden voor het ontwerp van de portalen van de Dom in Keulen. In het Gilde klonk toen nog heel duidelijk de stem van Schaepman. De brief is, net als de meesten,  in het Duits gesteld en gaat over de bijdrage van de Utrechtse kunstenaars aan de wereldtentoonstelling in Amsterdam in de vorm van een door Alfred Tepe ontworpen kerk.  Wilhelm wil een afspraak maken met Jan Hendrik om over de inrichting van de kapel te spreken en stelt daarvoor een dag en tijd voor.

De volgende brieven dateren van een aantal jaar later, nl. vanaf 1887. In deze jaren  was het Bernulphusgilde, waarin beide heren zeer actief waren, betrokken bij de totstandkoming van ‘Neerlandia catholica’ een prachtband van de Nederlandse katholieken als cadeau voor Leo XIII ter ere van zijn gouden priesterjubileum. Het Gilde luisterde in die jaren onder meer naar een voordracht van Brom over drijfkunst in edelmetaal en naar een verslag van zijn reis naar Londen. Wilhelm verhaalde over de reis samen met zijn zoon Otto naar Italië waar zij diverse kunstwerken verzameld hebben, die hij ook liet zien.

Een brief gaat o.a.  over de ontwerpwedstrijd in Keulen, het was nl een langdurig proces.  Blijkbaar had Brom de opdracht gekregen  om een proef reliëf te maken voor 250 gulden. Mengelberg dacht dat hij hem hiermee een goede dienst bewezen had, maar blijkbaar vond Jan Hendrik het bedrag te laag. Even later schrijft Wilhelm: ‘Du weist doch dass ich mich freue, wenn einer meiner Freunde Erfolg hat und bin der Letzte welcher nicht gerne sähe dass wir alle unsere Mühe gut belohnt bekommen.’ Om vervolgens uit de leggen dat hij de 250 gulden uit eigen zak aan Jan Hendrik betaalt en niet gesubsidieerd wordt vanuit de Dombauverein. Vervolgens wordt de prijsopgaaf van Jan Hendrik voor het altaar voor de kapel van de Dominicanessen in Venlo, nu in de kerk van Vessem, uitgebreid besproken. De begroting viel erg hoog uit en Mengelberg beklaagt zich hierover. Hij verdient al zo weinig aan deze opdracht want: ‘Meine Arbeiten werden immer reicher als meine Zeichnungen, daher kostet mich der Altar jetzt schon mehr wie mein Kostenvorschlag. Ich will ja auch durchaus nicht deiner Schaden, aber du wünscht auch nicht, daB ich so bedeutend beilegen soll.’  Een tweetal jaar later was ‘Lieber Jan, Amice’ geworden en waren ze nog steeds aan het bakkeleien over het altaar in Venlo. Een enkele brief schreef Wilhelm nu in het Nederlands. Later werd het weer ‘Lieber Jan’, maar de gevoeligheden liggen duidelijk net onder de oppervlakte. Wilhelm oogstte veel lof in kritieken en verslagen in kranten en dagbladen en daarvoor verontschuldigde hij zich. De opdracht voor het gieten van de deuren van de Dom ging aan de neus van Brom voorbij en dat zette veel kwaad bloed. Mengelberg probeerde nog uit te leggen dat hij Jan Hendrik juist een dienst bewees door de opdracht niet aan hem te gunnen, omdat het werk de facto heel slecht betaald werd en uitzonderlijk zwaar was.

Wilhelm schreef ook over meer algemene kunstenaarsaangelegenheden. Zo gaf hij een paar jaar later zijn mening over de verhouding van kunstenaars met architecten. Hij stelde dat alleen de architecten Tepe en Schneider in staat waren kunstenaars als hij zelf en Brom de vrijheid te geven om hun werk goed te doen. Vooral Cuypers moet het in deze ontgelden. En dan weer een paar jaar later raakte de verhouding echt getroubleerd. Jan Hendrik is te laat met een levering aan de Marienkirche in Bonn, waarover Edmund werd aangesproken. Deze beklaagt zich weer bij Wilhelm. Van ‘Geachte vriend Brom’ in 1893 is het nu ‘Geehrter of Sehr geehrter Herr Brom’.  En dat verandert niet meer. Interessant zijn nog de passages in latere brieven over de opdrachtvergeving voor de St. Bavo in Haarlem, waarbij Brom zich beklaagde over het feit dat Mengelberg zich niet aan het aantal in te leveren ontwerpen hield. Hij leverde meer plannen in dan toegestaan was. Mengelberg repliceert dat hij nu eenmaal een goede verhouding met mgr. Carlier had en daartoe persoonlijk uitgenodigd werd. Uiteindelijk werkten ze wel weer samen in de vervaardiging van de bisschopstroon voor de St. Bavo en leverde Brom zijn monstrans aan de St. Marien af.

In de twee brieven aan Gisbert, sloeg Wilhelm een heel andere toon aan, dan in de latere brieven aan diens broer. Het is duidelijk dat hij Gisbert een warm hart toedroeg en hem ook vertrouwde. Deze brieven dateren uit 1891 en 1894. In deze jaren zijn de hoogtepunten voor het Bernulphusgilde het bezoek van de zustervereniging het ‘Gilde de St. Thomas et Luc’ uit Belgïe en de kunstreizen naar Keulen, waar zij de deuren van de Dom bezichtigden en de reis naar Aken en Kornelimunster. Brom hield een inleiding over zijn werk voor de kerk van Elten. Mengelberg is weliswaar lid van het bestuur van het Gilde, maar laat iets minder van zich horen dan daarvoor. Hij liet zich ook steeds meer vertegenwoordigen door zijn zoon Otto. Wilhelm is dan ook in deze periode druk bezig met de uitvoering  van de kruisweg voor de Dom van Keulen en met het monument voor Thomas à Kempis in de St. Michaëlkerk in Zwolle. Hij won de eerste prijs in een internationale ontwerpwedstrijd en oogstte met dit resultaat heel veel lof. Het monument werd in 1897 onder grootse belangstelling gewijd en geldt als een hoogtepunt in zijn oeuvre.

In de brieven aan Gisbert schreef Mengelberg over de dood van enkele bekende prelaten, o.a. Münzenberger uit Frankfurt en over de slechte gezondheid van Schaepman. Hij schrijft ook over zijn eigen zwakke gestel.  Ook nodigde hij Brom uit voor een bezoek en zegde hij toe een afdruk van een reliëf van de deuren van de Dom voor hem apart te leggen. In zijn tweede brief is hij nog persoonlijker, wanneer hij wederom  iets vertelt over zijn slechte gezondheid en de moeite die hij gedaan heeft om zijn zoon Otto op het juiste spoor van de christelijke kunstenaar te zetten. Maar hij geeft ook verslag van de werkzaamheden voor een kerk in Groningen. Hij schreef: ‘Die heilige Versicherung kann ich Ihren geben dass ich biss zu meinem Ende meinen Grundsätzen treu bleiben wurde. Sowohl den Utrechter Künstler gegenüber, als meinen Grundsätzen gegenüber der Architekten….. Meine Jahren sind gezählt, ich möchte nicht dass, das so  mühesam Errungene der kommenden Generation verloren gingen.’ Hij was wel erg pessimistisch: hij zou nog meer dan twintig jaar leven en al die jaren zijn stempel nadrukkelijk blijven drukken op de kerkelijke kunst in het Rijnland.