De toren van Pisa in Limburg

Een spelletje Toren van Pisa is altijd leuk tenminste als je een gezin hebt waarin spelletjes leuk gevonden worden, althans dit soort spelletjes. Helaas is in mijn geval in mijn gezin het spelen van veel spelletjes altijd wel een probleem geweest. Eén ouder die sowieso geen spelletjes wil spelen, van jongs af aan al niet en één ouder die niet tegen haar verlies kan. Dat is mijn leerdoel geweest, mijn hele leven al, want ik moet nog altijd leren mijn verlies te nemen. Twee kinderen die een hele schoolgeneratie uit elkaar liggen bevordert het spelelement ook niet, waarbij inmiddels gezegd moet worden dat de jongste al een hele tijd terug aan immense inhaalslag begonnen is en dat àls wij een spelletje doen, zij iedereen van de tafel afspeelt. Behalve spelplezier en aangeboren handigheid heeft zich bij haar blijkbaar toch ook een ambitie gevormd die winnen mogelijk maakt. Het schijnt dat kinderen vooral van hun ouders veel leren, in mijn geval is dat toch echt omgekeerd. Ik leer enorm veel van mijn kinderen en zou soms de hele opvoeding over willen doen.

De Toren van Pisa is bij ons geen populair spelletje geweest (ik heb het heel kort uit de speel-o-theek in Leeuwarden geleend waar ik vrijwilliger was toen ik wachtgeld ontving) in tegenstelling tot bijvoorbeeld mikado waarvoor zelfs de minst speels aangelegde speler in ons gezin zich aangetrokken voelde. Het bouwen van torens is misschien voor meisjes toch niet zo’n grote uitdaging: nu ik er over nadenk heb ik werkelijk nooit met hen de ‘wie bouwt de hoogste toren’ gespeeld; alleen de opa’s vonden dat een heel leuke uitdaging. In dit spel doet de hoogte er niet toe, het gaat om evenwicht. Het doel van het spel is dus om op een wankele toren zoveel mogelijk mannetjes neer te zetten op de kleur van de ring die je met de dobbelsteen gooit. Dat is best een uitdaging en ik geloof niet dat, behalve in kinderdagverblijven het spel nog veel gespeeld wordt. Het ziet er leuk uit voor hele jonge kinderen, maar het is erg moeilijk voor ze.

Het sociale evenwichtsspel is een opvallend kenmerk van de Limburgse hoogvlakte waar ik nu al méér tien met veel plezier woon. Nu zal elke provincie in Nederland een dergelijke constructie kennen, maar in het Zuiden is het toch aanmerkelijk verschillend met de rest van Nederland en dit heeft te maken met de dominantie van de katholieke kerk. Het telkens terugkeren van voorbeelden van onbehoorlijk bestuur in de landelijke media, daarbij recentelijk zelfs gesteund door een regionaal dagblad, chapeau overigens, is een slechts een marginaal kantje van deze maatschappij. Het valt mij op dat de betreffende onderzoeksjournalisten niet die religieuze insteek hebben gekozen, om de aparte cultuur te verklaren, want zouden ze dat wel doen dan komt nog veel meer aan de oppervlakte van wat wij allemaal al wel vermoeden, maar nooit keihard bewezen kunnen krijgen en wordt het ook begrijpelijker. Dat voorlaatste blijft nog steeds moeilijk, want niets staat zwart op wit en regels zijn altijd rekbaar en kunnen worden verbogen naar de plaatselijke situatie en dat schijnt zelfs al in de rechtspraak te mogen. Maar je kunt wel beschrijven wat je ziet en hoort en aan anderen overlaten het naadje van de kous te weten te komen. Dat is een begin.

Ik hoef hier niet het verhaal van de NRC te herhalen: we weten allemaal dat de oud-burgemeester van Maastricht een uitzendbureautje begonnen was voor wachtende politici en hoge ambtenaren en dat inhoudelijke kennis van zaken helemaal niet belangrijk is in het carousselletje waar de baantjes verdeeld worden, maar dat het netwerk cruciaal is. Zeg maar het ringetje rondom de Toren van Pisa: alle mannetjes op het groene ringetje zoiets. Dat netwerkje zie je als je een mis in de Sint Servaas bezoekt, maar ook een mis in een willekeurige kerk in Bonn bijvoorbeeld en vermoedelijk ook eenzelfde voorstelling in Luik en Brussel illustreert dit. De ‘pommeranten’ (Fries voor leden van de elite) van de parochie (die overigens niet geheel geografisch gevormd lijkt te zijn) worden speciaal welkom geheten door de pastoor en in enkel geval zelfs uitgenodigd tijdens de dienst van het woord een voordrachtje te houden, een soort tweede preek. Alleen het applaudisseren ontbreekt er aan, maar dat mag na afloop van de mis altijd om vooral het koor te bedanken, maar dat zingt voor God dus je kun je het ook zien als een bedankje voor al die vrijwilligers die dagelijks de kerk schoonmaken, de bloemen neerzetten en de was doen, maar die doen dat ook uit echte devotie, dus je klapt in de kerk vooral voor jezelf en je zuiver geweten en schoon hartje. Dat laatste zie je er overigens niet van af als je het koffiemomentje meemaakt na afloop van de mis, want de devote mensen zijn dan altijd al weer aan het opruimen, schoonmaken en de boel aan het klaarzetten voor de volgende mis. Deze cultuur heerst dus in de gehele grensstreek van Nederland en misvormt al decennia de centrum-periferie discussie die als theorie zo populair is in het identiteitsonderzoek, vooral om de regionale identiteit te definiëren waarbij het centrum de vijand is. Ik denk dat veel onderzoekers dit religieuze randje missen, omdat ze zelf niet meer kerks zijn en denken dat iedereen dat is. Een verkeerde aanname, want de inheemse bevolking van de grensgebieden lijdt al generaties lang, ik denk vanaf 1870 ongeveer, onder het Stockholmsyndroom en een veilig vijandbeeld (in dit geval Holland) is wel zo makkelijk in die toestand. Zelf even opzoeken wat dat syndroom nu precies inhoudt.

Om terug te komen op de toren van Pisa en de katholieke pommeranten: dat deze cultuur nog steeds bestaat en vermoedelijk zal blijven bestaan heeft te maken met het evenwicht in de betreffende maatschappij. Er wordt niets anders verwacht dan dat een kleine elite elkaar de bal toespeelt en opdrachten verdeelt onder elkaar, maar ook naar beneden toe. Veel mensen zijn in hun broodwinning afhankelijk van dit bijna Romeinse systeem en je kunt zelfs bij sommige evenementen de ‘claques’ uit de klassieke oudheid herkennen. Ik kwam zo’n claque tegen toen ik per ongeluk uitgenodigd was op de officiële sluiting van het Museum van het Vrijthof, een dependance van de Sint Servaas, die voor een megabedrag hoogstnoodzakelijk verbouwd moest worden. Ik vond die noodzaak wel meevallen eigenlijk: het was best aardig en had als geheel een sympathieke uitstraling. De verbouwende architect was dezelfde die ook de schatkamer van de Servaas onder handen mocht nemen, geloof ik. En ik hoorde toevallig dat deze geassocieerd is aan een architectenbureau dat heel Zuid-Limburg koloniseert als het om opdrachten gaat in de erfgoedsector, dat alles kwam mij ter ore getoonzet in zacht fluweel. Ook dat de onfortuinlijke oud-burgemeester het echt helemaal verbruid had door juist op de opening van dit museum met zijn ‘beau’ langs te komen. Tsja, het was dan ook niet het verjaardagsfeestje van wijlen Herman Gordijn.

De geassocieerden van dit bureau reiken tot in het Utrechtse, want een toonaangevend instituut op het gebied van kerkelijke kunst heeft hen in het bestuur gehad, ooit, of zal hen ooit in het bestuur gaan opnemen. Misschien dat ze elkaar treffen bij het kussen van de ring van de bisschop als je ridder van het Heilig Graf bent: de saluerende politicus is zo’n edelman, maar niet in de erfgoedsector. Staat ook nog op mijn netvlies: die groetende welp voor zijn akela, waarschijnlijk opgevoed in de meest conservatieve scouting club van Nederland gesitueerd op de Sint Pinter waar de pastoor als aalmoezenier nog kind aan huis is en waarnaar  vele Maastrichtse pommeranten hun kinderen brengen ook al wonen ze aan de overkant van de Maas. Overigens behorend tot dezelfde parochie waar onderwijzers die over de schreef gegaan zijn op seksueel gebied met hun leerlingen als jeugdwerker voor de kerk aan de slag mogen gaan om toch wat van hun wachtgeldperiode te maken. Je wilt toch niet achter de geraniums gaan zitten, als je onder de bomen op de Sint Pieter kunt werken.

Overigens is er ook een heuse Friese pommerant die knielt voor de bisschop en diens ring kust, zag ik op een foto op de site van deze ridderschap vorig jaar, toen ik de geschiedenis uitvlooide van dit genootschap dat zoveel kerkelijk vaatwerk heeft laten maken. De foto is niet meer te zien helaas: ik wilde hem direct doorsturen naar niet-katholieke Friezen. Wat ook niet meer te zien is op een heel andere site overigens, is dat is wie nu precies de leden van het reactionaire clubje ‘de Orde van den Prince’ zijn. Ik vermoed dat daar veel zogenaamde cultuurkatholieken lid van zijn, die hun talig erfgoed willen beschermen samen met de Vlamingen en overige Nederlandssprekenden in de diaspora. In het netwerkje van mijn Mengelberg-onderzoek kwam ik opvallend veel leden tegen. Een soort carnavalsvereniging, maar dan voor geestes- en vooral literatuurwetenschappers.

Het is een verhaal van netwerkjes geworden, dit blog,  maar één instituut verbindt hen allen en dat is de katholieke kerk. Ik heb de publicaties van John Gager deze week eindelijk doorgenomen. Ik moest ze laten aanrukken vanuit het hele land, want de bibliotheken in Limburg hadden ze niet in de collectie opgenomen. Ter illustratie: de zogenaamde ‘Gildeboeken’ en ‘Verslagen van het Bernulphusgilde’, het priestergilde waar ook leken lid van konden worden, zoals leden van de familie Mengelberg en Brom zijn in heel Nederland nauwelijks te vinden, behalve in de bibliotheek van museum het Catharijneconvent dan, maar in Limburg heeft elke instituut wel meerdere jaargangen. Je kunt er de Avenue Céramique mee plaveien.

Maar terug naar John: als je wilt weten hoe deze kerk ontstaan en gegroeid is dan leer je veel uit zijn werk, dat op mij de indruk maakt van een zeer deskundige, heldere en onafhankelijke visie, die nog niet overtroffen werd door een jongere geleerde. Ook de verhouding met Jodendom maakt hij duidelijk en de rol die de apostel Paulus daarin gespeeld heeft. Ik wist dat allemaal nog niet, maar weet nu dat de kerk niet meer dan een sekte was, is en hopelijk zal blijven, niet omdat ik het een eventuele groei en bloei misgun, maar omdat het instituut in essentie haaks op onze democratie staat (behalve in Limburg dan). De overheid kan beter niet teveel aanschurken tegen dit instituut en teveel geld uitgeven aan het onderhoud van gebouwen en kunst, want echt, de gelovigen hebben geld zat en kunnen het goed zelf betalen. Ik ben echt niet tegen de kerk, al lijkt dat misschien zo, maar wel tegen de vervorming die sinds het laatste kwart van de 19e eeuw is doorgevoerd. Misschien moeten ze gewoon weer helemaal opnieuw beginnen, met een echt zuiver geweten en schoon hartje.

Eén heel belangrijk netwerk heb ik nog even buiten beschouwing gelaten, dat vanouds onvoorwaardelijk verbonden is met de kerk: dat is die van het koninklijk huis. De lintjesregen daalt soms neer op pommeranten die hun geld verdienen in de erfgoedsector en daar ook nog weer eens een lintje voor krijgen. Ik vind dat dubbelop. Misschien dat ook die lijst nog eens nagevlooid kan worden: ik vind pertinent dat mensen voor betaald werk géén lintje hoeven te ontvangen. Bewijs eerst maar eens dat je het werk netjes gekregen hebt in een eerlijke procedure, met voldoende gelijkwaardige kandidaten.