Mijn (g)orgelende directeur

Het gebeurde in een prachtige kerk. In deze kerk was de studiezaal gevestigd van een archief. Een groot en mooi archief waarvoor helaas maar heel weinig levende bezoekers kwamen. Iedereen die in de archiefstukken voorkwam, was immers al lang dood. En dode mensen liggen op het kerkhof, waar je ze af en toe bezoekt of helemaal niet meer. Ze rusten niet in een archief, waar je dus als levend wezen ook niet naar toe gaat. Al is een kerk wel weer een geëigende plek voor zo’n archief vol dode personalia en zou de ambiance stimulerend kunnen werken voor het serene archiefonderzoek. Zo niet in dit archief.

De mensen die in het archief werkten waren uiterlijk springlevend: het bloed stroomde normaal door hun aderen, ze hapten op een gewone manier naar lucht en hun hart bonkte zoals alle min of meer gezonde harten bonkten. Het is fysiek een taai slag mensen dat in archieven werkt. Innerlijk waren ze er helaas wat minder goed aan toe. Ze voelden zich doods, misschien wel net zo dood als de papieren herinneringen aan de doden in de zuurvrije omslagen, in het doorzichtige lexaan of in de Amsterdamse dozen. De mooi ogende portefeuilles met de gemarmerde omslagen en fraaie groene of grijze linten zijn helaas al heel lang geleden in onbruik geraakt. Over de doden niets dan goeds en over de mensen die zich doods voelen evenmin. Maar de levendige bestuurders vonden niet dat de kerndoelen van het archief echt gehaald werden. Doelen, zoals die verwoord waren in de proviniciewijde en gemeentebrede cultuurvisie 2000-2020. Laat staan dat zij overtuigd waren van het feit dat het archiefmanagement op een integrale, heldere en transparante manier leiding gaf aan deze ‘open inrichting’ (want zo stond het archief dus bekend in de ambtenarij of ook wel ‘hysterisch centrum’ in de volksmond). De archivarissen trokken zich hier niets van aan. Zij vonden het managementjargon maar grote onzin en lieten de directieven van de bestuurders gelaten over zich heen komen. Soms schreven ze een boze brief naar het bestuur of zorgden ze voor een stuk in de krant, waarin melding gemaakt werd van zedenmisdrijven, diefstallen of fraudes van directeuren of collega’s. Maar zo’n crisis waaide meestal weer vanzelf over en zelden werd een betrokken medewerker (on)schuldig bevonden en een goede baan elders aangeboden. Zelden vertrokken de verantwoordelijke directeur of de aanstichters van de crisis. Wel was de betreffende gebeurtenis nog decennialang onderwerp van felle discussies in koffiepauzes of aanleiding tot mysterieuze toespelingen bij de kennismaking van nieuwe medewerkers. Na het vertrek van de tiende interim manager in vijf jaar echter ontstond er toch wel een probleem. Helaas hadden de bestuurders wel verstand van het burgemeesteren, het wethouderen of het politiek bedrijven, maar niet van archieven. In hun wijsheid had men een beslissing genomen om dit probleem op te lossen.

Het archief en zijn inwoners kregen een nieuwe directeur. De elfde dus in de rij van managers die moest proberen de archivarissen uit hun lethargie op te wekken en aan te zetten tot geïnspireerd en vakkundig teamwork. De jongens (het waren vooral mannen) hielden zich dus al decennialang vooral bezig met ruziemaken en elkaar de vliegen afvangen. En ondertussen zoveel mogelijk rook- en koffiepauzes nemend als maar mogelijk was. Natuurlijk wel in verschillende hoeken van het grote gebouw, want er waren verschillende kampen. De ‘kamplozen’, de nieuwelingen, liepen ietwat verdwaald rond. De kersverse directeur was van een geheel ander slag dan alle voorgaande. Een uitermate levendige, spontane en jongensachtige oudere vijftiger die de tent nieuw leven zou inblazen. Zijn levendigheid en bravoure ontleende hij aan een voortdurende inname van alcohol en aan een geregeld snuifje. Dat eerste wisten de bestuurders wel, want zij hadden hem al eens op de vingers getikt voor deze onschuldige zonde. Over het tweede deden alleen maar verhalen de ronde. Ook de medewerkers wisten van zijn reputatie en schreven een brief op poten aan het bestuur. Ook vonden zij dat een bioloog toch niet die inhoudelijke bagage had die nodig was voor zo’n functie. De bestuurders dachten ongetwijfeld dat een goedmoedige en joviale drinkebroer in zo’n net en serieus instituut wel een frisse inbreng zou kunnen hebben. En het determineren van plantjes was toch vergelijkbaar met het archiveren van onleesbare geschriften…….toch? Ze legden de bezwaren naast zich neer. Met de mededeling dat ‘het maar eens afgelopen moest zijn met de ‘anarchie in het archief.’

Al springend, rennend en de trap opvliegend spurtte deze directeur vanaf de eerste werkdag door het gebouw. Zelfs is hij eens uit een raam gesprongen om een hek, dat niet automatisch open wilde gaan, handmatig te openen voor een schone in een Volkswagen Polo. Indrukwekkend, het raam was wel op de begane grond. Maar desalniettemin. En dat alles met één hand, want hij liep altijd met een klein multomapje in zijn hand om alles in op te schrijven wat hij belangrijk vond. En dat was veel, erg veel.

En ik kwam daar ook binnen als manager. Een jaar later en niet wetende van de voorgeschiedenis van de directeur en van het instituut. Een directeur die mooi orgel kon spelen zoals hij in het eerste gesprek trots vermeldde. Waarschijnlijk om zijn artistieke en culturele waarde te vergroten in dit walhalla van cultuurminnaars. Nee, die archivarissen deugden niet. Die zouden eigenlijk uitgeroeid moeten worden. Een aantal moest echt ontslagen worden, aldus het bestuur. En de directeur. Nou behoorde ik zelf tot die bedreigde diersoort en voelde mij inderdaad minder ambtenaar en meer archivaris, maar om dat nu zo bout te stellen dat…… Mijn persoontje was bedoeld om de hupsende en springende directeur inhoudelijke bagage mee te geven, zodat hij af en toe wist wat hij aan het doen was (als hij niet te veel gedronken of gesnoven had). En om koppen te snellen. Daar had de directeur niet zo’n zin in (‘klein hartje?’). Toevallig waren alle aspirant slachtoffers in mijn afdeling terecht gekomen. Och, wij hebben het best leuk gehad die honderd dagen dat ik het met mijn orgelspelende directeur heb uitgehouden. Hij kon smakelijk vertellen over de kerkdiensten die hij als jongen begeleidde met zijn orgelspel en de extra’s die hij er mee kon verdienen. Vooral bij begrafenissen. Zijn urenlange monologen onderbrak hij af en toe om te gorgelen en om zijn oor leeg te laten lopen. Snuivers schijnen vaker oorontstekingen te hebben dan niet-snuivers. Dat leeglopen werd bijna een ritueel. Uitgebreid nam de directeur plaats in zijn directiezetel om dan een grote zakdoek uit zijn broekzak te halen. Zijn hoofd ging naar links of rechts, al naar gelang het ontstoken oor. En zo liet hij het ontstekingsvocht er uit lopen in zijn zakdoek. Hier was hij toch al gauw een kwartier mee bezig. Terwijl ik alleen of met een gezelschap enigszins gegeneerd toekeek.
Was de voortvarendheid en de inzet buitengewoon hoog, het inhoudelijke leidinggeven wilde niet echt van de grond komen. En ook het transparante aansturen was een probleem. Hij had op zijn cv dan ook niet veel meer managementervaring staan dan het directeurschap van een vogelobservatiepunt op een of ander godvergeten waddeneiland. Een ‘one man post’ dus. Maar goed, ook ornithologen zijn vreemde vogels, net als archivarissen en kunnen in een archivarissengemeenschap best een leuke rol spelen. Zo moet het bestuur en hij zelf ook gedacht hebben.

Groots waren zijn plannen voor de studiezaal. Er moest kunst komen. Kunst met een grote K. De directeur was ook een groot kunstkenner ‘by the way’. Een geweldig groot rouwdoek van zwart geknipt papier kwam dwars in de zaal te hangen. Een prachtig effect gaf dat en wat een eerbetoon aan de inmiddels overleden inventarisnummers. En natuurlijk ook aan de archiefbezoekers, die op hun laatste benen liepen, zoals de meeste archiefbezoekers dat doen. Dat deden ze vijftig jaar geleden al, dertig jaar geleden en nu nog steeds. En als klap op de vuurpijl stelde de directeur in een managementvergadering voor dat hij een orgelconcert zou gaan geven in de kerk. Een echt orgelconcert…….. Want in zijn gebouw moest zijn muziek klinken. Daar zat wat in, maar het werd wel oorverdovend stil.

Aangezien de kerntaken, de visie, de strategie en de targets nog niet op papier stonden, laat staan gehaald werden, was er niets dat de ijdele directeur van zijn voornemen kon afhouden. Het jaarverslag over zijn eerste jaar zou een meerjarenverslag gaan worden over de komende vijf jaar. En om de begroting kloppend te krijgen zou hij een hypotheek nemen op het monumentale pand. Met een meer voortvarende doelgerichtheid werd een grote stellage gebouwd in het prachtige koor. Bovenop de oude monumentale grafzerken, waaronder de crypte lag. De muurschilderingen werden afgeschermd en er werd tapijt op de houten vlonder gelegd. De installatie kostte verschrikkelijk veel tijd en geld en de begroting werd stelselmatig overschreden door onvoorzien meerwerk. Van het uiteindelijke richtbedrag was niet veel meer te herkennen in de laatste afrekening. Maar hierbij was het afbreken ingecalculeerd. Gelukkig was er nog steeds de tweede hypotheek. Een orgel werd met kunst en vliegwerk naar boven gehesen. Het was het orgel uit de oude doopsgezinde kerk aan de overkant. Dat werd toch niet meer gebruikt, want in dit deel van het land zijn er geen doopsgezinden meer. Het arme ding kraakte en piepte, liep schrammen en blutsen op en kwam volledig uit zijn verband op de stellage te staan. Hoog, zo hoog mogelijk. Want de van huis uit streng gereformeerde directeur wist wel dat je de lijntjes met God zo kort mogelijk moest zien te houden.

Het programma en de muziekkeus werden breeduit besproken in het managementteam. Als orgelmuziek-dummie kon ik niets inbrengen tegen het programma en voorzichtig drong het besef door dat dit serieus werd. Heel serieus. Waar en wanneer de directeur zou gaan repeteren? Daar had hij niet over na gedacht. Veel repetitie had hij niet nodig, hij had het na ruim veertig jaar nog steeds in de vingers. Misschien in zijn lunchpauze, stelde hij voor. Ja, dat was een goed idee. Ontspannend en sfeerverhogend. Op een woensdagmiddag klonken om half een plotseling orgelklanken vanuit het koor van de kerk. Het orgeltje deed zijn best, maar het viel niet mee. De directeur zat met een rood hoofd achter het klavier. Imponerend, zonder partituren. Toen hij weer beneden was, de opgewonden studiezaalbezoekers wat gekalmeerd waren en de medewerkers van hun verbazing bekomen waren, vertelde hij triomfantelijk dat het de eerste keer was sinds jaren dat hij weer eens speelde. Hier paste een geïmponeerd zwijgen. Maar niet voor de studiezaalbezoekers. Zij eisten stilte, rust en vooral geen muziek, ook geen klassieke muziek. De medewerkers trokken partij voor de bezoekers, want dat waren de enigen in het gebouw die hen, laaggeschoolde verschoppelingen in de ambtelijke archivistische pikorde, serieus namen. Goed, alleen nog maar repeteren voor en na de sluitingstijden van de studiezaal. Dat kwam goed uit, want de directeur was er altijd al om half acht. Vanaf dat moment zaten andere vroege vogels met mp3-spelers achter hun pc (of krant?).

De datum voor het concert werd bepaald. Natuurlijk op een dag dat het bestuur vergaderde. Dat deed het maar tweemaal in het jaar, vergaderen. Dus de stellage stond maandenlang in het koor en frustreerde cultuurminnende toeristen die per ongeluk het gebouw bezochten en rondleidende archivarissen die hun publiek wilden overdonderen met hun kennis over de muurschilderingen.

Via zijn netwerk wist de directeur het concert in de agenda’s van de cultuurpagina’s van de plaatselijke dagbladen te krijgen. En er werd zelfs een heus interview gehouden. Dat moet gezegd worden, het archief stond weer op de kaart. Het concert was gratis: archiefbezoeken zijn altijd gratis net als bezoeken aan kerkhoven. Het bestuur zou ook aanwezig zijn, want de leden moesten toch komen in verband met die ene vergadering. Aangezien er die dag geen stukken waren om over te vergaderen, want die zouden er pas over vier jaar liggen, stelde de directeur voor een uitleg te geven over de muziek die hij zou spelen. Naar verluidt vond de grootste wethouder dat wel een goed idee, mits er maar een wijntje bij geschonken zou worden. Hij lustte wel wat. Natuurlijk was dat allemaal al voorbereid en zo kon de genoeglijke bestuursvergadering voortgezet worden onder het genot van een glaasje. Na een klein uur was het tijd om naar de concertzaal te gaan. Geheel ontruimd en met stoelen in lange rijen was het plotseling een eigenaardige mengeling van een amateur muziekzaal, een crematorium en een gemeentelijk crisiscentrum geworden. De ruimte was redelijk bezet, maar niet vol. Daar was niet op gerekend, dat het bezoek zou tegenvallen…… Maar de vaste bezoekers hadden dan ook handtekeningenacties op touw gezet en brieven naar de krant gestuurd dat zij het niet pikten van hun plaats verdreven te worden. Zij imiteerden het gedrag van de archivarissen. Al die vaste bezoekers, op wie de directeur zo gerekend had, ontbraken nu. Iedereen werd naar voren gedirigeerd, zo dicht mogelijk bij het koor.

De directeur verscheen in een smoking en liep hupserig en springerig voor het koor. Niemand kondigde hem aan, niemand was gevraagd hem aan te kondigen, want niemand kon hem aankondigen. Niemand was goed genoeg. Hij nam de microfoon mee naar boven, zodat hij tussen de stukken door toelichting kon geven. Zo beklom hij de stellage, als een aangeklede aap. Dat lag hem wel en hoog boven in het koor hoorden wij een geschuifel en een gepiep en dwarrelde er wat stof naar beneden. De interieurverzorgsters verdomden het eeuwig om de stellage op te klimmen en daar af te stoffen. Ook onder de steiger begaven ze zich niet, met instemming van de bedrijfsleider van het schoonmaakbedrijf, die meende dat de verzekering in dit geval niets zou dekken als er wat zou gebeuren.
Toen kwamen voorzichtig de eerste klanken en na even inspelen schalde luid de titel van het stuk en de naam van de componist door de kerk. Een beschaafd klapje kon er wel vanaf bij het publiek. Alleen al het beklimmen van de stellage was een tour de force op zich. De directeur kwam op dreef en speelde het ene stuk na het andere. Hupserig en springerig, precies zoals hij was. Ik dreef in gedachten weg en moest denken aan de Pirates of the Carribean, deel 2 ‘A dead man’s chest’ waarin de kapitein van het spookschip op het orgel een stuk van Hans Zimmer speelt terwijl de gouden sleutel gestolen wordt door Wil Turner. Deze kapitein, Davy Jones, was een menselijk zeegedrocht met tentakels, een soort octopus, met een houten been en het andere been vastgeroest in een emmer. Dit stuk had mijn directeur vanzelfsprekend niet op zijn repertoire staan. Een letterlijk verschil tussen high and low culture. Maar als hij die muziek wel gespeeld zou hebben, dan had ik het niet kunnen laten ergens een essentieel moertje van een dragend boutje te draaien, net zoals Wil Turner het sleuteltje moest kapen…..

Ik was inmiddels aan het eind van mijn honderd dagen gekomen en niet meer zo onbevooroordeeld als in het begin. Mijn vertrek was trouwens ook al vastgesteld. Misschien dat mijn wanhopige fantasie toch wel wat teweeg gebracht heeft, zoals Mathilda overkwam in Roals Dahls’ gelijknamige boek, want er begon iets te wiebelen in de stellage. Het gevaarte wankelde een beetje, bewoog heen en weer en kraakte verontrustend. De directeur speelde voort, net als Davy Jones. Hij was bij het hoogtepunt van zijn concert aangekomen. Pompeuze muziek, maar nogmaals: over smaak valt niet te twisten. Mensen begonnen verschrikt om zich heen te kijken. Lachten schaapachtig en nerveus en keken elkaar vragend aan. De bestuurders verlieten gelijk hazen als eersten de zaal en repten zich naar de kantine waar de drankjes stonden. Daarna volgden de andere belangrijke bezoekers die vooraan zaten. Uiteindelijk bleven de studiezaalmedewerkers en het managementteam staan. Tot dat laatste selecte gezelschap behoorde ik officieel niet meer, maar ik bleef toch wel staan. En keek. Keek toe hoe met een waanzinnig lawaai de stellage in elkaar zakte. De tonen van het orgel bleven komen en ik wist zeker dat Davy Jones nu speelde en niet meer mijn directeur. Ik kreeg kippenvel. Geen gil, geen schreeuw, geen hulpgeroep kwam er uit de keel van de organist. Gekraak en geschuur en vervormde orgeltonen des te meer. Totdat de hele stellage in elkaar gestort was met een donderend geraas en de wolken stof en plamuur het koor volledig vulden. Inmiddels waren wij achter het rouwkleed gaan staan, dat ons nog enigszins beschermde tegen het stof. Iedereen was verbluft, in shock, en niemand had het besef hulpdiensten te bellen. Waarvoor ook? Iedereen stond daar, behalve…….. de secondant van de directeur. Als hoogste manager van het archief had hij er wel geteld één, die hem van alle nieuwtjes en roddels van het personeel op de hoogte hield en als een schaduw-tijdklok de gangen naging van de medewerkers. Deze waagde zich als eerste op het koor. Dat had hij niet moeten doen. Het werd hem fataal, want onder de enorme druk scheurde de bodem van het koor en zonk alles met even zoveel lawaai als een paar minuten voordien de crypte in. Het alleroudste gedeelte van het gebouw, met veel zorg gerestaureerd. Het orgel was niet meer te zien, de organist ook niet meer en zijn secondant evenmin. Een bezoeker in de kantine had wel 112 gebeld, nadat hij de grootste wethouder om toestemming gevraagd had. Zo gaat dat in het Zuiden van het land. Wij bewogen niet meer totdat de hulpdiensten arriveerden. Alles werd afgeschermd met grote doeken en wij werden naar de kantine gedirigeerd. Daar stonden de wijnglazen roerloos stil, alsof er niets gebeurd was. Kort daarop werd iedereen toch naar buiten gestuurd door de nooduitgang. De kerk stond op instorten.

Ik zat achterin de zaal van het crematorium. Het was niet zo druk, net als bij het orgelconcert. Familie, niet veel want de directeur had met veel familieleden ruzie, een paar vrienden en wat bekenden. Een delegatie van het personeel was aanwezig. Geforceerd samengesteld, want niemand had veel zin. De grootste wethouder was er als enige van het bestuur wel, zoals de grootste wethouder altijd overal aanwezig is. Het orgel speelde. Tot mijn verbazing geen enkel stuk van het concert. Een oude organist speelde de sterren van de hemel. Blij dat hij eindelijk weer eens op een orgel mocht spelen, want met dat tegenvallende kerkbezoek liep ook het orgelspelen achteruit.
Vrouw en kinderen van de directeur zaten wat gelaten voor zich uit te kijken. Er was hen duidelijk iets overkomen, waarvan ze nooit hadden gedacht dat het hun zou kunnen. overkomen, maar waarvan ze wel een gevoel hadden dat het misschien eens zou kunnen gebeuren. Na afloop van de crematie condoleerde ik zijn vrouw. ‘Hij heeft zo hard geoefend, hele dagen was hij aan het oefenen en dan gebeurt er zo iets. Hoe is dat nou mogelijk? De kinderen vroegen voortdurend: pa hou nou eens op met dat orgelen, we worden er gek van. Maar hij ging maar door, hij bleef maar spelen.’