De beeldvorming en de receptie van ‘de Turk’ in de West-Europese kunst en cultuur vanaf de middeleeuwen tot de Franse revolutie

Het beeld dat wij nu van de Turken bezitten is het gevolg van een lange ontwikkeling waarin vele fluctuaties en verschillende aspecten zijn aan te wijzen. Het Osmaanse rijk heeft vanaf haar eerste manifestaties als een politieke en culturele macht de Westerlingen geïntrigeerd en geboeid. Daarbij hield men lang niet altijd rekening met de realiteit: de mythevorming omtrent het Osmaanse rijk is dan ook sterk geweest. Overheersend was de opvatting van de ‘wrede Turk’, de heidense Moslim, die uit was op de vernietiging van het Christendom en zich als enig doel de verovering en onderdrukking van het christelijke Europa voor ogen gesteld had. Een geheel ander aspect van de beeldvorming, kenmerkend voor de latere periode, is de sprookjesachtige en feeërieke voorstelling, die opgeroepen werd door het hof van de sultan, zijn harem, badhuizen en eunuchen.

Gedurende de Middeleeuwen bezat men wel enige kennis van de Orient, maar deze werd sterk gekleurd door het Christelijk geloof dat naar voren trad in een religieus fanatisme ten tijde  van de Kruistochten. De landen die men op de Kruisvaart bezocht, werden niet diepgaand bestudeerd:  het leren kennen van een vreemde cultuur was immers niet de eerste zorg. Primair was de strijd tegen de Moslims voortvloeiend uit een permanente angst voor de Duivel en de Hel, en de vrije toegang voor de pelgrims tot de heiligdommen in het Heilige Land. Men ontwikkelde een carnavalesk image van de Turk dat gebaseerd was op bijgeloof en fantasie.

Sinds Merovingische tijden werd reeds handel gedreven met het Oosten, de Italiaanse stadsstaten met name Venetië, Genua en de Franse steden Bordeaux en Marseille speelden hierin een hoofdrol. De kruistochten stimuleerden de handel op de Levant die in de 14 e eeuw een hoogtepunt bereikte. Westerse ambachtslieden begonnen Turkse decoraties en dessins te copieren, zonder zich overigens verder te verdiepen in de origine of de eventuele betekenis ervan.  De enigszins ongeïnteresseerde houding werd onderbroken door Marco Polo met zijn reisverslag, maar zijn werk werd pas aan het eind van de 14e eeuw populair. Men fingeerde regelmatig reisbeschrijvingen die vol stonden met wonderlijke bezienswaardigheden zoals men kan lezen in Brunetto’s ‘li Livres dou Tresor’. Aan het begin van de 15e eeuw kan men een toenemende nieuwsgierigheid opmerken en komen Turken als staffagefiguren op schilderijen en als personages in de literatuur sterk naar voren. Vooral in de decoratieve kunst maakte men gretig gebruik van Turkse motieven en versieringen.

In het Renaissancistische Italië waren het vooral de Venetiaanse schilders die Osmaanse beeldelementen benutten. Venetïe was van oudsher het centrum van de handel met de Levant en was dan ook talrijke malen gewikkeld in (handels) oorlogen die af en toe een regelrechte bedreiging van de stad door het Osmaanse leger als gevolg hadden. De Turkse figuren zijn vooral te herkennen aan hun haardracht, hoofdtooi en aan hun kledij. Een Venetiaans schilder, Gentile Bellini, trok in 1479 als eerste Westerse kunstenaar naar Constantinopel om voor sultan Mehmed II te werken. Zijn werk laat citaten uit de Turkse cultuur zien. Zijn leerling Carpaccio schildert vooral fantastische, niet –authentieke Turken.

In de landen ten Noorden van de Alpen had de reisbeschrijving van Bernhard von Breidenbach ‘Peregrinationes in Terram Sanctam’ (1484-85), verlucht met houtsnedes van Erhard Reuwich, veel visueel materiaal voor kunstenaars geleverd. Dürer, die tweemaal naar Venetië gereis is in de jaren 1495 en in 1505 heeft daar kunnen kennismaken met ‘echte’ Turken die hij opvallend veel afgebeeld heeft in zijn houtsnedes en gravures. Vooral de uitbeelding van scenes uit het Nieuwe Testament bleek geschikt voor de verwerking van Turkse figuren: de Drie Koningen voorstellingen laten op dit punt een duidelijke traditie zien.

In de 16e eeuw beleefde het Osmaanse Rijk haar grootste bloeiperiode onder de stimulerende regering van Süleyman de Prachtige. De roem van zijn bestuur strekte zich uit tot ver buiten de grenzen van het rijk en talrijke westerlingen trokken naar de Levant om deze rijke cultuur met eigen ogen te aanschouwen. Zo reisden Pieter Coecke van Aelst in 1533 en Melchior Lorich in 1554 naar Turkije en brachten van hun reizen opvallende realistische afbeeldingen mee die in druk verschenen.

Door de toenemende import van Turkse producten en immigratie van Turkse handwerkslieden naar vooral Venetië, leerde men enkele typisch Turkse technieken kennen zoals het marmeren van papier en het bedrukken van leer.

Aan de bloeiperiode van het Osmaanse Rijk kwam langzaam maar zeker een einde. De slag om Wenen in 1683 betekende een definitieve ommekeer. Osmaanse legers werden vernietigend verslagen. Het was West-Europa duidelijk dat Turkije in militair opzicht niet langer meer het grote gevaar vormde;  dit had ook gevolgen voor de beeldvorming. Alleen in die landen waar men nog lang te maken had met de Turkse dreiging, Oostenrijk en de Donaulanden en de Balkan bleef het negatieve beeld van de wrede Turk lang doorwerken.

De 17e en de 18e eeuw laten een meer positieve houding ten aanzien  van Turkije zien. De militaire dreiging was immers weggevallen en langzaamaan had zich een nieuwe geesteshouding aangekondigd die zou uitmonden in de Verlichting. In Frankrijk werd de studie naar de Arabische cultuur sterk bevorderd door Colbert, de minister van financiën, die de voordelen van een goede kennis van de Orient op waarde wist te schatten. Ook de religie droeg haar steentje bij tot een beter begrip van de Oosterse beschaving: de godsdienstfanatici wilden een juiste kennis van de Islam benutten om deze te kunnen bekritiseren terwijl de meer tolerante geleerden open stonden voor de vernieuwende werking die van een vreemde cultuur uit kan gaan. In de 17e eeuw overheerst over het algemeen nog de afwijzende houding, maar in de 18e eeuw wordt door een enkeling de Turkse beschaving zelfs ten voorbeeld gesteld de verdorven en corrupte Westerse samenleving. De mode van het Exotisme en het Orientalisme is hier onlosmakelijk mee verbonden. De Turkse mode, de turquerie, vormde een essentieel onderdeel van deze stroming. Zij beleefde haar bloeiperiode in de overgang van de 17e naar  de 18e eeuw. Daarna werd zij van haar ‘eerste’ plaats verdrongen door de chinoiserie, maar zij kende in de 18e eeuw nog wel enkele oplevingen.

In de kunsten bleef het fantasiebeeld van de Turk langer door werken dan in de wetenschap: vooral het hof van de sultan met de harem vormde een geliefd thema voor erotische en prikkelende literatuur. De modebewuste adel en bourgeoisie, die zich aangetrokken voelde tot de exotische sfeer, droeg Turkse kledij of kleding met Turkse accenten en bezocht toneelstukken waarin Turken de hoofdrol vervulden.

Aanvankelijk speelden de Osmanen een grote rol in tragedies, maar na de vertaling van de ‘Duizend en Een Nacht’ door Galland in 1704 deden Turkse thema’s hun intrede in de andere genres.

Van groot belang voor het fenomeen van de turquerie waren de bezoeken van de verschillende buitengewone ambassadeurs uit Turkije aan Parijs. In 1669 bezocht Süleyman Müteferrika Lodewijk XIV; dit bezoek heeft talloze schrijvers en kunstenaars geïnspireerd. Molière schreef naar aanleiding van deze gebeurtenis de parodie ‘le Bourgeois Gentilhomme’. Rond deze tijd verscheen ook de tragedie ‘Bajazet’ van Racine die op vele latere Turkse drama’s zijn stempel heeft gedrukt. In de 18e eeuw  werd het voorbeeld van Süleyman gevolgd door vader en zoon Mehmed en Saïd Efendi die respectievelijk in 1721 en in 1741 als ambassadeur naar Parijs reisden. Beide bezoeken hebben veel opzien gebaard en gezorgd voor een opleving van de turquerie. Voltaire schreef naar aanleiding  van het derde bezoek ‘Mahommet’  (1742).

Niet alleen de beeldende kunst en de literatuur laten een beïnvloeding door de Turkse mode zien, ook de muziek bleek ontvankelijk voor exotische elementen. Vooral de opera was geschikt om door middel van zang, muziek, kostumering, decor en toneelspel een overtuigende Turkse sfeer te scheppen. Een hoogtepunt in dit genre wordt gevormd door de opera ‘Die Entführung aus dem Serail’ van Mozart (1781).

‘Trendsetters’ in de turquerie waren de dames aan het Franse hof, met name Mme De Pompadour en Mme Du Barry die zich beide meerdere malen als sultanes hebben laten portretteren. In Engeland werd de Turkse mode gestimuleerd door de vrouw van de Engelse ambassadeur aan de Hoge Porte, Lady Mary Montague.

Verschillende schilders verdienden hun brood met het portretteren van hun opdrachtgevers in Turks kostuum of in een Turkse entourage. De uitbeelding van de ceremonie van het koffiedrinken, dat immers van origine Turkse was, kwam veel voor. Enkele bekende namen in dit genre zijn Jean Etienne Liotard,  bijgenaamd  ‘le Peintre Turc’, Carle Vanloo, Aved, Boucher, Lancret en Huet. Deze schilders zijn, met uitzondering van Liotard, nooit in Turkije geweest. De Levant werd wel bezocht door kunstenaar die meetrokken met de politieke delegaties en voor diplomaten bezienswaardigheden schilderden die later, na terugkeer in het vaderland een visuele bron vormden voor de achtergebleven schilders. De schilder Jean Baptiste Vanmour die meeging met een dergelijke missie bleef in Constantinopel wonen en heeft daar tot zijn dood schilderijen vervaardigd die later verwerkt werden in het ‘Recueil de Cent Estampes’ uit 1707. ( nb. Bewering staven! Opm schrijver 2013 )

Vele schilders  brachten na terugkeer uit Turkije hun werk uit in compendia die veel visueel beeldmateriaal verschaften. De Franse Revolutie die tevens de ondergang betekende van de hofcultuur in Frankrijk heeft een einde aan deze stroom van informatie uit de Levant gemaakt.

Het karakter van de turquerie heeft aan de ene kant een duidelijke frivole rococo -achtige verschijningsvorm; zij past goed in de uitbeelding van de ‘fêtes galantes’ van Watteau en zijn navolgers en in de uitspattingen van de adel die leek te willen vluchten uit de bedreigende werkelijkheid in exotische en oriëntaalse culturen. Aan de andere kant echter is het de Verlichte houding van het voor buitenlandse invloeden ontvankelijke en nieuwsgierige publiek, die een zeer wetenschappelijke benadering van de Orient mogelijk gemaakt heeft en die zo het beeld van de Turk realistischer en genuanceerder heeft gemaakt.

Uit, ‘Turkije, niet zo ver als je denkt’ ,1985, Werkgroep Moderne Turkse Geschiedenis